Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BC2864

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
106.011.310/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangezien de schuldenaar, thans klager, niet afwezig was en evenmin de toegang tot zijn woning heeft geweigerd, was de gerechtsdeurwaarder naar het oordeel van het hof niet gerechtigd om bij de eerstvolgende poging tot beslaglegging de kosten van de aanwezigheid van een slotenmaker aan klager door te berekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Zaaknummer 106.011.310/01

Beslissing van 24 januari 2008 in de zaak onder rekestnummer 820/2007 GDW van:

[A],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin,

t e g e n

[B],

wonende te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1.Ter griffie van het hof alhier is op 19 juli 2007 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - waarbij appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 19 juni 2007, verzonden 3 juli 2007, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder te noemen klager, tegen de gerechtsdeurwaarder gedeeltelijk gegrond is verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping met aanzegging dat, indien andermaal door hem een van de in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard.

1.2. Van de zijde van klager is op 17 augustus 2007 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is gelijktijdig met de zaak met rekestnummer 938/2007 GDW behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 november 2007. Klager alsmede de gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Met uitzondering van het feit vermeld onder 1.d. hebben partijen tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. De stelling die namens de gerechtsdeurwaarder in het beroepschrift naar voren is gebracht, dat op 18 april 2005 geen beslag is gelegd, maar dat sprake was van een vergeefse beslagpoging, zonder dat daarvoor kosten in rekening zijn gebracht, zal het hof bij zijn beoordeling bespreken.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij onnodig kosten heeft gemaakt onder meer door het treffen van executiemaatregelen gedurende de periode van het verzet.

4.2. Voorts wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij alleen bereid was de executie te schorsen als klager hem een kopie van zijn verzetschrift zou toesturen.

4.3. Ook verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat hij niet bereid was om zijn betalingsvoorstel te accepteren.

4.4. Eveneens wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij ten onrechte kosten van de slotenmaker heeft berekend, terwijl die niet aanwezig is geweest bij de beslaglegging.

4.5. Bovendien verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat hij zonder nadere reden van de ene op de andere dag (23 en 24 oktober 2006) een bedrag van € 239,82 aan hetgeen klager in het kader van de aanplakking van de openbare verkoop was verschuldigd heeft toegevoegd.

4.6. Ten slotte wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij op 22 november 2006 in een advertentie de openbare verkoop heeft aangekondigd op 23 november 2006, terwijl klager de gelegenheid had om uiterlijk 23 november 2006 te betalen.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1. De gerechtsdeurwaarder heeft in hoger beroep betoogd dat het in zijn praktijk pertinent niet gebruikelijk is dat bij beslagroutes altijd, dus ook bij de eerste poging tot beslaglegging, een slotenmaker wordt meegenomen. In dat verband heeft hij erop gewezen dat het hier om een zogenoemde politieroute ging en dat het bij zulke routes wel gebruikelijk is dat een slotenmaker, alsmede – op grond van artikel 444 Rv – een hulpofficier van justitie meerijdt dan wel op afroep beschikbaar is. Gebruikelijk op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder is dat er na de betekening van de titel altijd eerst zonder politie en slotenmaker wordt getracht betaling te verkrijgen dan wel beslag te leggen. Op 18 april 2005 is de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder mr. E. Bos-Smits bij klager aan de deur geweest om beslag te leggen. Klager heeft haar de toegang tot de woning geweigerd. Toen is er geen beslag gelegd. Bij brief van 4 oktober 2006 is het beslag van 12 februari 2006 aangezegd, omdat het verzet tegen het dwangbevel ongegrond was verklaard.

5.2. Met betrekking tot de extra kosten van de aanplakking van de openbare verkoop heeft de gerechtsdeurwaarder betoogd dat deze dubbele boeking op een vergissing van een medewerker berustte. Uiteindelijk heeft klager deze kosten niet voldaan aangezien deze fout tijdig is gecorrigeerd.

6. De beoordeling

6.1. Het hof stelt voorop dat, hoewel de gerechtsdeurwaarder zijn hoger beroep heeft beperkt tot de klachtonderdelen 4.4 en 4.5 van de beslissing van de kamer, het hof op grond van de wetsgeschiedenis de klacht in volle omvang zal behandelen.

6.2. Het hof is van oordeel dat de kamer in haar beslissing onder de rubrieken 4.1., 4.2. en 4.6. op juiste gronden tot ongegrondverklaring van de daarin vervatte klachtonderdelen is gekomen. Het hof zal dit oordeel van de kamer volgen en het tot het zijne maken en verklaart de klachtonderdelen zoals genoemd onder 4.1, 4.2. en 4.6. ongegrond.

6.3. Het vierde klachtonderdeel betreft de in rekening gebrachte kosten voor de aanwezigheid van een slotenmaker. In de eerste plaats klaagt klager er over dat er in het geheel geen slotenmaker aanwezig was bij de beslaglegging.

De gerechtsdeurwaarder heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt voor de aanwezigheid van de slotenmaker door zijn verklaring en door het in het geding brengen van de nota van de slotenmaker. Uit die nota blijkt dat de slotenmaker kosten in rekening brengt voor zijn aanwezigheid op het adres van klager. Die kosten blijken € 45,- exclusief omzetbelasting te zijn. Dat bedrag is door de gerechtsdeurwaarder aan klager in rekening gebracht. Op dit punt is dit klachtonderdeel daarom niet gegrond.

6.4. Klager heeft daarnaast aangevoerd dat het in rekening brengen van kosten van een slotenmaker niet terecht is, omdat hij de gerechtsdeurwaarder zonder problemen heeft binnengelaten.

Ingevolge artikel 9 van het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders (BTAG) mag de gerechtsdeurwaarder zijn kosten verhogen met de voor de ambtshandeling noodzakelijke verschotten. Dergelijke verschotten kunnen volgens de toelichting op dit artikel onder meer de kosten van een slotenmaker zijn. De vraag is daarom of die kosten in dit geval “noodzakelijk” waren.

De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat het in zijn praktijk standaard is dat na de betekening van de titel altijd eerst een beslagpoging wordt ondernomen zonder politie en slotenmaker. Indien dan geen betaling volgt en het niet gelukt is om beslag te leggen, wordt de zaak opgenomen in de zogenaamde ‘politiebeslagroute’. Die gang van zaken komt grotendeels overeen met de voor de gerechtsdeurwaarder op dit punt geldende voorwaarden, zoals deze uit

artikel 8 lid 2 BTAG kunnen worden afgeleid:

1. de gerechtsdeurwaarder dient minimaal één beslagpoging te hebben verricht en

2. het beslag heeft geen doorgang kunnen vinden als gevolg van afwezigheid van de schuldenaar.

Op 18 april 2005 heeft een aan de gerechtsdeurwaarder toegevoegde kandidaat-deurwaarder zich naar het adres van klager begeven om daar beslag te leggen. In het daarvan door haar opgemaakte exploot valt te lezen:

Teneinde een laatste gelegenheid tot betaling van de na te melden vordering te verlenen heb ik (t.k.) deurwaarder de executie opgeschort.

Vervolgens heb ik (t.k.) deurwaarder, mijn exploot doende op voormeld adres, afschrift dezes en van na te melden vragenlijst achtergelaten

A A N

hem in persoon

Dat komt overeen met wat klager hierover heeft vermeld, namelijk dat de toegang tot de woning niet is gevraagd en ook niet is geweigerd, maar dat een exploot en een formulier voor het aanvragen van een betalingsregeling is overhandigd. Het relaas van de toegevoegd kandidaat deurwaarder komt niet overeen met het standpunt van de gerechtsdeurwaarder in deze procedure, dat de toegang tot de woning door klager is geweigerd. Aan dat laatste standpunt wordt daarom voorbijgegaan.

Aangezien de schuldenaar, thans klager, niet afwezig was en evenmin de toegang tot zijn woning heeft geweigerd, was de gerechtsdeurwaarder naar het oordeel van het hof niet gerechtigd om bij de eerstvolgende poging tot beslaglegging de kosten van de aanwezigheid van een slotenmaker aan klager door te berekenen. Die kosten waren immers nog niet “noodzakelijk”.

Op dit punt is het klachtonderdeel is dan ook gegrond.

6.5. Voorts wordt het volgende overwogen. De gerechtsdeurwaarder heeft klager bij brief van. 4 oktober 2006 aangezegd dat op 12 oktober 2006 tussen 8.00 en 18.00 uur beslag zou worden gelegd op de roerende zaken van klager. Klager kon deze beslaglegging slechts voorkomen door betaling van het verschuldigde bedrag. In deze aanzegging vermeldt de gerechtsdeurwaarder:

Indien u niet aanwezig bent, dan wel niet voldoende vertegenwoordigd bent, zal met politie en slotenmaker toegang tot uw woning worden verschaft.

In het onderhavige geval wás de klager op de aangekondigde datum aanwezig. De door de gerechtsdeurwaarder zelf geformuleerde voorwaarde was daarmee niet vervuld, zodat ook om die reden de kosten van de slotenmaker niet mochten worden doorberekend.

6.6. Ten slotte merkt het hof over de vergeefse beslagpoging nog het volgende op. De gerechtsdeurwaarder voert in zijn beroepschrift aan dat voor die poging geen kosten in rekening zijn gebracht. Inderdaad heeft de gerechtsdeurwaarder die kosten uiteindelijk niet aan klager berekend. In het op 18 april 2005 aan klager achtergelaten exploot worden ze echter wel in rekening gebracht. Bovendien heeft de gerechtsdeurwaarder in de brief van 21 april 2005 aan klager de kosten van de vergeefse beslagpoging als “executiekosten” eveneens aan klager in rekening gebracht. Hierover is geen klacht ingediend, zodat dit ook niet tot een tuchtrechtelijke sanctie kan leiden.

6.7. Nu het hof tot ongegrondverklaring van klachtonderdeel 4.5. is gekomen kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven en dient deze te worden vernietigd, behoudens de vaststelling van de daarin vervatte feiten. Aangezien het hof tot een ander – minder bezwarend - oordeel is gekomen acht het hof een minder vergaande maatregel passend en geboden, dan de maatregel die de kamer heeft opgelegd aan de gerechtsdeurwaarder.

6.8. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.9. Het vorenoverwogene leidt tot de volgende beslissing

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer van 19 juni 2007 – behoudens de daarin vervatte vaststelling van de feiten (met uitzondering van het feit vermeld onder 1.d.) – en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart klachtonderdeel 4.4. gegrond;

- legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gewezen op donderdag 22 november 2007 door mrs. A.L.G.A. Stille, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op donderdag 24 januari 2008 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 19 juni 2007 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 529.2006 van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 22 november 2006 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief met bijlagen van 18 december 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

Bij brief met bijlagen van 3 mei 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder aanvullende stukken ingebracht.

De klacht is behandeld ter zitting van 8 mei 2007 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 19 juni 2007.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) De gerechtsdeurwaarder is belast met de executie van een door de officier van justitie te Leeuwarden tegen klager uitgevaardigd dwangbevel.

b) Nadat de gerechtsdeurwaarder het dwangbevel op 29 maart 2005 had betekend, heeft klager geschreven dat hij hooguit bereid was de oorspronkelijke sanctie te betalen, omdat hij de initiële sanctie noch de aanmaningen had ontvangen.

c) Klager heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 11 april 2005 meegedeeld dat hij in verzet was gegaan. De gerechtsdeurwaarder heeft klager gevraagd een kopie van het verzetschrift toe te sturen. Klager heeft dit geweigerd.

d) Op 18 april 2005 heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van klager beslag op roerende zaken gelegd.

e) Bij brief van 27 april 2005 heeft het CJIB de gerechtsdeurwaarder bericht dat de hoofdsom was betaald.

f) Bij brief van 10 mei 2005 heeft het CJIB de gerechtsdeurwaarder bericht dat klager op 27 april 2005 in verzet was gegaan met het verzoek de executie te schorsen.

g) Op 6 april 2006 heeft het CJIB de gerechtsdeurwaarder bericht dat het verzet ongegrond was verklaard en hem verzocht de executie voort te zetten.

h) Klager heeft een betalingsregeling verzocht, die door de gerechtsdeurwaarder is afgewezen omdat het voorgestelde bedrag te laag was.

i) Door de gerechtsdeurwaarder is op 12 oktober 2006 opnieuw beslag op roerende zaken gelegd, waarna de vordering door klager uiteindelijk is voldaan.

2. De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder, kort samengevat, dat deze in strijd heeft gehandeld met de artikelen 1, 4, 8, 10 en 12 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders. Klager verwijt het de gerechtsdeurwaarder met name dat deze:

1. nodeloos kosten heeft veroorzaakt, ook door het treffen van executiemaatregelen gedurende de periode van het verzet;

2. alleen bereid was de executie te schorsen als hij een kopie van zijn verzetschrift zou toesturen;

3. niet bereid was om zijn betalingsvoorstel te accepteren.

4. ten onrechte kosten van de slotenmaker heeft berekend terwijl die niet aanwezig is geweest bij de beslaglegging;

5. van de ene op de andere dag (23 en 24 oktober 2006) een bedrag van € 239.82 aan het verschuldigde heeft toegevoegd, zonder aan te geven waarom;

6. op 22 november 2006 in een advertentie de openbare verkoop heeft aangekondigd op 23 november 2006, terwijl klager de gelegenheid had om uiterlijk 23 november 2006 te betalen.

Klager verzoekt hem een schadevergoeding toe te kennen.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd bestreden. Hij heeft samengevat aangevoerd dat klager ruimschoots de tijd heeft gehad tot betaling van het verschuldigde over te gaan of een passende betalingsregeling te treffen. Klager is pertinent weigerachtig geweest de vordering te voldoen en heeft geen gehoor willen geven aan de raadgevingen zowel ten aanzien van het verzet als de betalingsregeling. Klager is blijven steken in het herhalen van dezelfde bezwaren. Het beslag op roerende zaken heeft uiteindelijk tot betaling geleid.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Klager verwijt het de gerechtsdeurwaarder dat hij een kopie van het verzetschrift wilde ontvangen, alvorens tot schorsing van de executie te willen overgaan. Dit is naar het oordeel van de Kamer niet tuchtrechtelijk laakbaar. De gerechtsdeurwaarder heeft hiervoor in zijn brief van 21 april 2005 onder meer meegedeeld dat bij het CJIB op 20 april 2005 nog steeds niet bekend was dat klager in verzet was gegaan tegen het dwangbevel. Gelet op de inhoud van de brief van 10 mei 2007 van het CJIB aan de gerechtsdeurwaarder is niet gebleken dat klager eerder dan op 27 april 2005 in verzet is gekomen. De executie is daarna door de gerechtsdeurwaarder geschorst. Hieruit volgt dat de kosten van beslaglegging op 18 april 2005 niet nodeloos zijn gemaakt. Klachtonderdelen 1. en 2. dienen ongegrond te worden verklaard.

4.2 Hetzelfde geldt voor klachtonderdeel 3. Een schuldenaar is op grond van de wet zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd het verschuldigde in gedeelten te voldoen. Dit brengt derhalve mee dat een betalingsregeling slechts tot stand kan komen met toestemming van de schuldeiser, hier het CJIB. Dat die het door klager voorgestelde bedrag te laagvond, kan klager de gerechtsdeurwaarder niet verwijten. Een gerechtsdeurwaarder behoeft een afwijzing niet te motiveren.

4.4 Ter zitting en op grond van de stukken is weliswaar vast komen te staan dat op 12 oktober 2006 een slotenmaker aanwezig is geweest maar dat klager de deur heeft geopend en de gerechtsdeurwaarder toegang tot de woning heeft verleend. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat hij altijd een slotenmaker meeneemt op zijn route en de kosten derhalve standaard in rekening worden gebracht. De Kamer acht dit onzorgvuldig.

Er is slechts aanleiding om een slotenmaker mee te nemen als na een eerdere vergeefse beslagpoging opnieuw beslag wordt aangekondigd en tevens wordt medegedeeld dat een slotenmaker aanwezig zal zijn. Uit de stukken blijkt niet dat een dergelijke aankondiging is gedaan. De kosten van de slotenmaker hadden dus niet aan klager in rekening mogen worden gebracht. De Kamer acht dit temeer laakbaar aangezien deze gang van zaken gebruikelijk is binnen de praktijk van deze gerechtsdeurwaarder, zoals blijkt uit eerdergenoemde verklaring van de gerechtsdeurwaarder. Klachtonderdeel 4 is daarom terecht voorgesteld.

4.5 Hetzelfde geldt voor klachtonderdeel 5. Eerst ter zitting is gebleken dat het verschil van het in het proces-verbaal van 23 oktober 2006 vermelde bedrag ad € 469,83 en het bedrag ad € 709,65 in de brief aan klager van 24 oktober 2006 onder meer is gelegen in het feit dat aan klager tweemaal de kosten van aanplakking van de openbare verkoop in rekening zijn gebracht. Ook dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld.

4.6 Dat klager tot het laatste moment in de gelegenheid is gesteld te betalen, staat niet aan aanplakking van een openbare verkoop in de weg. Publicatievoorschriften die gelden bij een executoriale verkoop van roerende zaken (aanplakking en het plaatsen van een advertentie) zijn gebonden aan in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering vermelde termijnen. Klachtonderdeel 6 is daarom tevergeefs voorgesteld.

4.7 Het verzoek om een schadevergoeding kan reeds worden gepasseerd omdat daarvoor, zo daartoe al aanleiding zou zijn, in de onderhavige procedure geen plaats is.

5. De Kamer acht mede gelet op de tuchtrechtelijke maatregelen die eerder aan de gerechtsdeurwaarder zijn opgelegd termen aanwezig tot oplegging van na te melden maatregel over te gaan. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klachtonderdelen 4. en 5. gegrond,

? legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op met aanzegging dat, indien andermaal door hem een van de in artikel 34, eerste lid bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen;

? verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. M.M. Beins en J. Smit, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2007 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.