Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BC3118

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
106.007.063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst met verlening van diensten. Gemengde overeenkomst. Betrokkene komt in beginsel geen onverkort beroep toe op de wettelijke huurbeschermingsbepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 46
WR 2008, 54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[X],

wonende te [...],

APPELLANT in het principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in het incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

t e g e n

de stichting STICHTING MATTHIAS,

gevestigd te IJmuiden, gemeente Velsen,

GEÏNTIMEERDE in het principaal hoger beroep,

APPELLANTE in het incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. R.J. Snip.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [X] respectievelijk de Stichting genoemd.

Bij dagvaarding van 9 augustus 2007 is [X] in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank te Haarlem in het kort geding tussen partijen (de Stichting als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [X] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie) onder zaaknummer/rolnummer 125074 / KG ZA 06-259 heeft gewezen en dat is uitgesproken op 20 juli 2007. Het appelexploot bevat de grieven.

[X] heeft overeenkomstig de dagvaarding negen grieven voorgesteld en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog de vordering van de Stichting zal afwijzen, met veroordeling van de Stichting in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, heeft de Stichting de grieven bestreden, een productie overgelegd, zelf een grief tegen het vonnis aangevoerd en geconcludeerd in het principaal appel tot verwerping daarvan en in het incidenteel appel – samengevat – dat het hof aan het in onderdeel 7.1 van het dictum van het vonnis gegeven bevel tot ontruiming de machtiging zal verbinden tot inschakeling van de sterke arm, in beide appellen met veroordeling van [X] in de kosten.

Partijen hebben de zaak doen bepleiten op 28 november 2007, [X] door mr. J.C. Kuipéri-Botter, advocaat te Alkmaar, aan de hand van diens overgelegde pleitnotities en de Stichting door haar procureur. Bij die gelegenheid heeft [X] in het incidenteel appel geconcludeerd tot afwijzing daarvan en heeft hij – nadat de Stichting haar bezwaren daartegen had laten varen – nog enkele producties in het geding gebracht. Vervolgens heeft ook de Stichting nog een productie overgelegd.

Ten slotte hebben partijen recht gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

Voor de grieven verwijst het hof in het principaal beroep naar de appeldagvaarding en in het incidenteel beroep naar de memorie van de Stichting.

3. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.23 een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. Onder 2.1 is de huisvesting van [X] aangeduid als “begeleid wonen”, terwijl dit volgens grief 1 van [X] “zelfstandig begeleid wonen” moet zijn. De Stichting merkt in dit verband nog op dat de kwalificatie “huurovereenkomst” in 2.1 van het vonnis te beperkt is. Voor zover nodig komt het hof hierna op dit een en ander nog terug. Voor het overige zijn – bij ontbreken van daartegen specifiek geformuleerde grieven - de in het vonnis vermelde feiten tussen partijen niet in geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1. De feiten die het hof tot uitgangspunt dienen zijn – verkort weergegeven – de volgende.

(i) [X] is een jongvolwassene met een autistische stoornis. Hij is gehuisvest in een appartement van het door de Stichting geëxploiteerde woonproject Obsidiaan aan het Weverskwartier 54 te Heemskerk (verder: het appartement). De Stichting heeft volgens haar statuten onder meer ten doel “het beheren en instandhouden van een of meer onderkomen(s) ten behoeve van het begeleid zelfstandig wonen van verstandelijk begaafde (jonge) mensen met een autistische stoornis” en “het ondersteunen van inhuren van zorg voor de bewoners van de in beheer zijnde onderkomen(s)”.

(ii) In de tussen partijen op 25 juni 2005 met betrekking tot het appartement gesloten “Huurovereenkomst met levering van diensten” is onder meer het volgende bepaald:

“In aanmerking nemende dat: (…)

H. Begeleiding aangeboden wordt door een door de Stichting Matthias goedgekeurde zorgverlener.

I. Huurder met de zorgverlener een zorgverleningsovereenkomst heeft gesloten.

J. Huurder de vergoeding voor de begeleiding betaalt uit een persoonsgebonden budget (PGB).

K. Deze huurovereenkomst met levering van diensten onlosmakelijk is verbonden aan de zorgverleningsovereenkomst.

Komen overeen als volgt:

Artikel 1 Ingang en beëindiging: (…)

c) De huurovereenkomst met levering van diensten is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten de periode dat de huurder, krachtens de gesloten zorgverleningsovereenkomst begeleiding ontvangt van een door de Stichting Matthias goedgekeurde zorgverlener.

d) De huurovereenkomst met levering van diensten eindigt:

• indien de zorgverleningsovereenkomst van de huurder wordt beëindigd (…)

• indien verhuurder de huur opzegt (…)

e) Gelet op het bijzondere karakter van het woonproject, het breekbare evenwicht tussen de verschillende zorggebruikers en (mogelijk veranderende) zorgvraag van de bewoners kan niet worden volstaan met de wettelijk geregelde huurbescherming (art. 7A:1623 e.v. BW). (…)

Artikel 4 In gebreke zijn:

a. De huurder is in gebreke indien:

• de huurprijs niet op de gestelde tijdstippen is voldaan

• enige andere bepalingen van de huurovereenkomst niet nakomt (…)”

(iii) De Stichting heeft op 10 maart 2005 een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de stichting SIG te Haarlem, waarin onder meer het volgende is bepaald:

“In aanmerking nemende dat: (…)

B. De SIG een organisatie is voor wonen en dienstverlening aan mensen met een verstandelijke handicap, en bereid is als zorgaanbieder op te treden voor de bewoners van het woonproject Obsidiaan te Heemskerk.

C. Deze overeenkomst tot doel heeft de samenwerking te regelen tussen de stichting Matthias en de SIG. (…)

Komen overeen als volgt:

Artikel 1 Algemene uitgangspunten:

a. Beide partijen zullen de autonomie van de individuele bewoners en hun (wettelijke) vertegenwoordigers respecteren.

b. Beide partijen realiseren zich dat de zorg binnen het woonproject Obsidiaan uitsluitend door de SIG gegarandeerd kan worden door clustering van de financiële middelen zijnde de persoonsgebonden budgetten (PGB’s) van de zeven bewoners.

c. De berekening van het basisrooster personele bezetting is gebaseerd op de totale som van de individueel toegekende PGB’s.

d. Stichting Matthias heeft gekozen voor de SIG als de enige zorgaanbieder voor haar woonproject.

e. Stichting Matthias verplicht haar kandidaat bewoners een overeenkomst te sluiten inzake het kiezen voor een gezamenlijke zorgaanbieder zijnde de SIG.

f. De aard, de intensiteit en de mate van de begeleiding van de individuele bewoners wordt bepaald door de op te stellen individuele zorgplannen. Deze plannen komen tot stand in nauw overleg tussen de bewoner, (wettelijk) vertegenwoordiger van de bewoner en de SIG.

g. De SIG sluit een individuele zorgverleningsovereenkomst met de bewoner(s) van het project Obsidiaan. (…)

Artikel 2 Ingang en beëindiging: (…)

d. Stichting Matthias en de SIG leggen een nadrukkelijke relatie tussen een individuele zorgverleningsovereenkomst en de huurovereenkomst. Mocht een individuele bewoner de zorgverleningsovereenkomst willen beëindigen zal tevens de huurovereenkomst beëindigen. (…)

Artikel 4 Verantwoordelijkheden:

a. De SIG biedt als zorgverlener begeleiding, advisering en ondersteuning aan de individuele bewoners.

b. Zij sluit daartoe individuele zorgverleningsovereenkomsten en is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorgverlening. (…)”

(iv) [X], die op 28 juni 2005 een “overeenkomst van zorg- en dienstverlening” met SIG heeft gesloten, ontvangt sinds het najaar 2005 geen begeleiding meer van SIG. Na een gesprek hierover met de vader van [X] heeft SIG in haar brief aan deze van 2 december 2005 geconstateerd dat “wij niet tot een constructieve uitwisseling [komen] over wat {X} in de begeleiding nodig heeft en wat wij kunnen bieden” en geconcludeerd dat zij “niet in staat is (of in staat wordt gesteld) om een adequaat begeleidingsaanbod voor uw zoon [X] te ontwikkelen”.

(v) Bij brief van 21 april 2006 aan [X] schrijft SIG onder meer:

“Ik constateer dat het tot op heden niet mogelijk is gebleken afspraken met u te maken, ondanks het feit dat wij ons daar open in hebben opgesteld. Het mediationtraject – in opdracht van de Stichting Matthias ingezet (…) – is inmiddels stopgezet, zodat wij geen mogelijkheden meer zien om tot overeenstemming te komen. Wij kunnen u daardoor de diensten zoals vastgelegd in de zorg- en dienstverleningsovereenkomst niet leveren en wij beëindigen deze overeenkomst daarom met ingang van heden op grond van artikel 4.2 van de Algemene Voorwaarden.”

In genoemd artikel 4.2 is onder meer bepaald:

“De zorgaanbieder kan de overeenkomst schriftelijk opzeggen op grond van zodanig zwaarwegende redenen, dat voortzetting van de zorg- en dienstverlening in redelijkheid niet kan worden verlangd. Onder deze redenen wordt in ieder geval verstaan: (…)

b. de zorgvrager weigert zijn medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor een goede uitvoering van de overeenkomst; (…)”

(vi) Bij brief van diezelfde dag aan [X] schrijft de advocaat van de Stichting onder meer:

“Nu vaststaat dat u (…) krachtens de gesloten zorgverlenings-overeenkomst geen begeleiding (meer) ontvangt van de SIG is uw huurovereenkomst dientengevolge van rechtswege geëindigd. (…) Gelet hierop verzoek en voor zover nodig sommeer ik u hierdoor het appartement (…) geheel ontruimd en schoongemaakt binnen 14 dagen na dagtekening van dit schrijven aan de Stichting Matthias op te leveren (…) Voor zover mocht komen vast te staan dat, anders dan de Stichting Matthias blijkens het voorgaande primair meent, de regels van huurbescherming op de tussen u en de Stichting Matthias gesloten “Huurovereenkomst met levering van diensten” van toepassing zijn, zeg ik hierdoor laatstgenoemde overeenkomst op tegen 1 augustus 2006. (…)”

(vii) In het proces-verbaal van de in dit kort geding op 4 juli 2006 gehouden zitting van de voorzieningenrechter is vastgesteld – zakelijk samengevat - dat partijen ter beëindiging van hun geschil zijn overeengekomen met elkaar een begeleidingstraject in te gaan waarvan het verloop tussentijds zal worden geëvalueerd, terwijl na afloop van de periode van 1 september 2006 tot 1 maart 2007 een evaluatie over het gehele traject zal plaatsvinden waarbij partijen zich mede zullen laten adviseren door een daartoe aan te zoeken deskundige, bij gebreke van overeenstemming te benoemen door de voorzieningenrechter.

(viii) Aangezien partijen er niet in slaagden overeenstemming te bereiken over de persoon van de te benoemen deskundige heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 11 september 2006 een onderzoek bevolen en tot deskundige benoemd drs. L. van Asperen (verder: Van Asperen) ter beantwoording van de vraag “of op basis van de uitgangspunten en doelstellingen van het door de Stichting gevoerde project een begeleidingstraject voor [X] kan worden vormgegeven waarin de betrokkenheid van [X]’s moeder bij de begeleiding als zodanig kan worden afgebouwd.” In het op 3 juli 2007 ter griffie van de rechtbank gedeponeerde rapport van de deskundige Van Asperen is als eindconclusie vermeld:

“Ondanks de tijdsinvestering van alle partijen is er nauwelijks gewerkt aan de 6 punten genoemd in het proces verbaal. De partijen staan te ver van elkaar om tot een oplossing te kunnen komen. De begeleiding aan [X] is inhoudelijk niet goed op gang gekomen omdat de strijd omtrent de verantwoording van de begeleidingskosten een grotere rol speelde dan de belangen van [X] zelf en de inhoudelijke invulling van een deskundige begeleiding. Ook al zal door een rechterlijke uitspraak één van de partijen in het gelijk worden gesteld dan nog vermoed ik dat er te weinig basis zal zijn voor verdere samenwerking. De partijen zullen voortdurend in een strijd verwikkeld raken en het beste advies is dat er niet gestreefd wordt naar een samenwerking maar dat beide partijen afscheid van elkaar nemen. De mogelijkheden zijn dat [X] en zijn woning buiten het project begeleid wonen komen te vallen en dat de familie [X] zelf hulp organiseert vanuit het toegekende PGB aan [X]. De andere mogelijkheid is dat [X] naar een andere woonplek verhuist.

Het blijven van [X] binnen het project begeleid wonen is niet in het belang van [X]. Zijn ouders kunnen hem niet voldoende begeleiding bieden. [X] heeft begeleiding van een deskundige nodig. Zijn persoonlijke situatie is verslechterd door het uitblijven van deskundige begeleiding. (…)”

(ix) De Stichting heeft de overeenkomst tussen partijen op 11 juli 2007 buitengerechtelijk ontbonden.

(x) Onder de in hoger beroep door partijen overgelegde stukken bevinden zich een ongedateerde brief van voornoemde Van Asperen aan de familie [X], een aan het hof gerichte brief van 24 november 2007 van [X] en een brief van 26 november 2007 van de advocaat van de Stichting aan Van Asperen. Op deze brieven zal het hof hierna nog terugkomen.

4.2. Bij de dit geding inleidende dagvaarding vorderde de Stichting – samengevat – de veroordeling van [X] tot ontruiming van het appartement binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, met machtiging tot tenuitvoerlegging met de sterke arm, en betaling van een gebruiksvergoeding voor elke maand dat [X] nalaat het gehuurde daadwerkelijk te ontruimen. In reconventie vorderde [X] dat de Stichting op straffe van een dwangsom zal worden opgedragen om binnen zeven dagen de overeengekomen zorg te (doen) verlenen. Bij het vonnis van 20 juli 2007, waarvan beroep, heeft de voorzieningenrechter de vordering van de Stichting aldus toegewezen dat [X] het appartement uiterlijk 1 november 2007 zal moeten hebben verlaten, met veroordeling van [X] tot betaling van een gebruiksvergoeding zoals gevorderd alsmede zijn veroordeling in de proceskosten. De reconventionele vordering van [X] werd afgewezen met zijn veroordeling in de op nihil begrote kosten. Naar aanleiding van de door partijen tegen dit vonnis opgeworpen grieven overweegt het hof als volgt.

In het principaal appel

4.3. Met grief II, in combinatie met grief I, wordt de vraag aan de orde gesteld of, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, sprake is van een gemengde overeenkomst die er in het onderhavige geval toe leidt dat aan [X] (in beginsel) geen beroep toekomt op de wettelijke huurbeschermingsbepalingen. Volgens [X] is sprake van een benoemde overeenkomst van huur van woonruimte die daarnaast enige elementen bevat van een onbenoemde overeenkomst van zorg- en dienstverlening, met als gevolg dat de dwingendrechtelijke bepalingen van de huurovereenkomst prevaleren. Daarom kan volgens [X] de huurovereenkomst niet worden opgezegd indien, zoals hier het geval is, niet aan de wettelijke opzeggingsvereisten is voldaan.

4.4. Het hof deelt het oordeel van de voorzieningenrechter dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als een gemengde overeenkomst en sluit zich aan

bij hetgeen daartoe in het vonnis onder 5.4 is overwogen. De strekking van deze - blijkens zijn bewoordingen onlosmakelijk met de tussen [X] en SIG gesloten zorgverleningsovereenkomst verbonden – “huurovereenkomst met levering van diensten” is dat [X] wordt opgenomen in een op zijn situatie toegesneden begeleid wonen regime, waarbij de nodige zorg door alle bewoners in het project Obsidiaan wordt betrokken van één zorgaanbieder, die aldus op een geïntegreerde manier invulling aan die zorg kan geven. Met als uitgangspunt dat voor het slagen van het project en het garanderen van de zorg clustering van de financiële middelen, zijnde de PGB’s van de zeven bewoners, noodzakelijk is en dat het basisrooster personele bezetting daarop wordt gebaseerd, is de Stichting met SIG overeengekomen dat SIG de zorg binnen dit project exclusief op zich zal nemen en dat de Stichting haar kandidaat bewoners zal verplichten een overeenkomst te sluiten met SIG als gezamenlijke zorgaanbieder, hetgeen ook feitelijk is gebeurd. Mede gelet op deze contractuele borging moet worden geconcludeerd dat de dienstverleningselementen begeleiding, advisering en ondersteuning aan de individuele bewoners binnen het woonproject Obsidiaan het typerende en duidelijk overheersende element van de overeenkomst vormen. De omstandigheid dat de statutaire doelomschrijving van de Stichting spreekt van “begeleid zelfstandig wonen” maakt dit niet anders en doet niet af aan het feit dat [X] zich jegens de Stichting heeft verbonden tot het afnemen van de door SIG geboden zorg. Nu in dit contractuele kader bovendien in de opzet van het project een relatie van de individuele bewoners, waaronder [X], met SIG essentieel is, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat in een geval als het onderhavige, waarin de beëindiging van de overeenkomst door de Stichting zijn oorzaak vindt in de beëindiging van de overeenkomst tussen [X] en SIG, aan [X] (in beginsel) geen (het hof voegt toe:) althans geen onverkort beroep toekomt op de wettelijke huurbeschermingsbepalingen. De grieven I en II falen derhalve.

4.5. De grieven III tot en met VIII, die gezamenlijk kunnen worden behandeld, bestrijden in de kern genomen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het in een relatie als de onderhavige noodzakelijke vertrouwen tussen (de ouders van) [X] enerzijds en de Stichting en SIG anderzijds zodanig is verstoord dat, bij het hier gebleken ontbreken van een perspectief op voortzetting die tot een duurzaam bevredigende situatie voor alle betrokkenen waaronder [X] kan leiden, van de Stichting (en SIG) niet kan worden verlangd dat zij de relatie met [X] voortzet en dat de vordering tot ontruiming daarom kan worden toegewezen. Deze grieven slagen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.6. Anders dan de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat het advies van de deskundige Van Asperen ten aanzien van het ontbreken van een perspectief op bevredigende voortzetting van de relatie niet zodanig “glashelder” is dat het zich voorshands hierop kan verlaten. Uit de in het vonnis onder 2.22 geciteerde e-mails van de vader van [X] aan Van Asperen, waarin hij zijn hierover met Van Asperen gevoerde telefoongesprekken weergeeft, komt naar voren dat Van Asperen, niettegenstaande het in zijn rapport opgenomen advies, van mening is dat [X] goed is te begeleiden en dat zijn belang het beste gediend is als hij in Obsidiaan kan blijven wonen. Dat de deskundige inderdaad (alsnog) die mening is toegedaan vindt bevestiging in zijn in hoger beroep overgelegde brief aan de familie [X], waarin hij onder meer schrijft:

“U heeft mij verzocht een reactie te schrijven op het vonnis (…) Naar mijn mening wordt (…) te weinig rekening gehouden met de belangen en beperkingen van [X] door zijn handicap. [X] heeft in het verleden bewezen dat hij behandelbaar is geweest tijdens zijn verblijf in “De Steiger” te Dordrecht en is nog steeds begeleidbaar. Hij heeft recht op begeleiding en daarnaast zal zijn omgeving rekening moeten houden met zijn stoornis. Dat aan [X] [X] bekend gemaakt moest worden dat hij zijn appartement kan ontruimen op een bepaalde datum maakt duidelijk dat er geen rekening is gehouden met de belangen van [X]. Hij krijgt geen alternatief aangeboden en er is niet naar zijn mening gevraagd of hij in het appartement wil blijven wonen of dat hij ergens anders een aangeboden woonruimte wil accepteren.

Voor [X] geeft dit vonnis veel onduidelijkheid. Hij voelt zich op dit moment veilig in zijn huidige woonsituatie. Een gedwongen uit huis plaatsing is niet in het belang van [X]. Het ontbreken van een passend alternatief zal leiden tot ernstige psychische gevolgen. (…)”

4.7. Weliswaar heeft de advocaat van de Stichting bij brief van 26 november 2007 aan Van Asperen een aantal vragen gesteld over diens hiervoor geciteerde brief, dat neemt echter niet weg dat op basis van de thans voorliggende, niet geheel eenduidige bevindingen van de deskundige niet kan worden vastgesteld dat de vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen zodanig is verstoord dat herstel daarvan uitgesloten moet worden geacht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de ter zitting van 4 juli 2006 overeengekomen begeleiding niet goed van de grond is gekomen omdat, zoals Van Asperen heeft gerapporteerd en hiervoor is weergegeven, “de strijd omtrent de verantwoording van de begeleidingskosten een grotere rol speelde dan de belangen van [X] zelf en de inhoudelijke invulling van een deskundige begeleiding”. Volgens [X] zal “de lucht voor het overgrote deel zijn opgeklaard” indien SIG openheid van zaken geeft met betrekking tot de verantwoording van de aan hem in rekening gebrachte kosten. Dat is naar het voorlopig oordeel van het hof geen onredelijk verlangen. De verantwoording die totnogtoe is gegeven moet vooralsnog als niet voldoende worden beschouwd. Het gaat dan ook niet aan om, zoals de Stichting doet, het ontbreken van een werkbare situatie uitsluitend aan [X] te verwijten omdat hij, althans zijn ouders, zich zouden distantiëren van de doelstelling en (financiële) opzet van Obsidiaan. Wanneer de Stichting in redelijkheid tegemoet komt aan de verlangens van [X] omtrent de financiële verantwoording van de uit zijn PGB bekostigde zorg zal dit, naar valt aan te nemen, in belangrijke mate kunnen bijdragen aan verbetering van de verhoudingen en herstel van vertrouwen tussen partijen.

4.8. Op grond van deze overwegingen kan niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat de bodemrechter, indien daartoe geroepen, zal oordelen dat geen gronden aanwezig zijn die opzegging van de overeenkomst door de Stichting kunnen rechtvaardigen. Dat brengt mee dat de in dit kort geding door de Stichting ingestelde vordering tot ontruiming niet toewijsbaar is.

4.9. [X] kan – zoals voorshands overwogen – verlangen dat de Stichting in redelijkheid de in rekening gebrachte zorgkosten verantwoordt. Zoals overwogen kan dit bijdragen tot herstel van de vertrouwensrelatie tussen partijen en uitzicht bieden op hervatting van het verlenen van de met [X] overeengekomen zorg op basis van een individueel zorgplan als vermeld in de samenwerkingsovereenkomst tussen de Stichting en SIG. Of deze verwachting uitkomt zal nog moeten blijken. In de gegeven omstandigheden is onvoldoende grond te vinden om de Stichting reeds thans op straffe van een dwangsom te bevelen die zorg op de door [X] in reconventie gevorderde termijn te hervatten. De tegen de afwijzing van deze vordering gerichte grief IX faalt derhalve.

In het incidenteel appel

4.10. Nu de vordering tot ontruiming niet toewijsbaar is, is de grief in het incidenteel appel vergeefs opgeworpen.

5. Slotsom

In het principaal appel slagen de grieven III tot en met VIII. De overige grieven worden verworpen, evenals de grief in het incidenteel appel. Het vonnis waarvan beroep dient in conventie te worden vernietigd en in reconventie te worden bekrachtigd. De vordering van de Stichting wordt alsnog afgewezen. De Stichting wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de beide instanties.

6. Beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen in conventie en doet in zoverre opnieuw recht:

wijst de vordering van de Stichting af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen in reconventie;

verwijst de Stichting in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van [X] in eerste aanleg begroot op € 816,- voor salaris procureur en € 248,- aan verschotten en in hoger beroep tot op heden in het principaal appel begroot op € 2.682,- voor salaris procureur en € 384,31 aan verschotten en in het incidenteel appel op € 1.341,- voor salaris procureur (op de voet van artikel 243 Rv te voldoen aan onderscheidenlijk de griffier van de rechtbank en de griffier van dit hof);

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Ingelse, N. van Lingen en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 januari 2008.