Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC5091

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
06/00121
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na de waardevaststelling van een woning bij beschikking in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (Wet Woz) heeft de gemeente erkend dat geen sprake was van een losstaan-de berging. Belanghebbende wil die fout hersteld zien, ook al gaat het om een verschil dat valt binnen de marges van artikel 26a Wet Woz..

Uit de parlementaire behandeling valt evenwel niet af te leiden dat voormeld artikel 26a geen betrekking heeft op een waardeafwijking die zijn oorzaak vindt in een objectief vaststelbare taxatiefout.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/463
FutD 2008-0471
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00121

elfde enkelvoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

X te P,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 10 maart 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem,

de heffingsambtenaar.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 22 november 2007. De heffingsambtenaar is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Gronden

1. Het Hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld. Uit hetgeen in hoger beroep is aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat de rechtbank de feiten onjuist heeft vastgesteld.

2. Uitgaande van het onder 1. overwogene heeft de rechtbank terecht beslist dat het beroep van belanghebbende ongegrond was. Het Hof maakt deze beslissing en de daartoe gebezigde gronden tot de zijne.

3. In hoger beroep stelt belanghebbende dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten omtrent de grief dat de heffingsambtenaar gehouden was een duidelijke fout bij de waardevaststelling te herstellen, ook indien het gaat om een verschil dat valt binnen de marges van artikel 26a van de Wet waardering onroerende zaken (hierna Wet WOZ). Dergelijke fouten vallen volgens belanghebbende niet onder de werking van artikel 26a Wet WOZ. In dit verband voert belanghebbende nog aan dat de gemeente heeft erkend dat sprake is van een objectief foute waardevaststelling.

Deze stelling kan belanghebbende evenwel niet baten gelet op de hieronder letterlijk aangehaalde toelichting en brief van de staatssecretaris

Toelichting

‘Tegen beschikking betreffende de waardevaststelling van een onroerende

zaak worden veel bezwaarschriften ingediend. Voor de indiener

brengt het indienen van een bezwaar geen directe kosten met zich mee:

de indiener heeft bij een bezwaar alleen iets te winnen. Behandeling van

de bezwaar- en beroepschriften brengt een grote kostenpost met zich mee

en betekent eveneens een zware maatschappelijke belasting, inclusief een

belasting voor de zittende magistratuur. Een doelmatige uitvoering van de

WOZ zou geholpen zijn bij een clausule t.a.v. de bezwaar- en beroepschriften.

Daarom is het voorstel de geaccepteerde normafwijking bij taxaties van 10% te hanteren.’

Fierens

Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 612, nr. 12

'In overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen zoek ik vanuit dezelfde gedachte naar wegen om de Wet waardering onroerende zaken minder conflictgevoelig te maken. Met het voorliggende wetsvoorstel worden daartoe stappen gezet. Daarnaast wordt een stelsel van waardeklassen uitgewerkt, dat in een volgend wetsvoorstel kan worden opgenomen. Zie hierover mijn brief van 30 maart 2004 (Kamerstukken II 2003/04, 29 200 B, nr. 14). Voor de nu lopende waarderingsronde en de beschikkingen die begin 2005 zullen worden gegeven, kunnen de waardeklassen echter nog geen rol spelen.

Vanuit die gedachte begrijp ik dat met het amendement wordt beoogd om voor de nu lopende waarderingsronde een voorziening te treffen om bezwaar- en beroepschriften voor kleine afwijkingen bij de waardevaststelling te voorkomen.'

Brief Staatssecretaris van Financiën, Kamerstukken II 2004/05, 29 612, nr. 15.

Het Hof concludeert dat uit de parlementaire behandeling niet valt af te leiden dat artikel 26a van de Wet WOZ geen betrekking heeft op een waardeafwijking die zijn oorzaak vindt in objectief vaststelbare taxatiefout, in casu het ontbreken van een losstaande berging.

4. Gelet op het vorenoverwogene dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd.

5. Het Hof acht geen termen aanwezig de gemeente te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht.

De mondelinge uitspraak is gedaan door mr. E.M. Vrouwenvelder, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands griffier.

De beslissing is op 6 december 2007 in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.