Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:630

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
17-03-2015
Zaaknummer
106.011.605/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:520, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 3 april 2008 in de zaak met landelijk zaaknummer 106.011.605/01 (rekestnummer 1115/07) van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. M.J. Sarfaty,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. P. Tijsterman.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) heeft bij beschikking van 30 maart 2007 een beschikking van het hof te
’s-Gravenhage van 22 februari 2006 vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere beoordeling en beslissing.

1.3.

De zaak is ter zitting behandeld op 3 december 2007.

2 De feiten

2.1.

Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Partijen zijn [in] 1980 gehuwd. Hun huwelijk is op
2 november 2004 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 juli 2004 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in]
[in] 1990 en […] (hierna: [kind b]) [in]
[in] 1992. [kind a] en [kind b] hebben hun gewone verblijfplaats respectievelijk bij de man en bij de vrouw. De kinderen verblijven in het kader van een co-ouderschapregeling de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man.

2.3.

Tussen partijen is bij beschikking van 19 juli 2004 van de rechtbank te ’s-Gravenhage met rekestnummer 03-6687 en zaaknummer 211288 de echtscheiding uitgesproken en de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige uitkering tot haar levensonderhoud bij voorlopige voorziening bepaald op € 1.230,- per maand. De zaak is voor het overige aangehouden.

2.4.

Bij de bestreden beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 14 januari 2005 met rekestnummer 03-6687 en zaaknummer 211288 is het verzoek van de vrouw, te bepalen dat de man een (definitieve) uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van € 2.500,- per maand, afgewezen.

2.5.

Bij beschikking van 22 februari 2006 met kenmerk 451-H-05 heeft het hof te ’s-Gravenhage de bestreden beschikking op het punt van de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw vernietigd en deze uitkering met ingang van 14 januari 2005 tot 15 september 2005 bepaald op € 940,- per maand en met ingang van 15 september 2005 op
€ 500,- per maand, en heeft voorts bepaald dat het eventueel door de man teveel betaalde niet door de vrouw aan de man hoeft te worden terugbetaald.

2.6.

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 30 maart 2007 met kenmerk R06/062HR de beschikking van het hof ’s-Gravenhage van
22 februari 2006 vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat, nu het hof aangaande de aard van de werkzaamheden van de vrouw in de periode tot 15 september 2005 niets heeft vastgesteld en de stellingen van de vrouw evenmin duidelijkheid hieromtrent geven, het hof zijn stelling dat de vrouw in die periode het voor haar toen maximale haalbare aantal uren werkte, onvoldoende heeft gemotiveerd. De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij de bepaling van de draagkracht van de man slechts rekening is gehouden met de door hem te betalen bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen van € 340,- per maand, zonder rekening te houden met het feit dat de kinderen voor de helft van de tijd bij de man verblijven en daaraan eveneens € 340,- per maand aan kosten voor verzorging en opvoeding zijn verbonden.

2.7.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1958. Zij vormt samen met [kind b] een éénoudergezin.

Zij is van 1992 tot 15 september 2005 werkzaam geweest als administratief medewerkster bij [bedrijf 1] voor 12 uur per week. Vanaf 15 september 2005 tot heden is zij werkzaam als secretaresse voor 32 uur per week bij [bedrijf 2]. Haar fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgaven over 2005 € 6.291,- bij [bedrijf 1] en € 6.532,- bij [bedrijf 2] en over 2006 € 23.628,- bij [bedrijf 2].

Zij heeft de eigendom van een woning, voortkomend uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Er rust geen hypothecaire lening op de woning. De vrouw is een lening van € 30.000,- aangegaan als bankgarantie. Daarop lost zij niet stelselmatig af.

Zij betaalt € 126,- per maand aan premie voor een ziektekostenverzekering. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 10,- per maand.

2.8.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1953. Hij vormt samen met [kind a] een éénoudergezin.

Hij is sedert mei 2001 directeur en groot aandeelhouder van een besloten vennootschap. Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgaven over 2005 en 2006 respectievelijk € 47.386,- en € 48.027,-. Daarnaast is hij directeur en enig aandeelhouder van een besloten vennootschap, waarvan de winst in 2005 € 180.000,- bedroeg en in 2006 de operationele winst
€ 426.000,- en de winst uit bijtelling € 448.000,- bedroeg.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man bewoonde woning betaalt hij € 904,- per maand aan rente en aflossing. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 634.500,-.

Hij betaalt € 125,- per maand aan premie voor een ziektekostenverzekering.

3 Het geschil in hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad

3.1.

Bij de (onder 2.4. vermelde) bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw de uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van
2 november 2004 te bepalen op € 2.500,- per maand afgewezen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, opnieuw rechtdoende de uitkering te bepalen op € 1.104,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten.

3.3.

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, opnieuw rechtdoende de behoefte van de vrouw te bepalen op circa € 850,- netto per maand; de verdiencapaciteit van de vrouw te bepalen op tenminste € 1.971,- bruto per maand; dientengevolge de benodigde aanvullende bijdrage voor de vrouw te bepalen op nihil en dientengevolge de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te bepalen op nihil, althans de draagkracht van de man te bepalen op nihil en dientengevolge de uitkering te bepalen op nihil.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Het hof zal met betrekking tot twee periodes bepalen of de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen (aanvullende) uitkering in haar levensonderhoud en of de man over de daartoe benodigde draagkracht beschikt. De eerste periode is van 14 januari 2005 tot 15 september 2005. De tweede periode gaat in op 15 september 2005. Ter terechtzitting heeft de man zijn grieven met betrekking tot zijn draagkracht vanaf 15 september 2005 ingetrokken. Het hof zal de stellingen van de man die hierop betrekking hebben derhalve onbesproken laten.

4.2.

De man stelt in incidenteel appel dat de vrouw thans haar dienstbetrekking kan uitbreiden naar een fulltime functie en derhalve een verdiencapaciteit heeft van € 1.971,- bruto per maand. Verder, zo stelt hij, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat voor de behoefte van de vrouw dient te worden uitgegaan van een bedrag van € 1.523,- netto per maand. Ten onrechte heeft de rechtbank 20 % opgeteld bij de helft van de vrouw van het netto gezinsinkomen. De man heeft de vrouw een renteloze lening verstrekt, waarmee zij een eigen appartement heeft gefinancierd. Ook woont de vrouw weer deels in nieuw gezinsverband. Onder de gegeven omstandigheden moet worden uitgegaan van een behoefte van de vrouw van ongeveer € 850,- per maand, aldus de man.

4.3.

Het hof stelt voorop dat de vrouw, uitgaande van een netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk van partijen van € 3.464,- per maand, een behoefte heeft van € 1.523,- netto per maand, wat neerkomt op € 1.778,- bruto per maand. Het hof ziet in de stelling van de man met betrekking tot de woonlasten van de vrouw onvoldoende reden om af te wijken van de gangbare normen. De vrouw heeft immers een schuld met betrekking tot haar woonlasten.

De man betaalt, naast zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, alles voor de kinderen van partijen.

Het hof overweegt voorts dat de vrouw tot 15 september 2005 geen extra verdiencapaciteit had dan het door haar daadwerkelijk gegenereerde inkomen. Zij heeft ten tijde van het huwelijk nooit meer dan twaalf uren per week gewerkt. Na het uiteengaan van partijen heeft zij enige tijd geen vaste woonplaats gehad en heeft moeten stabiliseren. Blijkens de jaaropgave van 2005 bedroeg haar fiscaal loon bij [bedrijf 1] in totaal € 6.291,-, wat uitgaande van de gewerkte maanden neerkomt op een inkomen van € 740,- bruto per maand. De vrouw had in de periode van 14 januari 2005 tot
15 september 2005 een behoefte aan een aanvullende uitkering in haar levensonderhoud had van € 1.038,- bruto per maand.

De man had weliswaar zijn inkomen in 2005 teruggebracht naar € 47.386,- in het belang van het voortbestaan van het bedrijf maar wat daarvan zij, nu desondanks het resultaat van zijn bedrijf [de onderneming] over de jaren 2004 en 2005 zeer goed was en beter dan in de voorgaande jaren was en hij als directeur en groot aandeelhouder zelf kan bepalen hoe de winsten uit zijn bedrijf worden besteed, is het hof van oordeel dat de behaalde winsten hem voldoende ruimte boden om zijn draagkracht navenant te verhogen en hij dus over voldoende draagkracht beschikt om tot 15 september 2005 genoemde uitkering in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

Vanaf 15 september 2005 heeft de vrouw haar werkzaamheden substantieel uitgebreid tot 32 uur per week. Zij heeft volgens de jaaropgave over 2005 vanaf dat tijdstip een fiscaal loon van € 6.532,- gehad en over 2006 een fiscaal loon van € 23.628,-, wat neerkomt op een bruto inkomen van
€ 1.969,- per maand. Haar inkomen overstijgt dan ook met ingang van
15 september 2005 haar behoefte. Het hof zal derhalve de door de man te betalen uitkering in haar levensonderhoud met ingang van die datum op nihil stellen.

4.4.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige stellingen van partijen geen verdere bespreking.

4.5.

Gelet op de behoefte van de vrouw enerzijds en de draagkracht van de man anderzijds is een door de man met ingang van 14 januari 2005 tot 15 september 2005 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 1.038,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.6.

Voorzover de man vanaf 15 september 2005 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 4.5 vermelde uitkering, kan van de vrouw, nu een dergelijke uitkering van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 14 januari 2005 tot
15 september 2005 op € 1.038,- (DUIZEND EN ACHTENDERTIG EURO) per maand;

stelt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 15 september 2005 op nihil, met dien verstande dat, voorzover de man over de periode vanaf 15 september 2005 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de uitkering tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.M.C Tilleman, M. Wigleven en C.P. Boodt in tegenwoordigheid van mr. K.W. van Mourik als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2008 door de rolraadsheer.