Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:633

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
23-003421-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oordeel van hof Amsterdam in hoger beroep in de Aholdzaak over de weigering van D. om medewerking te verlenen aan de in het kader van het hoger beroep door de rechter-commissaris bevolen uitlevering van rapport/verslag van het interne onderzoek/review van D. naar aanleiding van hun verrichtingen met betrekking tot de consolidatie van joint ventures van Koninklijke Ahold N.V.. Reden van weigering was gelegen in het feit de bij het rapport betrokken gerechtigden geen afstand deden van het hen toekomende (afgeleide) verschoningrecht. Hof honoreert het beroep op het verschoningsrecht en beslist dat het niet (verder) zal streven naar de uitlevering van het rapport. De tekst van deze beslissing (kenbaar gemaakt op de terechtzitting van 25 juni 2008 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal terechtzitting) is destijds gepubliceerd op rechtspraak.nl in een thans verwijderd nieuwsbericht over deze beslissing. Deze beslissing (ontleend aan het proces-verbaal terechtzitting) is daarom nu alsnog gepubliceerd in de jurisprudentiedatabank van rechtspraak.nl.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing hof Amsterdam over weigering van uitlevering van een rapport, genomen ter terechtzitting in hoger beroep en opgenomen in het proces-verbaal ter terechtzitting van 25 juni 2008:

Het beroep van [bedrijf 1] op het verschoningsrecht met betrekking tot het rapport betreffende de interne review:

Het hof heeft op de terechtzitting van 29 november 2007 bepaald dat de stukken in handen zullen worden gesteld van de rechter-commissaris mw. mr. C.M. Degenaar, teneinde met gebruikmaking van haar bevoegdheden tot inbeslagneming de uitlevering te bewerkstelligen van een rapport/verslag van het interne onderzoek/review van [bedrijf 1] naar aanleiding van hun verrichtingen met betrekking tot de consolidatie van joint ventures van Koninklijke Ahold N.V. (Ahold) . Tot dan toe was een dergelijk rapport nog niet uitgeleverd, terwijl er aanwijzingen waren dat een zodanig rapport op enig moment ten behoeve van [bedrijf 1] was opgemaakt.

Bij brief van 22 februari 2008 aan de griffier van de rechter-commissaris heeft mw. mr. C.M. Harmsen, de bij Stibbe werkzame advocate van [bedrijf 1] , onder meer meegedeeld dat er een onderzoeksrapport naar de consolidatieproblematiek is opgemaakt door de Amerikaanse advocaten van [bedrijf 1] , te weten Gibson Dunn & Crutcher LLP (hierna: Gibson Dunn). Vervolgens heeft de rechter-commissaris medio mei 2008 aan [bedrijf 1] en aan haar bestuursvoorzitter, dr. [naam 1] , van dit rapport de uitlevering bevolen.

Mr. Harmsen heeft bij brief van 6 juni 2008 aan de rechter-commissaris mr. Degenaar het volgende meegedeeld:

“Namens cliënten, [bedrijf 1] (“ [bedrijf 1] ”) en prof. dr. [naam 1] , bericht ik u in antwoord op het bevel tot uitlevering van 13 mei jl. als volgt.

(…) (Het) rapport waarop uw bevel tot uitlevering betrekking heeft (is) een intern onderzoeksrapport dat is geïnitieerd en uitgevoerd onder auspiciën van de Amerikaanse advocaat van cliënte, Gibson Dunn & Crutcher LLP (“Gibson Dunn”). Dit rapport draagt een sterk geprivilegieerd karakter en zal daarom niet kunnen worden uitgeleverd. (…).

Het Amerikaanse advocatenkantoor Gibson Dunn is in 2003 door [bedrijf 2] ingeschakeld om haar bij te staan in relatie tot de op 23 februari 2003 bekend geworden problemen bij Koninklijke Ahold N.V. In dat kader heeft Gibson Dunn [bedrijf 2] in zowel civiele als strafrechtelijke procedures in Amerika bijgestaan en staat zij [bedrijf 2] nog steeds bij. Tevens is dit kantoor betrokken bij de in Nederland uitgevoerde onderzoeken en lopende procedures vanwege de sterke onderlinge verbanden en samenhang tussen de Amerikaans en Nederlandse procedures. Voor de vaststelling van de positie van haar cliënte en ten behoeve van de strategiebepaling in de diverse procedures heeft Gibson Dunn een concept onderzoeksrapport laten opstellen ter zake van de consolidatieproblematiek (het “Rapport”). Het onderzoek is geleid door een ter zake deskundige accountant uit de wereldwijde [bedrijf 1] organisatie onder auspiciën van Gibson Dunn. Het onderzoek strekte ten behoeve van de advocaten van [bedrijf 2] . Met het onderzoek beoogde Gibson Dunn een basis te verkrijgen voor het bepalen van de rechtspositie van [bedrijf 2] en de verdediging van haar belangen in verschillende procedures. Het Rapport waarin de bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd, is tot stand gekomen op verzoek van Gibson Dunn, reflecteert de onderzoeksopdrachten van Gibson Dunn en bevat bovendien ook het resultaat van gedachtenuitwisselingen tussen Gibson Dunn en haar cliënten. Het spreekt voor zich dat een dergelijk rapport behoort tot het exclusieve domein van een advocaat en zijn cliënt en onder geen omstandigheid kan worden gedeeld met derden. (…). Dit rapport is niet vatbaar voor een bevel tot uitlevering, zolang de daartoe gerechtigden geen afstand doen van het hen toekomende (afgeleide) verschoningsrecht.”

Als bijlage bij de voorgaande brief is een ‘affidavit’ van [naam 2] van 4 juni 2008 gevoegd. Deze heeft hierin verklaard:

“I am a partner in the law firm of Gibson, Dunn & Crutcher LLP (“Gibson Dunn”), (…) I am admitted to the bars of the following United States Federal Courts: (….). I have substantial experience in defending accounting firms against allegations of fraud negligence, malpractice, and other misconduct in lawsuits, investigations, and other proceedings. Gibson Dunn was retained in 2003 by [bedrijf 2] (“ [bedrijf 1] ”) as its United States legal counsel to provide legal advice in connection with various accounting issues that were discovered at Royal Ahold N.V. (“ Royal Ahold ”). Gibson Dunn’s work included the representation of [bedrijf 1] in (1) a private class action brought in the United States District Court for the District of Maryland, and (2) investigations commenced by the United States Securities and Exchange Commission and the United States Department of Justice. As of the date of this affidavit, [bedrijf 1] continues to be involved in litigation in the United States.

Among the issues raised by the various legal proceedings in the United Sates was the propriety of Royal Ahold ’s decision to consolidate the financial results of its joint ventures and the adequacy of [bedrijf 1] ’s audit work in connection therewith. Accordingly it was imperative for [bedrijf 1] ’s lawyers to be informed about these issues, the relevant facts relating thereto, and the applicable accounting and auditing rules. As is common in such complex accounting actions, Gibson Dunn requested that a report be prepared outlining the facts and issues surrounding Royal Ahold ’s consolidation of the joint ventures’ financial results (the “Report”). The Report was prepared by an expert investigator from within the broader [bedrijf 1] network (not by an employee of the Dutch firm of [bedrijf 1] ) solely for the use of the lawyers representing [bedrijf 1] . Gibson Dunn instructed the expert regarding what issues to address and oversaw the process of the Report’s preparation, exchanging thoughts and impressions along the way. Therefore, the Report reflects information expressly requested by Gibson Dunn, as well as input from Gibson Dunn.

The Report was prepared solely as a result of the pendency and prospect of litigation proceedings relating to Royal Ahold , so that the lawyers representing and assisting [bedrijf 1] could provide informed legal advice to [bedrijf 1] and adequately represent [bedrijf 1] ’s interests in the litigation proceedings. Although the Report was never finalized, the current draft can fairly be characterized as a compilation of opinions, analysis, and facts that were created exclusively for the benefit of legal counsel. No person who worked on [bedrijf 1] ’s audit of Royal Ahold assisted in the preparation of the Report, and no person who worked on the audit has seen or is aware of the Report’s contents. To the best of my knowledge, the only people who posses a copy of the Report are the expert investigator who prepared it and lawyers representing and advising [bedrijf 1] .

Gibson Dunn commissioned the Report with the expectation that it would be protected from disclosure as privileged under the work product doctrine recognized under United States law. “The work product doctrine … is intended to preserve a zone of privacy in which a lawyer can prepare and develop legal theories and strategy ‘with an eye toward litigation’, free from unnecessary intrusion by his adversaries.” (…). Accordingly, under United States law, “written documents, private memoranda, personal recollections, mental impressions, personal beliefs, and other tangible and intangible manifestations prepared or formed by an adverse party’s counsel in the course of performing his/her legal duties” are protected from disclosure. (…). Indeed, “the work product privilege applies to preparation not only by lawyers but also by other types of party representatives including for example, investigators seeking factual information.” (…). The Report is clearly protected under the work product privilege. Any disclosure of the Report to persons not working on behalf of [bedrijf 1] in defending litigation proceedings would be extremely prejudicial to [bedrijf 1] and contrary to the principles governing the work product privilege.”

Bij brief van 12 juni 2008 aan de rechter-commissaris heeft mr. D.R. Doorenbos (Stibbe), eveneens advocaat van [bedrijf 1] , het volgende meegedeeld:

“Eerst zeer onlangs is ons gebleken dat de general counsel van [bedrijf 1] , [naam 3] – die, zoals ook in uw uitleveringsbevel wordt vermeld, partner is bij [bedrijf 3] – sinds april 2004 een exemplaar van het rapport in zijn bezit heeft gehad. (…). Het voorgaande neemt niet weg dat op het rapport het verschoningsrecht van toepassing is (…).”

Ten overstaan van de rechter-commissaris mr. Degenaar heeft [naam 1] op 13 juni 2008 het volgende verklaard:

“In de Verenigde Staten loopt een civiele procedure en die civiele procedures zijn onder meer ingesteld tegen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 1] . Dat (hof: laatste) is een Nederlandse BV.”

Op een vraag van de advocaat-generaal of Gibson Dunn ook [bedrijf 1] Nederland vertegenwoordigt in procedures, antwoordde de getuige [naam 1] :

“Ja. [bedrijf 1] ”

Dat medewerkers van Gibson Dunn & Crutcher LLP (“Gibson Dunn”) metterdaad als advocaten van (medewerkers van) [bedrijf 1] zijn opgetreden valt onder meer af te leiden uit diverse processtukken:

- Ambtshandeling 19: Fiod-ambtenaren worden in Amsterdam namens “ [bedrijf 2] ” (het hof begrijpt: [bedrijf 1] ) te woord gestaan door een medewerkster van Gibson Dunn.

- Het proces-verbaal van verhoor van [naam 4] ten overstaan van de rechter-commissaris. [naam 4] verklaart daarin bij zijn verhoor ten overstaan van de U.S. Securities and Exchange Commission (SEC) te zijn bijgestaan door een advocaat van Gibson Dunn (zie ten getuige daarvan ook D/5039).

- [naam 1] zelf werd bij zijn verhoor ten overstaan van de SEC bijgestaan door genoemde Lee G. Dunst van Gibson Dunn (zie D/5054). [naam 5] en [naam 6] werden eveneens bijgestaan door advocaten van Gibson Dunn (zie resp. D/5056 en D/5037).

Bij brief van 16 juni 2008 heeft mr. Doorenbos zich gericht tot de waarnemend deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam, mr. C.A.M.J. Raymakers. In die brief schrijft Doorenbos onder meer:

“Het rapport is door Gibson Dunn in april 2004 toegezonden aan mijn kantoor, ter attentie van mr. C.M. Harmsen, en aan de general counsel van cliënte, [naam 3] .”

Bij brief van 20 juni 2008 aan mr. D.R. Doorenbos (Stibbe), eveneens advocaat van [bedrijf 1] , heeft de waarnemend deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam, mr. C.A.M.J. Raymakers, het volgende meegedeeld:

“Op 12 juni 2008 heeft u de deken alhier verzocht zich uit te laten over de vraag of een in uw bezit zijnd rapport, waarvan uitlevering is gevraagd bij uw cliënte [bedrijf 1] , naar Nederlands recht onder het verschoningsrecht valt. (…). Uit de bij introductie van uw vraag uwerzijds verstrekte toelichting heb ik opgemaakt dat uw in Nederland gevestigde cliënte geconfronteerd is met een bevel tot uitlevering van een stuk, waarop mogelijk een verschoningsrecht van toepassing is. Het betreft een stuk waaromtrent ook vragen worden gesteld in een strafzaak in hoger beroep bij het Gerechtshof alhier (…). Daarbij heb ik kennis genomen van hetgeen uwerzijds is gesteld omtrent de samenhang met Amerikaanse procedures en de ten dele gemeenschappelijke belangenbehartiging van uw cliënte met Gibson Dunn. Het betreffende rapport werd in het kader van de belangenbehartiging van uw cliënte in april 2004 aan uw kantoor toegezonden. (…).

Het voor mijn oordeelsvorming aan mij ter hand gestelde rapport bevat bovenaan elke pagina de aanduiding “PRIVILEGED & CONFIDENTIAL ATTORNEY WORK PRODUCT”, dan wel “privileged and strictly confidential – prepared at the direction of counsel” en voorts “Outside attorney’s eyes only this document must not be shown to any witness or third party” of vrijwel gelijkluidende bewoording. Het rapport wordt voorafgegaan door een “executive summary” voorzien van de bewoording “draft” en een datum. Voorts trof ik op het rapport de naam aan van een auteur en een “last updated” datum.

Mr. Doorenbos heeft mij bij de introductie van dit rapport meegedeeld dat ik desgewenst voor nadere informatie omtrent de totstandkoming en/of inhoud van dit rapport contact kon opnemen met de heer [naam 7] , die als seniorpartner verbonden is aan het advocatenkantoor Gibson Dunn & Crutcher LLP te New York.

Op 18 juni 2008 had ik telefonisch overleg met de heer [naam 7] . Ik heb de heer [naam 7] gevraagd of hij bekend is met het door mr. Doorenbos aan mij verstrekte rapport en of hij mij kon meedelen in wiens opdracht en om welke reden dit rapport was opgemaakt. De heer [naam 7] heeft mij vervolgens een uiteenzetting gegeven die er kort gezegd op neerkomt dat hij c.q. zijn kantoor de instructie heeft gegeven tot vervaardiging van dit rapport. In verband met de vertegenwoordiging van zijn cliënte [bedrijf 2] en opdat hij zijn cliënte in en buiten rechte optimaal zou kunnen vertegenwoordigen had hij behoefte aan deskundige ondersteuning op het gebied van accountancy. De heer [naam 7] beschouwt het rapport als “my working tool for representing the client”. Over de totstandkoming van het rapport heeft de heer [naam 7] mij meegedeeld dat zowel in Nederland als in de Verenigde Staten gezamenlijke besprekingen zijn gevoerd, waaraan door advocaten van zijn kantoor werd deelgenomen en dat het rapport mede de input van deze advocaten bevat. Op mijn vraag of het rapport in zijn visie gezien moet worden als een communicatie tussen het advocatenkantoor enerzijds en [bedrijf 2] als cliënte anderzijds dan wel als weergave van een bevinding van een door het advocatenkantoor ingeschakelde deskundige, heeft de heer [naam 7] mij meegedeeld dat dit laatste het geval was. Het rapport moet derhalve gezien worden als een door een deskundige ten behoeve van de advocaat verstrekt rapport, waarin tevens bijdragen van de zijde van de advocaat zijn verwerkt. De heer [naam 7] heeft voorts benadrukt dat het hier geen eindrapport betrof. Het was een concept. De heer [naam 7] sprak in dat verband van een “ongoing document”. De mededeling van de heer [naam 7] sluiten in mijn visie aan bij de ten overstaan van een “Notary public” afgelegde verklaring van de heer [naam 2] van 4 juni 2008. (…).

(…). (Ik) concludeer dat het door u aan mij ter hand gestelde rapport de weergave bevat van de opinie van een door (een) Amerikaanse advoca(a)t(en) ingeschakelde deskundige, terwijl het rapport tevens een bijdrage bevat van de zijde van die advoca(a)t(en).

In mijn visie kan er geen twijfel over bestaan dat het rapport, zoals dat aan mij is voorgelegd, mede gelet op de totstandkoming daarvan en het doel van dit rapport, geacht moet worden deel uit te maken van aan een advocaat toevertrouwde informatie in de zin van artikel 218 Sv.

Mr. Doorenbos schreef bij brief van 20 juni 2008 aan de advocaat-generaal mr.drs. P. Greve RA:

“Ter vermijding van elk mogelijk misverstand en naar het mij voorkomt enigszins ten overvloede, wil ik u nog wel bevestigen dat [bedrijf 1] inderdaad een beroep doet (en zal blijven doen) op het verschoningsrecht dat zich over het door de Deken beoordeelde Rapport uitstrekt.”

Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof onder meer het volgende af:

- Gibson Dunn is een advocatenkantoor, gevestigd in de Verenigde Staten.

- Gibson Dunn verleent in die hoedanigheid bijstand aan het Amerikaanse deel van de wereldwijde organisatie van [bedrijf 2] ( [bedrijf 1] VS), in verband met (eventuele) juridische procedures die in de Verenigde Staten tegen [bedrijf 1] VS en [bedrijf 1] zijn aangespannen of mogelijkerwijze zullen worden aangespannen en die samenhangen met (gestelde onzorgvuldigheden bij) de controlewerkzaamheden met betrekking tot de consolidatie van de jaarcijfers van joint ventures van Ahold .

- Gibson Dunn staat in dit verband tevens [bedrijf 1] en medewerkers van dat kantoor bij, in samenwerking met Stibbe (mrs. Doorenbos en Harmsen).

- Met het oog op die verlening van bijstand in juridische procedures heeft Gibson Dunn opdracht gegeven tot het opstellen van een rapport. In dat rapport is verslag gedaan van de resultaten van onderzoek naar de hier bedoelde consolidatieproblematiek bij Ahold , en naar het hof begrijpt in dat verband de rol van de betrokken accountants van [bedrijf 1] .

- Dit onderzoek is verricht door een accountant die werkzaam is bij de wereldwijde organisatie van [bedrijf 1] , maar niet zelf betrokken is geweest bij controlewerkzaamheden van de jaarcijfers van Ahold .

- Dit rapport behelst tevens de vastlegging van juridische conclusies, analyses en processtrategieën afkomstig van een advocaat of advocaten van Gibson Dunn, met het oog op de hiervoor bedoelde verlening van bijstand.

- Dit rapport is een werkdocument voor een advocaat of advocaten van Gibson Dunn, en kent (nog) geen definitieve versie.

- Een afschrift van het rapport is in april 2004 toegezonden aan mw. mr. Harmsen, van Stibbe (advocate van [bedrijf 1] ), en aan [naam 3] , ‘general counsel’ van [bedrijf 1] , werkzaam bij [bedrijf 3] .

- De rechter-commissaris heeft aan o.m. [bedrijf 1] uitlevering bevolen van dit document.

- [bedrijf 1] beroept zich op een (hof: afgeleid) verschoningsrecht met betrekking tot dit document. Van [bedrijf 1] V.S. is niet gebleken dat zij afstand heeft gedaan van het verschoningsrecht.

- De mededelingen van [naam 2] en (door tussenkomst van mr. Raymakers) [naam 7] kunnen niet anders worden begrepen dan dat Gibson Dunn zich ten aanzien van het bedoelde rapport beroept op een verschoningsrecht.

Voorgaande feiten en omstandigheden brengen het hof tot het volgende oordeel.

Het algemeen belang is ermee gemoeid dat eenieder die de hulp van een advocaat inroept erop mag vertrouwen dat hetgeen de advocaat wordt meegedeeld geheim blijft. De bevoegdheid tot verschoning die de advocaat toekomt strekt zich daarom uit tot gegevens waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd, alsmede tot de conclusies die hij in het kader van zijn werkzaamheden aan die gegevens heeft verbonden. Indien een en ander door hem of op zijn verzoek in een geschrift is vastgelegd, is dit geschrift object van de aan de advocaat toekomende bevoegdheid tot verschoning en kan het zonder zijn toestemming niet in beslag worden genomen, behoudens indien dit geschrift voorwerp van een strafbaar feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend.

De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning zijn, in beginsel toekomt aan de tot verschoning bevoegde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de justitiële organen te worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

Gibson Dunn stelt zich op het standpunt dat het rapport object is van zijn bevoegdheid tot verschoning. [bedrijf 1] , waaraan de rechter-commissaris de uitlevering van dat rapport heeft bevolen, beroept zich eveneens op het verschoningsrecht, naar het hof begrijpt afgeleid van dat van haar advocaten bij Gibson Dunn.

Mede in het licht van de verklaring van [naam 2] en hetgeen mr. Raymakers aan feiten en omstandigheden omtrent het rapport heeft bevonden, is er aanleiding te veronderstellen dat het rapport gegevens bevat die de advocaten van [bedrijf 1] , werkzaam bij Gibson Dunn, als zodanig zijn toevertrouwd. Bovendien behelst het rapport zoals overwogen een inbreng van die advocaten zelf. Het door Gibson Dunn en [bedrijf 1] ingenomen standpunt dat het rapport object van verschoning is moet naar ’s hofs oordeel dan ook worden geëerbiedigd.

Het oordeel van de waarnemend Deken mr. Raymakers is in deze alleen al relevant doordat hij als gerespecteerd lid van de beroepsgroep van advocaten in vertrouwen inzage heeft gehad in het meerbedoelde rapport en – nog afgezien van zijn conclusie met betrekking tot de toepasselijkheid van het verschoningsrecht – zich mede om die reden kan uitlaten over de achtergrond en aard van hetgeen feitelijk in dat rapport is verwoord.

De verdediging van [naam 8] heeft de stelling ingang willen doen vinden dat het rapport is opgesteld in opdracht van een Amerikaanse advocaat ten behoeve van bijstandverlening aan een Amerikaanse cliënt in verband met juridische procedures die (kunnen) worden gevoerd ten overstaan van Amerikaanse gerechtelijke instanties, en dat om die redenen de gegrondheid van een beroep op het verschoningsrecht (enkel) naar Amerikaanse maatstaven moet worden beoordeeld.

Het hof volgt de raadsman daarin om meer redenen niet.

In de eerste plaats heeft het hof vastgesteld dat het rapport niet louter en alleen aanknoopt bij de Amerikaanse rechtssfeer, nu ook de belangen van de in Nederland gevestigde vennootschap [bedrijf 1] door Gibson Dunn worden behartigd en zij naast [bedrijf 1] V.S. in procedures is of zou kunnen worden betrokken.

In de tweede plaats brengt de grondslag van het verschoningsrecht en zijn inbedding in de hier te lande levende fundamentele rechtsbeginselen mee dat de Nederlandse rechter de effectuering van het verschoningsrecht heeft te waarborgen op een wijze die in ieder geval verenigbaar is met het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering en het EVRM. Dat de advocaten van Gibson Dunn niet als zodanig zijn gevestigd en ingeschreven in Nederland, maakt voorgaand oordeel niet anders. Het door Nederlands procesrecht beschermde maatschappelijk belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot een verschoningsgerechtigde advocaat moet kunnen wenden, wordt in gelijke mate gediend in het geval de bijstand van een advocaat wordt ingeroepen met het oog op (dreigende) juridische procedures in een ander land dan Nederland en om die reden een in dat andere land gevestigde advocaat wordt aangezocht.

In de derde plaats kan het betoog van de raadsman niet leiden tot het door hem voorgestane resultaat, nu er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat een beoordeling van de gegrondheid van het beroep op het verschoningsrecht naar Amerikaanse maatstaven tot een andere uitkomst zou leiden dan een beoordeling naar Nederlandse maatstaven, zulks gelet op hetgeen door [naam 2] en [naam 7] naar voren is gebracht. Dat het verschil tussen beide rechtstelsels (onder meer) zou zijn gelegen in de omstandigheid dat het ‘attorney-client privilege’ enkel toekomt aan de cliënt en deze daarvan afstand kan doen, is in deze niet belang nu van een dergelijke (ondubbelzinnige) verklaring van afstand niet is gebleken.

Ten slotte hecht het hof anders dan o.a. de raadsman van [naam 9] en [naam 10] in deze kwestie geen belang aan bekendheid met de naam en de kwalificaties van de persoon of personen die in opdracht van Gibson Dunn grotendeels verantwoordelijk is/zijn geweest voor de opstelling van het rapport. De hiervoor beschreven aard van de gegevens, het oogmerk waarmee deze zijn verzameld en voorzien van (juridisch) commentaar alleen al maken dat hetgeen is vervat in het bewuste rapport aan de betreffende advocaat/advocaten in hun hoedanigheid is toevertrouwd en – dus - binnen het toepassingsbereik van het verschoningsrecht valt. Of de onderzoekende accountant(s) werkelijk deskundig waren is dan niet meer relevant.

Het hof is zich ervan bewust dat het verschoningsrecht van de advocaat in zoverre niet absoluut is dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de advocaat als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dat zodanige omstandigheden zich thans voordoen is echter niet aannemelijk geworden.

Het voorgaande brengt mee dat het hof het beroep op het verschoningsrecht zal honoreren en niet zal streven naar de uitlevering van het rapport.