Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC3993

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
106.007.145 (1053/07 SKG)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot opheffing derdenbeslag. Vervangende schadevergoeding wegens niet voldoen aan afgifteplicht. Geen misbruik van bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging M & E MOTOREN- UND ENERGIETECHNIK BETRIEBSGESELLSCHAFT mbH, gevestigd te Meppen/Ems, Bondsrepubliek Duitsland,

APPELLANTE,

procureur: mr. C.C.A. van Rest,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROB HEIJKOOP TRADING B.V., gevestigd te Dordrecht,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. R.V.H. Jonker.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna M&E en Heijkoop genoemd.

Bij dagvaarding van 21 augustus 2007 is M&E in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam in het kort geding tussen partijen (M&E als eiseres en Heijkoop als gedaag¬de) onder zaak /rolnum¬mer 372254/KG ZA 07 1129 SR/TF heeft gewezen en dat is uitgesproken op 26 juli 2007. Het appelexploot bevat de grieven.

M&E heeft overeenkomstig de appeldagvaarding vier grieven voorgesteld en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog het beslag waar dit geding over gaat zal opheffen, met veroordeling van Heijkoop in de kosten van het geding in beide instanties.

Daarop heeft Heijkoop geantwoord, de grieven bestreden, een bewijsstuk in het geding gebracht en geconcludeerd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en M&E zal veroordelen in de kosten gevallen op het hoger beroep.

Ten slotte hebben partijen recht gevraagd op de stukken van beide instan¬ties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

Voor de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding.

3. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. In grief 1 stelt M&E dat hetgeen de voorzieningenrechter onder 2.5 tot uitgangspunt heeft genomen dient te worden aangevuld. Het hof zal daarop hieronder voor zover nodig ingaan.

4. Beoordeling

4.1 Heijkoop is bij vonnis van 16 mei 2007 van de rechtbank te Dordrecht in conventie veroordeeld om € 80.533,20 met rente en kosten aan M&E te betalen. Uit hoofde van dit vonnis heeft Heijkoop op 1 juni 2007 overeenkomstig het verzoek van M&E een bedrag van € 96.041,81 ten behoeve van M&E overgemaakt op de derdenrekening van de Stichting Beheer Derdengelden Van Diepen Van der Kroef Advocaten.

Bij het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Dordrecht is M&E in reconventie veroordeeld een aantal aan Heijkoop toebehorende zaken aan Heijkoop af te geven. Volgens Heijkoop – in een verzoek tot het leggen van conservatoir derdenbeslag van 1 juni 2007 – had zij gegronde redenen te vermoeden dat M&E niet (geheel) aan haar verplichting tot afgifte zou voldoen. Op 4 juni 2007 heeft Heijkoop ter verzekering van een vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding ten laste van M&E derdenbeslag doen leggen onder voormelde stichting.

Op 7 juni 2007 heeft Heijkoop een gedeelte van de zaken bij M&E opgehaald. Naar aanleiding daarvan heeft Heijkoop het bedrag waarvoor beslag is gelegd beperkt.

In dit kort geding vordert M&E opheffing van voormeld beslag. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust richten zich de grieven.

4.2 Aangenomen moet worden dat een substantieel deel van de zaken die volgens het vonnis van de rechtbank Dordrecht dienden te worden afgegeven niet door M&E aan Heijkoop zijn afgegeven. Volgens M&E waren die zaken – op één na, waarvoor zij een vergoeding wilde betalen – aanwezig, maar weigerde Heijkoop deze mee te nemen.

Volgens Heijkoop heeft zij inderdaad door M&E aangewezen zaken geweigerd. Aan de hand van verschillende producties heeft Heijkoop in eerste aanleg haar standpunt toegelicht dat deze zaken niet van haar waren. Zij kon dit vaststellen, aldus Heijkoop, doordat zij al haar onderdelen vóór verzending ‘middels een slagstempel (voorziet) van een RHT merkteken’ (productie 4 van Heijkoop in eerste aanleg). Ook vóór de beslaglegging moest ernstig rekening ermee worden gehouden dat M&E niet alle zaken zou teruggeven en M&E derhalve verplicht zou zijn vervangende schadevergoeding te betalen, nu uit door M&E verschafte gegevens bleek dat niet alle zaken aanwezig waren, aldus Heijkoop in eerste aanleg aan de hand van haar productie 9. Haar argwaan en daarmee de vrees dat M&E haar verplichtingen niet zou nakomen werd ook gewekt doordat een deskundige niet bij de afgifte aanwezig mocht zijn van M&E (pleitnota Heijkoop eerste aanleg onder 5).

M&E heeft betwist dat zij niet voldaan heeft aan de verplichting tot afgifte van de zaken, maar deze betwisting is in het licht van de stellingen van Heijkoop niet voldoende om thans reeds aan te nemen dat de vordering van Heijkoop tot vervangende schadevergoeding ondeugdelijk is.

De rechtbank te Dordrecht heeft op dit punt nog niet beslist. Anders dan M&E onder grief 4 aanvoert, kan uit de omstandigheid dat de rechtbank te Dordrecht geen dwangsom heeft opgelegd en de vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding toen heeft afgewezen niet het tegendeel worden afgeleid. De rechtbank ging er kennelijk vanuit dat M&E aan haar afgifteplicht zou voldoen en dat Heijkoop daarom geen belang bij vervangende schadevergoeding had. Thans gaat het om de vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding op grond van de stelling dat – na het vonnis – aan de afgifteplicht niet is voldaan.

Het voorgaande brengt mee dat de grieven 3 en 4 falen.

4.3 Voor zover M&E in grief 2 betoogt dat Heijkoop geen vordering heeft, faalt de grief op grond van het hiervoor overwogene.

Voorts voert M&E in grief 2 aan dat het hier om een ‘verkapt beslag onder de schuldeiser zelf’ gaat. Volgens M&E tracht Heijkoop ‘op oneigenlijke wijze ( ) de kracht van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te ontnemen.’

Ook deze grief faalt. Het gaat hier niet om beslag ter verzekering van een vordering tot terugbetaling van hetgeen uit hoofde van een vonnis is voldaan. Het enkele feit dat Heijkoop ter verzekering van haar uit anderen hoofde gepretendeerde vordering beslag heeft doen leggen op de derdenrekening van de advocaat van M&E (zeer) kort nadat zij daarop overeenkomstig de wens van M&E een betaling heeft gedaan ter uitvoering van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, brengt – anders dan M&E meent – nog niet mee dat Heijkoop misbruik van bevoegdheid maakt. Andere gronden die de conclusie misbruik van bevoegdheid rechtvaardigen, zijn gesteld nog gebleken.

5. Slotsom

Grief 1 behoeft geen (verdere) behandeling. De grieven falen. Het hof zal het vonnis bekrachtigen en M&E als de in het ongelijk gestelde partij verwijzen in de kosten van het hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst M&E in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Heijkoop tot op heden begroot op € 1.194,-;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Ingelse, N. van Lingen en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 december 2007.