Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC4172

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
06/00378
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof acht het - anders dan de Rechtbank - niet aannemelijk dat belanghebbende/inhoudingsplichtige redelijkerwijs heeft moeten beseffen dat het identiteitsbewijs van A was vervalst. Met betrekking tot de identiteitsbewijzen van twee andere werknemers heeft de inhoudingsplichtige zich wel moeten realiseren dat die niet echt waren. Anders dan de inspecteur heeft gesteld schort de instemming van belanghebbende met een verzoek van de inspecteur om de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar te verlengen het verloop van de redelijke termijn van art. 6 EVRM niet op.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f, geldigheid: 2007-09-12
Wet op de loonbelasting 1964 26b, geldigheid: 2007-09-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 418
FutD 2008-0350
V-N 2008/21.9

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00378

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z,

belanghebbende,

gemachtigde D,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/4776 van de rechtbank Haarlem van 7 augustus 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst P,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 25 maart 2004 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrag van € 23.599. Gelijktijdig is een vergrijpboete opgelegd van € 11.799.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 12 augustus 2005, de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.581 en de boete verminderd tot € 1.000.

Bij uitspraak van 7 augustus 2006, verzonden op 16 augustus 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak inzake de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 900.

Tegen deze uitspraak heeft (de gemachtigde van) belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 19 september 2006, bij het Hof ingekomen op 20 september 2006, en aangevuld bij brief van 18 oktober 2006.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2007. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Voor wat betreft de feiten verwijst het Hof naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.8 van de bestreden uitspraak. Deze feiten houden samengevat in dat belanghebbende een teler is van bloemen en planten, bij wie door de Belastingdienst een onderzoek is verricht naar de naleving van onder meer de verificatieverplichting van artikel 28, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2001 en 2002; hierna: de Wet). Op grond van dit onderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende de verificatieplicht niet naar behoren heeft nageleefd.

2.2. Na de uitspraak op bezwaar is ten aanzien van drie werknemers van belanghebbende, te weten A, B en C in geschil of belanghebbende de identiteitsbewijzen van deze werknemers naar behoren heeft geverifieerd. Voor zover de naheffingsaanslag betrekking had op het naleven van de identificatieplicht ten aanzien van vier andere werknemers is deze bij de uitspraak op het bezwaarschrift verminderd. De rechtbank heeft over deze kwestie als volgt geoordeeld:

“4.2. (…) Op de kopie van het paspoort van A is duidelijk te zien dat er geknoeid is met de geboortedatum. Reeds hierom heeft [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet kunnen aannemen dat dit document echt was.

Op de kopie van het paspoort van B is duidelijk te zien dat de pasfoto er later op is geplakt. Daar komt bij dat de handtekening op de loonbelastingverklaring geen enkele gelijkenis vertoont met de handtekening op de kopie van het paspoort. Deze omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat [belanghebbende] in redelijkheid niet heeft kunnen aannemen dat het paspoort van B echt was.

De foto op de kopie van het paspoort van C lijkt er eveneens te zijn opgeplakt. Daar komt bij dat op de loonbelastingverklaring niet als achternaam C is ingevuld, doch de naam G gevolgd door de initiaal J. Op de kopie van het paspoort is echter vermeld dat Cs voornamen Jan G zouden zijn. Voorts vermeldt de aan [belanghebbende] verstrekte brief van de Belastingdienst waarbij een sofinummer aan C zou zijn verstrekt in het briefhoofd slechts de voornamen Jan G en wordt nergens in die brief de achternaam vermeld die in het paspoort staat. Dit een en ander in aanmerking genomen, heeft [belanghebbende] in redelijkheid niet kunnen aannemen dat het paspoort van C echt was.”

2.3. Met betrekking tot de op de voet van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) opgelegde boete heeft de rechtbank onder meer als volgt geoordeeld:

“4.3. […] Eerst in zijn verweerschrift heeft [de inspecteur] het standpunt ingenomen dat [belanghebbende] grove schuld kan worden verweten. [Belanghebbende] heeft gelegenheid gehad dat verwijt ter zitting te bestrijden. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [belanghebbende] (…) in zijn verdediging zodanig is geschaad dat in dat opzicht niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak (…).

In de tweede plaats overweegt de rechtbank (…) dat [belanghebbende] bij de vaststelling van de identiteit van de werknemers A, B en C zeer nonchalant en onvoorzichtig is geweest. [Belanghebbende] heeft daarbij dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan zijn grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven.”

De rechtbank heeft de opgelegde boete als terecht geoordeeld, zij het dat daarop 10 percent in mindering is gebracht wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, EVRM.

2.4. In appel is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat ter zake van het loon van A, B en C ingevolge artikel 26b van de Wet terecht het anoniementarief is toegepast. Voorts is de boete in geschil.

2.5. Indien ervan wordt uitgegaan dat identiteitsgegevens van A, B en C zijn vervalst – hierover lijken partijen het met elkaar eens te zijn –, volgt daaruit niet zonder meer dat belanghebbende bij het voldoen aan de verificatieplicht ten aanzien van A, B en C redelijkerwijs heeft geweten of heeft moeten weten dat sprake was van onjuiste gegevens. In dit verband acht het Hof het overigens aannemelijk – zoals ook ter zitting door belanghebbende is verklaard – dat belanghebbende altijd de in dienst tredende werknemer in persoon en het origineel van diens identiteitsbewijs te zien kreeg en dat hij van dat identiteitsbewijs een kopie maakte of een kopie door de desbetreffende werknemer liet maken, welk kopie vervolgens in de administratie werd opgenomen. Ook verklaarde hij dat hij de kopie niet altijd vergeleek met het originele identiteitsbewijs.

2.6.1. Met betrekking tot het paspoort van A is in het beroepschrift in hoger beroep verklaard dat op een kopie van het originele paspoort het cijfer “zes” is verduidelijkt, omdat het onleesbaar was geworden door een stempel die er overheen was geplaatst. Het ging om een cijfer waarmee het geboortejaar van A (zijnde 1962, na de ‘verduidelijking’) op diens paspoort wordt aangeduid. Bovendien had belanghebbende ook bij een ontbreken van een volledige geboortedatum geen aanleiding tot twijfel omtrent de echtheid behoeven te hebben.

2.6.2. De inspecteur heeft aan de verklaring van belanghebbende omtrent de verduidelijking van het cijfer “zes” geen geloof gehecht. Dat cijfer was “kennelijk” nog duidelijk genoeg om te kunnen zien dat het een “zes” was, zodat een verduidelijking niet echt nodig was. Naast het overschrijven van een cijfer is volgens de inspecteur sprake van onjuiste gegevens, omdat de foto op het paspoort van A aan de onderzijde niet recht, maar enigszins “golvend” is afgesneden en omdat in de brief aan A waarin hem mededeling van zijn SoFi-nummer is gedaan niet zijn adres is vermeld.

2.6.3. Tot de stukken behoort een kopie (van een kopie) van een Duits paspoort van A. Daarop is waar te nemen dat het cijfer “zes” van A’ geboortejaar iets vetter en iets anders ten opzichte van de andere cijfers van het geboortejaar is weergegeven en in zoverre afwijkt van de overige cijfers van diens paspoort. Het Hof stelt voorop dat een werkgever op een afschrift van een document dat dient om de identiteit van zijn werknemer vast te stellen, geen wijzigingen of verduidelijkingen behoort aan te brengen. Dit kan anders zijn indien de werkgever daarvoor een adequate verklaring geeft. De verklaring die belanghebbende gegeven heeft acht het Hof echter ongeloofwaardig. Van belang hierbij acht het Hof dat belanghebbende over het aanbrengen van de zes – hoewel het volgens belanghebbende om een handeling van hem ging die hij slechts eenmaal verricht heeft - vage en soms tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Ter zitting kon hij zich aanvankelijk niet meer herinneren wie de ‘verduidelijking’ van de ‘6’ op de kopie had aangebracht; hij zelf dan wel iemand anders. Uiteindelijk verklaarde hij dat hij de verduidelijking had aangebracht, zij het dat hij zich aanvankelijk niet meer kon herinneren of hij dat met de hand dan wel met een typemachine had gedaan. Naderhand verklaarde hij met stelligheid dat dit met de pen was gebeurd. Het Hof acht deze verklaringen te meer ongeloofwaardig omdat de ‘6’, gelet op de kwaliteit ervan, nagenoeg zeker niet met de pen kan zijn aangebracht en het bovendien tijd en grote nauwkeurigheid vereist om de ‘6’ met een typemachine op de exacte plek (precies over de – in de optiek van belanghebbende - aanwezige ‘6’) te plaatsen. Daar komt bij dat belanghebbende – hoewel de inspecteur zijn standpunt met betrekking tot de ‘6’ ten minste reeds in zijn verweerschrift in eerste aanleg aan de orde had gesteld – eerst in zijn beroepschrift in hoger beroep met een verklaring voor de verduidelijking komt.

Het Hof acht aannemelijk, dat hetzij het paspoort is vervalst (door de geboortedatum van de houder ervan te veranderen in 1962), hetzij de kopie van het paspoort is veranderd door degene die de kopie aan belanghebbende heeft overhandigd, dan wel door belanghebbende, ingeval hij zelf een kopie heeft gemaakt (door op de kopie de geboortedatum te wijzigen in 1962). In beide gevallen heeft de inspecteur terecht – voor wat betreft A - het anoniementarief toegepast. Immers in geval sprake was van een vervalst paspoort of van een door een ander dan belanghebbende vervalste kopie, wist belanghebbende of had hij – gelet op de duidelijk afwijkende ‘6’ - kunnen weten dat hem onjuiste gegevens werden verstrekt, dan wel, in geval hij zelf de kopie heeft gewijzigd, dat hij onjuiste gegevens in zijn loonadministratie opnam

2.7.1. Met betrekking tot het paspoort van B is in appel gesteld dat het belanghebbende niet is opgevallen dat diens pasfoto daarop naderhand is aangebracht. Voorts is gesteld dat een afwijking tussen de handtekening op het paspoort en een loonbelastingverklaring van een werknemer ook in (andere) gevallen is vastgesteld waarin dat (uiteindelijk) niet tot een naheffing heeft geleid.

2.7.2. De inspecteur heeft gesteld dat de combinatie van gebreken (naderhand opgeplakte pasfoto en verschillende handtekeningen) en het ontbreken van het adres van B in de brief van de belastingdienst waarin hem mededeling van zijn SoFi-nummer is gedaan, maakt dat ter zake van B terecht is nageheven.

2.7.3. Tot de stukken behoort een kopie (van een kopie) van een Duits paspoort van B. Daarop is waar te nemen dat de onderzijde van de pasfoto niet geheel evenwijdig loopt aan de overige horizontale lijnen van het paspoort. Op dit punt is naar het oordeel van het Hof – en voorzover dit op basis van de stukken is te beoordelen – niet sprake van een zodanige afwijking ten opzichte van een normale situatie dat belanghebbende op die grond (in redelijkheid) aan de authenticiteit van het paspoort had behoren te twijfelen. Dit laatste geldt ook voor de kwaliteit van die foto overigens, reeds omdat op basis van de tot het dossier behorende kopie niet is vast te stellen of die foto ook op het origineel van het paspoort zo onduidelijk is dan wel dat die onduidelijkheid verband houdt met de kwaliteit van die reproductie. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat het paspoort van B is vervalst, acht het Hof het op grond van hetgeen hiervoor daaromtrent is vermeld, niet aannemelijk dat belanghebbende dit in het kader van de verificatie van die gegevens heeft geweten dan wel redelijkerwijs heeft moeten weten. Het verschil tussen de handtekening op de loonbelastingverklaring en die op (de kopie van) het paspoort acht het Hof niet zodanig significant dat belanghebbende op die grond redelijkerwijs heeft moeten beseffen dat één of meer van die gegevens onjuist waren. Dit laatste nog daargelaten dat de inspecteur – naar het Hof diens standpunt begrijpt – uitsluitend op grond van de enigszins van elkaar afwijkende handtekeningen ter zake van B niet zou hebben nageheven.

Niet is komen vast te staan dat het ontbreken van een adres in de brief waarin de belastingdienst een werknemer mededeling doet van diens SoFi-nummer zodanig uitzonderlijk is dat belanghebbende, nu het adres in de desbetreffende brief van B ontbreekt, om die reden (in redelijkheid) aan de authenticiteit van het identiteitsbewijs van B had moeten twijfelen.

2.8.1 Met betrekking tot de identiteitsgegevens van C is in appel gesteld dat het belanghebbende niet is opgevallen dat diens foto naderhand is aangebracht en dat daarom ook niet te begrijpen is waarom de rechtbank heeft geoordeeld dat die foto naderhand er op “lijkt” te zijn geplakt. Daarnaast is gesteld dat belanghebbende op basis van een van het paspoort losstaand document (redelijkerwijs) niet heeft kunnen oordelen dat het paspoort vals is.

2.8.2. De inspecteur legt het oordeel van de rechtbank anders uit en acht het verder juist.

2.8.3. Tot de stukken behoren (een kopie van) een kopie van een Duits paspoort van “C”, op hem betrekking hebbende kopieën van een loonbelastingverklaring en een brief waarin zijn SoFi-nummer is vermeld. In deze brief en in de loonbelastingverklaring is als naam vermeld “Jan. G”, respectievelijk “G J.”, terwijl de naam die in het paspoort is vermeld “C Jan. G” luidt. Vaststaat dat evenvermelde brief, de loonbelastingverklaring en een kopie van het paspoort in de administratie van belanghebbende zijn opgenomen. Het Hof gaat ervan uit dat belanghebbende in het kader van de indiensttreding van “C” van deze stukken heeft kennis genomen. Alsdan moet hem redelijkerwijs zijn opgevallen dat in die stukken van elkaar verschillende naamgegevens zijn vermeld, op welke grond belanghebbende naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs heeft moeten beseffen dat niet al die gegevens juist konden zijn. Immers, indien de desbetreffende werknemer C heet, dan is door hem in de loonbelastingverklaring ten onrechte vermeld dat hij J. G heet, en indien hij J. G heet, dan is in het paspoort ten onrechte vermeld dat hij Jan G C heet (nog daargelaten de mogelijkheid dat de desbetreffende werknemer in werkelijkheid nog weer een andere naam heeft). Nu in beide situaties, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 26b van de Wet, het anoniementarief van toepassing is, kan verder in het midden blijven welk van de onderscheiden mogelijkheden zich heeft voorgedaan. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat indien de loonbelastingverklaring onjuist is, omdat daarop ten onrechte niet de juiste naam van belanghebbende is vermeld, belanghebbende langs andere weg van die naam – verondersteld dat C de juiste naam is – op de hoogte was.

Voor zover de inspecteur bij de motivering van zijn standpunt slechts is uitgegaan van een mogelijke onjuistheid of valsheid van het paspoort, doet zulks aan het vorenoverwogene niet af, omdat het geschil – dat ziet op de vraag of terecht het anoniementarief is toegepast – niet uitsluitend de vraag betreft of belanghebbende heeft geweten dan wel redelijkerwijs heeft moeten weten dat het paspoort van C onjuiste gegevens bevat.

2.8.4. In hoger beroep voert belanghebbende als grief tegen de uitspraak van de rechtbank ook aan dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn klacht dat de GUO Uitvoeringsinstelling kennelijk anders over in de loonadministratie opgenomen gegevens van A, B en C denkt.

2.8.5. De inspecteur bestrijdt dat er van een onderzoek door de GUO Uitvoeringsinstelling sprake is geweest.

2.8.6. Het Hof kan in het midden laten of de GUO Uitvoeringsinstelling een onderzoek naar de juistheid van de loonadministratie van belanghebbende heeft gedaan en wat de resultaten van een dergelijk onderzoek zouden zijn geweest. Immers de inspecteur heeft een eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid met betrekking tot het vaststellen van een naheffingsaanslag als de onderhavige.

2.9.1. Met betrekking tot de in geschil zijnde boete heeft belanghebbende in appel geen afzonderlijke argumenten daartegen aangevoerd. De inspecteur heeft tegen de beslissing van de rechtbank inzake de boete incidenteel appel ingesteld, omdat hij meent dat de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, EVRM niet is overschreden. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat belanghebbende akkoord is gegaan met een verlenging van de termijn waarbinnen de inspecteur uitspraak diende te doen. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat deze termijnverlenging (mede) noodzakelijk was in verband met een behoefte aan afstemming op landelijk niveau.

Belanghebbende heeft hiertegen ter zitting verweer kunnen voeren.

2.9.2. Naar het oordeel van het Hof ziet de instemming van belanghebbende met het verzoek van de inspecteur om de genoemde termijn verlengd te krijgen uitsluitend op een afzien door belanghebbende van de mogelijkheid om na het verstrijken van de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar tegen een op de voet van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) met het niet doen van zo’n uitspraak gelijk te stellen besluit, op die grond in beroep te gaan. Nog afgezien van de vraag of – aldus begrepen – belanghebbende aan die instemming zou kunnen worden gehouden, kan die instemming zonder dat dit meer uitdrukkelijk tot uiting is gebracht niet (mede) worden opgevat als een bewilliging in een opschorten of verlengen van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, EVRM. Om die reden verklaart het Hof het incidentele beroep van de inspecteur ongegrond.

Nu de rechtbank overigens op goede gronden heeft beslist dat de redelijke termijn is overschreden sluit het Hof zich bij dat oordeel aan.

2.9.3. Ter zitting hebben partijen op praktische gronden ermee ingestemd dat de na bezwaar nog resterende boete voor gelijke delen wordt toegerekend aan de loonbestanddelen die als grondslag voor de naheffingsaanslag fungeren.

2.10. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de uitspraak van de inspecteur vernietigen en de naheffingsaanslag verminderen tot een van (ƒ 7.348 + ƒ 1.895 =) ƒ 9.243 (€ 4.194). Het betreft hier het bedrag van de na de uitspraak op bezwaar resterende naheffingsaanslag voor zover deze betrekking heeft op het aan A en C betaalde loon. De boete zal worden verminderd tot € 600.

2.11. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het griffierecht in beide instanties en op vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding gesteld op € 736,66, ter zake van de proceskosten in eerste aanleg, en op € 644 (= factor 1 voor gewicht x 2 voor proceshandelingen x € 322) ter zake van de proceskosten in hoger beroep voor rechtsbijstandskosten, op € 17,50 voor de reiskosten van belanghebbende en op € 75 voor belanghebbendes verletkosten, zodat in totaal (€ 736,66 + € 644 + € 17,50 + € 75 =) € 1.473,16 dient te worden vergoed.

3. Beslissing

Het Hof

verklaart belanghebbendes beroep gegrond;

verklaart het incidentele beroep van de inspecteur ongegrond;

vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.194;

vermindert de boete tot € 600;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.473,16 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden;

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het

beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142.

Aldus vastgesteld door mrs. P.F. Goes, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en K. Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 12 september 2007 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd te tekenen

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.