Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC4514

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
04/2039 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat de bindende tariefinlichting geen betrekking heeft op (voorgenomen) in- of

uitvoertransacties. Belanghebbende heeft dit niet betwist. De Douanekamer zal dan ook van de juistheid hiervan uitgaan, en komt als gevolg daarvan tot de conclusie dat de bindende tariefinlichting geen betrekking heeft op goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld. De bindende tariefinlichting ziet derhalve ook niet op de vaststelling van in- of uitvoerrechten.

Dat betekent, anders gezegd, dat onder de benaming “bindende tariefinlichting” door de inspecteur in wezen een besluit is genomen inzake de binnenlandse heffing van accijns. Het gebruik van de GN, ter bepaling van het karakter van de accijnsgoederen, is in casu ook alleen maar ten dienste van deze binnenlandse heffing. Er is derhalve niet

voldaan aan het bepaalde in artikel 12, tweede lid, tweede volzin, van het Communautair douanewetboek en het zevende lid, eerste streepje, van dat artikel. Evenmin – in aansluiting daarop – is voldaan aan het bepaalde in artikel 1 en artikel 2, tweede lid, letter a, van de Douanewet. Ook artikel 62 van de Wet op de accijns vormt een beletsel om de

wettelijke bepalingen inzake de douane op de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing te achten.

In artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (in de versie van het jaar 2004; hierna: Awr) is bepaald dat tegen een uitspraak van de inspecteur beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, indien het beroep betreft:

a. een uitnodiging tot betaling dan wel

b. een beschikking die is genomen op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet.

Uit al het vorenoverwogene volgt dat in casu geen sprake is van de in artikel 26, tweede lid, van de Awr genoemde instrumenten, zodat wordt geoordeeld dat niet de Douanekamer van het gerechtshof te

Amsterdam, maar de belastingkamer van het hof, waaronder de

vestigingsplaats van belanghebbende ressorteert, te weten het gerechtshof te Arnhem, bevoegd is.

Alle verdere beslissingen over de betekenis van het primaire besluit en de daarop volgende rechtshandelingen alsmede aangaande de proceskosten en het griffierecht moeten aan laatstgenoemd hof worden overgelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/2039 DK

de dato 18 december 2007

1. De procedure

1.1. Op 26 mei 2004 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van mr. R en mr. J, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid P B.V. te Z, belanghebbende.

Het beroep is aangevuld bij brief van 30 juni 2004, en is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Douane …, kantoor …, (hierna: de inspecteur) van 24 mei 2004, kenmerk …, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de op 31 december 2003 ten aanzien van haar genomen beschikking met betrekking tot bindende tariefinlichting, nr. …, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht van € 273,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden

op 22 mei 2007. Daar zijn verschenen namens belanghebbende

mr. G en mr. L, vergezeld van E en M, directeuren van belanghebben-de, mr. C en drs. R, werkzaam bij belanghebbende als controller, en namens de inspecteur J, vergezeld van drs. ing. J en ing. R van het Douanelaboratorium van de Belastingdienst (hierna: het Laboratori-um). Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder een pleitnota voorgelezen en aan de Douanekamer en aan elkaar overgelegd.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende heeft op 3 november 2003 aan de inspecteur

verzocht om afgifte van een bindende tariefinlichting voor het product “…”. In de aanvraag is verzocht om indeling in post 2206 00 59 (tarief aan douanerechten € 7,70 per hectoliter) van de Gecombineerde No-menclatuur van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GN).

2.2. In de sub 1.1. genoemde bindende tariefinlichting heeft de inspecteur het goed - in afwijking van het verzoek - ingedeeld in post 2208 90 69 van het GN (vrij van douanerechten). De omschrijving van het product in de bindende tariefinlichting luidt als volgt:

“…, zijnde een donkerbruine vloeistof met een alcoholgehalte van 20% vol bij 20 graden Celcius, met een suikergehalte van 7,8% en verpakt in flessen van minder dan 2 liter. Een gedeelte van de in het eindproduct aanwezige alcohol is door gisting verkregen. Dit is echter minder dan 50% van de totale hoeveelheid alcohol. Het in gisting gebracht product is niet afkomstig van druiven, krenten of rozijnen.”

Als motivering voor de indeling heeft de inspecteur vermeld:

“Toepassing algemene regel 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, de tekst van de G.N. codes 2208, 2208 90 en 2208 90 69.”

2.3. Tot de gedingstukken behoort het rapport van het Laboratorium, gedagtekend 9 december 2003, waarin voorzover hier van belang het volgende is vermeld:

“Onderzocht product: …

Onderzoek op basis van een door belanghebbende rechtstreeks aan het Laboratorium toegezonden monster, ingeboekt d.d. 10-11-03, t.b.v.:

Indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur.

Bij onderzoek bevonden:

Uiterlijk : donker bruine vloeistof in fles

Alcoholgehalte bij 20° C : 20,0% vol

Suikergehalte : 7,8% massa

Inhoud fles : minder dan 2 liter

Door gisting verkregen alcohol : een gedeelte van de in het eindproduct aanwezige

alcohol, echter minder dan 50% van de totale

hoeveelheid alcohol

In gisting gebracht product : niet afkomstig van druiven, krenten of rozijnen

Beschouwing t.b.v. het geharmoniseerd systeem:

Bij de vergisting ontstaan naast alcohol een groot aantal nevenproducten de vergistingsbestanddelen, deze zijn maatgevend voor het vergistingspercentage.

Op basis van de receptuur is het percentage aan alcohol afkomstig van vergisting 51% van de totale hoeveelheid alcohol.

Echter in dit product komen dermate weinig vergistingsbestanddelen voor dat op basis hiervan geconcludeerd kan worden dat de samenstelling van de alcohol chemisch overeen komt met een mengsel van gegiste en gedestilleerde alcohol, waarin minder dan 50% gegiste alcohol aanwezig is.

Beschouwing t.b.v. de accijnswetgeving:

Op grond van artikel 12 lid 1a van de wet op de accijns wordt dit product aangemerkt als een overig alcoholhoudend product.

TARIC Accijns

GN-code ond. verd. code

Advies goederencode: 2208 90 69 10 (…) 40”

3. Het geschil

In geschil is primair het door de inspecteur opgeworpen vraagstuk dat de bevoegdheid van de Douanekamer raakt, en subsidiair of het

product moet worden ingedeeld onder post 2208 90 69 van de GN,

zoals de inspecteur van mening is, of onder post 2206 00 59, zoals

belanghebbende stelt. Omdat de Douanekamer zal beslissen

overeenkomstig het hierna sub 5. overwogene is een omschrijving van de overige geschilpunten en de standpunten van partijen dienaangaande niet relevant.

4. Standpunten van partijen

4.1. Belanghebbende:

In de praktijk werd nooit moeilijk gedaan als een bindende tariefinlichting voor accijnsdoeleinden werd aangevraagd.

4.2. De inspecteur:

De bedoeling van een bindende tariefinlichting is om een belanghebbende zekerheid te verschaffen over de indeling van een product ten behoeve van in- of uitvoertransacties. Bij de aanvraag van een bindende tariefinlichting is er altijd vanuit gegaan dat deze voor in- of uitvoertransacties gebruikt zal worden. Dit moet ook worden aangegeven op het aanvraagformulier. De douane kan niet controleren of het in werkelijkheid anders toegaat. In het onderhavige geval is de bindende tariefinlichting niet aangevraagd met het oog op in- of uitvoer, en heeft er ook geen daadwerkelijke in- of uitvoer plaatsgehad in de periode nadat de bindende tariefinlichting is verstrekt. In zoverre is ook het aanvraagformulier niet helemaal juist ingevuld. De bindende tariefinlichting is uitsluitend aangevraagd voor accijnsdoeleinden. Daarvoor is een bindende tariefinlichting echter niet bedoeld. Als er geen belang is op het terrein van in- of uitvoer, moet het beroep

niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. De rechtsoverwegingen

5.1. De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat de bindende

tariefinlichting geen betrekking heeft op (voorgenomen) in- of

uitvoertransacties. Belanghebbende heeft dit niet betwist. De

Douanekamer zal dan ook van de juistheid hiervan uitgaan, en komt als gevolg daarvan tot de conclusie dat de bindende tariefinlichting geen betrekking heeft op goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld. De bindende tariefinlichting ziet derhalve ook niet op de

vaststelling van in- of uitvoerrechten.

5.2. Dat betekent, anders gezegd, dat onder de benaming “bindende

tariefinlichting” door de inspecteur in wezen een besluit is genomen

inzake de binnenlandse heffing van accijns. Het gebruik van de GN, ter bepaling van het karakter van de accijnsgoederen, is in casu ook alleen maar ten dienste van deze binnenlandse heffing. Er is derhalve niet

voldaan aan het bepaalde in artikel 12, tweede lid, tweede volzin, van het

Communautair douanewetboek en het zevende lid, eerste streepje, van dat artikel. Evenmin – in aansluiting daarop – is voldaan aan het bepaalde in artikel 1 en artikel 2, tweede lid, letter a, van de Douanewet.

Ook artikel 62 van de Wet op de accijns vormt een beletsel om de

wettelijke bepalingen inzake de douane op de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing te achten.

5.3. In artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake

rijksbelastingen (in de versie van het jaar 2004; hierna: Awr) is bepaald dat tegen een uitspraak van de inspecteur beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, indien het beroep betreft:

a. een uitnodiging tot betaling dan wel

b. een beschikking die is genomen op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet.

5.4. Uit al het vorenoverwogene volgt dat in casu geen sprake is van de in artikel 26, tweede lid, van de Awr genoemde instrumenten, zodat wordt geoordeeld dat niet de Douanekamer van het gerechtshof te

Amsterdam, maar de belastingkamer van het hof, waaronder de

vestigingsplaats van belanghebbende ressorteert, te weten het gerechtshof te Arnhem, bevoegd is.

5.5. Alle verdere beslissingen over de betekenis van het primaire besluit en de daarop volgende rechtshandelingen alsmede aangaande de

proceskosten en het griffierecht moeten aan laatstgenoemd hof worden overgelaten.

6. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart zich onbevoegd;

- verwijst het geding ter verdere behandeling naar het gerechtshof te

Arnhem.

De uitspraak is vastgesteld op 18 december 2007 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mrs. A. Bijlsma en K. Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van de griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de

verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden

(belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het

volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende

vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de

wederpartij te veroordelen in de proceskosten.