Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BC4142

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
07/00149
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, advocaat en belastingadviseur, heeft de vereiste aangifte niet gedaan. De inspecteur heeft het belastbare inkomen redelijk geschat. Belanghebbende heeft overtuigend aangetoond dat de uitspraak op bezwaar deels onjuist is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/421
V-N 2008/20.1.1
FutD 2008-0345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 ambtshalve een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f. 375.000. Bij beschikking heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van f. 1.250. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van de inspecteur verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f. 365.483, waarvan een deel groot f. 150.000 is belast naar het bijzonder tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet). De boete en de overige elementen van de aanslag zijn gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. Dit gerechtshof heeft bij uitspraak van 16 november 2005 de uitspraak van de inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f. 320.000, waarvan f. 150.000 belast naar het bijzonder tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet en de boetebeschikking gewijzigd, waarbij de verzuimboete nader is vastgesteld op f. 250. Op het beroep in cassatie van belanghebbende heeft de Hoge Raad bij arrest van 16 maart 2007, nr. 42.905, de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage vernietigd, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

1.3. Partijen zijn door de griffier in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van de Hoge Raad. Belanghebbende heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt door bij brief van 23 november 2007 een viertal stukken toe te zenden.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 5 december 2007. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Geding na verwijzing

De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor vermelde arrest, voor zover voor het geding na verwijzing van belang, het volgende overwogen:

“ 3.2 Artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Uit de strekking van die bepaling volgt dat de rechter – binnen het kader van een goede procesorde – de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dager voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten ( HR 1 oktober 2004, nr. 38967, BNB 2005/151) Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting alsnog over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van de stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang, zoals dit ook geldt met betrekking tot stukken die een partij na de zitting alsnog wenst over te leggen (HR 3 februari 2006, 41329, BNB 2006/204). ’s Hofs uitspraak noch het proces verbaal van de zitting geeft er blijk van dat een zodanige afweging heeft plaatsgevonden. Het middel is derhalve gegrond.”

en

“3.4 Op grond van het hiervoor onder 3.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen behandeling. De in de middelen V en VI aan de orde gestelde vragen kunnen na verwijzing aan de orde komen.”

3. Vaststaande feiten

Het Hof verwijst allereerst naar de feiten die door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage zijn vastgesteld. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt het Hof nader de volgende feiten vast.

3.1. De omzet die belanghebbende heeft behaald met zijn werkzaamheden voor zijn belastingadviespraktijk bedroeg gemiddeld ongeveer 50% van de totale omzet. De totale omzet bedroeg gemiddeld f. 300.000 per jaar.

3.2. Belanghebbende heeft de door hem behaalde stakingswinst (vóór toepassing van de stakingsvrijstelling) berekend op een bedrag van f. 136.400. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

a. goodwill f. 50.000;

b. stille reserve inventaris f. 10.000;

c. stille reserve bibliotheek f. 10.000;

d. onderhanden werk f. 66.400.

4. Geschil

Na cassatie is tussen partijen uitsluitend nog in geschil of het belastbare inkomen van belanghebbende voor het jaar 1999 door de inspecteur in redelijkheid op het juiste bedrag is geschat en, of belanghebbende overtuigend heeft aangetoond of, en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en naar het proces-verbaal van de zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Vaststaat dat belanghebbende niet de vereiste aangifte in de zin van art 25, zesde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) heeft gedaan. Als gevolg hiervan dient de inspecteur de hoogte van het belastbare inkomen in redelijkheid te schatten en op basis van deze schatting belanghebbende de aanslag op te leggen. Het beroep is slechts gegrond indien en voor zover blijkt dat de uitspraak op het bezwaarschrift gericht tegen deze aanslag onjuist is (art. 27e Awr).

6.2. De tot het belastbare inkomen van belanghebbende behorende winst bestaat uit de door belanghebbende behaalde stakingswinst en de door hem genoten jaarwinst.

Het Hof zal achtereenvolgens de redelijkheid van de schatting van de inspecteur beoordelen met betrekking tot (1) de omvang van de stakingswinst, (2) de hoogte van de jaarwinst en (3) de overige tot het belastbare inkomen van belanghebbende behorende inkomsten en in aftrek te brengen posten.

6.3. Gelet op de in de voorafgaande jaren door belanghebbende met zijn belastingadviespraktijk behaalde gemiddelde omzet, de daarop in mindering te brengen kosten en de in aanmerking te nemen arbeidsbeloning is het Hof van oordeel dat de goodwill van de belastingadviespraktijk in redelijkheid kan worden geschat op f. 50.000. Daarnaast schat het Hof de in aanmerking te nemen stille reserves inzake de inventaris en de bibliotheek op elk f. 10.000.

6.4. Uit de toelichting die belanghebbende ter zitting heeft gegeven op de door hem in zijn berekening van de stakingswinst in aanmerking genomen post onderhanden werk, leidt het Hof af dat deze grotendeels betrekking heeft op door hem op basis van uurtarief verrichte en gedeclareerde werkzaamheden die niet tot de jaarwinst zijn gerekend omdat de debiteuren slecht bij kas zaten. Gelet hierop, is het Hof van oordeel dat deze post niet tot de stakingswinst kan worden gerekend, maar tot de jaarwinst behoort. Er zijn immers geen feiten gesteld of gebleken waaruit volgt dat er een verschil bestaat tussen de waardering van dit onderhanden werk op de slotbalans en de waardering van die post op de balans voor de bepaling van de jaarwinst.

6.5. Gelet op het vorenstaande komt het Hof tot de slotsom dat een redelijke schatting van de stakingswinst uitkomt op een bedrag van (f. 50.000 + f. 10.000 + f. 10.000 =) f. 70.000. Hierop dient nog de stakingsvrijstelling ten bedrage van f 20.000 in mindering te worden gebracht, zodat per saldo een in de heffing te betrekken stakingswinst resteert van f. 50.000.

6.6. Belanghebbende heeft alsnog stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij voor een bedrag van f. 110.000 een lijfrente heeft bedongen bij de door hem opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Q B.V. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat sprake is van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden voor lijfrentepremieaftrek en die tijdig is gesloten. Nu de bedongen lijfrente het bedrag van de in de heffing te betrekken stakingswinst te boven gaat, betekent dit dat tot het belastbare inkomen geen bedrag aan stakingswinst behoort.

6.7. Met betrekking tot de jaarwinst heeft het Gerechtshof te ’s-Gravenhage als volgt overwogen:

“De Inspecteur heeft onder meer als uitgangspunt een normale bedrijfswinst van f 225.000 genomen, doch hij heeft deze winst op onvoldoende wijze nader toegelicht of gestaafd. Naar de ervaring leert bij een praktijk als die van belanghebbende, kan, uitgaande van een gemiddelde omzet van f 300.000 per jaar, ongeveer 40 percent van die omzet ofwel f 120.000 aan kosten worden toegerekend en ongeveer 60 percent ofwel f 180.000 aan winst.”

Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage en de daarin gehanteerde schatting. Daarbij merkt het Hof op dat in de hier gehanteerde benadering de door belanghebbende ten onrechte tot de stakingswinst gerekende post onderhanden werk geen effect heeft op de schatting van de omvang van de jaarwinst. Uitgangspunt in deze benadering is immers de - door de inspecteur gestelde, op de aangiften omzetbelasting gebaseerde - omzet van f. 300.000 en – zonder toelichting die ontbreekt – is niet aannemelijk dat in deze omzet (voor de omzetbelasting) niet tevens zijn begrepen de bedragen die belanghebbende gedeclareerd heeft aan cliënten die ‘slecht bij kas zaten’. Voor de jaarwinst dient dus, redelijkerwijs schattend, van een bedrag van f. 180.000 te worden uitgegaan.

6.8. De overige in aanmerking te nemen inkomsten en aftrekposten worden - eveneens in navolging van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage - geschat op per saldo negatief f. 10.000.

6.9. Het voorgaande leidt tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van (f. 50.000 -/- f. 50.000 + f. 180.000 -/- f. 10.000 =) f. 170.000.

6.10. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen hij in de gedingstukken en ter zitting heeft aangevoerd overtuigend aangetoond dat de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de weigering van de inspecteur om de premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering in aftrek toe te laten, onjuist is. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de inbreng van de correspondentie tussen hem en MOVIR (bijlagen bij brief van 23 november 2007) doen blijken dat hij tegen arbeidsongeschiktheid is verzekerd en dat hij daarvoor premie heeft betaald. Omdat de inspecteur niet gesteld heeft dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekering bijzonder verband houdt met de door belanghebbende gelopen of nog te lopen specifieke beroepsrisico’s (vgl. HR BNB 1993/55), acht het Hof de betaalde premies als persoonlijke verplichting ex artikel 45 van de Wet aftrekbaar. Omdat vaststaat dat deze aftrekpost - in het geheel - niet is begrepen in de aftrekpost als bedoeld in rechtsoverweging 6.8, dient het inkomen derhalve met [4 x (f. 411,28 + f. 833,15 =) f. 4.978 te worden verminderd.

Met de overige door belanghebbende ingebrachte gedingstukken heeft hij niet doen blijken dat de aanslag onjuist is. De door belanghebbende opgestelde inkomensopstelling, balansen en ‘bijlagen bij de aangifte’ (zie brief belanghebbende aan de inspecteur van 29 juni 2002), zijn inkomensopstelling van 6 augustus 2004, die afweek van zijn eerdere opstelling, en zijn balansen en resultatenrekeningen, die het Gerechtshof 's-Gravenhage op 9 augustus 2004 van belanghebbende ontving, zijn te summier en bieden onvoldoende basis om een verantwoord oordeel te vormen over de juistheid van de in die stukken gepresenteerde gegevens.

Slotsom

6.9. Gelet op het hiervoor overwogene oordeelt het Hof dat de aanslag nader dient te worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen van (f. 170.000 -/- f. 4.978 =) f. 165.013, belast naar het tabeltarief.

7. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is vindt het Hof aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze kosten worden gesteld op de verletkosten, te stellen op (4 x een - door belanghebbende gesteld en door de inspecteur niet betwist - uurloon van € 90 =) € 360, alsmede op de reiskosten voor het bijwonen van de zitting in Amsterdam, voor zover zij niet hoger zijn dan de reiskosten per openbaar vervoer; door het Hof begroot op € 24.

Voor matiging van dit bedrag, als door de inspecteur bepleit, ziet het Hof geen reden.

8. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van € 74.879 (= f. 165.013);

- wijzigt de boetebeschikking in die zin dat de verzuimboete nader wordt vastgesteld op € 113 (= f. 250); en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 384 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 30 januari 2008 door mrs. P.F. Goes, voorzitter, J. den Boer en D.J. de Korte, raadsheren, in tegenwoordig¬heid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.