Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7138

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
04/30 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6.1. In aantekening 2, onderdeel b, op afdeling XVI wordt onder meer bepaald, dat delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine, worden ingedeeld onder de post, waaronder die machine valt. Onderzocht zal moeten worden of het onderhavige goed aan die criteria voldoet.

6.2. Het begrip “deel” in de zin van de GN-post 8473 veronderstelt de aanwezigheid van een geheel, voor de werking waarvan dit deel noodzakelijk is (Hof van Justitie van 19 oktober 2000, Peacock, C-339/98, punt 21, Jurispr. blz. I-8947, en Douanerechtspraak 2003/33*).

6.3. Het wezenlijke kenmerk van de onderhavige cartridge is niet om de printer als zodanig te doen werken, maar om deze te voorzien van inkt waarmee het afdrukken moet plaatsvinden. Haar functie is dus geen andere dan het verschaffen van inkt aan het apparaat. Uit de Turbon-arresten valt af te leiden dat deze karakterbepaling van het goed niet anders wordt, wanneer de cartridge alleen maar geschikt is voor één speciaal apparaat. De omstandigheid dat het goed een doseringssysteem bevat (het inkt-inducerend-onderdeel), leidt niet tot een ander oordeel. De aanwezigheid van dat systeem brengt immers niet mee dat de functie van de onderwerpelijke cartridge meer behelst dan het enkel mogelijk maken dat B-printers van inkt zijn voorzien. Uit een en ander volgt dat in casu de sub 6.1. vermelde aantekening geen toepassing kan vinden en dat het litigieuze goed dus naar zijn eigen samenstelling moet worden ingedeeld.

6.4. Volgens algemene regel 3b voor de interpretatie van de GN worden werken welke zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen, zoals bij de met inkt gevulde cartridge het geval is, ingedeeld naar de stof, waaraan de werken hun wezenlijk karakter ontlenen.

6.5. Het bestanddeel waaraan de onderwerpelijke cartridge haar wezenlijk karakter ontleent, is niet het materiaal van de cartridge, maar de inhoud ervan: de inkt. Het goed moet dan ook met toepassing van genoemde regel 3b onder post 3215 90 80 van de GN worden ingedeeld.

6.6. De sub 2.5. vermelde beslissing van de douaneautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot een soortgelijk goed, werpt voor de Douanekamer geen ander licht op de zaak.

6.7. Gelet op al het vorenoverwogene heeft de inspecteur het product terecht onder post 3215 90 80 van de GN ingedeeld, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/30 DK

de dato 4 maart 2008

1. De procedure

1.1. Op 6 januari 2004 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van

P, aangevuld bij brieven van 3 februari 2004 en 5 februari 2004, en ingediend namens E N.V. te A, belanghebbende.

Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Douane R, (hierna: de inspecteur) van 27 november 2003, kenmerk …, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de op 15 juli 2003 ten aanzien van haar genomen beschikking met betrekking tot bindende tariefinlichting, nr. …, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht van € 223,- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, en twee monsters van het hierna sub 2.3.1. en volgende omschreven product overgelegd. Belanghebbende heeft op 13 juli 2004 een conclusie van repliek ingediend. Op 24 augustus 2004 is ter griffie een conclusie van dupliek van de inspecteur ingekomen.

1.3. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 26 augustus 2005 een nader stuk ingediend. De griffier heeft een afschrift van dit stuk aan de inspecteur gezonden.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de Douanekamer van 6 september 2005, alwaar gezeten

waren mr. J.W.M. Tijnagel, voorzitter, en mrs. J.J.A.M. Kennis en J.T. Nijenhof, leden. Namens belanghebbende is verschenen P als gemachtigde, vergezeld van M, en namens de inspecteur mr. P, vergezeld van J. Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen aan de Douanekamer. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

1.5. Aan de inspecteur is aan het einde van de zitting de gelegenheid gegeven schriftelijk op het nader ingekomen stuk van belanghebbende te reageren. Tevens is hem inzage verleend in alle bijlagen bij dit stuk - waaronder een CD-Rom - en zijn die bijlagen ook aan hem overgelegd. Zijn reactie is op 9 september 2005 ingekomen.

1.6. De Douanekamer heeft partijen bij brief van 6 februari 2006 medegedeeld, dat de zaak zou worden aangehouden in verband met de bij het Hof van Justitie aanhangige procedure in de zaak nr. C-250/05.

1.7. Op 26 oktober 2006 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in zaak

C-250/05, Turbon International GmbH, Douanerechtspraak 2007/61*, waarvan het dictum als volgt luidt:

“Bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1734/96 van de Commissie van 9 september 1996, dient aldus te worden uitgelegd dat een inktcartridge zonder geïntegreerde printkop, die is samengesteld uit een kunststofbehuizing, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie, een etiket, inkt en verpakkingsmateriaal en die, zowel wat de inktcartridge als wat de inkt betreft, enkel kan worden gebruikt in een printer met de kenmerken van de inktjetprinters van het merk Epson Stylus Color, moet worden ingedeeld onder postonderverdeling 3215 90 80 van de gecombineerde nomenclatuur.”

1.8. Partijen zijn vervolgens schriftelijk in de gelegenheid gesteld zich over het arrest uit te laten. De inspecteur heeft gereageerd bij brief van 15 november 2006; belanghebbende bij brief van 22 november 2006.

1.9. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 30 oktober 2007 een nader stuk ingediend. De griffier heeft een afschrift hiervan aan de inspecteur gezonden.

1.10. De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november 2007. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende P, en namens de inspecteur mr. A, vergezeld van mr. ing. J en mr. S. Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende heeft op 6 mei 2003 schriftelijk aan de inspecteur verzocht om afgifte van een bindende tariefinlichting voor het product

“B cartridge”. In de aanvraag is verzocht om indeling onder post

8473 30 90 (tarief aan douanerechten 0%) van de Gecombineerde Nomenclatuur van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GN). Bij de aanvraag zijn monsters overgelegd.

2.2. In de sub 1.1. genoemde bindende tariefinlichting heeft de inspecteur het goed - in afwijking van het verzoek - ingedeeld onder post 3215 90 80 van de GN (tarief aan douanerechten 6,5%). De omschrijving van het product in de bindende tariefinlichting luidt als volgt:

“Cyaankleurige inkt, aangebracht in een inktpatroon met een buitenzijde van kunststof. De inktpatroon die ontworpen is voor afdrukkers van automatische gegevensverwerkende machines heeft een buitenzijde van kunststof met klem. Aan de patroon bevindt zich een afsluiter van kunststof. De inktpatroon bevat twee compartimenten, waarvan in één compartiment drie filter-/absorbtie-elementen zijn aangebracht. Op de onderzijde is een zelfklevende bedrukte band van kunststof aangebracht (seal tape). De patroon die in kunststof is geseald, heeft een breedte, hoogte en lengte, zonder uitstekende delen, van 1,1, 4 en 6,2 centimeter en bevat geen “printhead” of andere mechanische delen. Het geheel wordt aangeboden in een bedrukt kartonnen doosje.”

De inspecteur heeft de indeling van het goed als volgt gemotiveerd:

“De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, de tekst van de GN- codes 3215, 3215 90, en 3215 90 80.”

2.3. In een bijlage bij de brief van belanghebbende van 26 augustus 2005 (sub 1.3.) is onder meer het volgende vermeld:

“Onevenwicht in de toevoer van inkt in de printkop leidt tot gebreken bij het printen van afbeeldingen.

Zoals aangeduid in para. 23 van het beroepschrift, stoten B printers uit de spuitgaten (”de nozzles”) van de printkop ongeveer 20.000 inktdruppels per seconde uit. Dit betekent dat tussen de uitstoot van 2 inktdruppels, de inktbalans (zoals geïllustreerd in 1), in de dynamische toestand, (d.w.z., de B printer print afbeeldingen op het printmedium), binnen 50 microseconden dient hersteld te worden.

Afbeelding 1) toont de situatie waarbij het inktevenwicht in de spuitgaten van de printkop correct op een snelle manier is hersteld. In technologische termen wordt dit veelal het hernemen van de “meniscus” genoemd. Meer in het bijzonder, wordt de inkt opnieuw aangevuld in de spuitgaten van de printkop juist nadat de juiste hoeveelheid inktdruppels werd uitgestoten uit de spuitgaten uit de spuitgaten van de printkop nodig om afbeeldingen af te drukken op het printmedium. (Noot: Meniscus betekent een gebogen oppervlakte van vloeistof (d.w.z., inkt).)

Afbeeldingen 2) en 3) daarentegen, zijn typische voorbeelden, die het onevenwicht van de inkttoevoer in de printkop tonen. Dit leidt tot gebreken bij het printen van afbeeldingen. D.w.z., geval 2) toont dat te weinig inkt wordt aangevuld en dat de printafdrukken zullen vervagen. (Zie de inferieure afdruk Nr. 1 en Nr. 2 die zijn ingediend in bijlage 4 van de conclusie van repliek.) tegelijkertijd toont geval 3) dat teveel inkt wordt aangevuld. Dergelijk overaanbod aan inkt zal een inktvlek veroorzaken op het printmedium.

Zoals eveneens wordt uitgelegd in detail, in het bijzonder in de paragrafen 22 – 28 van het beroepschrift, speelt het inkt inducerend onderdeel een belangrijke rol bij het snel herstellen van het inktevenwicht in de spuitgaten van de printkop. Daarom geloven wij dat de bovenstaande functie van de B cartridge essentieel is in het printproces.”

2.4. Het betreft een inktcartridge zonder geïntegreerde printkop, samengesteld uit een kunststofbehuizing, en onder meer voorzien van twee sponsjes (“absorbers”), een “inkt inducerend onderdeel” en een prisma. De hoogte, lengte en breedte bedraagt respectievelijk 6,7 cm, 4 cm en 1,2 cm. Het product kan uitsluitend worden gebruikt in de printers van B, van het type B (hierna: B), model ….

De cartridge is opgedeeld in twee inktkamers. Eén van deze kamers is gevuld met twee sponsjes van polypropyleen die elk een verschillende capillaire werking hebben. De andere kamer is gevuld met inkt. De twee kamers zijn met elkaar verbonden door enerzijds een opening waardoor inkt vanuit de inktkamer naar de sponjes vloeit en anderzijds door een luchtkanaal dat de inkt die wegvloeit uit de inktkamer door lucht vervangt. Tijdens het printproces vloeit de inkt uit de kamer met de sponsjes naar de printkop via het “inkt inducerend onderdeel”. Dit is een kleine cilinder van polypropyleen waardoor de inkt moet passeren. De cartridge bevat ook een prisma dat ervoor zorgt dat een sensor in de printer het inktniveau in de cartridge kan meten en kan aangeven wanneer de cartridge moet worden vervangen. Het prisma houdt ook de hoeveelheid inkt bij.

De cartridge heeft geen bewegende of elektronische onderdelen en is niet ontworpen voor hergebruik of navulling.

2.5. Tot de gedingstukken behoort een door de douaneautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (“U.S. Customs and Border Protection”) ten aanzien van de indeling van het product “B … ” op verzoek van B USA genomen beslissing van 26 februari 2004. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

“A sample of the ink tank was submitted with your ruling request. This ink tank is specifically designed for use only in B color printers. These printers hold up to six ink tanks of various colors. The ink tank/cartridge consists of a plastic housing measuring approximately ½ inchwide by 2 5/8 inches long by 1 7/8 inches deep and is used as a reservoir for ink. This plastic reservoir is comprised of two chambers with ink inducing element, cap, latch lever used to lock the tank into the printer, two sponges, ink and cover with an air vent and ball. The ink tank does not include the print head, it is specifically designed to deliver ink to the print head mechanism of the specific model printers identified above. The ink tanks are sold with the ink inside and they remain with the printer throughout their use, they are the standard devices or part for providing ink to the printer. The printers cannot operate without the correct ink tanks installed. When the ink runs out of these ink tank cartridges, the entire cartridge is replaced, and the cartridge is discarded. These ink tank cartridges are not designed to be reused. In general, a part is defined as committed for use and necessary to the operation of the machine.

The applicable subheading for the canon B will be 8473.30.5000, harmonized Tariff Schedule of the United States (HTS) which provides for “Parts and accessories … machines of headings 8469 to 8472: Parts and accessories of the machines of heading 8471: Not incorporating a cathode ray tube: Other”. The general rate of duty will be free.”

3. Het geschil

3.1. In geding is het antwoord op de vraag of het sub 2.4. omschreven goed moet worden ingedeeld onder post 3215 90 80 van de GN, zoals de inspecteur bepleit, dan wel onder post onder 8473 30 90, hetgeen belanghebbende voorstaat.

3.2. Voormelde posten luiden als volgt:

Post 3215 90 80:

“3215 Drukinkt, schrijfinkt, tekeninkt en andere inktsoorten, ook indien geconcentreerd of in vaste vorm:

- drukinkt:

(...)

3215 90 - andere:

3215 90 10 - - schrijfinkt en tekeninkt

3215 90 80 - - andere”.

Post 8473 30 90

“8473 Delen en toebehoren (andere dan koffers, hoezen en

dergelijke) waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend

of hoofdzakelijk bestemd zijn voor machines en toestellen

bedoeld bij de posten 8469 tot en met 8472:

(..)

8473 30 - delen en toebehoren van de machines bedoeld bij post 8471:

8473 30 10 - - elektronische assemblages

8473 30 90 - - andere”.

3.3. Aantekening 2, onderdelen a en b, op afdeling XVI luidt als volgt:

“Behoudens het bepaalde in aantekening 1 op deze afdeling en in de aantekeningen 1 op de hoofdstukken 84 en 85, worden delen van machines (andere dan delen van artikelen bedoeld bij post 8484, 8544, 8545, 8546 of 8547) ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:

a) delen die als zodanig onder een van de posten van hoofdstuk 84 of 85 (andere dan de posten 8409, 8431, 8448, 8466, 8473, 8485, 8503, 8522, 8529, 8538 en 8548) kunnen worden ingedeeld, blijven onder die posten ingedeeld, ongeacht de machine waarvoor zij bestemd zijn;

b) delen, andere dan die bedoeld onder a) hiervoor, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine of voor verschillende onder eenzelfde post vallende machines (met inbegrip van die bedoeld bij post 8479 of 8453), worden ingedeeld onder de post waaronder die machine valt of die machines vallen of onder een der posten 8409, 8431, 8448, 8466, 8473, 8503, 8522, 8529 of 8538, naar gelang van het geval; delen die hoofdzakelijk worden gebruikt zowel voor de goederen bedoeld bij post 8517 als voor die bedoeld bij de posten 8525 tot en met 8528, worden echter ingedeeld onder post 8517;”

3.4. De GS-Toelichting op post 3215 luidt voorzover hier van belang:

“Van deze post zijn uitgezonderd:

a. (…)

b. vullingen voor kogelpennen, voorzien van hun kogels en inktbuisjes (post 9608). Met inkt gevulde patronen voor gewone vulpennen, blijven evenwel onder deze post ingedeeld;”

3.5. Op 7 februari 2002 heeft het Hof van Justitie in de zaak C-276/00, Turbon International GmbH, Jurispr. blz. I-1389, arrest gewezen, waarvan het dictum luidt als volgt:

“Bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1734/96 van de Commissie van 9 september 1996, moet aldus worden uitgelegd, dat een inktcartridge zonder geïntegreerde printkop die is samengesteld uit een kunststofbehuizing, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie, een etiket, inkt en verpakkingsmateriaal, en die, zowel wat de inktcartridge als wat de inkt betreft, enkel kan worden gebruikt in een printer met de kenmerken van de inkt jet printers van het merk Epson Stylus Color, moet worden ingedeeld onder de postonderverdeling 3215 90 80 van de gecombineerde nomenclatuur.”

3.6. Het tweede arrest over hetzelfde goed is sub 1.7. reeds weergegeven.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Teneinde de balans in de printkop te herstellen, die nodig is voor het printproces, bevat de cartridge een speciaal ontwikkeld onderdeel, te weten het inkt-inducerend-onderdeel. Dit is een kleine cilinder van polypropyleen waardoor de inkt dient te passeren. Door zelf de toevoer van inkt naar de printkop te doseren, afhankelijk van het stadium van het printproces, herstelt het inkt-inducerend-onderdeel de balans in de printkop. Als geen printopdracht wordt gegeven, zal het niveau van de weerstand in het inkt inducerend onderdeel neutraal zijn. Als een printopdracht wordt gegeven, zal de weerstand in het inkt-inducerend-onderdeel toenemen teneinde een onevenwichtigheid van inkt in de printkop te voorkomen. Nadat inkt is uitgestoten neemt de weerstand in het inkt-inducerend-onderdeel af, zodat de inktkamer zich met inkt kan vullen en de printkop zich kan voorbereiden op de volgende printopdracht. Het inkt-inducerend-onderdeel zorgt voor een perfecte dosering van de inkttoevoer en speelt derhalve een essentiële rol bij het eigenlijke functioneren van de printkop. Daarom dient de cartridge te worden beschouwd als deel van een printer in de zin van post 8473 30 90 van de GN.

4.2. Ter zitting van 6 september 2005 heeft belanghebbende

- kort samengevat - het volgende aangevoerd.

De in de B cartridge gebruikte B Technology is revolutionair omdat ze het gebruik van bewegende delen heeft weten te vermijden. De B-cartridge is beslist geen passieve inktcontainer of verpakking die benodigd is om een vloeistof te verpakken.

Als de cartridge niet correct functioneert leidt dit noodzakelijkerwijs tot gebreken bij het afdrukken door de printer. Teveel onderdruk in de cartridge maakt dat te weinig inkt wordt uitgestoten, waardoor de afdruk te vaag wordt. Te weinig onderdruk leidt ertoe dat teveel inkt wordt uitgestoten, waardoor vlekken ontstaan. De cartridge is derhalve essentieel voor het correct verlopen van het printproces.

De vergelijking met een inktpatroon in een balpen gaat mank. Een dergelijke inktpatroon zorgt louter voor een constante, regelmatige toevoer van inkt. In wezen doet zo’n patroon niet meer dan het voorkomen dat de inkt kan weglopen. De B-cartridge doet echter veel meer. Er is sprake van interactie tussen de printkop en de cartridge. Als de printkop aangeeft dat inkt nodig is, dan wordt de cartridge als het ware geactiveerd.

4.3. Ter zitting van 13 november 2007 heeft belanghebbende - kort samengevat - het volgende naar voren gebracht.

Het bijzondere aan de cartridge is dat deze zelf de dosering regelt. De inspecteur beaamt dit blijkens het verweerschrift.

De Wereld Douane Organisatie (hierna; WDO) heeft op 16 oktober 2007 een verslag uitgebracht, met als opschrift “possible amendement of the Nomenclature with respect to printer cartridges”, waarin wordt geadviseerd een cartridge als de onderhavige onder hoofdstuk 84 of 96 van de GN onder te brengen. Wanneer de cartridge als inkt zou moeten worden ingedeeld, dan wordt geadviseerd aantekening 2, letters a en b, op Afdeling XVI te herschrijven.

Het Hof schiet door in het arrest van 26 oktober 2006, gewezen in de zaak

C-250/05, Turbon International GmbH. De lijn die hier is uitgezet wordt wel in alle lidstaten gevolgd.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De cartridge is bestemd om te worden geplaatst in een printer, een machine van post 8471. Het goed is niet als deel van de printer aan te merken. Het bestaat uit twee compartimenten: het ene is gevuld met inkt en het andere met absorptiemateriaal. Mechanische delen ontbreken. Het inkt inducerend onderdeel dient uitsluitend om de toevoer van inkt naar de printkop te reguleren en is als zodanig niet van essentieel belang voor het functioneren van de printer. Het goed moet worden ingedeeld naar de aard en de samenstelling van de inhoud van het goed, te weten de inkt. Met inachtneming van de indelingsregels 1 en 6 moet het goed worden ingedeeld in postonderverdeling 3215 90 80.

5.2. Ter zitting van 6 september 2005 heeft de inspecteur

- kort samengevat - het volgende aangevoerd.

De printkop speelt een belangrijke rol in het afdrukproces en bevindt zich in de printer. De cartridge is niet met een printkop uitgerust.

De functie van de cartridge is passief. Als de onderdruk in de cartridge te laag is, dan zal er ook geen aanzuiging meer zijn.

5.9. Ter zitting van 13 november 2007 heeft de inspecteur

- kort samengevat - het volgende naar voren gebracht.

Het in de pleitnota verwoorde primaire standpunt wordt ingetrokken. Het ten aanzien daarvan in de pleitnota vermelde moet als niet-geschreven worden beschouwd.

Het WDO-advies is een eerste aanzet voor de onderhandelingen die gaan beginnen. De kans is groot dat dit voorstel het niet haalt.

Bij de rechtbank Haarlem zijn eveneens zaken van B aanhangig, waarin het om dezelfde cartridge gaat.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. In aantekening 2, onderdeel b, op afdeling XVI wordt onder meer bepaald, dat delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine, worden ingedeeld onder de post, waaronder die machine valt. Onderzocht zal moeten worden of het onderhavige goed aan die criteria voldoet.

6.2. Het begrip “deel” in de zin van de GN-post 8473 veronderstelt de aanwezigheid van een geheel, voor de werking waarvan dit deel noodzakelijk is (Hof van Justitie van 19 oktober 2000, Peacock, C-339/98, punt 21, Jurispr. blz. I-8947, en Douanerechtspraak 2003/33*).

6.3. Het wezenlijke kenmerk van de onderhavige cartridge is niet om de printer als zodanig te doen werken, maar om deze te voorzien van inkt waarmee het afdrukken moet plaatsvinden. Haar functie is dus geen andere dan het verschaffen van inkt aan het apparaat. Uit de Turbon-arresten valt af te leiden dat deze karakterbepaling van het goed niet anders wordt, wanneer de cartridge alleen maar geschikt is voor één speciaal apparaat. De omstandigheid dat het goed een doseringssysteem bevat (het inkt-inducerend-onderdeel), leidt niet tot een ander oordeel. De aanwezigheid van dat systeem brengt immers niet mee dat de functie van de onderwerpelijke cartridge meer behelst dan het enkel mogelijk maken dat B-printers van inkt zijn voorzien. Uit een en ander volgt dat in casu de sub 6.1. vermelde aantekening geen toepassing kan vinden en dat het litigieuze goed dus naar zijn eigen samenstelling moet worden ingedeeld.

6.4. Volgens algemene regel 3b voor de interpretatie van de GN worden werken welke zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen, zoals bij de met inkt gevulde cartridge het geval is, ingedeeld naar de stof, waaraan de werken hun wezenlijk karakter ontlenen.

6.5. Het bestanddeel waaraan de onderwerpelijke cartridge haar wezenlijk karakter ontleent, is niet het materiaal van de cartridge, maar de inhoud ervan: de inkt. Het goed moet dan ook met toepassing van genoemde regel 3b onder post 3215 90 80 van de GN worden ingedeeld.

6.6. De sub 2.5. vermelde beslissing van de douaneautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot een soortgelijk goed, werpt voor de Douanekamer geen ander licht op de zaak.

6.7. Gelet op al het vorenoverwogene heeft de inspecteur het product terecht onder post 3215 90 80 van de GN ingedeeld, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 4 maart 2008 door mrs. F.H.M. Possen, voorzitter, J.P.A. Boersma en E.M. Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van de griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De Douanekamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.