Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BC3808

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
04/4960
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2006:AX9599
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Nadat prejudiciele vragen zijn gesteld door de Douanekamer volgt naar aanleiding hiervan het arrest van het HvJ met nr. C-310/06 van 18 juli 2007. Het HvJ verklaart hierin dat Verordening (EG) nr. 1223/2002 ongeldig is. De uitnodiging tot betaling dient te worden vernietigd. Belanghebbende verzoekt de Douanekamer het bedrag van de proceskostenvergoeding te stellen op de werkelijk in beroep gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de Douanekamer is het feit dat er sprake is van een onjuist bevonden standpunt van de inspecteur en dat de inspecteur de navordering in stand heeft gelaten op zich onvoldoende voor het oordeel dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Evenmin is een bijzondere omstandigheid dat door de complexiteit van de zaak hoge juridische kosten zijn gemaakt. In het Besluit is hiermee rekening gehouden door de wegingsfactor 2 (zeer zwaar) op te nemen. Daarnaast zijn alle kosten van rechtsbijstand gedragen door belanghebbendes opdrachtgever. Voorzover is beoogd schadevergoeding te claimen anders dan kosten van rechtsbijstand heeft belanghebbende daarvoor niets aangevoerd. Belanghebbende heeft recht op een forfaitaire proceskostenvergoeding. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/927
FutD 2008-0294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/4960 DK

de dato 29 januari 2008

1. De procedure

1.1. Voor een overzicht van de procedure, die is ingeleid door een beroepschrift, ingekomen op 30 december 2004, gedagtekend 28 december 2004 van mr. A en drs. B. van C Belastingadviseurs te D, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te E, belanghebbende, gericht tegen de uitspraak van de Belastingdienst/Douane P (hierna: de inspecteur) van 24 december 2004, kenmerk [xxxxxx], tot aan de door de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) vastgestelde uitspraak van 15 juni 2006, nr. 04/4960 DK, Douanerechtspraak 2006/66*, wordt verwezen naar die uitspraak.

1.2. Bij de sub 1.1. genoemde uitspraak heeft de Douanekamer het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) verzocht uitspraak te doen over de navolgende prejudiciële vraag:

“Is Verordening (EG) Nr. 1223/2002 van de Commissie van 8 juli 2002, tot indeling van

bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, geldig ?”

1.3. Het Hof van Justitie heeft de zaak ingeschreven onder nummer C-310/06 en heeft daarin op 18 juli 2007 arrest gewezen (hierna: het arrest), waarvan het dictum luidt:

“Verordening (EG) nr. 1223/2002 van de Commissie van 8 juli 2002 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, is ongeldig “.

1.4. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk over het arrest uit te laten. Belanghebbende heeft gereageerd bij brieven van 8 augustus 2007 en 22 augustus 2007; de inspecteur bij brieven van 15 augustus 2007 (met bijlagen) en 21 augustus 2007.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend bij brieven van 4 september 2007 en 19 september 2007. De inspecteur heeft een nader stuk ingediend bij brief van 4 oktober 2007.

1.5. Naar aanleiding van het arrest en in verband met de gewijzigde samenstelling van de raadkamer heeft op 15 oktober 2007 een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens belanghebbende is aldaar verschenen haar gemachtigde mr. F, tot zijn bijstand vergezeld van mr. G. en H, en namens de inspecteur mr. I. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De Douanekamer rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. De nadere standpunten van partijen.

2.1.Belanghebbende

2.1.1. Belanghebbende constateert dat de Verordening (EG) nr. 1223/2002 (hierna: de verordening) ongeldig is. Deze verordening is derhalve niet van toepassing bij de vaststelling van de indeling van het onderhavige gezouten, bevroren kippenvlees. De tot Duitsland gerichte Beschikking nr. 2003/97/EG kan geen rol spelen in de onderhavige procedure, nu deze beschikking grotendeels gebaseerd is op eerder vermelde verordening.

De bindende tariefinlichting waarover J SA (hierna: J) beschikte is ten onrechte door de inspecteur ingetrokken.

2.1.2. Vaststaat dat het in alle gevallen gaat om kippenvlees zonder been, bevroren, in alle delen inwendig en homogeen gezouten met een totaal zoutgehalte van 1,2 of meer gewichtspercenten. Met inachtneming van de overwegingen van het Hof van Justitie moet het onderhavige kippenvlees worden ingedeeld in post 0210 99 39 van de Gecombineerde Nomenclatuur van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GN). De uitnodiging tot betaling (Douanekamer: zoals deze na ambtshalve vermindering is vastgesteld) dient derhalve te worden vernietigd.

2.1.3. Belanghebbende verzoekt om een volledige vergoeding van de daadwerkelijk in beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 260.051,03, omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Het handelen van de inspecteur was verwijtbaar en in strijd met het douanerecht. Doordat de inspecteur de navordering willens en wetens in stand heeft gelaten, is belanghebbende geconfronteerd met zeer hoge kosten. De inspecteur had het standpunt met betrekking tot de overgangstermijn van de bindende tariefinlichting niet mogen handhaven. Nu de zaak lijkt te worden beslist op de indeling, zijn de proceskosten ten aanzien van de overgangstermijn vergeefs gemaakt. J heeft de facturen van de betrokken adviseurs rechtstreeks ontvangen en betaald.

2.2. De inspecteur

2.2.1. De inspecteur constateert eveneens dat uit het arrest volgt dat eerder vermelde verordening ongeldig is. Het kan er voor worden gehouden dat het zoutpercentage van alle in de onderhavige aangiften vermelde partijen kippenvlees hoger is geweest dan 1,2%. Goederencode 0210 99 39 van het GDT is derhalve van toepassing.

2.2.2. De inspecteur adviseert het beroep gegrond te verklaren, de uitspraak op bezwaar te vernietigen en de uitnodiging tot betaling aan douanerechten (Douanekamer: zoals deze na de ambtshalve vermindering is vastgesteld) te verminderen met € 2.804.929,48 (Douanekamer: derhalve te vernietigen). Het bedrag van € 2.171.416,26 aan aanvullend recht is reeds bij beschikking van 21 augustus 2007 ambtshalve terugbetaald, zodat belanghebbende haar beroep bij het College van beroep voor het bedrijfsleven kan intrekken.

2.2.3. Ten aanzien van de gevraagde proceskostenvergoeding stelt de inspecteur dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door de inspecteur. Belanghebbende draagt de kosten niet zelf; deze zijn door J voldaan. De inspecteur zal zich niet zal verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten berekend op basis van de forfaitaire regeling in het Besluit. Er is echter geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. De inspecteur heeft niet onzorgvuldig gehandeld door de uitnodiging tot betaling te handhaven. Mocht de Douanekamer anders oordelen dan stelt de inspecteur dat het bedrag voor integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van de huidige gemachtigde, K, op € 25.000, dan wel op een bedrag in goede justitie door de Douanekamer te bepalen, moet worden gesteld.

3. De rechtsoverwegingen

3.1. Aan zijn arrest heeft het Hof van Justitie, voorzover hier van belang, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

“31. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding vielen delen van kippen, zonder been, bevroren, die in alle delen, inwendig en homogeen zijn gezouten en een totaal zoutgehalte van 1,2 of meer gewichtspercenten bevatten, dus onder verdeling 0210 99 39 van de GN.

32. De Commissie is echter de mening toegedaan dat post 0210 is voorbehouden aan vlees dat met het oog op de houdbaarheid is gezouten. Wanneer vlees met het oog op de houdbaarheid wordt ingevroren, valt het daarentegen onder post 0207, ook al is het eventueel gezouten. De Commissie verwijst in dat verband naar de arresten van 17 maart 1983, Dinter (175/82, Jurispr. blz. 969), en 27 mei 1993, Gausepohl-Fleisch (C-33/92, Jurispr. blz. I-3047).

33. Die zienswijze kan niet worden aanvaard. Het volstaat namelijk vast te stellen dat de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding toepasselijke GN nergens uitdrukkelijk bepaalde dat de indeling onder post 0210 afhing van de vraag of het zouten bedoeld was om de langdurige houdbaarheid van het betrokken vlees te waarborgen. Aangaande de relevantie van voormelde arresten Dinter en Gausepohl-Fleisch, zij opgemerkt dat die beslissingen zijn gegeven in andere omstandigheden dan die van de zaak in het hoofdgeding, voor zover toen geen bepaling voor de verduidelijking van de draagwijdte van het woord “gezouten” in de zin van post 0210 was vastgesteld die equivalent was aan aanvullende aantekening 7 op hoofdstuk 2 van afdeling I van het tweede deel van de GN (zie naar analogie arrest van 8 februari 1990, Van de Kolk, C-233/88, Jurispr. blz. I-265, punten 14 en 15).

34. Het staat aan de verwijzende rechter om op grond van de voorgaande aanwijzingen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen in te delen.

35. Derhalve dient aan de verwijzende rechter te worden geantwoord dat verordening nr. 1223/2002 ongeldig is.

(…)”.

3.2. In aanvullende aantekening 7 op hoofdstuk 2 van de GN is opgenomen dat voor de toepassing van post 0210 vlees en eetbare slachtafvallen als “gezouten of gepekeld” worden aangemerkt, indien zij, in alle delen, inwendig en homogeen zijn gezouten en een totaal zoutgehalte van 1,2 of meer gewichtspercenten hebben.

3.3. Uit de punten 33 en 35, alsmede uit het dictum van het arrest volgt dat de verordening ongeldig is.

3.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de in geding zijnde zendingen kippenvlees een zoutgehalte van 1,2 of meer gewichtspercenten hebben. Tussen partijen is evenmin nog in geschil dat de litigieuze uitnodiging tot betaling aan douanerechten dient te worden vernietigd. De Douanekamer heeft gelet op het hiervoor onder 3.1. tot en met 3.3. overwogene geen reden dit standpunt niet te volgen.

Hieruit volgt dat het beroep gegrond is.

4. De proceskosten

4.1. Belanghebbende verzoekt het bedrag van de proceskostenvergoeding te stellen op dat van de door haar opgegeven werkelijk in beroep gemaakte proceskosten, begroot op € 260.051,03. In beginsel kan in een situatie als de onderhavige, waarbij het beroep gegrond wordt verklaard, ingevolge artikel 8:75 Awb en art. 2, eerste lid, van het Besluit slechts een vergoeding worden toegekend welke is berekend met inachtneming van de in het Besluit aangegeven normering. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op deze - forfaitaire - proceskostenvergoeding. In bijzondere omstandigheden kan volgens het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Besluit van deze normering worden afgeweken.

4.2. Het feit dat er sprake is van een onjuist bevonden standpunt van de inspecteur en dat de inspecteur de navordering in stand heeft gelaten is op zich onvoldoende voor het oordeel dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit. In dat verband zij opgemerkt dat het standpunt van de inspecteur is gebaseerd op een destijds geldende verordening die eerst na het arrest van het Hof van Justitie ongeldig is verklaard. Pas op 18 juli 2007, tengevolge van het arrest, werd het een uitgemaakte zaak dat de inspecteur zijn standpunt moest verlaten (HR 7 oktober 2005, nr. 35.729, BNB 2005/374; HR 13 april 2007, nr. 41.235, V-N 2007/19.12).

De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid, dat verhoudingsgewijs hoge juridische kosten zijn gemaakt door de complexiteit van de zaak, is naar het oordeel van de Douanekamer evenmin aan te merken als bijzondere omstandigheid die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. In het Besluit is hiermee rekening gehouden door bij de berekening van de proceskostenvergoeding de wegingsfactor 2 (“zeer zwaar”) op te nemen.

4.3. Tot slot zij opgemerkt dat alle in dit verband opgevoerde kosten van rechtsbijstand zijn gemaakt voor rekening van belanghebbendes opdrachtgever J, zodat ook om die reden vergoeding van integrale proceskosten niet aan de orde kan komen.

4.4. Voorzover belanghebbende beoogt (ook) een vergoeding van schade te claimen anders dan de kosten van rechtsbijstand geldt dat zij daarvoor niets heeft aangevoerd zodat reeds om die reden deze claim faalt.

4.5. Uit het hiervoor overwogene volgt dat belanghebbende recht heeft op een forfaitaire proceskostenvergoeding overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van het Besluit, welke als volgt dient te worden berekend: 8 (beroepschrift 1, schriftelijke inlichtingen 0,5, zitting 1, schriftelijke inlichtingen 0,5, opmerkingen in prejudiciële procedure 2, verschijnen mondelinge behandeling prejudiciële procedure 2, schriftelijke inlichtingen 0,5, nadere zitting 0,5) x € 322 (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) = € 5.152.

5. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, alsmede de uitnodiging tot betaling van douanerechten;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 5.152, aan belanghebbende te voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan het griffierecht ad € 273 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 29 januari 2008 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mrs. E.M. Vrouwenvelder en G.D. van Norden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van de proceskosten.