Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC7144

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
02/6570 DK
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BH6375
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BH6375
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW3283, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De afhandeling van het verzoek om teruggaaf

6.1. Uit de stukken van het geding blijkt dat de inspecteur geen beschikking heeft genomen inzake het door belanghebbende op de voet van artikel 236 van het CDW ingediende verzoek om terugbetaling. Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat zulks achterwege is gebleven en dat onmiddellijk uitspraak op bezwaar is gedaan.

In verband met de in de onderhavige zaak te nemen beslissing kan aan deze omstandigheid worden voorbijgegaan.

De status van de BTI

6.2. Vaststaat dat in de op 12 juni 2001 door de bevoegde Britse douane-autoriteiten aan E afgegeven BTI wordt verwezen naar een aanvraag van E van 30 augustus 2000, dat ter zake reeds op 19 oktober 2000 een BTI was afgegeven, dat de Britse douaneautoriteiten blijkens de begeleidende brief van 12 juni 2001 bedoeld hebben deze op 19 oktober 2000 verstrekte BTI te rectificeren in verband met een gevoerde procedure, dat het referentienummer van de BTI ongewijzigd is gebleven evenals de ingangsdatum van 19 oktober 2000, en dat geen sprake is van terugwerkende kracht tot voor de datum van verstrekking van de originele BTI.

6.3. Gelet op het hiervoor onder 6.2. overwogene en in aanmerking nemend dat de Britse douaneautoriteiten kennelijk, naar de Douanekamer begrijpt naar aanleiding van een gevoerde procedure, de op 19 oktober 2000 afgegeven BTI op 12 juni 2001 hebben gerectificeerd, dat in zoverre geen sprake is van nieuwe BTI, dat het procesrecht van een lidstaat een aangelegenheid is van iedere afzonderlijke lidstaat afzonderlijk welke als zodanig geen invloed heeft op de geldigheid van een genomen besluit - in casu een BTI -, dat meer in het bijzonder dit ook niet ter beoordeling staat van een andere lidstaat en dat zulks ook niet zou passen binnen een communautair douanesysteem, is de Douanekamer van oordeel dat aan de op 12 juni 2001 gerectificeerde BTI dezelfde rechtsgevolgen toekomen als aan iedere andere willekeurige BTI.

Het beroep van belanghebbende op de aan E afgegeven BTI

6.4. Uit de stukken van het geding en uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, leidt de Douanekamer af dat belanghebbende de onder 2.7. vermelde aangiften op eigen naam en voor eigen rekening heeft gedaan en dat zij ter zake niet optrad als direct dan wel indirect vertegenwoordiger van E in de zin van artikel 5 van het CDW.

Uit het bepaalde in artikel 12, tweede en derde lid, van het CDW jo. artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening CDW volgt voorts dat slechts door de rechthebbende op een bindende tariefinlichting een beroep mag worden gedaan zodat de inspecteur in zoverre het beroep van belanghebbende op de aan E afgegeven BTI terecht heeft geweigerd.

6.5. In het kader van het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft belanghebbende aangevoerd dat vaststaat dat zij deel uitmaakt van het concern waar ook E deel van uitmaakt, dat zij gemachtigd was E te vertegenwoordigen, dat de desbetreffende goederen door belanghebbende en E in het vrije verkeer worden ingevoerd en dat niet in geschil is dat de door belanghebbende ten invoer aangegeven goederen identiek zijn aan de op de aan E verstrekte BTI vermelde goederen.

6.6. Belanghebbende heeft daarbij verwezen naar paragraaf 2.6.1., onderdeel 4.10.00 van het Handboek Douane deel 1. De inspecteur heeft met betrekking tot deze paragraaf ter zitting verklaard dat gelet op deze passage ook niet-rechthebbenden een beroep kunnen doen op een geldige BTI en dat meer in het bijzonder belanghebbende in beginsel een beroep kan doen op de aan E verstrekte BTI.

6.7. De inspecteur stelt echter dat een dergelijk beroep slechts mogelijk is ingeval in de BTI een juiste tariefindeling wordt gegeven en deze rechtsgeldig is verstrekt en dat dientengevolge in casu belanghebbendes beroep op de aan E verstrekte BTI faalt.

Een dergelijke beperkte uitleg van de desbetreffende passage volgt naar het oordeel van de Douanekamer niet uit de tekst van evenvermelde paragraaf van het Handboek Douane, nog daargelaten dat een dergelijke beperkte uitleg mee zou brengen dat deze passage zinledig zou zijn aangezien verondersteld mag worden dat de douane altijd ernaar streeft een juiste tariefindeling te geven.

6.8. De Douanekamer is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, erop mocht vertrouwen dat de douane de goederenindeling als vermeld in de aan E verstrekte BTI zou volgen. In dit verband zij nog verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 1 april 1993, nr. C 250/91 (Hewlett Packard) Jur. EG 1993, blz. I 0189 met betrekking tot de toepassing van artikel 13 van de Verordening (EEG) nr. 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (thans artikel 239 CDW, Douanekamer) waarin is overwogen dat de omstandigheid, dat een marktdeelnemer zich heeft gebaseerd op een verkeerde tariefinlichting die aan een vennootschap van dezelfde groep als die waartoe de belastingschuldige behoort, is verstrekt door de bevoegde douaneautoriteiten van een andere lidstaat dan die waar de voor inning bevoegde douaneautoriteiten zich bevinden, een bijzondere situatie in de zin van dat artikel kan opleveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 02/6570

de dato 11 december 2007

1. De procedure

1.1. Op 21 november 2002 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van P en J , ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid L B.V. te T, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst/Grote ondernemingen/Douane A, de inspecteur, van 10 oktober 2002, kenmerk …, waarbij het bezwaar tegen de uitnodigingen tot betaling inzake de aangiften over de maanden november 2000 tot en met mei 2001 is afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht geheven van € 218. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 16 juli 2003 een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft daarna een conclusie van dupliek ingezonden. Bij brief van 2 februari 2006 heeft belanghebbende aanvullende stukken ingezonden.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 21 februari 2006. Namens belanghebbende zijn verschenen diens gemachtigde P en R. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. J, mr. G en E. Partijen hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan met bijbehorende bijlagen overhandigd aan de Douanekamer en de wederpartij. Beide partijen hebben kennis kunnen nemen van de bij de pleitnota van de wederpartij gevoegde bijlagen en zich daarover kunnen uitlaten. Beide pleitnota’s, met bijlagen worden tot de gedingstukken gerekend.

1.4. De Douanekamer heeft na afloop van de zitting, op verzoek van belanghebbende, het onderzoek heropend. Op 13 maart 2006 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend waarop de inspecteur bij brief van 16 mei 2006 heeft gereageerd. De inspecteur heeft bij brief van 11 juli 2006 nadere stukken ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 17 juli 2006 nadere stukken ingediend.

1.5. Mede in verband met een gewijzigde samenstelling van de raadkamer heeft een nadere mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 27 maart 2007. Namens belanghebbende is verschenen diens gemachtigde P. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. N en G. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Douanekamer en aan de inspecteur. Deze pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 19 oktober 2000 heeft E (hierna: E) van de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK) een bindende tariefinlichting (hierna: de eerste BTI) gekregen, met kenmerk …, voor een spelcomputer met de handelsbenaming “…”. De Britse douaneautoriteiten hebben het product ingedeeld onder post 9504 10 00 van het GDT. In de BTI is het product omschreven als:

“COMPUTER ENTERTAINMENT SYSTEM COMPRISES AN 128-BIT “EMOTION ENGINE” CENTRAL PROCESSING UNIT, A UNIX-LIKE OPERATING SYSTEM KERNAL, GRAPHICS CHIP, A MAIN MEMORY MODULE CONSISTING OF 32 MEGA-BYTE DRAM, A DVD (DIGITAL VERSATILE DISK)-ROM DRIVE, TWO USB CONNECTORS, AN I LINK CONNECTOR, A DRIVE BAY, TWO CONTROLLER PORTS, TWO MEMORY CARD SLOTS FOR USE WITH 8MB MEMORY CARDS (BUT NO MEMORY CARDS INCLUDED IN THE “SET”), AN AV MULTI-OUT CONNECTOR AND AN OPTICAL DIGITAL-OUT CONNECTOR. THE USB CONNECTORS ENABLE A STANDARD KEYBOARD, MOUSE, PRINTER ETC TO BE CONNECTED TO THE ENTERTAINMENT SYSTEM. AND THE DRIVE BAY ALLLOWS FOR A 3.5” HARD-DISC DRIVE AND ETHERNET ADAPTER. THE ETHERNET FUNCTION PERMITS BROADBAND INTERNET ACCESS VIA A CABLE AND ADSL MODEM ETC.”.

Als ingangsdatum wordt in deze BTI 19 oktober 2000 vermeld en als datum van aanvraag 30 augustus 2000.

2.2. De onder 2.1. vermelde BTI is onderwerp geweest van een procedure in het Verenigd Koninkrijk. E stelde zich op het standpunt dat de Britse douaneautoriteiten het product ten onrechte hadden ingedeeld onder post 9504 10 00 van het GDT en dat het product moest worden ingedeeld onder post 8471 49 90. Tijdens de hoger beroepsprocedure bij het VAT & Duties Tribunal te Londen stelden de douaneautoriteiten zich uiteindelijk alsnog op het standpunt dat de door SCEE voorgestane indeling onder post 8471 49 90 van het GDT diende te worden gevolgd.

2.3. Het VAT & Duties Tribunal heeft vervolgens op 5 juni 2001 de volgende uitspraak gedaan:

“Upon hearing (….) IT IS DIRECTED by consent:

(i) that the Appeal be allowed

(ii) that the Appellant shall receive an amount in respect of its costs such amount to be agreed and if not agreed the matter to be referred back to the Tribunal”

2.4. Met dagtekening 12 juni 2001 hebben de Britse douaneautoriteiten E, onder verwijzing naar de uitspraak van 5 juni 2001 van het VAT & Duties Tribunal, het volgende medegedeeld:

“Please find enclosed an amended Binding Tariff Information (BTI) (…) in respect of the … . This has been amended in accordance with the Tribunal Direction dated 5 june (…). The start date of validity, remains 19 october 2000. (…)

As you are aware, the European Commission will shortly be publishing a Regulation which classifies the … to a different commodity code from that on the BTI.”

2.5. Bij de onder 2.4. vermelde mededeling is een BTI gevoegd (hierna: de tweede BTI), met kenmerk …, gedagtekend 12 juni 2001, waarop het onder 2.1 vermelde product wordt ingedeeld onder tariefpost 8471 49 90. De op deze BTI vermelde productomschrijving is identiek aan die van de eerste BTI afgegeven op 19 oktober 2000, vermeld onder 2.1. Als ingangsdatum van deze tweede BTI wordt ook 19 oktober 2000 vermeld en als datum van aanvraag 30 augustus 2000.

2.6. Naar aanleiding van een op 10 juli 2000 door de Europese Commissie vastgestelde indelingsverordening deelden de Britse douaneautoriteiten E mee dat de onder 2.5. vermelde tweede BTI wordt ingetrokken per 31 juli 2001. Het VAT & Duties Tribunal oordeelde op 15 oktober 2004 dat evenvermelde intrekking van de BTI terecht was geschied. De door E ter zake ingestelde beroepen hebben niet tot een ander resultaat geleid.

2.7. Belanghebbende behoort tot het concern waar E ook deel van uitmaakt. Zij heeft, voor zover hier van belang, in de periode november 2000 tot en met mei 2001 diverse aangiften voor het vrije verkeer gedaan van de onder 2.1. vermelde goederen, onder vermelding van tariefpost 9504 10 00 van het GDT. De inspecteur heeft de litigieuze uitnodigingen tot betaling uitgereikt, conform het standpunt dat de goederen onder tariefpost 9504 10 00 vallen, voor in totaal een bedrag van € 14.027.259,91.

2.8. Belanghebbende heeft ter zake van de over deze maanden uitgereikte uitnodigingen tot betaling tijdig bezwaarschriften ingediend. Voorts heeft belanghebbende op 5 juli 2001 met betrekking tot dezelfde periode verzocht om terugbetaling op de voet van artikel 236 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW).

2.9. In de onder 1.1. vermelde uitspraak staat onder meer het volgende vermeld:

“Ontvankelijkheid van uw bezwaar

(…) De bezwaarschriften zijn derhalve tijdig ingediend.

Tevens heeft belanghebbende een verzoek om teruggaaf ingediend op 5 juli 2001 dat deze bezwaarschriften over de periode november 2000 tot en met mei 2001 omvat. Ik behandel het verzoek om teruggaaf als zijnde een onderdeel van de hierboven genoemde bezwaarschriften. (…)

Samenvoegen uitspraken

Door belanghebbende zijn meerdere bezwaarschriften ingediend, die allen bovendien hetzelfde geschilpunt betreffen. Daarom maak ik gebruik van de in artikel 25, lid 7 Algemene wet inzake rijksbelastingen vermelde bevoegdheid en zal ik de uitspraken vervatten in één geschrift.

Beoordeling van het bezwaar

Geldigheid BTI

Op basis van artikel 12, lid 2, tweede volzin CDW bindt een BTI de douaneautoriteiten slechts ten aanzien van goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld na de datum waarop de inlichtingen door de autoriteiten is verstrekt. (…) De eerste BTI is geldig vanaf 19 oktober 2000 en de tweede BTI is geldig vanaf 13 juni 2001. Ook al staat op de tweede BTI een ingangsdatum van 19 oktober 2000, dan nog is deze pas vanaf 13 juni 2001 geldig gelet op het gestelde in artikel 12, lid 2, tweede volzin CDW.

Recht op teruggaaf

Op grond van artikel 236 CDW wordt overgegaan tot terugbetaling/kwijtschelding van rechten bij invoer wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling/boeking niet wettelijk verschuldigd is.

Omdat aan de BTI van 12 juni 2001 géén rechtsgevolgen kunnen worden verbonden die liggen vóór de datum waarop die inlichting door de autoriteit is verstrekt, is er door de Nederlandse douane ter zake van het in het vrije verkeer brengen van de … in de periode oktober 2000 tot en met 12 juni 2001 niet meer geheven dan wettelijk mocht worden geïnd. Voor terugbetaling op grond van artikel 236 CDW bestaat daarom geen grond.

(…)

Beslissing

Gelet op het bovenstaande besluit ik het bezwaar af te wijzen.

(…)

Beroep

Als u het niet eens bent met deze beslissing op het bezwaarschrift, dan kunt u tegen deze uitspraak beroep instellen bij de rechter. In dat geval moet u binnen zes weken na de dagtekening van de uitspraak een beroepschrift indienen bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (…).”

2.10. Tot de stukken behoort een overeenkomst van 1 april 1997 tussen E en belanghebbende, in de overeenkomst aangeduid als E, waarin voor zover hier van belang het volgende is opgenomen:

E is responsible for the marketing, selling and distribution of the (…) game machine, peripherals, and the software throughout Europe.

E has requested the assistance of E for the importation and storage of the European inventory of the game machine en peripherals, and for the bulk distribution into Europe.

(…)

E is responsible for incoming handling, bundling (where required), warehousing and the outgoing handling of the products based on the instructions and the information given by E.

(…)

At the end of each month E will on behalf of E, take care of the customs clearance of the products shipped out during that month.

E will act as limited fiscal agent for E and as such will submit VAT returns to accounts for importation VAT on behalf of E.”

3. Het geschil

3.1. In geschil is of de litigieuze uitnodigingen tot betaling terecht aan belanghebbende zijn uitgereikt.

Het geschil spitst zich daarbij toe op het antwoord op de volgende vragen:

i. Kan belanghebbende een beroep doen op de BTI afgegeven aan E, zoals deze luidt vanaf 12 juni 2001?

Zo het antwoord op deze vraag bevestigend luidt is tussen partijen niet in geschil dat de uitnodigingen tot betaling dienen te worden vernietigd.

ii. Is het verzoek om teruggaaf op de juiste wijze behandeld door de afwijzing te integreren in de uitspraak op bezwaar.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De tweede BTI, afgegeven op 12 juni 2001, is geldig vanaf 19 oktober 2000. De eerste BTI, te weten die welke is afgegeven op 19 oktober 2000, is ongeldig verklaard en deze ongeldigverklaring heeft terugwerkende kracht tot de datum van afgifte.

4.2. De douaneautoriteit van het Verenigd Koninkrijk had de verplichting de juridische gevolgen van de eerste BTI ongedaan te maken en aan deze verplichting heeft zij voldaan door de afgifte van de tweede BTI.

4.3. Blijkens jurisprudentie van het Hof van Justitie zijn ex tunc maatregelen ter implementatie van een vonnis toegestaan. Artikel 12 van het CDW staat het ex tunc vervangen van een ongeldig verklaarde BTI niet in de weg.

4.4. De tweede BTI, afgegeven op 12 juni 2001, is bindend voor de Nederlandse douaneautoriteiten.

4.5. Het verzoek om terugbetaling is ten onrechte afgewezen.

4.6. Tijdens de mondelinge behandeling van 21 februari 2006 heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

Voor de vraag of de tweede BTI rechtsgeldig is, is niet relevant wat de indeling van het goed moet zijn. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende geen rechthebbende is van de tweede BTI en dat zij daarom geen beroep kan doen op deze BTI is nieuw. Naar de juistheid van deze stelling valt op dit moment geen onderzoek te doen. Belanghebbende is er niet mee akkoord gegaan dat de behandeling van het verzoek om terugbetaling opgeschort zou worden tijdens de behandeling van het bezwaar.

Belanghebbende doet op eigen naam aangifte.

Het goed moet worden ingedeeld onder post 8471. Relevant is de fysieke toestand van het goed.

Het klopt dat er geen beschikking is genomen ter zake van het verzoek om terugbetaling. Wellicht kan de uitspraak op bezwaar geacht worden die beschikking te bevatten.

4.7. In de nadere stukken ingediend na de heropening van het vooronderzoek heeft belanghebbende, kort en zakelijk weergegeven, het volgende opgemerkt. Belanghebbende maakt deel uit van hetzelfde concern als E en handelde als vertegenwoordiger van E. In dit verband zij verwezen naar de overeenkomst gesloten tussen haar en E van 1 april 1997. De inspecteur was er voorts van op de hoogte dat belanghebbende optrad als vertegenwoordiger van E. Belanghebbende is derhalve gerechtigd zich te beroepen op de aan SCEE verstrekte tweede BTI op 12 juni 2001.

4.8. Tijdens de mondelinge behandeling van 27 maart 2007 heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd.

De intrekking van de tweede BTI van 12 juni 2001 is inmiddels onherroepelijk komen vast te staan. In de tweede BTI is uitdrukkelijk opgenomen dat deze in werking treedt op 19 oktober 2000 en dat deze in zoverre terugwerkende kracht heeft. Belanghebbende beroept zich op paragraaf 2.6.1. van het Handboek Douane waarin staat dat als een importeur verwijst naar een geldige BTI waarvan hij niet de rechthebbende is, terwijl hij aangifte doet voor precies dezelfde goederen als die in de BTI omschreven dat dan de indeling toch moet overeenstemmen met die in de BTI. Belanghebbende concludeert dat zij een beroep kan doen op de tweede BTI van 12 juni 2001.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De eerste BTI, afgegeven op 19 oktober 2000, heeft bestaan en werkt tot 12 juni 2001. De stelling dat deze geacht moet worden nooit te hebben bestaan is onjuist.

5.2. De tweede BTI is ten onrechte met terugwerkende kracht verleend. Deze BTI voldoet niet aan de formele eisen en is derhalve niet geldig. Zo aan deze tweede BTI rechtskracht toekomt dan is dat op zijn vroegst met ingang van 12 juni 2001.

5.3. Een uitspraak van een nationale rechter kan niet tot gevolg hebben dat een BTI haar geldigheid verliest. De eerste BTI bestond ook nog na de uitspraak van de Britse rechter.

5.4. Het Tribunal heeft geen uitspraak gedaan. Zo al gesteld kan worden dat er uitspraak is gedaan dan acht de inspecteur zich niet gebonden aan een uitspraak van een buitenlands rechtscollege.

5.5. De goederen dienen te worden ingedeeld onder tariefpost 9504 10 00 van het GDT.

5.6. Het verzoek om terugbetaling is terecht afgewezen.

5.7. Ter zitting van 21 februari 2006 heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard :

Belanghebbende is geen rechthebbende van de tweede BTI en kan reeds om die reden geen beroep doen op deze BTI. Belanghebbende heeft op eigen naam en voor eigen rekening aangifte gedaan van de goederen. Met betrekking tot het beleid van de Douane zoals neergelegd in het Handboek Douane dat ook derden een beroep op een BTI kunnen doen geldt dat dit kan als de BTI de juiste indeling bevat. In casu is de tweede BTI niet rechtsgeldig en dan kan daar geen beroep op worden gedaan. Elke entiteit binnen een concern dient zijn eigen BTI aan te vragen.

Het goed kwalificeert als een videospelmachine. Dat blijkt ook uit de presentatie van het goed en uit de wijze waarop het wordt aangeboden. Het goed moet derhalve worden ingedeeld onder post 9504.

Het klopt dat er geen beschikking genomen is ter zake van het verzoek om terugbetaling van belanghebbende. Belanghebbende ging hiermee akkoord.

5.8. In de nadere stukken ingediend na de heropening van het vooronderzoek, heeft de inspecteur, kort en zakelijk weergegeven, het volgende opgemerkt.

Hoezeer belanghebbende ook gemachtigd is E te vertegenwoordigen, zij heeft de maandaangiften niet gedaan als direct dan wel indirect vertegenwoordiger van E in de zin van artikel 5 van het CDW. Zij heeft de aangiften op eigen naam en voor eigen rekening gedaan. Belanghebbende heeft zich ten tijde van het doen van de aangiften niet beroepen op de eerste BTI van E.

Belanghebbende is geen rechthebbende van de tweede BTI. Artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening CDW (hierna: UCDW) bepaalt dat naast de rechthebbende ook de personen genoemd in artikel 5 en artikel 64 van het CDW een beroep kunnen doen op een BTI. Daarmee worden die personen echter nog geen rechthebbende op die BTI. Die personen krijgen niet de bijzondere bevoegdheden en rechten van een rechthebbende en er ontstaat ook geen gebondenheid van de douane aan die BTI jegens die personen. Paragraaf 2.6.1. van het Handboek Douane deel 1, onderdeel 4.10.00 is slechts een toelichting op artikel 10, eerste lid, van de UCDW.

5.9. Ter zitting van 27 maart 2007 heeft de inspecteur zakelijk weergegeven het volgende verklaard.

Belanghebbende is geen rechthebbende van de tweede BTI van 12 juni 2001. Deze BTI is niet rechtsgeldig afgegeven en bevat een onjuiste goederencode.

Voor wat betreft het beroep dat belanghebbende doet op het Handboek Douane geldt dat ik mijn stelling dat het Handboek Douane niet moet worden gevolgd ingeval dit strijdig is met het communautaire recht intrek. Gelet op het Handboek Douane kunnen ook niet rechthebbenden een beroep doen op een afgegeven BTI. Op het Handboek Douane kan in beginsel een beroep worden gedaan. In casu geldt echter dat de desbetreffende passage uit het Handboek Douane niet van toepassing is nu sprake is van een ongeldige BTI. Ingeval sprake was van een rechtsgeldige BTI had belanghebbende daar een beroep op kunnen doen. Niet in geschil is dat belanghebbende dezelfde goederen heeft ingevoerd als vermeld in de BTI. Ingeval de in de BTI vermelde goederencode niet deugt kan door een niet-rechthebbende nimmer een beroep op de BTI worden gedaan. Normaal gesproken zal een BTI de juiste goederencode bevatten en dan kunnen derden een beroep doen op die BTI. De reikwijdte van de passage is dus beperkt.

6. De rechtsoverwegingen

De afhandeling van het verzoek om teruggaaf

6.1. Uit de stukken van het geding blijkt dat de inspecteur geen beschikking heeft genomen inzake het door belanghebbende op de voet van artikel 236 van het CDW ingediende verzoek om terugbetaling. Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat zulks achterwege is gebleven en dat onmiddellijk uitspraak op bezwaar is gedaan.

In verband met de in de onderhavige zaak te nemen beslissing kan aan deze omstandigheid worden voorbijgegaan.

De status van de BTI

6.2. Vaststaat dat in de op 12 juni 2001 door de bevoegde Britse douane-autoriteiten aan E afgegeven BTI wordt verwezen naar een aanvraag van E van 30 augustus 2000, dat ter zake reeds op 19 oktober 2000 een BTI was afgegeven, dat de Britse douaneautoriteiten blijkens de begeleidende brief van 12 juni 2001 bedoeld hebben deze op 19 oktober 2000 verstrekte BTI te rectificeren in verband met een gevoerde procedure, dat het referentienummer van de BTI ongewijzigd is gebleven evenals de ingangsdatum van 19 oktober 2000, en dat geen sprake is van terugwerkende kracht tot voor de datum van verstrekking van de originele BTI.

6.3. Gelet op het hiervoor onder 6.2. overwogene en in aanmerking nemend dat de Britse douaneautoriteiten kennelijk, naar de Douanekamer begrijpt naar aanleiding van een gevoerde procedure, de op 19 oktober 2000 afgegeven BTI op 12 juni 2001 hebben gerectificeerd, dat in zoverre geen sprake is van nieuwe BTI, dat het procesrecht van een lidstaat een aangelegenheid is van iedere afzonderlijke lidstaat afzonderlijk welke als zodanig geen invloed heeft op de geldigheid van een genomen besluit - in casu een BTI -, dat meer in het bijzonder dit ook niet ter beoordeling staat van een andere lidstaat en dat zulks ook niet zou passen binnen een communautair douanesysteem, is de Douanekamer van oordeel dat aan de op 12 juni 2001 gerectificeerde BTI dezelfde rechtsgevolgen toekomen als aan iedere andere willekeurige BTI.

Het beroep van belanghebbende op de aan E afgegeven BTI

6.4. Uit de stukken van het geding en uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, leidt de Douanekamer af dat belanghebbende de onder 2.7. vermelde aangiften op eigen naam en voor eigen rekening heeft gedaan en dat zij ter zake niet optrad als direct dan wel indirect vertegenwoordiger van E in de zin van artikel 5 van het CDW.

Uit het bepaalde in artikel 12, tweede en derde lid, van het CDW jo. artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening CDW volgt voorts dat slechts door de rechthebbende op een bindende tariefinlichting een beroep mag worden gedaan zodat de inspecteur in zoverre het beroep van belanghebbende op de aan E afgegeven BTI terecht heeft geweigerd.

6.5. In het kader van het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft belanghebbende aangevoerd dat vaststaat dat zij deel uitmaakt van het concern waar ook E deel van uitmaakt, dat zij gemachtigd was E te vertegenwoordigen, dat de desbetreffende goederen door belanghebbende en E in het vrije verkeer worden ingevoerd en dat niet in geschil is dat de door belanghebbende ten invoer aangegeven goederen identiek zijn aan de op de aan E verstrekte BTI vermelde goederen.

6.6. Belanghebbende heeft daarbij verwezen naar paragraaf 2.6.1., onderdeel 4.10.00 van het Handboek Douane deel 1. De inspecteur heeft met betrekking tot deze paragraaf ter zitting verklaard dat gelet op deze passage ook niet-rechthebbenden een beroep kunnen doen op een geldige BTI en dat meer in het bijzonder belanghebbende in beginsel een beroep kan doen op de aan E verstrekte BTI.

6.7. De inspecteur stelt echter dat een dergelijk beroep slechts mogelijk is ingeval in de BTI een juiste tariefindeling wordt gegeven en deze rechtsgeldig is verstrekt en dat dientengevolge in casu belanghebbendes beroep op de aan E verstrekte BTI faalt.

Een dergelijke beperkte uitleg van de desbetreffende passage volgt naar het oordeel van de Douanekamer niet uit de tekst van evenvermelde paragraaf van het Handboek Douane, nog daargelaten dat een dergelijke beperkte uitleg mee zou brengen dat deze passage zinledig zou zijn aangezien verondersteld mag worden dat de douane altijd ernaar streeft een juiste tariefindeling te geven.

6.8. De Douanekamer is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, erop mocht vertrouwen dat de douane de goederenindeling als vermeld in de aan E verstrekte BTI zou volgen. In dit verband zij nog verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 1 april 1993, nr. C 250/91 (Hewlett Packard) Jur. EG 1993, blz. I 0189 met betrekking tot de toepassing van artikel 13 van de Verordening (EEG) nr. 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (thans artikel 239 CDW, Douanekamer) waarin is overwogen dat de omstandigheid, dat een marktdeelnemer zich heeft gebaseerd op een verkeerde tariefinlichting die aan een vennootschap van dezelfde groep als die waartoe de belastingschuldige behoort, is verstrekt door de bevoegde douaneautoriteiten van een andere lidstaat dan die waar de voor inning bevoegde douaneautoriteiten zich bevinden, een bijzondere situatie in de zin van dat artikel kan opleveren.

6.9. Gelet op al het vorenoverwogene zijn de uitnodigingen tot betaling ten onrechte uitgereikt en dienen zij te worden vernietigd.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de kosten van het geding als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de Douanekamer het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op 3,5 (beroepschrift, repliek, verschijnen ter zitting, schriftelijke inlichtingen, nadere zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322 = € 1.690,50.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

- vernietigt de litigieuze uitnodigingen tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 1.690,50, aan belanghebbende te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan het griffierecht ad € 218 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 11 december 2007 door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, en J.J.A.M. Kennis en E.M. Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.