Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9170

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
K06/1685 + K06/1886
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij beschikking van 9 april 2008 heeft het Gerechtshof te Amsterdam de strafvervolging bevolen van een tweetal artsen en een persoon die zich landelijk profileert als genezend medium (Jomanda) vanwege hun handelwijze met betrekking tot het ziekteproces van de comédienne Sylvia Millecam. Deze is op 20 augustus 2001 overleden aan de gevolgen van onbehandelde borstkanker.

Door de Vereniging tegen de kwakzalverij en de Stichting Skepsis waren op basis van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering klachten ingediend die strekten tot de strafvervolging van deze artsen en Jomanda. Het openbaar ministerie had besloten hun strafzaken te seponeren, aangezien Millecam volgens het openbaar ministerie bewust zou hebben gekozen voor een alternatieve behandeling van haar ziekte, en in die keuze vasthoudend en niet beïnvloedbaar was. Anders dan het openbaar ministerie oordeelt het hof dat bij de besluitvorming van Millecam vraagtekens kunnen worden geplaatst, aangezien er aanwijzingen zijn dat Millecam (ten onrechte) in hoge mate heeft vertrouwd op de mededelingen van deze artsen en Jomanda dat haar aandoening geen borstkanker betrof, maar een bacteriële infectie. De artsen en Jomanda kunnen bovendien naar het voorlopig oordeel van het hof niet onder miskenning van de eigen verantwoordelijkheid verwijzen naar de keuzes van een patiënte indien die patiënte door hen niet juist en volledig is geïnformeerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 255
Wetboek van Strafrecht 257
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 307
Wetboek van Strafrecht 308
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 12
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 192
NBSTRAF 2008/192
GJ 2008/117 met annotatie van F.C.B. van Wijmen
NJ 2008, 599
NJFS 2008, 111

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Beschikking van 9 april 2008 op het beklag met de rekestnummers K06/1685 en K06/1886 van respectievelijk

Vereniging tegen de kwakzalverij,

gevestigd te Amsterdam,

klaagster, hierna: de Vereniging,

gemachtigde: M.A. Westerouen van Meeteren,

advocaat: mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam;

en

Stichting Skepsis,

gevestigd te Utrecht,

klaagster, hierna: de Stichting,

gemachtigde: mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam.

1. Het beklag

Het klaagschrift (met bijlagen) van de Vereniging is op 4 december 2006 door het hof ontvangen. Het klaagschrift (met bijlagen) van de Stichting is op 5 december 2006 door het hof ontvangen en op 12 maart 2007 aangevuld. De beklagen richten zich beide tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen C.J.M. B, wonende te De Meern, J.A.M. K, wonende te Millingen aan de Rijn, en J.W.P. D, wonende te Valkenburg (L.). Het beklag richt zich op vervolging ter zake van mishandeling bij wijze van opzettelijke benadeling van de gezondheid (artikel 300 Sr.) en/of het buiten noodzaak veroorzaken van schade aan de gezondheid en/of een aanmerkelijke kans daarop (artikel 96 Wet BIG). Ter zitting heeft de advocaat van de Vereniging de grondslag van het verzoek uitgebreid tot een vervolging ter zake van zware mishandeling (artikel 302 Sr.).

2. Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 27 april 2007 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven de Stichting niet ontvankelijk te verklaren in het beklag, en het beklag van de Vereniging af te wijzen.

3. De voorhanden stukken

Behalve van de klaagschriften en de daarbij gevoegde bijlagen, en van het verslag van de advocaat-generaal heeft het hof kennis genomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal en van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam van 23 januari 2007. Als bijlage bij de klaagschriften was onder meer gevoegd het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van februari 2004 getiteld “De zorgverlening aan S.M.”, welk rapport hierna ‘het inspectierapport’ wordt genoemd.

4. De behandeling in raadkamer

Nadat de beklagen ter behandeling waren aangebracht op de zitting van 20 juli 2007 is op verzoek van de Vereniging de behandeling van de klaagschriften aangehouden, en zijn de klaagschriften vervolgens aangebracht ter zitting van 30 november 2007.

Het hof heeft op 30 november 2007 de Vereniging in de gelegenheid gesteld het beklag toe te lichten. De Vereniging is, bijgestaan door haar advocaat, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd. Namens de Vereniging waren de heren C.N.M. Renckens, Th.J. Douma en F.S.A.M. van Dam, allen bestuursleden van de Vereniging, en de heer M.A. Westerouen van Meeteren, gemachtigde, bij de behandeling in raadkamer aanwezig.

Het hof heeft op 30 november 2007 tevens de Stichting in de gelegenheid gesteld het beklag toe te lichten. De Stichting is, bijgestaan door mr. I. Mannen, advocaat te Amsterdam, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd. Namens de Stichting waren de heren J.W. Nienhuys, secretaris, en G.J. van ‘t Land, beiden bestuurslid van de Stichting, bij de behandeling in raadkamer aanwezig.

Voorts heeft het hof op 30 november 2007 J.A.M. K, C.J.M. B en J.W.P. D (hierna te noemen respectievelijk: K, B en D) in de gelegenheid gesteld mondeling verweer te voeren. Namens B is daarbij mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden, in raadkamer verschenen. Hij heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen. Namens D is mr. L.J. Benistant, advocaat te Utrecht, in raadkamer verschenen. Hij heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen. K is die dag niet verschenen met bericht van verhindering wegens ziekte.

Het hof heeft op 25 januari 2008 K in de gelegenheid gesteld mondeling verweer te voeren. Namens K is diens gemachtigde mr. H. Anker, advocaat te Leeuwarden, in raadkamer ten overstaan van de raadsheer-commissaris verschenen. Hij heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen. In raadkamer is die dag de Vereniging bijgestaan door mr. Korvinus, en zijn verschenen genoemde heer Van Dam en de heer B. van Dien, (bestuurs)leden van de Vereniging. De Stichting is bij die gelegenheid bijgestaan door mr. I. Mannen. Voorts zijn verschenen genoemde heren Nienhuys en Van ’t Land.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft hij geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5. De ontvankelijkheid van het beklag: de vraag naar het rechtstreekse belang

In de eerste plaats wordt het hof gesteld voor de vraag of de Vereniging en de Stichting bij de toewijzing van hun beklag rechtstreeks belang hebben.

Onder rechtstreeks belanghebbende verstaat de wet in dit verband mede de rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging rechtstreeks wordt getroffen.

Gelet op haar statutaire doel en haar feitelijke werkzaamheden is de Vereniging als rechtstreeks belanghebbende te beschouwen, zodat uit dien hoofde geen beletsel voor ontvankelijkheid bestaat. Van de zijde van K, B en D, noch van de zijde van de advocaat-generaal is hiertegen bezwaar gemaakt.

Dat is anders ten aanzien van de ontvankelijkheid van de Stichting. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de Stichting niet in haar beklag kan worden ontvangen aangezien zij niet als rechtstreeks belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt. B, K en D hebben zich bij dit standpunt aangesloten.

Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

Uit artikel 4 van de statuten van de Stichting blijkt dat zij zich ten doel stelt: de kritische toetsing van pseudowetenschappelijke beweringen en van als paranormaal geduide verschijnselen. Door het geven van voorlichting wil zij tegenwicht bieden aan beweringen die in strijd zijn met algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennis en beginselen.

Uit artikel 5 van de statuten blijkt dat de Stichting dit doel tracht te bereiken door:

- het doen uitvoeren van onderzoek;

- het verstrekken van informatie;

- het uitgeven van een periodiek;

- het organiseren van lezingen en congressen;

- het stimuleren van discussie in pers en andere communicatiemiddelen;

- het verzamelen van materiaal in een documentatiecentrum.

Wat de feitelijke werkzaamheden van de Stichting aangaat, de Stichting geeft uitvoering aan haar doelstelling door het beheren van een website, het geven van voorlichting en het onderwerpen van buitengewone beweringen – onder meer op het terrein van de menselijke gezondheid en geneeswijzen – aan kritische tests. Ten slotte brengt de Stichting reeds twintig jaren een periodiek uit onder de naam ‘Skepter’, waarin de onderwerpen ‘gezondheid’ en ‘geneeswijzen’ een prominente plaats innemen. De Stichting stelt zich kritisch op tegenover beweringen van pseudo-wetenschappelijke aard, dan wel beweringen aangaande als paranormaal geduide verschijnselen op onder meer het medische terrein. Zij beoogt aldus het geloof in de juistheid van dergelijke beweringen tegen te gaan.

In ’s hofs bewoordingen verwijt de Stichting B, K en D door het doen van pseudo-wetenschappelijke mededelingen op medisch terrein, respectievelijk door beweringen omtrent als paranormaal geduide verschijnselen een kankerpatiënte, wier medische historie hierna globaal zal worden besproken, zodanig ontoereikende informatie te hebben verschaft en onjuiste mededelingen te hebben gedaan dat zij zich niet langs regulier-medische weg heeft laten behandelen en zij zich enkel heeft verlaten op de door hen geboden zorg, als gevolg waarvan deze patiënte vroegtijdig en onder erbarmelijke omstandigheden is komen te overlijden. De mededelingen en adviezen van B, K en D spelen volgens de Stichting hierbij een doorslaggevende rol.

De beslissing tot niet vervolging van B, K en D treft een belang, te weten het voorkomen van de kwalijke gevolgen van een ongebreideld of kritiekloos geloof in de juistheid van pseudo-wetenschappelijke of paranormale beweringen en geneeswijzen, zoals tot uitdrukking komend in het handelen van B, K en D, hetgeen door de Stichting blijkens haar taakstelling en feitelijke werkzaamheden metterdaad wordt behartigd. Dat de Stichting dit doel thans mede tracht te bereiken langs de weg van een beoogde strafrechtelijke vervolging, hoewel dit middel niet in haar statuten staat omschreven, doet daaraan niet af.

Daarmee kan zij in deze kwestie eveneens als rechtstreeks belanghebbende worden aangemerkt. Uit dien hoofde kan de Stichting dus – eveneens - worden ontvangen in haar beklag.

6. De ontvankelijkheid van het beklag: de termijn voor indiening

De advocaat van D heeft bovendien aangevoerd dat de klaagschriften, althans het klaagschrift van de Stichting, meer dan drie maanden na de bekendmaking van het sepot zou(den) zijn ingediend, zodat de beklagtermijn zou zijn verstreken en het beklag niet meer rechtsgeldig kan worden gedaan.

Het hof passeert dit verweer. Ten aanzien van B, K en D is ter zake van het overlijden van de hierna te noemen patiënte nimmer voorlopige hechtenis gevorderd, noch is tegen hen te dier zake een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld. Aan B, K en D is dan ook geen ‘kennisgeving van niet verdere vervolging’ in de zin van de artikelen 244 e.v. Sv betekend. De beklagtermijn van artikel 12l, lid 2 Sv, waaraan de advocaat van D kennelijk refereert, is dan ook niet van toepassing. Voor het indienen van het onderhavige beklag is geen termijn voorgeschreven. Het beklag is dus tijdig gedaan.

7. De feiten die uitgangspunt zijn voor de beoordeling van het beklag

Bij de beoordeling van het beklag heeft het hof de volgende feiten en omstandigheden tot uitgangspunt genomen.

Hieronder zal de patiënte, M, ook in citaten, als ‘M’ worden aangeduid.

M heeft zich op 22 september 1999 vervoegd bij haar huisarts vanwege een knobbeltje in de rechterborst. De huisarts voelde op die plaats een zwelling van één à anderhalve centimeter. Hij heeft M naar de afdeling radiologie van een ziekenhuis verwezen, alwaar diezelfde dag een mammogram en een echogram zijn vervaardigd. Het resultaat werd als “aspecifiek” bestempeld en M is geadviseerd een chirurg te consulteren. De huisarts heeft met dat doel voor haar een afspraak gemaakt bij de polikliniek chirurgie van een academisch ziekenhuis, op welke afspraak M evenwel niet is verschenen.

Op enig moment in september of oktober 1999 heeft M de haar reeds bekende K geraadpleegd. K is arts en voert praktijk in zijn medisch centrum, waar de door hem verleende zorg naar zijn zeggen het midden houdt tussen reguliere en alternatieve geneeskunde. K heeft een zwelling in de rechterborst van M – zoals dat heet - gepalpeerd en heeft electro-acupunctuur toegepast. Omtrent de bevindingen van K en het door hem naar aanleiding daarvan gegeven advies lopen de lezingen uiteen. K heeft verklaard dat hij M heeft geadviseerd een punctie te laten verrichten. Een medewerkster van K heeft evenwel verklaard dat K aan M zou hebben meegedeeld dat er niets aan de hand was.

Tot mei 2000 heeft zich niets relevants voorgedaan. De partner van M heeft verklaard dat M hem in die periode geen mededelingen heeft gedaan over een zwelling in haar rechterborst.

Op 11 mei 2000 heeft M de plastisch chirurg geraadpleegd die enige jaren daarvoor borstprotheses had aangebracht. Deze chirurg constateerde een zwelling in de rechterborst ter grootte van drie à vier centimeter. Een andere chirurg is er onmiddellijk bijgeroepen, waarna er een punctie is verricht. Naar aanleiding van het resultaat van die punctie, dat diezelfde dag beschikbaar is gekomen, werd als diagnose gesteld: een adenocarcinoom, een in de borst voorkomende vorm van kanker. M is een behandelingsvoorstel gedaan, onder meer inhoudende een operatie, gevolgd door onder meer chemotherapie. Daarop wilde M bedenktijd en een ‘second opinion’. Bij latere telefonische contacten tussen deze artsen en M, maakte M kenbaar te twijfelen aan de diagnose die door hen was gesteld.

Op 8 juni 2000 consulteerde M op advies van haar huisarts en bij wijze van ‘second opinion’ een hoogleraar oncologische chirurgie van een academisch ziekenhuis. Lichamelijk onderzoek wees uit dat naar diens opvatting sprake was van een ‘local advanced breast cancer’ met kans op uitzaaiingen. De die dag uitgevoerde mammografie en echografie gaven het beeld van een tumor van minstens 5 cm. De hoogleraar-chirurg verwees M voor nader onderzoek door naar een internist-oncologe die aan hetzelfde ziekenhuis was verbonden. Dit consult vond plaats op 16 juni. Een bot- en leverscan gaven geen aanwijzingen voor metastasen op afstand. De oncologe constateerde een tumor in de rechterborst, ter grootte van 7 – 8,5 cm.

Zowel de hoogleraar oncologische chirurgie als de internist-oncologe hebben uitgebreid met M gesproken over de wijze waarop de tumor in hun visie behandeld diende te worden. Voor- en nadelen van de behandeling zijn aan de orde gekomen, evenals de prognoses van genezing, levensverlenging en overlijden. M toonde zich terughoudend ten aanzien van een reguliere behandeling en zag naar haar zeggen zeer op tegen chemotherapie.

Een afspraak voor 19 juni 2000 werd door M telefonisch afgezegd met de mededeling dat zij had gekozen voor een alternatieve behandeling in Zwitserland.

Diezelfde dag had M nog wel een gesprek met een oncologisch-chirurg van een gespecialiseerd instituut. Hij heeft met M gesproken over diverse mogelijkheden van behandeling van de bij M geconstateerde tumor, de voor- en nadelen daarvan en over de met een en ander samenhangende prognoses. Van het aanbod tot een vervolgconsult heeft M geen gebruik gemaakt. Zij heeft de oncologisch-chirurg telefonisch te kennen gegeven zich alternatief te laten behandelen in Zwitserland.

M heeft zich in het voorjaar van 2000 gewend tot de haar bekende D. D etaleert zich onder de naam ‘Jomanda’ landelijk als een genezend medium. M, dan wel ten behoeve van haar een bevriende relatie, heeft met enige regelmaat de ‘healings’ van D bezocht. M hechtte sterk aan D en de door haar ‘door’-gegeven boodschappen.

Bij een eerste bezoek van M aan D kreeg D de boodschap ‘door’ dat er een relatie bestond tussen de fysieke klachten en iets dat 12 jaar daarvoor had plaatsgevonden. Dit zouden volgens M de borstimplantaten kunnen betreffen, waarop D van oordeel was dat zij dienden te worden verwijderd.

Gedurende vrijwel de gehele hieronder beschreven periode heeft M nauwe contacten onderhouden met D. D heeft M bij diverse gelegenheden te kennen gegeven dat M geen kanker had en dat zij zich moest laten behandelen voor een infectie.

Via D is M in contact gekomen met een orthomoleculaire arts, die haar evenwel doorverwees naar het reguliere circuit. Vervolgens heeft M op aanraden van D een internist, dr. D, bezocht die (tevens) als alternatief geneeskundige werkzaam was in een eigen praktijk. Het bezoek van M aan dr. D vond (evenals het bezoek aan het hiervoor genoemde gespecialiseerde instituut) plaats op 19 juni 2000. Hoewel de diagnose door M niet ter discussie werd gesteld, gaf M tegenover dr. D aan dat zij zich niet kon vinden in de behandelingsvoorstellen, waarvan met name het onderdeel chemotherapie. M vroeg aan dr. D welke behandelingsmogelijkheden er waren. M overwoog om zich te laten behandelen in een alternatieve kankerkliniek in Zwitserland, die magneetveldbestraling toepast.

Bij dit gesprek met dr. D zou ook een medisch-paragnost aanwezig zijn geweest. Deze heeft hieromtrent meegedeeld dat hij bij die sessie veel angst zag bij M. Hij heeft aanwijzingen ‘waargenomen’ dat de siliconenimplantaten waren gaan lekken. Hij nam voorts een aanwijzing waar dat er sprake was van een ontsteking. Hij nam geen kanker waar, en heeft dat laatste ook meegedeeld.

Omstreeks juli 2000 heeft M gedurende vijf weken in Zwitserland een zogeheten Zoetron-therapie met magneetveldtherapie ondergaan. Haar klachten namen daardoor niet af. De eerste week is M hierbij begeleid door D.

Na terugkeer werden de consulten bij dr. D in aanwezigheid van D voortgezet. D keerde zich telkenmale tegen operaties met de mededeling dat zij als boodschap ontving dat er niet gesneden moest worden in het lichaam van M. D verwoordde de aandoening als een ‘bacteriële infectie’.

In september van dat jaar heeft M onder meer een zouttherapie ondergaan en echografie laten plaatsvinden bij een echografiepraktijk. Bij die echo werd een tumor met een omvang van 5 tot 6 cm gezien. De zouttherapeut raadde M aan zich naast de haar geboden alternatieve wijze van behandeling tevens regulier te laten behandelen.

M bleef in deze periode contact onderhouden met D, dr. D en de medisch-paragnost.

Op 3 oktober 2000 had M een uitvoerig gesprek met een hoogleraar oncologie, die zich in de medische literatuur onder meer sterk had gemaakt voor een bezinning op de belevingsaspecten van de kankerpatiënt. Tegenover deze hoogleraar liet M weten dat zij geen kanker had en aan een bacteriële infectie leed. M wilde geen chemotherapie ondergaan. De enkele aanblik van de ontblote rechterborst overtuigde deze hoogleraar evenwel van de aanwezigheid van een borsttumor in een verder gevorderd stadium. Hij herkende in M, die de realiteit ontkende, reactiemechanismen die menselijkerwijze verklaarbaar zijn en vaker worden gezien bij kankerpatiënten. Aan de verwijzing naar een oncologisch chirurg in het eerdergenoemde gespecialiseerde kankerinstituut gaf M geen gevolg.

Op 25 oktober 2000 heeft er in aanwezigheid van M en haar partner een sessie plaatsgevonden in de praktijk van dr. D. Daarbij waren bovendien onder meer D, de genoemde medisch-paragnost en de genoemde zouttherapeut aanwezig. Hoewel de beschrijvingen over deze sessie variëren van ‘brainstormen’ tot het vaststellen van oorzaak en therapie, zijn er sterke aanwijzingen dat in deze sessie aan de hand van de mededelingen van de medisch-paragnost en D is gezocht naar alternatieve geneesmiddelen voor de behandeling van een bacteriële infectie. Dr. D weersprak deze diagnose niet.

Na een nieuwe echo in de echografiepraktijk (23 november 2000) bleek de tumor inmiddels een omvang te hebben van meer dan 10 cm in doorsnee. Volgens de echografiste maakte M een angstige indruk en ontliep zij de werkelijkheid.

M beëindigde hierna de zouttherapie.

Dr. D heeft M voorts nog verwezen naar een plastisch chirurg om nader onderzoek te laten doen. M heeft deze plastisch chirurg op 5 december 2000 bezocht. De plastisch chirurg schatte de omvang van de tumor op 15 bij 10 cm. Tot het ondergaan van een punctie was (de sterk vermagerde) M volgens deze chirurg niet genegen, aangezien het volgens haar – op basis van mededelingen van onder meer D – geen kanker (meer) betrof, doch (enkel nog) een bacteriële infectie.

Op advies van een helderziende heeft M contact opgenomen met de alternatieve arts B, bij wie zij zich van 12 december 2000 tot 14 mei 2001 onder behandeling heeft gesteld. B gebruikt een zogeheten Vega-test (de ‘vegetatieve reflextest’) als diagnostisch hulpmiddel, en schrijft homeopathische geneesmiddelen, kruiden en sporadisch orthomoleculaire middelen voor ter behandeling van zijn patiënten, onder wie kankerpatiënten. B heeft, ook naar eigen zeggen, M enkel behandeld ter bestrijding van een bacteriële infectie. De lezingen lopen uiteen over de vraag of hij tevens heeft meegedeeld dat hij na toepassing van de Vega-test “geen kanker” heeft geconstateerd, en hij ook overigens heeft volgehouden dat M slechts voor een bacteriële infectie behandeld hoefde te worden, dan wel (zijn eigen lezing) dat hij voor de bestrijding van kanker M heeft terugverwezen naar de reguliere artsen en zelf in samenspraak met M slechts de ‘secundaire’ bacteriële infectie zou behandelen.

De ‘healings’ van D (mede) ten behoeve van M gingen in deze periode onverminderd voort. M werd door D bij gelegenheid van deze ‘healings’ (waarbij M veelvuldig werd vertegenwoordigd door een vriendin) telkens ingedeeld bij de patiënten met een bacteriële infectie, en niet bij de kankerpatiënten. Indien M bij de betreffende ‘healing’ niet aanwezig was, werd M zulks meegedeeld door de vriendin.

Na beëindiging van de behandeling bij B heeft M zich in mei 2000 opnieuw gewend tot K. Zij heeft een kamer betrokken in het medisch centrum dat door K wordt gedreven en zich gesteld onder zijn zorg. Vanaf dat moment heeft zij een intensieve magneetveldtherapie ondergaan met behulp van een magneetveldapparaat dat K betrekkelijk kort daarvoor had verworven. De handelingen die vereist zijn voor magneetveldtherapie heeft M in de meeste gevallen zelf verricht. De medische toestand van M werd door K met enige regelmaat onderzocht met behulp van electro-acupunctuurmetingen en donkerveldmicroscopie. Ter bestrijding van de pijn gebruikte M (op eigen initiatief) enkel paracetamol. Volgens K heeft hij haar homeopathische geneesmiddelen en ‘herbalife’-voedingssupplementen voorgeschreven.

De reeds ernstig verzwakte M is in deze periode zienderogen achteruit gegaan. Zij was ernstig vermagerd, leed aan oedeem en ernstige dyspnoe (ademhalingsproblemen) en moest bij het lopen, indien al mogelijk, haar vanwege het abces extreem gezwollen, ontstoken rechterborst ondersteunen. Vanwege de pijn had zij langere tijd (vrijwel) niet geslapen.

Op 14 augustus 2001 heeft K een huisarts (niet de eerder genoemde huisarts van M) verzocht M te bezoeken op haar kamer in zijn medisch centrum. Deze huisarts heeft naar zijn zeggen tot zijn onthutsing een ‘slecht nieuws’-gesprek moeten voeren met M en haar partner. Hij stelde vast dat M’s ziekte verkeerde in een terminale fase en dat zij zich daarvan niet bewust waren.

Vervolgens is M overeenkomstig haar wens op 17 augustus 2001 opgenomen in een nabijgelegen academisch ziekenhuis. De aan dat ziekenhuis verbonden oncoloog constateerde een vergevorderd stadium van een gemetastaseerd mammacarcinoom met een vaste tumormassa in de gehele rechter thoraxhelft. De M geboden behandeling was hooguit palliatief, hoewel de mogelijkheden daartoe vanwege de slechte fysieke conditie van M beperkt waren.

Op 20 augustus 2001 is M. op 45-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van (onbehandelde) borstkanker.

8. De wettelijke grondslag van een eventuele strafvervolging

Klagers hebben met het oog op de door hen gewenste strafvervolging van B, K en D gewezen op de volgende wettelijke strafbepalingen van het Wetboek van Strafrecht (Sr):

- de artikelen 307 en 308, die strafbaar stellen - kort gezegd - degene aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, onderscheidenlijk degene aan wie te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt,

- de artikelen 255 en 257, waarin strafbaar is gesteld degene die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengt of laat, en welke in artikel 255 opgenomen strafbedreiging wordt verzwaard indien dit misdrijf zwaar lichamelijk letsel of de dood tengevolge heeft,

- de artikelen 300 en 302, die mishandeling en zware mishandeling strafbaar stellen, met dien verstande dat met mishandeling gelijk wordt gesteld ‘de opzettelijke benadeling van de gezondheid’, en waarbij de strafbedreiging wordt verzwaard indien het eerstgenoemde misdrijf zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft, alsmede indien het een en ander de dood tengevolge heeft.

Wat betreft de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is relevant artikel 96, waarin als overtreding strafbaar is gesteld – kort gezegd – de niet-geregistreerde of de niet-gekwalificeerde persoon die bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt, en waarin een zwaardere strafbedreiging wordt gesteld indien die persoon weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat hij schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt.

Aangezien de besproken gedragingen van B, K en D niet in een andere periode (kunnen) hebben plaatsgehad dan voorafgaande aan het overlijden van M op 20 augustus 2001 en het openbaar ministerie ter zake geen ‘daden van vervolging’ in de zin van artikel 72 Sr heeft verricht, is de verjaring ingetreden van het recht tot strafvervolging wegens handelen of nalaten van genoemde B, K en D indien en voor zover dat handelen of nalaten uitsluitend valt binnen het bereik van de Wet BIG, de artikelen 307 en 308 Sr (ongeacht toepasselijkheid van de in artikel 309 Sr voorziene strafverzwarende omstandigheid), en/of de artikelen 255 en 300 lid 1 Sr, voor zover de in artikel 257 Sr respectievelijk de leden 2 en 3 van artikel 300 Sr voorziene strafverzwarende omstandigheden buiten toepassing (dienen te) blijven.

Het hof ziet zich om die reden enkel gesteld voor de vraag of er voldoende – een strafvervolging rechtvaardigende - aanwijzingen zijn dat de gedragingen van B, K en D kunnen worden aangemerkt als:

- de opzettelijke benadeling van de gezondheid (mishandeling), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel dan wel de dood tengevolge heeft (artikel 300, leden 2, 3 en 4 Sr),

- het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (artikel 302 Sr), al dan niet terwijl dat feit de dood tengevolge heeft, en/of

- het opzettelijk in een hulpeloze toestand brengen of laten van iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel dan wel de dood ten gevolge heeft (artikel 255 jo 257 Sr).

9. Het beoordelingskader

Vooropgesteld zij dat in een door klagers verlangde strafrechtelijke vervolging van B, K en D geen ruimte is voor een rechterlijke beoordeling in algemene zin van het nut of de risico’s van methoden, geneeswijzen of medische therapieën die een – zoals dat heet – “alternatief” karakter dragen. Aan de beslissing van het hof behoren dan ook niet meer of andere conclusies te worden verbonden dan door de handelwijze van betrokkenen tijdens het ziektebeloop van M worden gerechtvaardigd.

De Wet BIG geeft eenieder de vrijheid om ten behoeve van de bestrijding van zijn of haar medische klachten raad en bijstand te zoeken bij degene van wie hij of zij adequate gezondheidszorg verwacht, ongeacht of die zorg gestoeld is op ‘evidence based medicine’ (“reguliere” medische wetenschap), dan wel op alternatieve methoden van tot genezing, verlichting of begeleiding strekkend handelen. Binnen de door de wet getrokken grenzen mag aan de hulpzoekende voor zover verantwoord door eenieder alternatieve zorg worden geboden ter bestrijding of verlichting van de kwaal waarvoor een hulpvraag is geformuleerd.

De wet geeft voorrang aan het zelfbeschikkingsrecht van de goed geïnformeerde patiënt. Dat wil echter niet zeggen dat de arts of degene die individuele gezondheidszorg verleent geen verdere verantwoordelijkheid draagt. Indien hem gevraagd wordt inzicht te verschaffen in de beweegredenen voor zijn keuze voor de toepassing van een bepaalde methode van diagnostiek of therapie kan de arts of zorgverlener niet enkel volstaan met te verwijzen naar de door de patiënt geuite wens.

Die verantwoordelijkheid van de arts of deze zorgverlener komt in het bijzonder tot uitdrukking in de zorgvuldigheidsnormen die jegens de patiënt in acht moeten worden genomen, zoals in de eerste plaats de plicht om naar zijn beste kunnen de juiste diagnose te stellen en de plicht tot het verstrekken van juiste en volledige informatie, een en ander voor zover de arts of zorgverlener verondersteld mag worden met die informatie bekend te zijn. De arts of deze zorgverlener moet de patiënt derhalve zo nodig wijzen op de (beperkte) mogelijkheden, effectiviteit en de risico’s van door de hem gebruikte diagnostische middelen, de door hem voorgeschreven medicatie, en toegepaste therapie. De arts of deze zorgverlener dient de patiënt bovendien bekend te maken met de aan een en ander verbonden prognoses, en voor zover relevant de patiënt voorhouden dat de genezende of verlichtende werking van bepaalde medicatie of de doeltreffendheid van een therapie (vooralsnog) niet deugdelijk is aangetoond. Het spreekt voor zich dat de arts of zorgverlener geen overspannen verwachtingen of valse hoop mag wekken.

In de tweede plaats zal de arts of zorgverlener de patiënt niet slechts hebben te informeren over andere adequate mogelijkheden van diagnostiek en therapie. Hij zal de patiënt zonodig tijdig moeten verwijzen naar een (andere) reguliere arts ingeval naar de heersende stand van de medische wetenschap adequate diagnostiek of effectieve therapie voorhanden is die niet door de betreffende arts of zorgverlener kan of mag worden geboden.

Een (ernstige) verwaarlozing van deze zorgplichten, in het bijzonder in het geval zulks heeft geleid tot schade, lichamelijk letsel of de dood, kan het handelen of nalaten van een arts binnen het bereik van het medisch tuchtrecht brengen – zoals ten aanzien van twee van de beklaagden tevens arts ook is geschied - , terwijl iedere zorgverlener binnen het kader van het strafrecht ter verantwoording kan worden geroepen. Thans is alleen dat laatste aan de orde.

10. De behandelrelatie tussen enerzijds M en anderzijds B, K en D

In dit verband is van belang om vast te stellen dat zowel K, B als D zich – al dan niet voortspruitend uit vriendschappelijke betrekkingen – ieder voor zich jegens M hebben opgesteld als medisch deskundige, arts, zorgverlener en/of behandelaar en dat M zich in die hoedanigheid aan hen heeft toevertrouwd. Uit dien hoofde rustte op hen een bijzondere verantwoordelijkheid voor de in dat kader gegeven adviezen of gedane mededelingen.

Voor - de artsen - K en B spreekt dit van zelf. M heeft zich tot hen gewend in de wetenschap dat zij (tevens) gekwalificeerd waren als arts; zij profileerden zich bovendien tegenover haar als (voldoende) deskundig om te beoordelen welke aandoening de oorzaak was van de door M verwoorde klachten.

Voor D geldt dat zij geen arts is en zij ook anderszins geen opleiding op het terrein van de gezondheidszorg heeft genoten. Zij heeft zich desalniettemin – ook jegens M – voorgedaan als genezend medium dat zich op het terrein van de gezondheidszorg bezig hield (houdt) met het (door)geven van ‘boodschappen’ uit ‘een andere wereld’. Daaraan kende M veel waarde toe. Van dat laatste was D zeer wel op de hoogte, evenals zij bekend was met het vertrouwen dat door M in haar werd gesteld. Bovendien was zij op de hoogte – of kon zij redelijkerwijze worden verondersteld dat te zijn, gelet op haar ervaringen met ziektes en haar contacten in het medische circuit – van de ernst van een aandoening als borstkanker, die naar algemeen bekend is levensbedreigend is en, bij behandeling in een vroeg stadium, een grote kans op genezing biedt.

11. De grond voor het sepot: eigen schuld en het zelfbeschikkingsrecht van M

Het openbaar ministerie heeft na uitgebreid opsporingsonderzoek besloten niet tot strafvervolging over te gaan van hen wier vervolging thans door klagers wordt verlangd. Ter motivering van die beslissing heeft het openbaar ministerie gewezen op de voortdurende afkeer die M zou hebben getoond van het behandelplan (combinatietherapie) dat haar door de reguliere artsen werd aangeboden, en haar consistente keuze voor alternatieve geneeswijzen.

Het hof overweegt als volgt. Juist is dat M een voorkeur koesterde ten gunste van de alternatieve diagnostiek en therapie, en zich minder ontvankelijk toonde voor hetgeen de reguliere geneeskunde haar te bieden had. Zij heeft vasthoudendheid betracht wat betreft haar hoop op genezing met behulp van medicatie en therapieën waarvan de werking met het oog op de bestrijding van haar ziekte (vooralsnog) nimmer wetenschappelijk was en is aangetoond.

M is verscheidene malen door reguliere artsen voorgehouden wat naar de inzichten van de medische wetenschap de aard van haar kwaal was. Met haar is besproken welke therapieën (radiotherapie, chemotherapie, hormoonbehandeling, operatief ingrijpen) zij successievelijk zou moeten ondergaan ter vergroting van de kansen op genezing of ter verlichting van de gevolgen van de tumor.

Een en ander acht het hof evenwel niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of K, B en/of D één of meer van de door hen in acht te nemen zorgplichten (ernstig) hebben verzaakt. De keuze van M zich met voorbijgaan aan effectief gebleken therapieën te verlaten op hun adviezen en mededelingen laat immers onverlet dat zij – gelijk eenieder die een patiënt in behandeling neemt - verantwoordelijk zijn voor de deugdelijkheid van de door hen aangeboden gezondheidszorg. Dat het onverstandig is om bepaalde (medische) adviezen op te volgen of geloof te hechten aan bepaalde mededelingen kan niet met vrucht worden ingeroepen door degenen die als behandelaar deze adviezen hebben verstrekt of deze mededelingen hebben gedaan, zeker niet als zij onder de maat zijn.

Daar komt nog het volgende bij. Patiënten die lijden aan een (potentieel) levensbedreigende ziekte zijn nogal eens geneigd open te staan voor al hetgeen (valse) hoop biedt en te vertrouwen op diegene die hun genezing in het vooruitzicht stelt. Dat legt op de desbetreffende behandelaar een bijzondere verantwoordelijkheid, aangezien zijn adviezen in hoge mate invloed (kunnen) hebben op de door deze patiënt gemaakte keuzes. Die bijzondere verantwoordelijkheid doet zich met name gelden in een situatie waarin de patiënt, gevangen in het uitzichtloze perspectief van zijn ziekte, extra gevoelig blijkt voor opvolging van de gegeven adviezen. Het gaat dan niet aan om de vanuit die kwetsbare situatie gemaakte keuze aan te merken als ware die in volle vrijheid gemaakt. Een in die situatie gemakkelijk te beïnvloeden keuze staat haaks op een vrije ontplooiing van het zelfbeschikkingsrecht.

Het ontkennen van rechtens relevante verantwoordelijkheid met een beroep op het zelfbeschikkingsrecht van M kan in dit verband alleen slagen indien moet worden aangenomen dat M juist en volledig is geïnformeerd over de effectiviteit van de toegepaste diagnostiek, de behandelmogelijkheden en daaraan verbonden prognoses, en M vervolgens op basis daarvan een afgewogen beslissing heeft genomen. De zorgplichten van de behandelaar om de patiënt (i) te voorzien van juiste en volledige informatie, en (ii) zo mogelijk en zo nodig te verwijzen naar andere adequate diagnostiek, medicatie en therapieën, strekt er met andere woorden toe een volwaardige uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt in volle omvang mogelijk te maken.

Naar ’s hofs hieronder nader te motiveren oordeel zijn er aanwijzingen dat B, K en D in de nakoming van hun zorgplichten ernstig tekort zijn geschoten. Met name geldt dit voor:

(1) de medisch onjuiste betekenis die door B en K is toegekend aan de resultaten van de door hen toegepaste diagnostiek met het oog op de vaststelling van aan- of afwezigheid van borstkanker;

(2) de stelligheid waarmee de mededelingen door D zijn gedaan, waardoor M van het reguliere circuit werd afgehouden, terwijl zij geweten moet hebben dat er ook een grote kans bestond dat M aan borstkanker leed en dat aan een niet-reguliere behandeling daarvan ernstige risico’s waren verbonden;

(3) het door B en K verzwijgen van de ontbrekende, althans onbewezen effectiviteit van de door hen toegepaste therapie en voorgeschreven medicatie voor zover gericht op de bestrijding van (de gevolgen van) borstkanker;

(4) het achterwege laten van het benadrukken van het belang van een verwijzing naar reguliere artsen, gegeven dat de door B en K voorgeschreven medicatie en toegepaste therapie – ook naar eigen zeggen – nimmer deugdelijk aantoonbaar genezing van borstkanker hebben teweeggebracht, en

(5) ten aanzien van K: het achterwege laten van het (tijdig) inroepen van adequate medische hulpverlening gedurende de periode waarin M in zijn praktijk verbleef en K ook daadwerkelijk met de achteruitgang in de fysieke toestand van M en haar lijden zichtbaar werd geconfronteerd.

Indien de hier bedoelde aanwijzingen hout snijden is M apert onjuist geïnformeerd, waarbij door de hulpverleners misbruik is gemaakt van de weifelachtige houding van M en haar uitzichtloze situatie, zodat een beroep op het zelfbeschikkingsrecht van M niet kan opgaan. Het hof acht de motivering die het openbaar ministerie aan het sepot ten grondslag heeft gelegd niet toereikend.

12. Beoordeling van de noodzaak van de gewenste vervolging

Zoals hieronder zal blijken, zijn er goede redenen om – vooralsnog - aan te nemen dat B, K en D ieder voor zich en zulks gedurende een zekere/langere periode significant hebben bijgedragen aan het postvatten en instandhouden van de voor hen kenbaar onjuiste gedachte dat zij, M, niet (meer) lijdende was aan borstkanker maar aan een bacteriële infectie in de rechterborst, dat enkel de laatstgenoemde aandoening diende te worden bestreden en dat volledige genezing aldus mogelijk was. Zij hebben zodoende bovendien, wetende van de door reguliere artsen gestelde diagnose (borstkanker), ieder voor zich en gedurende een zekere/langere periode bijgedragen aan het – misplaatste - ontzenuwen van de waarschuwingen van reguliere medici.

Of M (mede) als gevolg daarvan die waarschuwingen van reguliere artsen in de wind heeft geslagen komt hieronder nog aan de orde. De afkeer van een reguliere therapie die M ten toon zou hebben gespreid is – naar het zich in het kader van deze procedure laat aanzien – overigens niet zo diepgaand als bij de behandeling van het beklag wel naar voren is gebracht. Vanwege – naar verluidt - de fatale gevolgen van een chemokuur die de vader van M zou hebben ondervonden, wilde M inderdaad onder geen beding een chemotherapie ondergaan. Tegen andere therapieën stond M niet, althans niet consistent afwijzend, getuige enkele mededelingen van M die zij jegens haar naasten had geuit. Zij heeft, reeds vanaf het begin, meermalen reguliere specialisten geconsulteerd, zij het dat zij klaarblijkelijk meer waarde toekende aan de adviezen en mededelingen van onder meer B, K en D en – naar het voorlopig oordeel van het hof: om die reden - de noodzaak van een reguliere behandeling van haar aandoening als borstkanker niet inzag.

B

Van 12 december 2000 tot en met 14 mei 2001 heeft B M als patiënt in behandeling genomen. B verklaarde hierover tegenover de politie:

“Ze kwam bij me en zij vertelde dat ze gediagnosticeerd was voor kanker. Er was een punctie verricht in een ziekenhuis, ik weet niet meer in welk ziekenhuis kanker werd vastgesteld. (…). Bij onderzoek zag ik dat zij een grote tumor had, een grote schijf, een zoutkoepel. De borst was plankhard. Ik heb besproken dat zij een vrij ernstige vorm van kanker had. Ik vertelde haar dat ik mogelijk iets kon doen. Ik besloot in overleg met M een vegatest te doen, aangevend dat het een test is die niet in de reguliere geneeskunst wordt onderbouwd. Die test heb ik toen uitgevoerd. Daar kwam uit dat er kanker was. (…). Daarnaast vond ik in het kankergezwel een infectie, een E.coli infectie. Aan de hand van deze bevindingen, het borstonderzoek en de anamnese kwam ik tot de diagnose, kortweg gezegd een ernstige borstkanker met als complicerende factor een E.coli ontsteking. Ik heb dat zo verteld (…). Ik heb gezegd dat ik die E.coli infectie er in zes weken uit zou hebben. Dan zou er minder druk, zwelling en pijn aan de borst zijn. Daar heb ik toen middelen voor meegegeven, Zywuth en Protexa. Dat zijn ontstekingsremmers voor E.coli ontstekingen. Mijn advies was toen dit zes weken te gebruiken en dan terug te komen en te zien of de borst beter was geworden. Ik heb toen ook gezegd dat M naar een chirurg moest voor operatie. (…). Ik heb dat duidelijk en krachtig geadviseerd. (….). Na die zes weken was de bacteriële infectie weg. Ik heb toen een verwijsbrief geschreven voor verdere behandeling.”

B verklaarde verder dat hij M is blijven zien omdat de chirurg haar niet wilde opereren ondanks het feit dat M daartoe een chirurg zou hebben geconsulteerd. Ter adstructie heeft B de door hem opgestelde patiëntenkaart getoond.

De door B opgemaakte patiëntenkaart maakt onder meer melding van:

“kankeractiviteit”,

“diagnose: ernstig adenocarcinoom re mamma”,

“advies: (…) daarna opnieuw naar oncoloog/chirurg”,

“19-02-01 steeds meer pijn…. Hopeloze impasse”,

alsmede

“26/2 chirurg weigert medewerking”.

Indien deze lezing van B een juiste weergave van de werkelijkheid zou zijn, treft hem niet het verwijt dat hij de hiervoor geformuleerde zorgplichten zou hebben genegeerd. Er zijn evenwel verklaringen die in een andere richting wijzen en naar ’s hofs oordeel een nader rechterlijk onderzoek rechtvaardigen.

In de eerste plaats hebben diverse personen uit de naaste omgeving van M verklaard dat M tegenover hen mededelingen heeft gedaan van de strekking dat B had vastgesteld dat zij, M, geen kanker had doch slechts een bacteriële infectie die behandeld moest worden en genezen kon worden. M was mede op basis van de mededelingen van B ervan overtuigd geraakt dat de reguliere artsen zich in de door hen gestelde diagnose van borstkanker (schandelijk) hadden vergist.

De partner van M, die telkens aanwezig was bij de consulten, heeft als volgt verklaard:

“Dr. B maakte op mij de indruk als een echte arts (..). Toen we daar waren was dr. B er, M en ik. Verder niemand anders. (…). We hebben volgens mij alles verteld, dat er kanker gediagnosticeerd was en welke artsen we bezocht hebben, wat ze gedaan hadden, dat soort zaken. Toen we dat doorgenomen hadden deed dr. B een magnetische test. M kreeg twee metalen buisjes in beide handen die verbonden waren met een elektromagnetisch apparaat. Daarnaast had dr. B een box met allerlei ampullen. Die gebruikte hij als referentiemiddel. (…). Toen dat onderzoek was uitgevoerd hoorde ik dr. B op een rustige ietwat terughoudende, gedecideerde wijze zeggen: “Ik constateer geen kanker.” Ik herinner me dat goed. Voor ons was dat een bevestiging dat we op de goede weg waren. We hoopten natuurlijk dat het een bacteriële infectie zou zijn. (…). We bespraken een behandelplan. Dr. B gaf medicijnen mee. Dat waren ontstekingsremmers. Ze kreeg ook pijnstillers. Het waren homeopathische geneesmiddelen.”

Vervolgens heeft de partner van M verklaard over een later consult:

“Er zijn geen andere medische handelingen verricht. Ik herinner me dat hij op het laatst nog heeft geprobeerd het vocht eruit te halen. Dat had hij ook gezegd. Hij deed dat met een injectienaald. Er kwam alleen wat pus en bloed uit. Het hielp alleen niets. (…).

Bij de vervolgconsulten herinner ik me wel dat dr. B vaker zei dat het abces operatief verwijderd moest worden. Hij verwees dan niet door. (…). Hij bleef volhouden dat de infectie bestreden moest worden. (…). De testen van dr. B echter, die hij iedere keer deed als we kwamen, met de buisjes, wezen uit dat er geen kanker was. Dat zei hij ook steeds. (…). Als die biotensor uitsloeg bij de borst van M hield hij hem boven een bak met allerlei stoffen en zei bij iedere stof die hij aanwees, “nee, niet aanwezig” en “geen kanker, geen kanker” en dat herhaalde zich dan.”

Op de vraag of B heeft gezegd de bacteriële infectie (abcessen) te willen genezen en de kankerbehandeling aan de chirurg over te willen laten, antwoordde de partner van M:

“Dat is absolute onzin, dat hebben wij nooit gehoord, niet één keer.”

De huisarts van M heeft op enig moment van M een brief ter inzage gehad, afkomstig van B. Het door de inspecteur voor de gezondheidszorg opgemaakte verslag van een gesprek met de huisarts vermeldt het volgende over deze brief:

“Deze brief was door B aan patiënte meegegeven, aan haarzelf overlatend om deze aan haar huisarts te overhandigen. De huisarts is stellig dat B in de brief een bacteriële infectie als diagnose vermeldde; niettemin was de behandeling niet gelukt en patiënte werd terugverwezen naar de huisarts. M is bijna een half jaar onder behandeling geweest van deze arts.”

B heeft ter onderbouwing van zijn lezing verwezen naar de patiëntenkaart waarvan hierboven melding is gemaakt. Deze kaart, die ook eerder, namelijk op 22 november 2002 is getoond aan de inspecteur voor de gezondheidszorg, is op verzoek van de hoofdinspectie voor de gezondheidszorg forensisch onderzocht op inktdatering. Daaruit zou volgens de hoofdinspectie zijn gebleken dat deze kaart is ingevuld ná 21 januari 2002, in elk geval ruimschoots na het overlijden van M. B erkent desgevraagd bij gelegenheid van zijn verhoor bij de politie dat deze patiëntenkaart door hem later is “herschreven” om deze leesbaar te maken. Opvallend is naar ’s hofs oordeel dat het met de leesbaarheid van deze kaart nog immer niet best gesteld is. Bovendien maakt de kaart onder “26/2” melding van een “weigering” van een chirurg om medewerking te verlenen, naar het hof begrijpt aan een reguliere behandeling van M’s borstkanker. In die periode (voorafgaand aan 26 februari 2001) heeft M evenwel geen enkele chirurg geconsulteerd, zodat in het ongewisse blijft op welke chirurg B hierbij zou kunnen hebben gedoeld. Al met al acht het hof de onderbouwing die B aan de hand van deze patiëntenkaart heeft willen geven aan hetgeen door hem naar voren is gebracht niet dermate overtuigend dat reeds nu moet worden besloten om af te zien van strafvervolging.

K

a. Nadat zij de huisarts had bezocht wegens een knobbeltje in haar borst en nadat in een ziekenhuis een echogram en een mammogram waren vervaardigd, heeft M in het najaar van 1999 K geconsulteerd. Bij dit consult was behalve M en K een fysiotherapeut aanwezig die veelvuldig als zodanig werkzaamheden verrichtte in het medisch centrum van K. K heeft verklaard dat hij metingen heeft verricht met electro-acupunctuur en dat hij het advies van deze fysiotherapeut heeft ingewonnen. K zou zijn vermoeden van kanker hebben uitgesproken en M hebben verwezen naar een kankerspecialist. Deze lezing wordt goeddeels onderschreven door de bedoelde fysiotherapeut.

Anderzijds roept het volgende de vraag op of daarmee de werkelijke toedracht is geschetst. Een medewerkster van het medisch centrum van K heeft namelijk anders verklaard, te weten dat K bij gelegenheid van dit eerste consult aan M zou hebben medegedeeld dat er “niets aan de hand was”. M zou erg opgelucht zijn geweest. Volgens deze medewerkster werd er wel gezegd dat er iets kon zitten zoals een opgezette klier, “maar geen kanker”.

Opvallend is dat M zich niet – op het volgens K door hem gegeven doktersadvies – bij een kankerspecialist heeft gemeld, maar zich pas op 11 mei 2000, minstens een half jaar later, heeft gewend tot een chirurg, te weten de plastisch chirurg die bij M ongeveer twaalf jaren daarvoor borstimplantaten had aangebracht.

Een andere medewerkster van het medisch centrum van K heeft desgevraagd verklaard dat zij van verscheidene kankerpatiënten van K (niet zijnde M) had gehoord dat hij hen – ten onrechte - had gerustgesteld met de mededeling dat hij aan de hand van de door hem toegepaste test (electro-acupunctuur) kon ‘zien’ dat zij geen kanker hadden.

Een en ander, evenals (thans nog) niet in het dossier opgenomen verklaringen van onder meer de huisarts van M en de manager van M (waarvan het klaagschrift van de Vereniging melding maakt), geeft naar ‘s hofs oordeel aanleiding tot nader onderzoek op dit punt.

b. Zoals reeds vermeld heeft M zich voorts van mei 2001 tot 17 augustus 2001 onder de zorg gesteld van K door in te gaan op zijn aanbod een kamer(tje) in zijn medisch centrum te betrekken. K had niet lang tevoren een magneetveldapparaat verworven, waarmee magneetveldtherapie kon worden toegepast.

K heeft het volgende verklaard tegenover de politie:

“M kwam een paar dagen later met haar vriend (…). Zij vertelde wat voor onderzoeken zij had gehad (…). Ik bekeek de borst en schrok ervan. Ik zag een gezwel met een ontsteking. (…). Ik bood haar onderdak als logee. (…). Het was voor mij duidelijk dat ze het niet zou redden, dat ze niet zou genezen. De grootste leek kon dat zien. Zij had het besef dat ze niet beter zou worden. (…). Die avond is het woord kanker gevallen. (…). Ik herinner me dat ze de hele lijdensweg heeft verteld, bij welke doktoren ze was geweest enzovoort. Daar zaten ook doktoren bij die kanker gediagnosticeerd hadden. Ik heb het niet over een bacteriële infectie gehad. Ik ben vrij cru, noem de dingen bij naam.”

K heeft M vitaminen en mineralen voorgeschreven. Hij heeft regelmatig een bloedonderzoek gedaan en M magneetveldtherapie gegeven met behulp van het magneetveldapparaat dat M zelf kon bedienen. Hij heeft een kleimasker (het hof begrijpt: toegepast op de aangetaste borst) voorgeschreven. Palliatief heeft K verder, aldus begrijpt het hof, niets voor M gedaan. M wilde volgens K geen reguliere behandeling ondergaan en medicatie slikken, hoewel K wel heeft gezien dat M aspirine slikte. De laatste week vond K dat er meer moest gebeuren, en heeft hij op dat moment de hulp van een huisarts uit de plaats van vestiging van het medisch centrum ingeroepen.

De partner van M heeft een enigszins andere lezing. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

“Tijdens de behandeling had K het altijd over een probleem, hoe hij het probleem zou aanpakken. Hij sprak nooit over kanker of infectie. Hij sprak over de aanpak van het abces. (…). K vertelde over Lotje, het magneetveldapparaat. Het apparaat en de therapie zouden de zieke, slechte cellen vernietigen, waardoor de gezonde cellen zich verder konden ontwikkelen. Het lichaam zou dan zelf voor genezing zorgen.

Ik denk dat (…) K misschien wel beter wist wat de ziekte was, maar dat die het gewoon maar noemde zoals wij dat noemden, een bacterie. (…). M was toen al heel ziek. Ze had veel pijn in haar borst. Ze slikte toen paracetamol. Zij slikte dat vanwege de voorgeschiedenis al zelf en ook op advies van K. Ik weet dat ze veel pijnstillers slikte, iedere dag.

K wilde haar twee keer per dag behandelen met Lotje. Die behandelingen kreeg ze. Verder kreeg ze electro-acupunctuurmetingen. M moest zo gezond mogelijk eten. Dat kreeg ze daar. (…). Na het overlijden (…) had ik een lang telefoongesprek met (…) K en ik stelde hem de vraag waarom hij niet in een eerder stadium had verteld dat we met een stervende vrouw te maken hadden. (…). Ik heb daar nooit antwoord op gekregen.”

De door K te hulp geroepen huisarts (niet de huisarts van M) heeft volgens het inspectierapport verklaard dat hij het opvallend vond dat door K niet over borstkanker (of mammacarcinoom) werd gesproken. De ziekteoorzaak werd door K ‘een infectie’ genoemd, aldus deze huisarts. Ook M zelf sprak over ‘een infectie’. Zij verbleef in het medisch centrum van K om daarvan te herstellen met behulp van magneetveldtherapie. Als detail over haar ziekte vertelde M volgens deze arts dat haar verteld was dat er sprake zou zijn van een fusie tussen een bacterie en een schimmel. “Het lijkt ontzettend veel op een kankercel maar dat is het niet,” aldus zou M hebben meegedeeld.

Het viel deze huisarts voorts op dat er geen pijnverzachtende zorg plaatsvond en dat patiënten in de deplorabele toestand van M (in haar geval ontbrekende) 24 uurs-verzorging nodig hebben zoals die in een ziekenhuis kan worden geboden. M had veel pijn, kon nauwelijks nog spreken, was sterk vermagerd, hield vocht vast en had naar eigen zeggen al een maand niet meer geslapen. De arts constateerde een tumormassa in de gehele rechter thoraxhelft.

Een viertal voormalige medewerksters van het medisch centrum zijn gehoord door zowel de inspectie voor de gezondheidszorg als door de politie. Indien deze verklaringen voor juist moeten worden gehouden hebben meer van de genoemde voormalige medewerksters verklaard uit de mond van K, zijn echtgenote en/of van M te hebben vernomen dat M werd behandeld voor een bacteriële infectie.

Het inspectierapport verwoordt hetgeen één van hen heeft verklaard als volgt:

“K en zijn vrouw verkondigden steevast dat M geen kanker had maar een bacterie. Telkenmale werd dit bevestigd door bloedonderzoek en electro-acupunctuur. Zelfs werd gezegd in de zomer van 2001 dat het bloed steeds beter werd. Omdat (betrokken medewerkster) zo haar twijfels had heeft zij nog eens K gevraagd of hij wel zeker wist dat het geen kanker was en dat bevestigde hij.”

Een andere medewerkster verklaarde:

“Ik heb dokter K wel eens gevraagd wat mevrouw M(..) had. Hij vertelde mij toen dat het een bacterie was. Later, na haar overlijden kwamen we erop terug en toen zei dr. K dat de bacterie kanker was geworden.”

Het hof ziet in genoemde verklaringen aanknopingspunten voor nader onderzoek.

D

M was reeds enige tijd bevriend met D, die zich afficheert als genezend medium. Nadat bij haar kanker was geconstateerd heeft M zich tot D gewend. D heeft M gedurende vrijwel de gehele daaropvolgende periode (uitgezonderd de laatste maanden van haar leven) bijgestaan en voorzien van raad. M hechtte zeer aan de mededelingen van D, zo blijkt uit verscheidene verklaringen afkomstig van personen uit de nabije omgeving van M. D moet zich van haar invloed op M, zeker in de kwetsbare positie waarin M zich bevond, bewust zijn geweest. Hoewel geen arts, schept deze situatie een bijzondere zorgplicht bij D jegens M. die het contact met D en haar invloed als alternatieve geneeswijze beschouwde. Ook daarvan moet D zich bewust zijn geweest. Juist omdat zij medisch niet bij uitstek deskundig is, moet zij ook hebben geweten welke risico’s aan de opvolging van haar adviezen door M waren verbonden.

In het veelvuldige contact dat D met M heeft gehad heeft D – naar eigen zeggen – meermalen te kennen gegeven dat naar haar inzichten de kwaal waaraan zij, M, leed geen kanker betrof. In de eerste gesprekken tussen D en M heeft D als boodschap meegedeeld dat de oorzaak van M’s aandoening was gelegen in iets dat 12 jaar daarvoor had plaatsgehad, hetgeen door M werd geduid als het moment waarop bij haar borstprotheses waren ingebracht.

D was vervolgens de mening toegedaan dat deze implantaten moesten worden verwijderd.

Over de sessie(s) die in de praktijk van dr. D. heeft of hebben plaatsgevonden in aanwezigheid van onder meer de genoemde medisch paragnost en D heeft dr. D. onder meer verklaard dat de medisch paragnost geen kanker zag bij M en dat dit werd bevestigd door D, waarna dr. D klaarblijkelijk niet heeft getracht ieder misverstand op dit punt weg te nemen. Een zouttherapeut, die aanwezig was bij een dergelijke sessie op 25 oktober 2000, heeft ten overstaan van de politie beaamd dat onder andere D in trance meedeelde dat ‘het’ er niet slecht uitzag en geen signalen kreeg dat ‘het’ verkeerd zat. Daarna werd door D in samenspraak met dr. D gesproken over de medicatie die geschikt zou zijn de kwaal te bestrijden.

Tegenover derden heeft M zich veelvuldig uitgelaten over de boodschappen van D, die zouden behelzen dat M’s aandoening geen kanker maar een bacteriële infectie betrof. Aldus werd M in hoge mate gesterkt in de gedachte dat de diagnose die oncologen hadden gesteld onjuist was en de door deze artsen voorgestelde behandeling – dus – overbodig.

13. Conclusies inzake de beoordeling van het beklag

Het hof stelt voorop dat het hof in het kader van de beoordeling van de gegrondheid van een beklag strekkende tot strafvervolging (i.e. de artikel-12-procedure) geen feiten en omstandigheden als strafrechtelijk bewijs vaststelt, doch alleen onderzoekt in hoeverre belastende aanwijzingen nopen tot een nader rechterlijk onderzoek, te verrichten ter terechtzitting dan wel door de rechter-commissaris bij wijze van een gerechtelijk vooronderzoek. De in deze beschikking neergelegde oordelen omtrent het handelen en de schuld van hen wier vervolging thans wordt verlangd, zijn dan ook voorlopig van aard. De feiten en omstandigheden die aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd, zullen in volle omvang onderworpen zijn aan het te gelasten rechterlijk onderzoek.

De hierboven weergegeven feiten en omstandigheden die het hof tot uitgangspunt heeft genomen betreffen aanwijzingen die een verdenking rechtvaardigen, te weten – minstgenomen - de verdenking dat B, K en D ieder voor zich willens en wetens de aanmerkelijke kans op de door hun handelen en nalaten ingetreden benadeling van de gezondheid van M hebben aanvaard, ten gevolge waarvan M zwaar lichamelijk letsel in de vorm van ernstige schade aan de gezondheid heeft ondervonden, bestaande (i) in een aanzienlijke afname van de genezingskans en levensverwachting, en (ii) in ernstige pijnklachten en ernstig medisch letsel, zoals ernstig oedeem en dyspnoe, die het gevolg waren van het uitblijven van deugdelijke palliatieve zorg.

Ter adstructie wenst het hof nog het volgende op te merken, met – het zij herhaald – de aantekening dat het hof – vooralsnog - voldoende aanwijzingen ziet voor de juistheid van de volgende overwegingen.

B en K zijn door M benaderd in de wetenschap dat zij arts zijn. Ook al zijn zij tevens werkzaam in het alternatieve circuit, het gegeven dat zij tot medisch deskundige zijn opgeleid wekt alleen al uit dien hoofde de verwachting dat zij zich in hun adviezen niet zullen begeven op speculatief terrein, terwijl zij ook weet hebben of moeten hebben van hetgeen met een reguliere behandeling kan worden bereikt. Desalniettemin hebben B en K welbewust hun diagnose in de plaats gesteld van de diagnose die reguliere geneeskundigen hebben gesteld op basis van diagnostische middelen die zich in hoge mate hebben bewezen.

Voor B, K en D geldt dat zij, hoewel de diagnose kanker vaststond, M hebben gefaciliteerd in haar ontkenning daarvan. M heeft zich vastgeklampt aan de – valse - hoop die zij haar boden; zij waren ieder getuige van een mede door hen in gang gezet proces waarin een wanhopige patiënte gaandeweg de werkelijkheid meer en meer ontkende. M heeft een voor hen zichtbare lijdensweg moeten doormaken die alleen al uit menselijk oogpunt had moeten nopen tot ingrijpen en die van hen als zorgverleners vergde: 1. het verschaffen van duidelijkheid, 2. de verwijzing naar artsen die wel tot (eventueel palliatieve) behandeling van de gevolgen van borstkanker bereid en in staat waren.

Voor K geldt bovendien dat hij heeft nagelaten (tijdig) in te grijpen toen hij, in de periode voor het overlijden van M, indringend geconfronteerd werd met het lijden van M die toen, ter behandeling, in zijn kliniek verbleef.

Onmiskenbaar heeft M in dit alles een eigen rol gehad. Zij was in haar keuzes vasthoudend. Het gaat evenwel niet aan om als zorgverlener met miskenning van de eigen verantwoordelijkheid in een ontkenning van de feiten mee te gaan, en de patiënte aldus te laten volharden in een – mede door ieder van hen – in het leven geroepen illusie.

Onder de geschetste omstandigheden ziet het hof vooralsnog voldoende aanwijzingen dat het onderling verweven handelen en nalaten van B, K en/of D (telkens) gedurende de periode waarin zij als zorgverlener bemoeienis hadden met de behandeling van de M’s aandoening (telkens) een belangrijke oorzaak is geweest van de nadelige beïnvloeding van de gezondheid van M.

Die causaliteitsvraag, waarnaar de strafrechter nader onderzoek zal moeten doen, valt uiteen in twee deelvragen:

1. heeft het uitstellen/onthouden van een adequate reguliere medische behandeling van de borstkanker geleid tot zwaar lichamelijk letsel in de vorm van ernstige benadeling van de gezondheid? Zoals overwogen omschrijft het hof deze – ernstige - schade aan de gezondheid in casu als (i) een aanzienlijke afname van de genezingskans en levensverwachting, en (ii) ernstige pijnklachten in samenhang met zwaar letsel, zoals ernstig oedeem en dyspnoe, die het gevolg waren van het uitblijven van deugdelijke palliatieve zorg.

2. zijn er voldoende aanwijzingen om te veronderstellen dat het handelen en nalaten van B, K en/of D - ieder voor zich - overwegende invloed heeft gehad op het door M uitstellen van een adequate reguliere medische behandeling (waarbij chemotherapie eventueel achterwege wordt gelaten), zulks (i) door het telkenmale benadrukken dat de aandoening geen kanker maar bacteriële infectie betrof, (ii) het nalaten tijdig juiste en volledige informatie te verschaffen omtrent toegepaste diagnostiek en/of therapie, (iii) het aanbieden van zorg, medicatie en therapie zonder tijdig te verwijzen naar artsen die voor de aandoening borstkanker een remedie kunnen bieden die zich in de loop der tijd (wetenschappelijk) heeft bewezen.

Het hof acht een rechterlijk onderzoek naar bovenstaande verdenking, gelet op de ernst van de aanwijzingen en de ernst van de verweten gedragingen, aangewezen. Zoals hierna zal worden aangegeven, kan dit onderzoek naar het oordeel van het hof het beste door de rechter ter terechtzitting geschieden. Daarbij zal de strafrechter het oog hebben te houden op de hierboven vermelde strafbare feiten voor zover niet verjaard. Het hof zal dan ook de vervolging terzake die feiten bevelen.

14. Bevoegd gerecht

Het woonadres van M was gelegen in Amsterdam. Zij heeft aldaar gedurende de hierboven beschreven periode ook gewoond, met uitzondering van de laatste maanden van haar leven, toen zij verblijf hield in een kamer in het medisch centrum van K in Millingen aan de Rijn. Gedurende de tijd dat M feitelijk verblijf hield op haar woonadres in Amsterdam zijn de hierboven beschreven strafbare feiten naar ’s hofs oordeel - mede - begaan in Amsterdam en is op basis daarvan de rechtbank te Amsterdam bevoegd kennis te nemen van die strafbare feiten. Zulks geldt derhalve voor de delicten ter zake waarvan de vervolging van B en D wordt bevolen. Het delict ter zake waarvan de vervolging van K wordt bevolen, voor zover gepleegd in Millingen aan de Rijn, betreft een strafbaar feit dat in zodanig verband staat met de strafbare feiten ter zake waarvan de vervolging van B en D wordt bevolen dat de behandeling voor één rechtbank, te weten de Amsterdamse, gewenst moet worden geacht. Dus moeten deze strafbare feiten geacht worden voor de toepassing van artikel 6 lid 1 Sv in het bijzonder in verbinding met lid 3 van deze bepaling in deelneming te zijn begaan, zodat voor de bevoegdheid van de rechtbank te Amsterdam om ter zake kennis te nemen van de jegens K in te stellen strafvervolging kan worden aangeknoopt bij de jegens B en D in te stellen strafvervolging.

15. Het onderzoek

Het onderzoek zal mede dienen ter completering van het dossier, door toevoeging van de verslagen van verklaringen van getuigen ten overstaan van de inspecteur voor de gezondheidszorg, van het rapport behelzende een verslag van het onderzoek naar de datering van de inkt waarmee de patiëntenkaart door B is ‘herschreven’, en ook overigens om getuigen en medisch deskundigen te horen. Mede gelet op het tijdsverloop oordeelt het hof de zittingsrechter het meest aangewezen om op dit nadere onderzoek toezicht te houden.

16. De beslissing

Het hof:

Gelast de dagvaarding ter terechtzitting van B, K en D, ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 9 april 2008 door mrs. D.J.C. Aben, T.M. Schalken en P.A.M. Mevis, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Berk, griffier.

Mr. Mevis was niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen.