Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BX5117

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
23-000056-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

poging tot doodslag (steken met mes)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-000056-06

datum uitspraak: 8 mei 2007

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 20 december 2005 in de strafzaak onder de parketnummers 15-630641-05 en 15-085147-04 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende [woonplaats],

thans gedetineerd in PI.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de raadsvrouw op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 december 2005 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 juni 2006, 21 november 2006 en 27 april 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2006 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging, voorzover in hoger beroep nog aan de orde, wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- zal worden vernietigd.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij op 28 augustus 2005 te Zandvoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes, in de hals en arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

hij op 28 augustus 2005 te Zandvoort met een ander op de openbare weg, de Haltestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het met kracht meermalen

- op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] slaan en schoppen en

- een knietje geven tegen het (boven) lichaam van die [slachtoffer 2];

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

hij op 15 mei 2005 te Haarlem met anderen op de openbare weg, de Jansstraat ter hoogte van nr. 37, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit

- het meermalen met kracht met een golfclub en met de hand slaan tegen de rug en tegen het lichaam van die [slachtoffer 3],

- het meermalen met kracht schoppen en trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag en

- het duwen van die [slachtoffer 3] tengevolge waarvan die [slachtoffer 3] door een ruit is gevallen.

Hetgeen onder 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte

Naar de mening van het hof is niet onomstotelijk vast komen te staan dat de verdachte terug is gegaan naar het woonwagenkamp om aldaar zijn mes op te halen voordat hij het slachtoffer de bewuste messteken toebracht. Derhalve kan niet worden gezegd dat er sprake is van een planmatig handelen in de zin van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht door de verdachte en staat ook niet vast dat de verdachte gelegenheid heeft gehad om zich te bezinnen voordat hij het slachtoffer stak. Het hof komt dan ook niet tot een bewezenverklaring van poging tot moord.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte werd belaagd door een viertal personen en dat hij heeft gemeend zich te moeten verdedigen tegen een belager met een mes. Een dergelijke situatie is echter niet aannemelijk geworden. Er zijn daarentegen verschillende getuigenverklaringen waaruit blijkt dat de verdachte plotsklaps en zonder enige aanleiding het slachtoffer in de hals heeft gestoken. Ook strookt het letsel van het slachtoffer niet met de verklaring van de verdachte dat hij éénmaal, ter verdediging, een afwerende beweging met zijn mes heeft gemaakt. Het toegebrachte letsel bestaat immers uit verschillende steken in de hals en de arm van het slachtoffer. Gezien het vooroverwogene is het bestaan van enige vorm van noodweer niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Ten aanzien van het onder 3 bewezengeachte

[Mededader] is voor zijn aandeel in de openlijke geweldpleging reeds onherroepelijk veroordeeld. Het hof gaat er, met name gelet op de verschillende elkaar op essentiële punten bevestigende verklaringen afgelegd door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ten overstaan van de politie en de raadsheer-commissaris, vanuit dat ook de verdachte een aandeel heeft gehad in het jegens [slachtoffer 2] toegepaste geweld.

Ten aanzien van het onder 4 bewezengeachte volstaat het hof met het volgende.

Anders dan de raadsvrouw acht het hof de verklaring van [getuige 3] betrouwbaar.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte:

poging tot doodslag.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezengeachte:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Haarlem heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden met aftrek van de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in de nacht van 28 augustus 2005 onder invloed van alcohol meerdere malen schuldig gemaakt aan het plegen van geweld tegen personen. Verdachte heeft eerst samen met zijn mededader op de open¬bare weg fysiek geweld gebruikt tegen een willekeurige persoon, [slachtoffer 2], die daardoor letsel en pijn heeft ondervonden. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een poging [slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een mes meermalen in de hals en in de arm te steken. Het had geen haar gescheeld of het slachtoffer zou het leven hebben verloren. Door deze poging tot doodslag is de rechtsorde ernstig geschokt en is het slachtof¬fer veel fysiek en psychisch leed aangedaan.

Verdachte heeft zich tenslotte ook in de nacht van 15 mei 2005, eveneens onder invloed van alcohol, schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen een willekeurige persoon. Verdachte heeft toen samen met zijn mededaders [slachtoffer 3] herhaaldelijk met een golfclub geslagen, waardoor voornoemd slachtoffer ten val is gekomen. Vervolgens is het slachtoffer door verdachte en zijn mededaders geschopt en geslagen en door een ruit van een benedenwoning geduwd. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen.

Verdachte heeft zich aldus meerdere malen onder invloed van alcohol in het openbaar schuldig gemaakt aan misdrijven met een agressief en gewelddadig karakter, telkens aangewend tegen willekeurige personen die toevallig het pad van verdachte en zijn mededaders kruisten. Dergelijke feiten verster¬ken gevoelens van onvei¬ligheid en angst in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 januari 2007 is verdachte eerder veroordeeld en liep hij thans in een proeftijd wegens een recente veroordeling ter zake ondermeer diefstal met geweld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie in het arrondissement Haarlem heeft gevorderd de

tenuitvoerlegging van het onherroepelijk geworden vonnis van de Meervoudige kamer te Haarlem van 7 februari 2005, in de zaak met parketnummer 15-085147-04, waarbij de verdachte ter zake van een door hem gepleegd strafbaar feit is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar vóór het einde waarvan, kort samengevat, de verdachte zich niet behoorde schuldig te maken aan een nieuw strafbaar feit.

De mededeling betreffende voornoemd vonnis is aan verdachte per post toegezonden.

De proeftijd is ingegaan op 22 februari 2005.

Gelet op het hiervoor bewezengeachte heeft de verdachte zich vóór het einde van voormelde proeftijd wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Het hof acht echter, gelet op het behandelingsplan met betrekking tot de verdachte zoals door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep is overgelegd, termen aanwezig om, in plaats van tenuitvoerlegging - met toepassing van artikel 77cc van het Wetboek van Strafrecht, voormelde proeftijd te verlengen met één jaar.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van in totaal € 2.712,- van door hem geleden materiële schade van

€ 962,- en immateriële schade van € 1.750,- als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat voor feit 1 vrijspraak moet volgen.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door hem geleden materiële schade van € 2.012,59 als gevolg van het aan verdachte onder 4 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan de hem tenlastegelegde feiten.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verlengt de proeftijd van de voorwaardelijk niet ten uitvoergelegde jeugddetentie voor de duur van 9 maanden zoals vermeld in het vonnis van de meervoudige kamer te Haarlem van 7 februari 2005 met parketnummer 15-085147-04 met een termijn van één jaar.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], wonende te Amsterdam, rekeningnummer 6489741, een bedrag van € 2.712,00 (tweeduizend zevenhonderdtwaalf euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot

€ 2.712,00 (tweeduizend zevenhonderdtwaalf euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 43 (drieënveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) een medeverdachte de betalingsverplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 4], wonende te Haarlem, rekeningnummer 5444913, een bedrag van € 2.012,59 (tweeduizend twaalf euro en negenenvijftig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot

€ 2.012,59 (tweeduizend twaalf euro en negenenvijftig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 4].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de 2e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. J.D.L. Nuis en mr. M.J.L. Mastboom, in tegenwoordigheid van mr. P. Melis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 mei 2007.