Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BQ3719

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
0778/05
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgplicht assurantietussenpersoon. Kredietverzekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 778/05

12 april 2007

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RJH HOLDING B.V., voorheen genaamd STEEL-LINK B.V.,

gevestigd te Bleskensgraaf,

APPELLANTE IN HET PRINCIPAAL APPEL,

GEÏNTIMEERDE IN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL APPEL,

procureur: mr. L.M. Ravestijn,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk-

heid B.V. [ X ], CONSULTANT, handelende

de naam “International Financial Risks Consultants (IFR)”,

gevestigd te [ B ], gemeente De[ B ],

2. [ X ],

wonende te [ B ], gemeente [ B ],

3. de vennootschap naar vreemd recht COMPAGNIE D’INVESTIS-

SEMENTS UNIVERSELLE (BELGIUM) S.A.,

gevestigd te Brussel, België,

GEÏNTIMEERDEN IN HET PRINCIPAAL APPEL,

APPELLANTEN IN HET INCIDENTEEL APPEL,

procureur voor geïntimeerden 1 en 2: mr. M. Das,

procureur voor geïntimeerde 3: mr. F.B. Falkena.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante, Steel-Link, is bij exploten van 24 maart 2005 en 29 maart 2005 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat door de rechtbank te Utrecht onder zaak-/rolnummer 162269/HAZA 03-1119 tussen partijen is gewezen en dat is uitgesproken op 29 december 2004, met dagvaarding van geïntimeerden voor dit hof. Geïntimeerden 1 en 2 zullen tezamen worden aangeduid met IFR c.s. en geïntimeerde 3 met CIU. Ieder afzonderlijk worden de geïntimeerden aangeduid met respectievelijk IFR, [ X ] en CIU.

1.2 Steel-Link heeft bij memorie drie grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd en een bewijsaanbod gedaan, met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen zal toewijzen en die van IFR c.s. zal afwijzen, met veroordeling van IFR c.s. en CIU tot terugbetaling aan haar van al hetgeen zij uit hoofde van het vonnis waarvan beroep heeft voldaan en met veroordeling van IFR c.s. en CIU in de proceskosten, alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Bij die gelegenheid heeft Steel-Link de grondslag van haar eis uitgebreid.

1.3 IFR c.s. hebben daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden, hun eis vermeerderd alsmede een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van Steel-Link tot betaling aan IFR c.s. van een verbeurde dwangsom ad € 10.000,- met rente en met veroordeling van Steel-Link in de proceskosten van, naar het hof begrijpt, het hoger beroep.

IFR c.s. hebben van hun kant voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. Onder aanvoering van twee grieven bestrijden zij het vonnis van 29 december 2004, een en ander onder de voorwaarde dat het hof tot het oordeel komt dat BIG een niet bestaande verzekeringsmaatschappij is en/of geen verhaal biedt. Onder aanvoering van één grief komen zij op tegen het incidentele vonnis dat de rechtbank Utrecht op 27 augustus 2003 in deze zaak tussen partijen heeft uitgesproken, dit maal onder de voorwaarde dat het hof tot het oordeel komt dat de vorderingen van Steel-Link moeten worden toegewezen. Zij zijn in hun appel tot de conclusie gekomen dat het hof het vonnis van 27 augustus 2003 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vordering tot vrijwaring door CIU alsnog zal toewijzen alsmede dat het hof Steel-Link zal veroordelen tot betaling aan hen van de verbeurde dwangsom te vermeerderen met rente.

1.4 CIU heeft op haar beurt bij memorie van antwoord de grieven bestreden, met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van Steel-Link in de proceskosten van het hoger beroep.

Onder de voorwaarde dat het hof zou oordelen dat (één van) de grieven van Steel-Link slaagt en dat BIG een niet bestaande verzekeringsmaatschappij is of geen verhaal biedt, heeft CIU van haar kant voorwaardelijk hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 29 december 2004 onder aanvoering van twee grieven, met conclusie, naar het hof begrijpt, dat het hof dit vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Steel-Link zal afwijzen, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van Steel-Link in de proceskosten van de beide instanties.

1.5 Steel-Link heeft onder overlegging van producties geantwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel van CIU. Steel-Link heeft geen verweer gevoerd in het voorwaardelijk incidenteel appel van IFR c.s., hoewel zij daartoe gelegenheid kreeg.

1.6 Ten slotte hebben de partijen het hof gevraagd arrest te wijzen op basis van de stukken van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memories van grieven.

3. Ontvankelijkheid

3.1 Op 29 maart 2005, de dag waarop de appeldagvaarding werd uitgebracht, was CIU volgens die dagvaarding gevestigd in België. Daarom is op de betekening van de appeldagvaarding aan CIU van toepassing de EG-Betekeningsverordening (Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000, inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, PbEG L 160/37).

Door Steel-Link zijn echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij, op de voet van de EG-Betekenings-verordening en van artikel 56 leden 2 en 3 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, een afschrift of een vertaling van de appèldagvaarding heeft verzonden aan een ontvangende instantie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de verordening ter betekening aan CIU.

3.2 Het hof verzoekt Steel-Link om het hof bij akte te informeren over de wijze waarop zij CIU in het geding heeft geroepen. Daarbij wil het hof in het bijzonder ook weten of Steel-Link toepassing heeft gegeven aan de EG-Betekenings-verordening (vgl. onder meer HR 22 december 2006 NJ 2007, 24).

CIU mag op een en ander bij antwoordakte reageren.

De aktewisseling die het hof voor ogen staat is niet bedoeld om Steel-Link en CIU de gelegenheid te bieden hun debat anderszins voort te zetten

Iedere verdere beslissing zal tussen Steel-Link en CIU worden aangehouden. Hetgeen hierna volgt heeft betrekking op de zaak van Steel-Link tegen IFR c.s. voorzover niet anders wordt overwogen.

3.3 De bewoordingen van de appelexploten geven aanleiding te denken dat Steel-Link tegen het vonnis van 29 december 2004 slechts beroep heeft willen instellen, voorzover haar vorderingen in conventie zijn afgewezen. Blijkens haar toelichting in de memorie van grieven en de redactie van hetgeen zij in hoger beroep wenst te vorderen strekt het hoger beroep van Steel-Link er ook toe om het vonnis van 29 december 2004 aan het oordeel van het hof te onderwerpen, voor zover dit in reconventie is gewezen. Daarvan zal het hof in het hierna volgende uitgaan.

3.4 De drie door Steel-Link geformuleerde grieven maken voldoende duidelijk welke bezwaren zij heeft tegen het vonnis waarvan beroep. Daarover kan redelijkerwijs geen misverstand bestaan. Ook IFR c.s. moeten de betekenis en reikwijdte van die bezwaren hebben begrepen. Er is derhalve onvoldoende grond om Steel-Link niet in haar hoger beroep te ontvangen bij gebreke van voldoende duidelijke grieven.

4. Waarvan het hof uitgaat

De rechtbank heeft in het vonnis van 29 december 2004 in rechtsoverweging nummer 2 onder 2.1 tot en met 2.10 een aantal feiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is niet in geding, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Behandeling van het hoger beroep

4.1 Het gaat in dit geding om de volgende kwestie.

4.1.1 Na bemiddeling door de assurantietussenpersoon IFR, die daarbij werd vertegenwoordigd door haar enig bestuurder [ X ], heeft Steel-Link begin 2001 kredietverzeke-ringsovereenkomsten gesloten terzake van verschepingen van staal (halffabrikaten) naar Zuid-Amerika.

Blijkens de zogenoemde Cover Note van 24 januari 2001 had de in dat stuk bedoelde verzekering betrekking op verschepingen in de periode van 1 december 2000 tot en met 31 januari 2001 ten behoeve van Aron Rabe e Hijos SA, V. Rivaddavia 24598, Buenos Aires, Argentinië (verder: Aron Rabe), en bedroeg het verzekerd belang US dollar 1.000.000,-.

Blijkens de Cover Note van 7 februari 2001 had de (opvolgende) verzekering betrekking op verschepingen in de periode van 1 maart 2001 tot en met 31 december 2001 ten behoeve van Aron Rabe. Ook hier bedroeg het verzekerd belang US Dollar 1.000.000,- (productie 7 conclusie van antwoord/conclusie van eis IFR c.s.).

Steel-Link heeft USD 36.798,14 verzekeringspremie aan IFR betaald.

IFR heeft het te verzekeren risico voor 100 % ondergebracht bij de Baltic Insurance Group gevestigd te Litouwen (verder: BIG). BIG is bij de totstandkoming van de verzekeringsovereen-komsten vertegenwoordigd door CIU.

BIG is door IFR geïntroduceerd. IFR heeft deze gepresenteerd als een Litouwse verzekeraar, waarvoor CIU als gevolmachtigd agent optrad.

4.1.2 Op de in dit geding relevante kredietverzekerings-overeenkomst is ingevolge een door de contractspartijen uitgebrachte rechtskeuze Nederlands recht van toepassing. Verder zijn de polisvoorwaarden van de Nederlandse Credietverzekering Maatschappij N.V. (1998) van toepassing.

4.1.3 Steel-Link heeft (naar haar stellingen ervan uitgaande dat zij in september 2001 halffabrikaten aan haar Zuid-Amerikaanse afnemer Aron Rabe heeft verkocht en geleverd voor een bedrag groot US Dollar 710.502,53) tot dat bedrag facturen aan Aron Rabe gezonden, als volgt:

dd. 21 september 2001 USD 553.141,74,

dd. 21 september 2001 USD 127.416,24,

dd. 25 september 2001 USD 24.338,24,

dd. 25 september 2001 USD 5.606,31.

De facturen zijn onbetaald gebleven.

Nadat pogingen om alsnog betaling te verkrijgen op niets waren uitgelopen, ook niet nadat IFR en CIU waren ingeschakeld, heeft Steel-Link op 16 september 2002 haar claim onder de verzekeringsovereenkomst ingediend bij CIU.

Haar verzekeringsclaim bedroeg US Dollar 569.000,95. Het is Steel-Link niet gelukt enige verzekeringsuitkering te bewerkstelligen.

CIU heeft op 5 december 2002 aan Steel-Link bericht dat de door Steel-Link ingediende claim werd afgewezen, omdat, samengevat:

- de contractuele relatie van Steel-Link met Aron Rabe onvoldoende was opgehelderd,

- Steel-Link ten aanzien van de aan haar toekomende betaling onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen,

- Steel-Link zich onvoldoende heeft vergewist van de kredietwaardigheid van Aron Rabe, in de toenmalige financieel/politieke situatie extra noodzakelijk,

- Steel-Link het bestaan van de kredietovereenkomst aan Aron Rabe bekend heeft gemaakt,

- Steel-Link onvoldoende aktie heeft ondernomen om alsnog betaling te verkrijgen

– Steel-Link geen althans niet tijdig protest heeft aangetekend tegen de wisselbrieven.

Steel-Link heeft een en ander betwist.

4.1.4 Bij haar pogingen om de haars inziens aan haar toekomende verzekeringspenningen te achterhalen heeft Steel-Link ontdekt dat op 9 februari 1995 het Ministerie van Financiën van Litouwen de voor de uitoefening van het verzekeringsbedrijf door BIG benodigde vergunningen heeft ingetrokken, met als gevolg dat BIG sedert 1995 niet bevoegd was om in Litouwen als verzekeraar op te treden. BIG is wel blijven bestaan. Zij zou opereren op de buitenlandse verzekeringsmarkt, onder meer als gevolmachtigd agent van een verzekeringmaatschappij uit Uruguay.

CIU bleek noch in België noch in Nederland bevoegd om als verzekeringstussenpersoon op te treden.

4.1.5 De Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad heeft het bezwaar van IRF tegen de doorhaling van haar inschrijving in het bij de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf ingestelde register gehonoreerd. Daaraan is een advies van de daartoe ingestelde Commissie Bezwaarschriften voorafgegaan.

Deze commissie was van oordeel dat IRF onzorgvuldig heeft gehandeld door CIU niet te controleren. Omdat het een uitzonderlijke situatie betrof, te weten het sluiten van een verzekering via een buitenlandse tussenpersoon met een verzekeringsmaatschappij die in het buitenland (een ander land dan de eerste tussenpersoon) is gevestigd, had het in de rede gelegen dat IRF zélf zou controleren of die tussenpersoon voldeed aan de publiekrechtelijke vereisten, waaronder het bepaalde in artikel 180 onder a en c Wet toezicht verzeke-ringsbedrijf 1993. Het op deze wijze handelen door IRF kan worden gekwalificeerd als een beroepsfout, aldus de Commissie Bezwaarschriften. Die enkele fout achtte zij evenwel van onvoldoende gewicht om doorhaling te rechtvaardigen.

De Bestuurskamer van de SER nam die visie over en overwoog daarbij dat vastgesteld is dat de Baltic Insurance Group nimmer bevoegd is geweest tot de uitoefening van het verzekeringsbedrijf in Nederland en België en voorts dat CIU niet bevoegd was om te bemiddelen in verzekeringen. Er is wellicht sprake van een beroepsfout of misslag, zo vervolgde de Bestuurskamer, hetgeen zij uiteindelijk ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing om het bezwaar van IRF te honoreren ondanks haar handelen in strijd met het bepaalde in artikel 180 onder a en c Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

4.1.6 Steel-Link heeft IRF c.s en CIU in rechte betrokken. Haar vordering strekt ertoe, kort gezegd, dat IRF c.s. en CIU aan haar betalen, al hetgeen BIG aan haar, Steel-Link, had moeten betalen uit hoofde van de hier relevante krediet-verzekeringsovereenkomst.

4.1.7 De rechtbank heeft de vordering van Steel-Link afgewezen. Zij koos tot uitgangspunt dat Steel-Link niet heeft gesteld dat CIU onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij wist of behoorde te weten dat BIG haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst niet zou willen of kunnen nakomen.

Daaraan voegde zij toe dat BIG bevoegd was om als agent van de Chartered Insurance Company, een verzekeringsmaatschappij gevestigd in Uruguay, verzekeringsovereenkomsten te sluiten en dat niet kon worden uitgesloten dat zij de omstreden overeenkomsten met Steel-Link in die hoedanigheid had gesloten.

De rechtbank heeft aanvaard dat BIG zowel ten tijde van het sluiten van de omstreden verzekeringsovereenkomsten als ten tijde van de uitspraak van haar vonnis als (verzekerings)-onderneming bestond. De vraag of betekenis moet worden toegekend aan de omstandigheid dat BIG niet bevoegd was om in Nederland het verzekeringsbedrijf uit te oefenen en CIU niet bevoegd was om in Nederland als tussenpersoon op te treden heeft de rechtbank niet beantwoord. Daaraan kan worden voorbijgegaan, aldus de rechtbank, omdat niet toereikend gebleken is dat BIG geen verhaal biedt voor de nakoming van haar verplichtingen uit de kredietverzekeringsovereenkomsten. Daardoor bestaat onvoldoende aanwijzing voor causaal verband tussen de door Steel-Link geleden schade en het mogelijk onbevoegd handelen van BIG en/of CIU.

4.1.8 In reconventie heeft de rechtbank de door Steel-Link ten laste van IFR c.s. gelegde conservatoire beslagen opgeheven, Steel-Link geboden om binnen 48 uur na betekening van haar vonnis ervoor zorg te dragen dat de opheffing van de gelegde beslagen wordt ingeschreven in de daartoe bestemde registers, althans dat de inschrijving van de beslagen ongedaan wordt gemaakt, zulks op straffe van een dwangsom van 10.000,- euro voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Steel-Link niet aan het gebod voldoet, zulks met een maximum van 100.000,- euro.

Het vonnis is op vrijdag 31 december 2004 ’s middags om 15.05 uur aan Steel-Link betekend. De beslagen zijn op maandag 3 januari 2005 opgeheven, hetgeen de dag erna om 09.00 uur is ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

4.2 De vragen die partijen verdeeld houden, vallen in twee clusters uiteen.

In de eerste plaats speelt de kwestie of IFR als assurantietussenpersoon bij de totstandkoming van de omstreden kredietverzekeringsovereenkomst haar zorgplicht jegens Steel-Link heeft geschonden.

In de tweede plaats speelt de kwestie of, als aan IFR als assurantietussenpersoon enig terzake dienend verwijt zou kunnen worden gemaakt, de door Steel-Link gestelde schade daaruit is voortgekomen dan wel enige andere oorzaak voor die schade moet worden aangewezen.

Of aan [ X ] in dit verband zodanig verwijt kan worden gemaakt dat hij persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden jegens Steel-link, is een apart probleem dat afzonderlijk aandacht behoeft.

4.3 De eerste kwestie is door Steel-Link in hoger beroep aan de orde gesteld door middel van haar tweede en derde grief. Die kwestie is in het incidenteel appel voorwaardelijk aan de orde door middel van de eerste en tweede door IFR c.s. opgeworpen grief.

De tweede kwestie komt aan de orde, zodra wordt vastgesteld dat IFR haar zorgplicht als assurantietussenpersoon jegens Steel-link heeft geschonden.

Het hof zal eerst het onderzoek naar de eerste kwestie ter hand nemen.

4.4 Bij de bespreking van de zorgplicht van IFR wil het hof vooropstellen dat bij de schadeverzekering die hier aan de orde is het verzekerde risico is gelegen in het land waar de vestiging van de rechtspersoon zich bevindt waarop de verzekeringsovereenkomst betrekking heeft; dat is in casu Nederland.

4.5 Aangezien het verzekerde risico zich in Nederland afspeelt en IFR als verzekeringstussenpersoon in Nederland werkzaam is, moet bij de van IFR als assurantietussenpersoon te verlangen zorg acht worden geslagen op de hier te lande geldende regels die bescherming beogen te bieden tegen verzekeraars die geen dan wel onvoldoende verhaal bieden. Het hof heeft hier in het bijzonder het oog op de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

Vastgesteld moet worden dat IFR deze regels geschonden heeft.

Als aan de beslissing van de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad van 11 juni 2004 in dit verband geen formele rechtskracht zou toekomen, kan daaraan immers in elk geval op goede grond worden ontleend dat IFR in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen die voor haar besloten liggen in

artikel 180 onderdelen a en c van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, doordat door haar bemiddeling een verzekeringsovereenkomst is totstandgekomen met BIG.

4.6 Dusdoende heeft IFR het risico gecreëerd dat de verzekeraar die zij ten behoeve van Steel-Link heeft aangedragen, minder solide zou blijken te zijn dan naar de op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 geldende normen geboden zou zijn. Daarmee heeft zij naar het oordeel van het hof de op haar rustende zorgplicht jegens Steel-Link in beginsel geschonden.

4.7 Zou evenwel kunnen worden vastgesteld dat de door IFR aangedragen verzekeraar BIG in januari/februari 2001 realiter in staat was om de verplichtingen die voor BIG besloten liggen in de omstreden kredietverzekeringsovereenkomst jegens Steel-Link na te komen, dan resteert onvoldoende aanknopingspunt om te oordelen dat IFR haar zorgplicht geschonden heeft.

Op IFR rust de bewijslast dat een dergelijk geval zich hier voordoet.

4.8 IFR heeft in nummer 30 van haar memorie van antwoord een reeks stukken opgesomd waaruit zij steun voor haar standpunt wil putten. Daarmee heeft zij evenwel vooralsnog onvoldoende bewijs aangedragen om te aanvaarden dat BIG in januari/februari 2001 realiter in staat was om aan haar verplichtingen uit de kredietverzekeringsovereenkomst met Steel-Link te voldoen.

Hier heeft te gelden dat het er niet slechts om gaat vast te stellen of BIG formeel (in Litouwen) nog bestond. Dat is niet genoeg en staat overigens in dit hoger beroep inmiddels vast tussen partijen. Het overgelegde materiaal biedt voor het overige tegenover het gemotiveerde verweer van Steel-Link weinig aanknopingspunt voor de veronderstelling dat BIG realiter in staat was om aan haar verplichtingen uit de krediet-verzekeringsovereenkomst met Steel-Link te voldoen. Vastgesteld kan worden dat BIG in 1993 is opgericht en toentertijd gevestigd was aan de Jogailos 9-15, Vilnius, Litouwen. Vier Litouwse investeerders verkregen tezamen met een Engelse vennootschap de aandelen (producties 70/71 conclusie van antwoord/conclusie van eis IFR c.s.).

Uit de door IFR c.s. bij conclusie van antwoord/conclusie van eis overgelegde productie 49, een ongedateerde brief van Vilniaus Bankas aan CIU, kan verder het volgende worden opgemaakt. Het lag indertijd bij de oprichting van BIG in de bedoeling om te profiteren van de expertise van CIU. De tussen BIG en CIU gesloten overeenkomst werd, zo blijkt uit diezelfde productie, in 1999 zodanig gewijzigd dat zij in 2002 zou eindigen. De onderneming van BIG ging op in die van Vilniaus Bankas maar werd door die bank beschouwd als “non-core business” hetgeen die bank ertoe bracht om die activiteiten hetzij te stoppen hetzij te laten aflopen. Tot slot vermeldt deze productie “Vilnius Bank has taken over the liability of these businesses as shareholder” en “Vilniaus Bankas shall continue its obligation of these businesses until their natural expiry”.

Dit materiaal is weinig geschikt om uit af te leiden dat BIG in 2001 als een solide verzekeraar kon worden beschouwd.

4.9 Daartegenover valt op dat IFR er niet in geslaagd is om enig concreet inzicht te geven in BIG. Onbekend is gebleven waar de onderneming feitelijk haar werkzaamheden uitoefent, wie de verantwoordelijke personen zijn of wie daarin anderszins werkzaam zijn en voorts, wat haar financiële positie is. Het bericht dat over BIG inlichtingen kunnen worden ingewonnen door te corresponderen met Spes Law Office (brief Spes Law Office dd. 22 augustus 2003 aan CIU) is bepaald ongeschikt om het hof ervan te overtuigen dat BIG een reëel bestaan als verzekeraar heeft. Het moge verder zo zijn dat BIG opereerde onder de paraplu van Hermis Bank die in 1996 een meerderheidsbelang van 51 % in BIG had verworven en in 1999 fuseerde met Vilnius Bank, daarmee is BIG nog geen solide verzekeraar.

4.10 Bezwaarlijk valt in te zien dat de omstandigheid dat BIG werelwijd als agent mocht optreden van de Chartered Insurance Company (CIC) uit Uruguay kan bijdragen aan het van IRF verlangde bewijs. Dat is alleen al zo, omdat gesteld noch gebleken is dat de rechtsrelatie tussen BIG en CIC inhoudt dat BIG de door haar verleende verzekeringsdekking kan afwentelen op CIC.

4.11 Een en ander voert het hof, als gezegd, tot het oordeel dat IFR er tot nu toe niet in is geslaagd om het van haar te verlangen bewijs te leveren dat BIG in januari/februari 2001 realiter in staat was om de verplichtingen die voor BIG besloten lagen in de omstreden kredietverzekeringsovereenkomst jegens Steel-Link na te komen.

Het hof zal IFR in de gelegenheid stellen om aanvullend bewijs te leveren. Het hof houdt er rekening mee dat IFR dit bewijs zal willen leveren door middel van schriftelijke stukken. Het zal IFR daartoe in de gelegenheid stellen door de zaak naar de rol te verwijzen voor een daartoe te nemen akte. Steel-Link zal, aanvullend, tegenbewijs mogen leveren.

4.12 Zou komen vast te staan dat IFR toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar zorgplicht jegens Steel-link, dan komt het hof toe aan onderzoek van de tweede kwestie die IFR en Steel-Link verdeeld houdt.

Pas daarna zal het hof de vraag onder ogen zien of aan [ X ] een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat hij jegens Steel-Link persoonlijk aansprakelijk is geworden.

4.13 In dit stadium van het geding zal het hof verder iedere beslissing aanhouden.

5. Slotsom

Steel-Link heeft de gelegenheid om zich uit te laten over de wijze waarop zij in hoger beroep CIU in het geding heeft geroepen.

IFR heeft de gelegenheid om aanvullend bewijs te leveren als hierboven omschreven in rechtsoverweging 4.9.

Het komt het meest doeltreffend voor om eerst Steel-Link aan het woord te laten over de betekeningskwestie waarna CIU desgewenst mag reageren. Daarna heeft IFR het woord om nader bewijs bij te brengen waarop Steel-Link mag reageren.

6. Beslissing

Het hof:

bepaalt dat de zaak wordt uitgeroepen ter rolle van 10 mei 2007 voor een akte aan de zijde van Steel-Link met het hierboven in rechtsoverweging 3.2 omschreven doel;

bepaalt dat IFR een akte mag nemen zoals in rechtsoverweging 4.11 bepaald op een nader door de rolraadsheer te bepalen roldatum;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, J.M.H. van Staveren en L.C. Winkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2007 door de rolraadsheer.