Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC3113

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
48/06 KG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2005:AU6828, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van een verbod spandoeken te verwijderen totdat er een definitieve strafrechtelijke veroordeling is. In de gegeven omstandigheden geen ruimte voor een inbeslagname van de poster op de voet van artikel 96 Sv. Toetsing aan artikel 10 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 oktober 2007

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te ‘s-Gravenhage,

APPELLANT in het principaal appel,

GEINTIMEERDE in het incidenteel appel,

procureur: mr. P.N. van Regteren Altena,

t e g e n

1. [W], wonende te [...],

2. [X], wonende te [...],

3. [Y], wonende te [...],

4. [Z], wonende te [...],

GEÏNTIMEERDEN in het principaal appel,

APPELLANTEN in het incidenteel appel,

procureur: mr. E. Unger.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna enerzijds de Staat en anderzijds gezamenlijk [W] c.s. en afzonderlijk [W], [X], [Y] en [Z] genoemd.

Bij dagvaarding van 21 december 2005 is de Staat in hoger beroep gekomen van een kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam, gewezen onder nummer 328673/KG 05-2216 AB tussen [W] c.s. als eisers en de Staat en de Gemeente Amsterdam als gedaagden en uitgesproken op 24 november 2005.

De Staat heeft bij memorie van vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vorderingen van [W] c.s. alsnog zal afwijzen met veroordeling van [W] c.s. in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met rente.

Bij memorie van antwoord, tevens incidentele memorie van grieven, hebben [W] c.s. de grieven van de Staat bestreden, zelf een grief tegen het vonnis aangevoerd, een productie overgelegd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen behoudens voorzover het de duur van het verbod betreft en dat het hof te dien aanzien zal bepalen dat het aan de Staat opgelegde verbod geldt totdat definitief door de strafrechter over de toelaatbaarheid van de tekst is beslist, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep.

De Staat heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appel de door [W] c.s. voorgestelde grief bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel met veroordeling van [W] c.s. in de kosten van het incidenteel appel, te vermeerderen met rente en nakosten.

[W] c.s. hebben vervolgens een nadere akte genomen en daarbij een productie in het geding gebracht.

Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 13 juni 2007 doen bepleiten, de Staat door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te ’s-Gravenhage en [W] c.s. door mr. M. Schuckink Kool, eveneens advocaat te ’s-Gravenhage, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

2. Grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de desbetreffende memories.

3. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1, a tot en met f, de feiten vermeld die door hem bij de beoordeling van het geschil van partijen tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet bestreden en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt.

4. Beoordeling

4.1 [Y] is bewoner van het door de gemeente Nijmegen aangekochte kraakpand “[...]” aan de [...] te [...]. Achter een raam van dit pand hing een van de buitenkant zichtbare poster met tegen de achtergrond van een foto van het detentiecentrum te Schiphol-Oost dat in de nacht van 26 op 27 oktober 2005 door een uitslaande brand is getroffen de tekst:

“Reisbureau Rita, arrestatie deportatie crematie adequaat tot het bittere eind.”

Op 10 november 2005 heeft de politie te [...] [Y] gesommeerd deze poster te verwijderen, met de mededeling dat anders de politie dat zou doen. [Y] heeft de poster daarop weggehaald. Volgens een proces-verbaal van 10 november 2005 van de politie Gelderland-Zuid zijn die dag in het centrum van [...] op diverse plaatsen posters met deze tekst in beslag genomen. Volgens dat proces-verbaal is de tekst “afgedrukt op een achtergrondfoto die de indruk van een concentratiekamp wekte”. Volgens een proces-verbaal van de politie Gelderland-Zuid is op 14 november 2005 een poster met dezelfde tekst, die op de toegangsdeur van het pand was geplakt, verwijderd en in beslag genomen. [Y] had ten tijde van de behandeling in eerste aanleg de poster inmiddels weer aangeplakt of is van plan dat te doen.

De officier van justitie te Arnhem heeft een persoon die in [...] de poster met deze reisbureau-tekst had opgehangen gedagvaard op verdenking van smaad, althans laster, bestaande uit de aantasting van de eer en goede naam van minister Verdonk. Bij arrest van 28 december 2006 heeft het hof te Arnhem geoordeeld dat het door deze verdachte gepleegde feit het misdrijf van smaadschrift oplevert doch het gepleegde feit niet strafbaar verklaard en de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging ontslagen. Tegen het arrest is beroep in cassatie ingesteld.

[W], [X] en [Z] hebben aan de door hen bewoonde panden te [...] en [...] spandoeken opgehangen met onder meer de teksten: “11 levend verbrand, Rita bedankt !” en “Verdonk, nog steeds geen bloed aan je handen?”

4.2. [W] c.s. vorderen in dit geding een verbod aan de Staat (c.q. de officier van justitie te Amsterdam en te Nijmegen) om laatstbedoelde spandoeken te verwijderen van de voorgevel van het pand [...] [...] hs en I-hoog te [...] en om posters te verwijderen van de ramen van het pand aan de [...] te [...] met de tekst “Reisbureau Rita, arrestatie deportatie crematie adequaat tot het bittere eind”, althans (subsidiair) dit te verbieden totdat er een definitieve strafrechtelijke veroordeling tegen hen is. Nadat de Staat en de Gemeente Amsterdam ter zitting in eerste aanleg te kennen hadden gegeven hun oordeel over (het optreden tegen) de spandoeken te hebben heroverwogen en niet meer het voornemen te hebben om tot verwijdering van de onder 4.1 bedoelde spandoeken over te gaan heeft de voorzieningenrechter het daarop betrekking hebbend onderdeel van de vordering van [W] c.s. afgewezen.

Het gevorderde verbod tot het verwijderen van de posters is toegewezen doch daarbij is de duur van het verbod beperkt tot het moment dat “de strafrechter in de zaak tegen [Y] of in een vergelijkbare zaak in eerste aanleg over de toelaatbaarheid van deze tekst heeft beslist”.

De Staat komt in hoger beroep op tegen de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [W] c.s.

De grief van [W] c.s. is gericht tegen de beperking van de duur van het verbod totdat de strafrechter in eerste aanleg heeft beslist.

4.3. In (de toelichting op) zijn vierde grief voert de Staat terecht aan dat van een belang van [W], [X] en [Z] bij het door de voorzieningenrechter gegeven verbod met betrekking tot de reeds genoemde poster onvoldoende is gebleken en derhalve wat het verwijderen van de poster betreft hun vordering had moeten worden afgewezen. Het verbod ziet immers op het verwijderen van posters uit een woning te [...] waarin zij noch wonen noch een vaste verblijfplaats hebben. Voorts is door hen niet gesteld noch is (voldoende) gebleken dat zij de desbetreffende posters zelf op enigerlei moment hebben opgehangen of het voornemen daartoe hebben gehad. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter op dit punt derhalve vernietigen en de vordering van [W], [X] en [Z] alsnog geheel afwijzen.

Nu de toezegging van overheidswege waarop de afwijzing van de voorziening met betrekking tot de spandoeken is gebaseerd eerst ter zitting in eerste aanleg is gedaan is er echter geen aanleiding om ten aanzien van de kosten van het geding in eerste aanleg anders te beslissen.

4.4. Het betoog van de Staat inhoudende dat [Y] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de strafvorderlijke regeling met betrekking tot de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen zoals neergelegd in artikel 552 a Sv e.v. een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt moet worden verworpen. Een raadkamerprocedure waarin een oordeel kan worden verkregen over de rechtmatigheid van een inbeslagname leidt tot een toetsing achteraf van een optreden met betrekking tot een specifiek voorwerp en zal daarmee doorgaans geen voldoende doeltreffende bescherming bieden tegen (toekomstig) optreden van justitie in een geval als het onderhavige waarin de vrijheid van meningsuiting in het geding is.

De Staat heeft er op gewezen dat het een snelle rechtsgang betreft, waarin een oordeel van de strafrechter kan worden verkregen over de rechtmatigheid van de inbeslagname en stelt voorts dat indien de inbeslagname van de litigieuze poster daarin onrechtmatig zou zijn geoordeeld het openbaar ministerie zou hebben afgezien van verder optreden tegen het vertonen van andere (identieke) posters. Dit een en ander neemt echter niet weg dat de raadkamerprocedure op de voet van artikel 552a Sv, anders dan het civiele kort geding, zich niet leent voor het doen van een uitspraak van meer algemene strekking met betrekking tot de rechtmatigheid van het optreden van justitie tegen het verstrekken van denkbeelden (in de zin van artikel 10 EVRM). Dat [Y] met het oog op zijn deelname aan het publiek debat over de zogenoemde Schipholbrand belang had bij een voorziening als door hem in dit geding gevorderd acht het hof mede gelet hierop voldoende aannemelijk.

4.5. De voorzieningenrechter heeft ter onderbouwing van zijn uitspraak in de onderhavige zaak onder meer overwogen, kort samengevat, dat het weliswaar onder de beleidsvrijheid die het Openbaar Ministerie toekomt valt om in het onderhavige geval tot strafvervolging over te gaan maar dat daarbij in de gegeven omstandigheden mag worden verlangd dat het niet blijft bij inbeslagname maar dat de zaak met bekwame spoed wordt voorgelegd aan de strafrechter en voorts dat het nogmaals verwijderen van de poster voordat de strafrechter in de zaak tegen [Y] of in een vergelijkbare zaak heeft beslist in de gegeven omstandigheden buiten proporties zou zijn.

4.6. De tegen de laatstbedoelde overweging gerichte grief van de Staat faalt reeds omdat naar het voorlopig oordeel van het hof het Openbaar Ministerie in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet tot de onderhavige inbeslagname had mogen komen.

Het hof wijst in dit verband op hetgeen in het vonnis waarvan beroep in rechtsoverweging 10 onbestreden is overwogen met betrekking tot de boodschap van de poster en de omstandigheden waaronder de uiting is geopenbaard en sluit zich voorts aan bij hetgeen door de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 11, onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, is overwogen met betrekking tot de ruimere grenzen van toelaatbare kritiek in het kader van een maatschappelijk/politiek debat zoals zich dat naar aanleiding van de Schipholbrand in Nederland heeft voltrokken en alsmede de algemeen aanvaarde rechtsopvatting dat een politiek verantwoordelijk persoon als een minister zich meer moet laten welgevallen dan een gewone burger.

Ook het gerechtshof te Arnhem, dat heeft geoordeeld over de strafbaarheid van het ophangen van deze (c.q. een identieke) poster overweegt in zijn arrest 28 december 2006 dat er onder vigeur van artikel 10 EVRM weinig ruimte bestaat voor beperkingen van politieke meningsuiting of van discussie over onderwerpen van algemeen belang, dat ten aanzien van politici niet snel zal kunnen worden aangenomen dat een beperking op het recht van vrije meningsuiting is toegestaan en komt bij toepassing in het aan dat hof voorgelegde geval tot de slotsom dat niet gebleken is van een “pressing social need” voor het verbieden van de onderhavige poster, dat derhalve het bepaalde in artikel 261 Sr buiten toepassing moet worden gelaten en heeft de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging ontslagen.

4.7. Dat er in de gegeven omstandigheden niettemin ruimte was voor een inbeslagname van de poster op de voet van artikel 96 Sv ziet het hof niet: ook voor het Openbaar Ministerie moet voldoende duidelijk zijn geweest dat het vertonen van de poster bijdroeg aan een actueel publiek debat waarvan de heftigheid door de in dat debat aan de orde gestelde gebeurtenissen alleszins gerechtvaardigd werd en dat in het licht daarvan een strafvervolging van de betrokken verdachte wegens het (eventuele) smadelijke karakter van de uiting jegens de verantwoordelijke minister de toets van artikel 10 lid 2 EVRM niet zou kunnen doorstaan.

4.8. Het hof acht de beslissing van de voorzieningenrechter met betrekking tot de duur van het verbod juist; aan het openbaar ministerie kan in kort geding niet het recht op verder optreden worden ontzegd indien in eerste aanleg door de strafrechter naar aanleiding van een onderzoek ten gronde wordt beslist dat sprake is van een strafbaar feit dat tot rechtsvervolging leidt.

4.9. Dit brengt mee dat de vierde grief van de Staat slaagt en de overige grieven van de Staat alsmede de grief van [W] c.s. falen. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal gedeeltelijk worden vernietigd. In het principaal appel zal de Staat worden veroordeeld in de kosten van het geding voorzover aan de zijde van [Y] gevallen. [W], [X] en [Z] zullen de kosten van het principaal appel dienen te dragen voorzover dit appel betrekking heeft op de door hen ingestelde vordering, het hof begroot deze kosten aan de zijde van de Staat echter op nihil. [W] c.s. zullen worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover het in het petitum onder 1 gegeven verbod ook op verzoek van [W], [X] en [Z] is gegeven en wijst het daarop betrekking hebbend onderdeel van hun vordering alsnog af;

bekrachtigt het vonnis waarvan het beroep voor het overige;

veroordeelt de Staat in de kosten van het principaal appel aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op € 291,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris procureur;

veroordeelt [W], [X] en [Z] in de kosten van het principaal appel aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt [W] c.s. in de kosten van het incidenteel appel tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.341,- voor salaris procureur;

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Coeterier, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2007.