Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC4149

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
06/00286
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De fout in de aanslag is uitsluitend terug te voeren op een in het verdere proces van de aanslagregeling niet opgemerkte en niet gecorrigeerde intoetsfout van de administratieve medewerker. Het oordeel van de rechtbank dat de aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de omvang van de belastingplicht en niet als gevolg van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd is dan ook juist (vergelijk Hoge Raad 9 juli 2004, nr. 38 980, BNB 2004/351).

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/29.1.4
FutD 2008-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00286

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/4465 van de rechtbank Haarlem van 8 juni 2006 in het geding tussen

X te Z, belanghebbende,

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 oktober 2004 voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 83.932. Belanghebbende heeft hiertegen bij brief van 4 november 2004 een bezwaarschrift ingediend, dat op dezelfde dag door de inspecteur is ontvangen.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 augustus 2005 het bezwaar afgewezen.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 29 augustus 2005, ontvangen door de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) op 6 september 2005, beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 8 juni 2006, verzonden op 12 juni 2006, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 19 juli 2006, bij het Hof ingekomen op 20 juli 2006.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2007. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Het Hof gaat uit van de volgende door de rechtbank vastgestelde, in hoger beroep in zoverre niet betwiste, en waar nodig door het Hof door plaatsing tussen vierkante haken geamendeerde feiten:

“2.1. [Belanghebbende] is als leraar/docent verbonden aan een vijftal onderwijsinstellingen en organiseert als ondernemer postzegelveilingen. Hij heeft op 30 juni 2000 een aangiftebiljet IB/PVV 1999 ingediend. [Belanghebbende] wilde de (loon-)inkomstenbestanddelen van de vijf onderwijsinstellingen aangeven bij vraag 2a. Het aangiftebiljet biedt bij vraag 2a echter slechts ruimte voor drie (loon-)inkomstenbestanddelen, zodat [belanghebbende] onder de naam van de derde werkgever en de periode dat hij voor deze werkgever gewerkt heeft, verwijst naar een bijlage. De bijlage vermeldt zowel de drie voornoemde werkgevers als twee aanvullende instellingen, alle met de bijbehorende inkomstenbestanddelen. In de tussentellingen op het aangiftebiljet zijn de vijf inkomstenbestanddelen verwerkt.

2.2. [Door een of meer medewerkers van de Belastingdienst is] het loon van de drie werkgevers die op het aangiftebiljet vermeld staan, in het InkomstenBelastingSysteem ingetoetst. Daarbij is verzuimd de inkomstenbestanddelen van de beide overige instituten over te nemen. (…) De inspecteur heeft het belastbare inkomen van [belanghebbende], voor zover het rubriek 2 betreft, in overeenstemming met de ingetoetste gegevens, maar in afwijking van de aangifte vastgesteld.

2.3. De aanslagregelaar heeft bij de primaire aanslag (…) de aangifte niet gevolgd voor wat betreft de zelfstandigenaftrek (…) ”.

2.2. Het geschil voor de rechtbank ging om de vraag of de aanslag tot een te laag bedrag was vastgesteld als gevolg van een schrijf- of tikfout of een daarmee gelijk te stellen vergissing en, zo ja, of belanghebbende dat redelijkerwijs had moeten begrijpen.

2.3. De rechtbank heeft onder meer als volgt overwogen:

“4.3. De onderhavige fout is het gevolg van een foute beoordeling van de feiten door de aanslagregelaar dan wel van het feit dat de aanslagregelaar slechts de zelfstandigenaftrek heeft beoordeeld maar de overige elementen niet. Daarbij is geen acht geslagen op de afwijkingen in de tussentellingen noch op het aangegeven belastbaar inkomen en heeft er blijkbaar nadien slechts een zeer beperkte of geen controle plaatsgevonden.”

2.4. In zijn beroepschrift in appel heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de aanslagregelende ambtenaar, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld, wel degelijk acht heeft geslagen op de afwijkingen in de tussentellingen en ook op het aangegeven belastbare inkomen. Ter ondersteuning hiervan heeft hij aangevoerd dat het de vaste werkwijze van de Belastingdienst is dat bij de aanslagregeling - niet inhoudende een administratieve afdoening zonder inhoudelijke beoordeling - alle elementen van de aangifte worden beoordeeld. In dat licht bezien moet door de aanslagregelend ambtenaar zijn geconstateerd dat ook de in de bijlage bij de aangifte vermelde inkomensbestanddelen behoren tot het aangegeven belastbare inkomen.

2.5. Tot de gedingstukken behoort een brief van de inspecteur aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, mr. A, van 4 juli 2005 waarin het volgende staat vermeld:

“In het InkomstenBelastingSysteem (IBS) zijn alleen de gegevens die bij rubriek 2 staan ingetoetst. De drie werkgevers. Omdat een zogenaamde rekenmodule wordt gebruik[t] worden de bedragen die wel op de bijlage staan maar niet in rubriek 2, niet meegenomen. De rekenmodule rekent bedragen automatisch door. Op het onderdeel inkomsten uit arbeid wordt het aangiftebiljet niet uitgeworpen om nader te beoordelen omdat de gegevens van de Opleidings Instituten niet in de base voorkomen waarin alle loongegevens zijn opgenomen (de zogenaamde fi-[base]. (…)

De aanslagregelaar heeft geen melding gekregen dat er in de telling een onjuistheid aanwezig was. De confrontatie tussen de gegevens uit het aangiftebiljet en de fi-base leverde geen verschil op, omdat op de inkomsten van de Opleidingsinstituten geen loonheffing had plaatsgevonden.”

2.6. Ter zitting is door de inspecteur desgevraagd de volgende toelichting gegeven:

“De door belanghebbende ingediende aangifte is inderdaad op zichzelf en afgezien van de rubricering juist.

Het Hof vraagt mij om een toelichting te geven op het op het aangiftebiljet aangebrachte stempel en de daarop aangebrachte parafen. Ik vermoed dat het linkerstempel van mevrouw M is en dat het rechterstempel is van de personen die voorafgaand aan een eventuele controle de elementen intoetsen.

Het Hof vraagt mij om het formulier in bijlage 2 van het verweerschrift in eerste aanleg toe te lichten. Dit is een verslag van heffing. Als de aanslagregelend ambtenaar - in dit geval mevrouw M - van mening is dat er iets moet gebeuren, dan wordt dat in dit verslag verantwoord. In het verslag staat inderdaad alleen maar de correctie zelfstandigenaftrek vermeld.

Het klopt dat de in de aangiftebiljetten vermelde gegevens eerst worden ingetoetst in het IBS en daarna eventueel worden beoordeeld. De aangifte van belanghebbende is op traditionele wijze beoordeeld. Daarmee bedoel ik dat de aangifte ook nog echt door iemand wordt beoordeeld. Bij administratieve afdoening blijft het bij het intoetsen van de aangiftegegevens.

Ik heb mevrouw M concreet gevraagd naar het telefoongesprek. Zij wist zich niet méér te herinneren dan wat er in het verslag staat, maar bij het contact opnemen met een belastingplichtige pleegt ze volgens mij te zeggen: ‘dit is uw aangifte, deze correctie wordt doorgevoerd en dat moet het worden’. Dit is haar werkwijze, maar ik kan niet keihard bewijzen hoe het in dit geval is gegaan.

Het Hof vraagt mij wat mevrouw M bij de hand had bij de beoordeling. Zij had het ingediende aangiftebiljet en de gegevens zoals die zijn vermeld in bijlage 15 van het verweerschrift in eerste aanleg bij de hand. Bij de beoordeling door mevrouw M was dat nog een schermgegeven. De print van die gegevens is achteraf door mij gemaakt en de handgeschreven aantekeningen daarop zijn van mij.

Nu het Hof mij een en ander voorhoudt, realiseer ik mij dat er blijkbaar niet goed naar is gekeken bij het intoetsen en dat het daar al fout is gegaan. Tot de taak van het traditioneel regelen behoort niet het controleren of de aangiftegegevens juist in het scherm staan vermeld. Je gaat er als aanslagregelend ambtenaar van uit dat datgene wat er op het scherm staat goed is, en dat het al is gecontroleerd. Daar zien die twee parafen op het rechterstempel ook op. Mevrouw M is er dus kennelijk van uitgegaan dat het goed was ingevoerd en heeft alleen de zelfstandigenaftrek beoordeeld. De bij het intoetsen ontstane fout blijft dan dus verder bestaan.”

2.7. Het Hof acht aannemelijk dat een administratieve kracht de gegevens uit het aangiftebiljet heeft ingetoetst in IBS, dat de aangifte is ‘uitgeworpen’ vanwege de zelfstandigenaftrek en dat de aanslagregelend ambtenaar vervolgens uitsluitend de zelfstandigenaftrek heeft gecorrigeerd zonder acht te slaan op afwijkingen in de tussentellingen en verschillen met het aangegeven belastbaar inkomen. Daardoor is de fout in de aanslag uitsluitend terug te voeren op een in het verdere proces van de aanslagregeling niet opgemerkte en niet gecorrigeerde intoetsfout van de administratieve medewerker. Het oordeel van de rechtbank in onderdeel 4.3 van de bestreden uitspraak dat de aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de omvang van de belastingplicht en niet als gevolg van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd is dan ook juist (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004, nr. 38 980, BNB 2004/351). Dat de fout mogelijk mede een gevolg is geweest van de handelwijze van belanghebbende doet hieraan niet af. Niet in geschil is dat belanghebbende niet te kwader trouw was en dat de ingediende aangifte afgezien van de rubricering juist was. In het midden kan blijven of de bij de aanslagregeling gemaakte fout redelijkerwijs kenbaar was voor belanghebbende.

2.8. De beoordeling door het Hof leidt tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

2.9. Op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende recht op vergoeding van proceskosten van de procedure in hoger beroep. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de reiskosten om de zitting in Amsterdam bij te wonen voor vergoeding in aanmerking, voorzover zij niet hoger zijn dan de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot deze kosten op € 18. Andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en R.H. Happé, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier.

De beslissing is op 24 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken.

Van de Staat zal een griffierecht van € 422 worden geheven.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.