Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC5133

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
2007/580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 233 Rv bepaalt, kort gezegd, dat de rechter indien dit wordt gevorderd, een vonnis geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren. Artikel 233 lid 3 Rv bepaalt dat de rechter aan die uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde kan verbinden dat tot een door hem bepaald bedrag zekerheid wordt gesteld. Artikel 235 Rv bepaalt daaropvolgend dat indien tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis een rechtsmiddel wordt aangewend, in appel alsnog kan worden gevorderd dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

Ingevolge voornoemde artikelen dient de zekerheidstelling te worden beschouwd als een voorwaarde, verbonden aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Ingeval een dergelijke voorwaarde aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is verbonden, geldt derhalve dat eerst zekerheid dient te worden gesteld alvorens een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling kan worden ten uitvoer gelegd. Met dit systeem verdraagt zich niet dat aan een reeds ten uitvoer gelegd vonnis alsnog - in appel op grond van artikel 235 Rv - de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Van een werkelijke voorwaarde waaraan moet worden voldaan wil het vonnis - op grond van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad - kunnen worden geëxecuteerd is dan immers geen sprake meer. Ook de wetsgeschiedenis biedt steun aan die opvatting (PG NBW Invoering boeken 3, 5 en 6, Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Faillissementswet, pg. 31 e.v.): "(...) Artikel 54 brengt ten opzichte daarvan (hof: artikel 352 Rv oud) een aanzienlijke verruiming, die in beginsel mogelijk maakt ten aanzien van elke uitvoerbaarverklaring bij voorraad alsnog toevoeging van de voorwaarde van voorafgaande zekerheidstelling te vragen. (...)"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 oktober 2007

tweede civiele kamer

rolnummer: 2007/580 U KG

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Arrest

in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

Stichting [appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

procureur: mr. H.C.M.J. Karskens,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het verdere verloop van het geding

1. 1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 26 juni 2007. Ingevolge dat tussenarrest heeft de stichting op 24 juli 2007 een akte genomen houdende het overleggen van de pleitnota in eerste aanleg van [geïntimeerde].

1. 2 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof opnieuw arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2. 1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 maart 2007 onder 2.1 tot en met 2.6 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

2. 2 Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd:

- De stichting heeft, ter vermijding van executoriale verkoop van het aan haar in eigendom toebehorende pand, waarop [geïntimeerde] beslag heeft gelegd, geheel voldaan aan de veroordeling in het vonnis van 5 juli 2006 en een bedrag van € 17.500,- betaald op de derdenrekening van de advocaat van [geïntimeerde].

- [geïntimeerde] heeft het gelegde beslag tot op heden niet opgeheven.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3. 1 Het hof stelt voorop dat de stichting bij dagvaarding in hoger beroep heeft aangegeven geen belang meer te hebben bij de door haar in eerste aanleg ingestelde vordering tot schorsing van de aangezegde executie, nu zij reeds heeft voldaan aan de haar opgelegde veroordeling. Bij dagvaardingsexploot heeft de stichting haar vordering gewijzigd in die zin dat zij thans, naast veroordeling van [geïntimeerde] om op genoegzame wijze financiële zekerheid te stellen voor de terugbetaling van de reeds aan haar betaalde gelden in geval het vonnis van 5 juli 2006, waartegen de stichting hoger beroep heeft ingesteld, wordt vernietigd, opheffing van het gelegde beslag, althans veroordeling van [geïntimeerde] tot het doen of laten opheffen daarvan, vordert.

3. 2 Op grond van hetgeen is bepaald in artikel 130 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang bezien met artikel 353 lid 1 Rv dient de eiswijziging te worden toegestaan nu deze bij exploot aan de niet-verschenen gedaagde is betekend en ook aan de overige vereisten voor een dergelijke eiswijziging is voldaan.

3. 3 Ten aanzien van de gevorderde zekerheidstelling overweegt het hof dat, nu de stichting na het vonnis waarvan beroep, waarbij zowel de primair gevorderde schorsing van de executie als de subsidiair gevorderde zekerheidstelling is afgewezen, inmiddels heeft voldaan aan de veroordeling, thans aan de orde is de vraag of deze voldoening in de weg staat aan de door de stichting gevorderde zekerheidstelling. Het hof oordeelt als volgt.

3. 4 Artikel 233 Rv bepaalt, kort gezegd, dat de rechter indien dit wordt gevorderd, een vonnis geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren. Artikel 233 lid 3 Rv bepaalt dat de rechter aan die uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde kan verbinden dat tot een door hem bepaald bedrag zekerheid wordt gesteld. Artikel 235 Rv bepaalt daaropvolgend dat indien tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis een rechtsmiddel wordt aangewend, in appel alsnog kan worden gevorderd dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

Ingevolge voornoemde artikelen dient de zekerheidstelling te worden beschouwd als een voorwaarde, verbonden aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Ingeval een dergelijke voorwaarde aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is verbonden, geldt derhalve dat eerst zekerheid dient te worden gesteld alvorens een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling kan worden ten uitvoer gelegd. Met dit systeem verdraagt zich niet dat aan een reeds ten uitvoer gelegd vonnis alsnog - in appel op grond van artikel 235 Rv - de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Van een werkelijke voorwaarde waaraan moet worden voldaan wil het vonnis - op grond van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad - kunnen worden geëxecuteerd is dan immers geen sprake meer. Ook de wetsgeschiedenis biedt steun aan die opvatting (PG NBW Invoering boeken 3, 5 en 6, Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Faillissementswet, pg. 31 e.v.): "(...) Artikel 54 brengt ten opzichte daarvan (hof: artikel 352 Rv oud) een aanzienlijke verruiming, die in beginsel mogelijk maakt ten aanzien van elke uitvoerbaarverklaring bij voorraad alsnog toevoeging van de voorwaarde van voorafgaande zekerheidstelling te vragen. (...)" (onderstreping hof).

3. 5 Nu in het onderhavige kort geding de executoriale fase na het vonnis in eerste aanleg van 23 maart 2007 is afgesloten, omdat geheel is voldaan aan de uit het vonnis van 5 juli 2006 voortvloeiende veroordeling, is in het kader van dit hoger beroep met inachtneming van het voorgaande geen plaats meer voor een vordering tot zekerheidstelling, zodat deze reeds daarom moet worden afgewezen.

3. 6 Ten aanzien van de gevorderde opheffing van het gelegde beslag overweegt het hof dat, nu de gehele vordering ten behoeve waarvan het beslag is gelegd is voldaan, het beslag geen doel meer dient en daarom kan worden opgeheven.

4 Slotsom

Uit het voorgaande vloeit voort dat de voorgestelde grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. De na eiswijziging gevorderde opheffing van het beslag zal worden toegewezen. Het hof ziet in het voorgaande aanleiding de kosten van het hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 23 maart 2007;

heft op het door [geïntimeerde] op 21 december 2004 gelegde beslag op het perceel [adres];

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest wat betreft de opheffing van het beslag uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Van Osch en Wattendorff en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2007.