Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BC2055

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
106.010.792/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klager twijfelt eraan of de gerechtsdeurwaarder op de juiste wijze de verdeelkosten in rekening heeft gebracht. In feite is dat een zaak van de schuldenaar, omdat bij iedere afdracht van de derde de verdeelkosten (als eerste) ten laste van de schuldenaar worden gebracht. Anderzijds heeft ook de beslaglegger er belang bij om te controleren of de gerechtsdeurwaarder de juiste verdeelkosten in rekening brengt. Hoe hoger immers de verdeelkosten, hoe lager het onder de beslagleggers te verdelen bedrag.

Het gaat echter te ver om – zoals klager doet - van de gerechtsdeurwaarder te verlangen dat hij bij iedere afrekening aan alle beslagleggers inzage verstrekt van de bruto ontvangen bedragen, de ten laste van schuldenaar gebrachte verdeelkosten en het netto bedrag dat resteert om verdeeld te worden. Wel mag echter van de gerechtsdeurwaarder worden verlangd dat hij aan de individuele beslaglegger nadere informatie verstrekt, indien deze daarom vraagt. Die werkzaamheden moeten worden beschouwd als verdere executie van de opbrengst en werkzaamheden met betrekking tot de uitkering van de netto opbrengst aan de executant. Volgens de toelichting op artikel 3 van het BTAG houdt het schuldenaarstarief op dit onderdeel onder meer voor die werkzaamheden een vergoeding in. De gerechtsdeurwaarder zal deze informatie dus kosteloos aan de beslaglegger dienen te verstrekken. Op dit punt is het eerste klachtonderdeel gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 10 januari 2008 in de zaak onder rekestnummer 301/07 GDW van:

[naam],

gerechtsdeurwaarder te Maastricht,

APPELLANT,

t e g e n

[naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 5 april 2007 ingekomen een verzoekschrift, met één bijlage, van de zijde van appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 27 februari 2007, verzonden op 8 maart 2007, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder te noemen klager, tegen de gerechtsdeurwaarder gedeeltelijk gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel en voor het overige ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van klager is op 7 mei 2007 een verweerschrift met één bijlage ter griffie van het hof ingekomen. De gerechtsdeurwaarder heeft hierop gereageerd bij brief, met één bijlage, ingekomen op 13 november 2007.

1.3. Van de zijde van klager is op 21 november 2007 nog een brief ontvangen. Alhoewel deze brief voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter griffie van (de strafsector van) het hof was ontvangen was deze brief niet bekend bij het hof tijdens de mondelinge behandeling. De gerechtsdeurwaarder is hierna in staat gesteld te reageren op deze brief. Dat heeft hij gedaan bij brief, ingekomen op 7 december 2007.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 november 2007. De gerechtsdeurwaarder is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klager is, alhoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder het volgende:

1. De gerechtsdeurwaarder wil, zo blijkt uit zijn brief van 22 maart 2006, in de toekomst geen gespecificeerde afrekeningen verstrekken, in dier voege dat inzicht wordt verschaft in de ontvangen gelden, de door hem gemaakte kosten en het bedrag dat netto resteert om afgedragen te worden, althans niet kosteloos. Op grond van artikel 7, onderdeel b van de Administratieverordening is de gerechtsdeurwaarder gehouden om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop hij zijn eigen kosten met het uit te keren bedrag verrekent, aldus klager. Klager bestrijdt dat het niet mogelijk zou zijn vorenbedoelde gespecificeerde afrekeningen te verstrekken: andere gerechtsdeurwaarders doen dit wel en de gerechtsdeurwaarder heeft het zelf inmiddels ook enkele keren gedaan.

2. De gerechtsdeurwaarder pleegt, naar mening van klager, valsheid in geschrifte door structureel in zijn afrekeningen/declaraties een verkeerde voorstelling van zaken te geven. Op de in de afrekeningen/declaraties genoemde ontvangen bedragen zijn reeds afwikkelingskosten in mindering gebracht, zodat de daadwerkelijk ontvangen bedragen hoger zijn dan de gerechtsdeurwaarder doet voorkomen.

3. De gerechtsdeurwaarder brengt de debiteur omzetbelasting in rekening, terwijl de beslaglegger de omzetbelasting kan verrekenen. De omzetbelasting vormt voor de beslaglegger dus geen vermogensschade en mag niet ten laste van de debiteur worden gebracht. De gerechtsdeurwaarder weigert, ondanks herhaald verzoek, hierover opheldering te verschaffen.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder bestrijdt de klacht als volgt.

1. Artikel 7, onderdeel b van de Administratieverordening, zo stelt de gerechtsdeurwaarder, is niet van toepassing op de verdeling bij samenloop van beslagen. De wet geeft niet aan op welke wijze de kosten zijn toe te rekenen aan het verdeeldossier. De gerechtsdeurwaarder stelt klager verscheidene keren gevraagd te hebben hoe de verdeling en de toewijzing van de kosten aan het verdeeldossier zou moeten. Klager heeft echter nimmer de moeite genomen om dit inzichtelijk te maken. Ten slotte wijst de gerechtsdeurwaarder ten aanzien van dit klachtonderdeel uitdrukkelijk op artikel 3:277 BW. Zijns inziens is de wet hier duidelijk: in een verdeeldossier is er geen mogelijkheid om het aandeel van klager in de kosten per dossier op te geven omdat de kosten in mindering worden gebracht op de bruto ontvangen gelden en verdeling plaatsvindt van netto bedragen. Er wordt dus in de wet niet gesproken over de verdeling van de kosten.

2. De gerechtdeurwaarder stelt alle gelden af te dragen die vanwege verdeling in de dossiers komen. Het spreekt voor zich, zo stelt de gerechtsdeurwaarder, dat de bruto ontvangen bedragen hoger zijn. Zo zitten er gelden bij voor de andere verdeeldossiers en ook nog de kosten. Als de gerechtsdeurwaarder wel het bruto bedrag zou opgeven zou klager daar niets aan hebben: hij is niet op de hoogte van het aantal dossiers waarover het bedrag moet worden verdeeld en hij is niet op de hoogte van de verdeelsleutel.

3. Ten aanzien van het derde onderdeel van de klacht verwijst de gerechtsdeurwaarder naar een notitie van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) met als onderwerp artikel 10 Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (BTAG) en dan in het bijzonder op het volgende:

“Het vorenstaande brengt met zich mee dat de gerechtsdeurwaarder die het oudste beslag legde, gerechtigd is het maandbedrag ex artikel 3 onder b. of c. Btag te verhogen met het percentage ex artikel 10 Btag, ongeacht het verschil in de btw-fiscale positie van de individuele eisers/beslagleggers.“

6. De beoordeling

6.1. Artikel 7, aanhef en onder b van de Administratieverordening Gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 2001, nr. 132) luidt als volgt:

“De gerechtsdeurwaarder zorgt ervoor dat maatregelen worden genomen die waarborgen dat: (…)

b. duidelijkheid bestaat over de wijze waarop zijn eigen kosten met het uit te keren bedrag worden verrekend;”

Ter toelichting op dit artikel heeft de Staatssecretaris van Justitie opgemerkt dat de gerechtsdeurwaarder ervoor moet zorgen dat duidelijkheid bestaat over de wijze waarop hij zijn kosten in rekening brengt, bijvoorbeeld of hij zijn eigen declaratie af mag trekken van hetgeen hij aan de opdrachtgever moet betalen.

Artikel 3:277 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt als volgt:

“Schuldeisers hebben onderling een gelijk recht om, na voldoening van de kosten van executie, uit de netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, (…)”

6.2. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij op zijn afrekening bij de post “ontvangen” een bedrag vermeldt, dat niet overeenkomt met het werkelijk ontvangen bedrag. De gerechtsdeurwaarder stelt daartegenover dat het “ontvangen” bedrag overeenstemt met wat de gerechtsdeurwaarder netto voor (de opdrachtgever van) klager heeft ontvangen.

Feitelijk is dus de vraag of het hiervoor geciteerde artikel van de Administratieverordening betrekking heeft op het bruto bedrag dat de gerechtsdeurwaarder ontvangt of op het netto bedrag (het ontvangen bedrag, verminderd met de executiekosten die de gerechtsdeurwaarder in rekening brengt).

6.3. In de zaken, waarop de klacht ziet, was de gerechtsdeurwaarder als deurwaarder die het oudste executoriale beslag had gelegd, ingevolge artikel 478 Rv. verplicht te innen voor de gezamenlijke – dus ook latere - beslagleggers. Artikel 3 van het BTAG geeft voor de gerechtsdeurwaarder aan welke kosten deze aan de schuldenaar in rekening mag brengen in verband met de inning, verdere tenuitvoerlegging en verdeling van de opbrengst van meervoudige beslagen op periodieke betalingen. In de praktijk worden deze kosten veelal ‘verdeelkosten’ genoemd. Noch in de wet, noch in het BTAG is bepaald of, en zo ja op welke wijze de gerechtsdeurwaarder die verdeelkosten aan de verschillende beslagen dient toe te rekenen. Er zijn verschillende mogelijkheden denkbaar:

a. Die kosten kunnen aan de verschillende beslagdossiers worden toegerekend op basis van de hoogte van de openstaande vorderingen. De beslaglegger met de hoogste vordering betaalt dan het grootste deel van de kosten.

b. Ook kan het totaalbedrag aan verdeelkosten worden gedeeld door het aantal beslagdossiers. Op die wijze betalen de beslagleggers nominaal evenveel kosten, ongeacht hun vordering.

c. Nog weer een andere methode is dat de totale verdeelkosten apart van de beslagdossiers worden bijgehouden en niet aan een bepaald dossier worden toegerekend.

De gerechtsdeurwaarder heeft in de onderhavige zaak feitelijk methode c. toegepast en na verzoek van klager zijn berekening gespecificeerd op de wijze van methode a.

Ongeacht welke methode wordt toegepast, in alle gevallen worden eerst de verdeelkosten verwerkt en daarna het overblijvende nettobedrag onder de beslagleggers verdeeld. Dat betekent dat het voor de respectieve beslagleggers voor de (resterende) vorderingen niet uitmaakt volgens welke methode de gerechtsdeurwaarder de verdeelkosten boekt, indien er een afdracht door de derde aan de gerechtsdeurwaarder is gedaan.

Anders dan de kamer is het hof gezien het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 7 van de Administratieverordening. De gerechtsdeurwaarder verrekent immers het aan de beslagleggers uit te keren netto bedrag niet met zijn kosten. Het door de gerechtsdeurwaarder op dit onderdeel ingenomen standpunt is daarom tuchtrechtelijk niet laakbaar en het ter zake ingediende onderdeel van klacht 1 ongegrond.

6.4. Klager twijfelt eraan of de gerechtsdeurwaarder op de juiste wijze de verdeelkosten in rekening heeft gebracht. In feite is dat een zaak van de schuldenaar, omdat bij iedere afdracht van de derde de verdeelkosten (als eerste) ten laste van de schuldenaar worden gebracht. Anderzijds heeft ook de beslaglegger er belang bij om te controleren of de gerechtsdeurwaarder de juiste verdeelkosten in rekening brengt. Hoe hoger immers de verdeelkosten, hoe lager het onder de beslagleggers te verdelen bedrag.

Het gaat echter te ver om – zoals klager doet - van de gerechtsdeurwaarder te verlangen dat hij bij iedere afrekening aan alle beslagleggers inzage verstrekt van de bruto ontvangen bedragen, de ten laste van schuldenaar gebrachte verdeelkosten en het netto bedrag dat resteert om verdeeld te worden. Wel mag echter van de gerechtsdeurwaarder worden verlangd dat hij aan de individuele beslaglegger nadere informatie verstrekt, indien deze daarom vraagt. Die werkzaamheden moeten worden beschouwd als verdere executie van de opbrengst en werkzaamheden met betrekking tot de uitkering van de netto opbrengst aan de executant. Volgens de toelichting op artikel 3 van het BTAG houdt het schuldenaarstarief op dit onderdeel onder meer voor die werkzaamheden een vergoeding in. De gerechtsdeurwaarder zal deze informatie dus kosteloos aan de beslaglegger dienen te verstrekken. Op dit punt is het eerste klachtonderdeel gegrond.

6.5. Gelet op hetgeen het hof hiervoor onder 6.1 tot en met 6.3 heeft overwogen, is van valsheid in geschriften geen sprake. Het tweede onderdeel van de klacht is daarom ongegrond.

6.6. De gerechtsdeurwaarder die in zijn positie van deurwaarder die het oudste executoriale beslag heeft gelegd, een afdracht van een derde ontvangt voor een aantal cumulatieve beslagleggers, int en verdeelt die afdracht voor een collectief. Dat collectief is als zodanig niet aan de heffing van omzetbelasting onderworpen. De gerechtsdeurwaarder is daarom gerechtigd – en wellicht zelfs verplicht - om over de te berekenen verdeelkosten omzetbelasting in rekening te brengen. Van klachtwaardigheid op dit punt is te minder aanleiding, nu de gerechtsdeurwaarder door omzetbelasting in rekening te brengen een advies van. 15 mei 2003 van de KBvG volgt. De kamer heeft daarom terecht dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

6.7. Aangezien slechts een onderdeel van het eerste klachtonderdeel gegrond zal worden verklaard, acht het hof geen termen aanwezig om tot het opleggen van een maatregel over te gaan.

6.8. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof

- vernietigt de beslissing van de kamer;

- verklaart klachtonderdeel 1 gedeeltelijk gerond, als vermeld onder 6.4;

- wijst de klacht voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos op 22 november 2007 en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 10 januari 2008 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 27 februari 2007 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 169.2006 van:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 27 maart 2006 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief met bijlagen van 3 mei 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 november 2006 heeft klager medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

De klacht is behandeld ter zitting van 16 januari 2007 alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 27 februari 2007.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) De gerechtsdeurwaarder heeft in zijn hoedanigheid van eerste beslagleggend gerechtsdeurwaarder bij brieven van 13 februari 2006 in drie verdeeldossiers aan klager afrekeningen/declaraties verstrekt waarop alleen een ten behoeve van klager ontvangen bedrag is weergegeven.

b) Klager en de gerechtsdeurwaarder hebben hierover gecorrespondeerd. Bij brief van 15 maart 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder klager een gespecificeerde opgave van kosten per dossier gedaan die zijn gemaakt bij de verdeling.

c) Bij brief van 22 maart 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder het standpunt ingenomen dat hij niet bij elke afrekening een specificatie kan verstrekken, althans niet kosteloos.

2. De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder, kort samengevat, het volgende:

1) De gerechtsdeurwaarder weigert in de toekomst gespecificeerde afrekeningen te verstrekken (althans zonder betaling) waarbij inzicht wordt verschaft in de ontvangen gelden, de door hem gemaakte kosten en het bedrag dat netto resteert om afgedragen te worden. Dit gedrag is in strijd met artikel 7 lid b van de Administratieverordening gerechtsdeurwaarders, op grond waarvan beklaagde is gehouden om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop hij zijn eigen kosten met het uit te keren bedrag verrekent;

2) De gerechtsdeurwaarder pleegt valsheid in geschrifte doordat niet is vermeld dat reeds afwikkelingskosten in mindering zijn gebracht, zodat de daadwerkelijk ontvangen bedragen hoger zijn dan op de afrekeningen is vermeld;

3) De gerechtsdeurwaarder brengt aan een debiteur ook BTW in rekening als deze de BTW kan verrekenen. In dat geval vormt de BTW voor de beslaglegger geen vermogensschade en mag deze dus niet ten laste van de debiteur gebracht worden.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

Beklaagde heeft de klacht gemotiveerd bestreden. Hij heeft het volgende aangevoerd:

1) Artikel 7 lid b van de Administratieverordening is geschreven voor dossierniveau. Dat artikel is niet van toepassing op de verdeling bij samenloop van beslagen. De wet geeft niet aan op welke wijze de kosten zijn toe te rekenen aan het verdeeldossier en daarvoor zijn theoretisch ook tal van mogelijkheden. Klager heeft nooit duidelijk gemaakt op welke wijze dit zou dienen plaats te vinden;

2) Het is niet mogelijk de verdeelkosten toe te rekenen aan een verdeeldossier. Het voldoen aan de wensen van klager brengt zoveel werk met zich mee dat die werkzaamheden niet in de vergoeding van de verdeelkostenbegrepen geacht kan worden. Daarom heeft hij te kennen gegeven dit slechts te willen doen tegen een vergoeding;

3) Volgens de notitie bij artikel 10 BTAG, is de oudste beslagleggende gerechtsdeurwaarder gerechtigd BTW te berekenen ongeacht het verschil in de fiscale positie van de individuele eisers/beslagleggers.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 De eerste twee klachten kunnen tezamen worden besproken. Op grond van het bepaalde in artikel 7 onder b van de Administratieverordening dient een gerechtsdeurwaarder ervoor zorg te dragen dat er duidelijkheid bestaat over de wijze waarop hij zijn kosten in rekening brengt. Klager heeft er dus recht op om geïnformeerd te worden, alleen al ter verificatie van de kosten. De Kamer kan klager niet volgen in zijn standpunt dat artikel 7 lid b van de Administratieverordening alleen op dossierniveau zou gelden. Dit standpunt is niet nader onderbouwd en gesteld kan worden dat het hier een dossier betreft van het collectief van beslagleggers dat door de eerst beslagleggende gerechtsdeurwaarder wordt beheerd.

Naar het oordeel van de Kamer brengt dit met zich mee dat beklaagde zijn rekeningen dient te specificeren en wel door het ontvangen bedrag te vermelden, te vermelden wat zijn kosten zijn die zijn afgetrokken en het aandeel van klager in (de kosten van) de evenredige verdeling. Het door beklaagde ingenomen standpunt, dat hij tot een dergelijke specificatie niet in staat is, is gelet op de inhoud van zijn brief van 15 maart 2006 niet houdbaar.

Het standpunt van beklaagde dat de kosten van het opstellen van de specificatie niet onder vergoeding van de verdeelkosten vallen is niet nader onderbouwd. Bovendien geldt dat hier een bij de wet geregelde innings- en verdelingstaak betreft waarbij het BTAG tarief wordt geacht zijn overeengekomen en er geen ruimte is voor het in rekening brengen van extra kosten. De eerste twee klachten zijn daarom terecht voorgesteld. In het midden kan blijven of sprake is van valsheid in geschrifte.

4.2 Ten aanzien van het derde klachtonderdeel beroept beklaagde zich op de inhoud van een van de beroepsorganisatie afkomstige notitie van 15 mei 2003 waarin staat beschreven hoe moet worden omgegaan met de zogenaamde BTW problematiek in geval van samenloop of cumulatie van beslagen. gezien de inhoud daarvan is de Kamer van oordeel dat het door beklaagde ingenomen standpunt niet onverdedigbaar of anderszins tuchtrechtelijk laakbaar is.

5. Op grond van het voorgaande dient de klacht deels ongegrond en deels gegrond te worden verklaard. De Kamer acht geen termen aanwezig tot het opleggen van een maatregel over te gaan.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klachtonderdelen als vermeld onder 2.1 en 2.2 gegrond;

? laat het opleggen van een maatregel achterwege;

? wijst de klacht voor het overige af.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage en J. Smit, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2007 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.