Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BO4970

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
106.005.455/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op arrest van 22-11-2007 LJN: BO4574

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Landelijk zaaknummer 106.005.455/01 (rolnummer 1353/06)

7 augustus 2008

Zie ook arrest 21-11-2007 LJN: BO4574

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [ APPELLANTE 1 ],

wonende te [ woonplaats ],

2. [ APPELLANTE 2 ],

wonende te [ woonplaats ],

APPELLANTEN in principaal hoger beroep,

GEINTIMEERDEN in incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. I.M.C.A.Reinders Folmer,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonende te [ woonplaats ], gemeente [ B ],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. J.M. Bakx-van den Anker.

Partijen worden hierna [ Appellanten c.s ]. en [ Geïntimeerde ] genoemd.

1. Het verdere geding in hoger beroep

1.1 Bij tussenarrest van 22 november 2007 in deze zaak heeft het hof een comparitie van partijen gelast, die gehouden is op 18 februari 2008. Voor het daaraan voorafgaande verloop van het geding wordt verwezen naar het tussenarrest.

1.2 Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de processtukken bevindt.

1.3 Vervolgens hebben partijen opnieuw arrest gevraagd op de processtukken van beide instanties.

2. De verdere beoordeling

2.1 Partijen verschillen thans nog van mening over de vraag, welke waarde [ Geïntimeerde ] behoort in te brengen voor de verkrijging van de volle eigendom van de woning aan de [ straatnaam ] 38 te [ plaatsnaam ], waarvan de overdracht op 20 oktober 2006 heeft plaatsgehad.

2.2 Ter comparitie zijn [ Appellanten c.s ]. er mee accoord gegaan dat zal worden uitgegaan van een onderhandse verkoopwaarde van € 290.000,- vrij van huur en bewoning. Dit is de taxatiewaarde per sterfdatum van erflaatster, 27 september 2001, zoals vastgesteld ten behoeve van de aangifte voor de successierechten. [ Appellanten c.s ]. hebben aangegeven dat grief 2 in principaal appel, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de waardering van de afgifte van het legaat/de bloot eigendom van de woning bepaald diende te worden ten tijde van het overlijden van erflaatster, geen verdere bespreking meer behoeft.

2.3 De vraag is, hoe het waardedrukkend effect berekend moet worden van het bij testament aan [ Geïntimeerde ] gelegateerde recht van gebruik en bewoning. Partijen hebben beiden aangegeven hierover een oordeel te willen van het hof, en geen behoefte te hebben aan een nader deskundigenbericht.

2.4 Uit het rapport van de deskundige Verstappen blijkt dat drie waarderingsmethoden in aanmerking komen, te weten:

1. waardering aan de hand van artikel 21 lid 8 Successiewet 1956 jo. het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956;

2. waardering aan de hand van de waarderingsvoorschriften van de Wet IB 2001 jo. artikel 19, Uitvoeringsbesluit IB 2001;

3. waardering aan de hand van een recente overlevingstafel (bijvoorbeeld die van het CBS) met een te bepalen jaarlijks rendement, bijvoorbeeld een redelijke jaarhuur.

2.5 De derde methode komt niet wenselijk voor omdat overlevingstabellen van diverse instanties niet altijd eensluidend zijn en slechts een beperkte geldigheidsduur hebben, terwijl ook geschillen kunnen ontstaan omtrent de wijze waarop het rendement cq. de jaarhuur moet worden bepaald. Aansluiting bij fiscale tabellen heeft het grote voordeel dat deze een helder en eensluidend richtsnoer bieden. Het komt in de onderhavige zaak echter niet wenselijk voor de eerst vermelde fiscale methode te volgen, omdat deze uitgaat van een rendementsverlies van 6% ’s jaars als gevolg van het missen van het gebruik, terwijl het hof in bijvoorbeeld zaken waarin een vergoeding voor het gebruik van een gemeenschappelijke woning na echtscheiding moet worden vastgesteld van een lager percentage pleegt uit te gaan. De tweede methode gaat uit van een rendementsverlies van 4%, en komt in dit verband passender voor. De vermenigvuldigingsfactor 10 in de eerste methode komt bovendien, gelet op de statistisch nog te verwachten levensduur voor iemand van 60-64 jaar, zoals blijkend uit de overlevingstabel van het CBS, minder juist voor dan die van 11 in de tweede methode. Het hof zal derhalve de tweede methode hanteren. In het midden kan blijven, wat in een geval als het onderhavige in het notariaat het meest gebruikelijk is.

2.6 Dit betekent dat 33% (te weten 44% te verminderen met 25% daarvan in verband met de metterwoon clausule)

van € 290.000,- voor het gebruik in mindering komt.

2.7 [ Appellanten c.s ]. hebben daarnaast aangevoerd, dat de statistisch te verwachten levensduur van [ Geïntimeerde ] korter is dan gemiddeld voor iemand van zijn leeftijd, omdat zijn gezondheid niet goed is. Hij is sedert 1998 onder medische behandeling wegens hartklachten, zit sedert 1999 in de WAO, en is diabetespatiënt. In verband daarmee kreeg erflaatster, toen zij ziek werd, thuishulp toegewezen omdat [ Geïntimeerde ] niet in staat geacht werd voor haar te zorgen. Dit betoog is door [ Geïntimeerde ] met een enkele ontkenning onvoldoende betwist, zodat het hof aanneemt, dat zijn gezondheid inderdaad te wensen overlaat. Dit betekent echter niet, dat nogmaals een korting wordt toegepast, omdat het hof de kans op een eerder einde van het gebruiksgenot in casu reeds voldoende verdisconteerd acht in de aftrek van 25% wegens de metterwoon clausule.

2.8 Voorts hebben [ Appellanten c.s ]. nog betoogd, dat de kans op een eerder vertrek wordt verhoogd, omdat [ Geïntimeerde ] aanvankelijk heeft getwijfeld of hij niet liever naar Amsterdam of Heerhugowaard wilde verhuizen. Wat daarvan zij, ook dit is niet van dien aard, dat deze kans, nadat [ Geïntimeerde ] voor toedeling van de woning heeft gekozen, zo hoog moet worden ingeschat, dat deze in de korting van 25% niet reeds begrepen mag worden geacht.

2.9 Het vorenstaande brengt mee, dat voor [ Appellanten c.s ]. als waarde van de woning belast met het recht van gebruik en bewoning 67% van € 290.000,- zou hebben te gelden, ofwel

€ 194.300,-. [ Geïntimeerde ] daarentegen heeft op het moment van transport een woning verkregen, die niet langer met het gebruiksrecht is bezwaard, en derhalve door hem voor de vrije waarde kan worden verkocht. Het hof vindt aanleiding voor de bepaling van de waarde die tussen partijen bij de verdeling heeft te gelden dit resultaat te middelen. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij vergelijkbare gevallen, zoals de overdracht van verpacht land aan de pachter, of de verkoop van een verhuurd huis aan de huurder. De waarde van de woning komt aldus berekend uit op € 242.150,-. Daarop moet de hypothecaire lening van

€ 68.067,03 in mindering worden gebracht, zodat als te verdelen resteert € 174.082,97. Daarvan komt [ Appellanten c.s ]. toe € 116.055,32.

2.10 Het hof dient zich nog uit te laten over de door [ Appellanten c.s ]. opgeworpen vraag of [ Geïntimeerde ] daarover een rentevergoeding verschuldigd is. Het hof antwoordt bevestigend. [ Appellanten c.s ]. zijn accoord gegaan met verrekening tegen een waarde per sterfdatum, en hebben, ondermeer als gevolg van vertraging door het uitblijven van een keuze door [ Geïntimeerde ], lange tijd op het hun toekomende moeten wachten. In de tussentijd is het onroerend goed, gelet op de prijsontwikkeling van de huizenmarkt, aanzienlijk ten gunste van [ Geïntimeerde ] in waarde gestegen. Het komt in de verhouding tussen partijen als deelgenoten in de nalatenschap redelijk voor dat [ Appellanten c.s ]. voor het uitblijven van de afrekening worden gecompenseerd. Het hof acht toekenning van wettelijke rente vanaf de peildatum voor de waardebepaling een redelijke compensatie. Het vonnis van de rechtbank dient derhalve voor wat betreft de betaling door [ Geïntimeerde ] te worden vernietigd. Op het door [ Geïntimeerde ] te betalen bedrag dient uiteraard in mindering te worden gebracht hetgeen hij bij de overdracht van de woning of daarna reeds heeft voldaan.

2.11 Uit hetgeen ter comparitie is overeengekomen volgt, dat de rechtbank terzake van de waarde van roerende zaken, een Renault Clio en een voorschot aan [ Appellanten c.s ]. ten onrechte € 30.957,44 op het door [ Geïntimeerde ] te betalen bedrag in mindering heeft gebracht. Het hof zal de rechtbank daarin derhalve niet volgen.

2.12 Het hof zal voorts verstaan, dat partijen hun geschil ten aanzien van de “opa stoel” hebben opgelost zoals hierna in het dictum vermeld.

2.13 De proceskosten zullen, gelet op de aard van het geschil en het feit dat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, worden gecompenseerd. Het komt juist voor dat de rechtbank [ Appellanten c.s ]. enerzijds en [ Geïntimeerde ] anderzijds als procespartijen ieder de helft van de kosten van de deskundige heeft laten dragen. De grieven 2 en 3 in incidenteel appel falen.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover de rechtbank het door [ Geïntimeerde ] aan [ Appellanten c.s ] te betalen bedrag heeft bepaald op € 30.607,55, en de vordering van [ Appellanten c.s ]. voor wat betreft de “opa stoel” heeft afgewezen en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [ Geïntimeerde ] aan [ Appellanten c.s ]. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 116.055,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 september 2001;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat op voormeld bedrag in mindering komt hetgeen door [ Geïntimeerde ] terzake reeds is betaald;

verstaat dat de “opa stoel” eigendom is van [ Appellanten c.s ]., maar tot diens dood in bruikleen is gegeven aan [ Geïntimeerde ];

bekrachtigt voor het overige het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M Smit, M.E. van Zandwijk-Hillebrands en G.J. Driessen-Poortvliet, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2008 door de rolraadsheer.