Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC2328

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2007
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
06/00271
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijtelling privé-gebruik van Porsche. Beroep op vertrouwensbeginsel verworpen. Vergrijpboete gematigd vanwege wanverhouding bedrag in relatie tot de ernst van het vergrijp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/14.4 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0216 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00271

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V., gevestigd te Z,

belanghebbende,

gemachtigde mr. A,

tegen

de uitspraak in de zaak no. AWB 05/1863 van de rechtbank Haarlem van 20 juni 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur te P,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2005 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag opgelegd in de loonbelasting/premie volksverzekeringen (verder: de loonheffing) ten bedrage van € 83.973. Bij afzonderlijke beschikking met dezelfde dagtekening is een vergrijpboete van 25 % ten bedrage van € 20.940 opgelegd.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 12 april 2005, de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende is hiertegen in beroep gekomen bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank).

Bij uitspraak van 20 juni 2006, verzonden op 27 juni 2006, heeft de rechtbank belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft (de gemachtigde van) belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 13 juli 2006, bij het Hof op dezelfde datum ingekomen, aangevuld bij brief van 31 augustus 2006.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2007. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1.1. Voor wat betreft de bij de beoordeling van het geschil van belang zijnde feiten houdt de beslissing van de rechtbank onder meer het volgende in:

“2.1. [Belanghebbende] heeft sinds het begin van de jaren negentig van de twintigste eeuw uit Polen afkomstige werknemers in dienst. Deze werknemers beschikten in de jaren 2000 tot en met 2002 niet over een verblijfs- of tewerkstellingsvergunning.

Als gevolg hiervan is aan deze werknemers geen sofinummer verstrekt.

[Belanghebbende] kon hierdoor de loonbelastingkaarten van deze werknemers niet volledig invullen.

Tot en met het jaar 1994 volstond [de inspecteur] na ontvangst van deze loonbelastingkaarten met de mededeling dat er gebreken in de ingeleverde loonbelastingkaarten waren geconstateerd.

2.2. [Belanghebbende] is in de loop der jaren door diverse adviseurs gewezen op de gevolgen van het in dienst hebben van illegale werknemers.

2.3. In een brief van 10 oktober 1997 deelt de inspecteur van de Belastingdienst P onder meer het volgende aan [belanghebbende] mee:

“Door de Belastingdienst zijn van X b.v., loonbelastingnummer (…), over het jaar 1995 een aantal loonbelastingkaarten ontvangen waarop het sofi-nummer niet is vermeld.

Het betreft de loonbelastingkaarten van de volgende werknemers: B, C, D, E, F en G.

Gaarne zou ik van u, binnen veertien dagen, van bovengenoemde werknemers de ontbrekende sofi-nummers, de loonbelastingverklaringen en kopieën van de identiteitsbewijzen willen ontvangen.”

2.4. Naar aanleiding van deze brief heeft een werknemer van [belanghebbende] telefonisch contact opgenomen met de inspecteur, waarvan de volgende aantekening is gemaakt:

“12-11-1997 gesproken met heer H. besproken dat er geen sofi-nummers zijn van vermelde werknemers.

heer H geeft advies om toch sofi-nummers, verblijfsvergunning ed. aan te vragen.

hierover gesproken met I deze vind het beter om dit niet te doen.”

2.5. (…)

2.6. Na diverse pogingen van [belanghebbende] om voor haar Poolse werknemers verblijfsvergunningen en sofinummers te verkrijgen, zijn deze uiteindelijk in 2004 verstrekt.

2.7. [Belanghebbende] heeft steeds loonbelasting volgens het tabeltarief op het aan de Poolse werknemers betaalde loon ingehouden en afgedragen.

2.8. In september 2004 is bij [belanghebbende] een boekenonderzoek ingesteld.

Bij dit onderzoek is geconstateerd dat in de administratie van [belanghebbende] kopieën van Poolse paspoorten en in één geval van een rijbewijs van de Poolse werknemers aanwezig waren. Van geen van de Poolse werknemers was een verblijfsvergunning aanwezig.

2.9. Naar aanleiding van het ter zake van dit onderzoek opgemaakte rapport heeft [de inspecteur] een naheffingsaanslag lb/pvv opgelegd, waarbij ten aanzien van het aan de Poolse werknemers betaalde loon het anoniementarief als bedoeld in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) is toegepast.

2.10. Het tegen de aanslag ingediende bezwaar is door [de inspecteur] afgewezen.”

2.1.2. Nu tegen de hiervoor vermelde feiten door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.1.3. Op grond van het verhandelde op de zitting en van de gedingstukken, stelt het Hof voorts de feiten onder 2.1.4 tot en met 2.1.8. vast.

2.1.4. Omtrent het telefoongesprek tussen de inspecteur en een medewerker van belanghebbende dat op 12 november 1997 heeft plaatsgevonden heeft de directeur/enig aandeelhouder van belanghebbende ter zitting verklaard dat het zijn secretaresse was die de situatie aan H heeft uitgelegd en hem heeft medegedeeld dat belanghebbende niet over sofinummers van haar Poolse werknemers beschikte, dat loonbelastingverklaringen en kopieën van de identiteitsbewijzen bij belanghebbende aanwezig waren, dat de inhouding wel juist plaatsvond omdat belanghebbende overigens over de daarvoor benodigde gegevens beschikte, dat H adviseerde om toch sofinummers aan te vragen en dat belanghebbende hierop geen actie heeft ondernomen.

2.1.5. De in de uitspraak van de rechtbank genoemde I (zie 2.4 uitspraak rechtbank) is een medewerker van een door belanghebbende ingeschakeld belastingadvieskantoor K. In een notitie, gedateerd 27 mei 1993, gericht aan I en afkomstig van twee kantoorgenoten van hem, staat:

“Wij gaan uit van de volgende feiten:

? X BV is een groothandel in (o.a.) paling;

? er zijn in totaal ongeveer 24 werknemers in het bedrijf werkzaam;

? tot de activiteiten van X BV behoort o.a. het schoonmaken van paling, hetgeen vies en koud werk is. De animo bij Nederlandse werknemers voor dit soort werk is uiterst gering;

? daarom zijn drie jaar geleden vier Poolse werknemers aangetrokken. Deze Polen werken tot volle tevredenheid;

? deze werknemers zijn in de loonadministratie opgenomen: premies werknemersverzekeringen en loonheffing worden afgedragen;

? er is voor hen geen tewerkstellingsvergunning;

? deze Poolse werknemers hebben geen verblijfsvergunning of enige andere verblijfstitel:

? kost en inwoning (gedurende de werkweek verblijven de Polen in Port-a-cabins) wordt door de werkgever verzorgd; in de weekeinden gaan deze werknemers naar Polen, waar hun gezinnen wonen. De gemeente is op de hoogte van het verblijf in de Port-a-cabins.

(…)

Op Kamervragen heeft de Minister van Justitie mede namens de Minister van Financiën gezegd dat de handelswijze van de belastingdienst erop gericht is te voorkomen dat aan illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen sofinummers worden verstrekt. (…) De illegaal in Nederland verblijvende werknemer kan derhalve geen sofinummer verkrijgen.

Een werkgever die een illegaal in Nederland verblijvende werknemer in dienst heeft, zal dus in zijn loonadministratie geen sofinummer kunnen vermelden en kan daardoor niet (geheel) voldoen aan zijn administratieve verplichtingen (…). (…). Naar onze mening behoeft niet het 60% tarief (zonder toepassing van een belastingvrije som) te worden gehanteerd. Er is immers geen sprake van een werknemer waarvan bij de werkgever naam, adres of woonplaats niet bekend zijn.”

2.1.6. De Belastingdienst (Centrale beheereenheid informatiesystemen Apeldoorn) verzond jaarlijks aan belanghebbende een mededeling betreffende de over het voorafgaande jaar door belanghebbende gedane opgaaf van loongegevens. In de mededelingen betreffende het jaar 1999 is ten aanzien van zes werknemers vermeld dat sofinummers onjuist, dan wel niet zijn ingevuld; in de mededeling betreffende het jaar 2000 is ten aanzien van vijf werknemers vermeld dat sofinummers onjuist, dan wel niet zijn ingevuld. In deze mededelingen is belanghebbende verzocht de gesignaleerde gebreken vóór het inleveren van de eerstvolgende loonbelastingkaarten te herstellen. Voorts is in de hiervoor vermelde mededelingen het volgende vermeld:

“Let op: Het is niet nodig dat u (…) alsnog een verbeterde opga[ave][f] doet (…).”

In de ‘mededelingen’ betreffende de jaren 2001 en 2002 is niet vermeld dat sofinummers ontbreken; vermeld is dat de loonbelastingkaartgegevens zijn verwerkt.

2.1.7. In het verslag van het door de inspecteur ingestelde boekenonderzoek (zie 2.8. uitspraak rechtbank) staat, voor zover hier van belang:

“3.2.1. Identificatieplicht werknemers

Buitenlandse paspoorten van werknemers zonder verblijfsvergunning zijn geen documenten aan de hand waarvan de identiteit van de werknemer kan worden vastgesteld. Het gevolg hiervan is dat op het loon van de betreffende werknemers het anoniementarief van toepassing is. Hierdoor is voor de jaren 1999 tot en met 2002 (…) te weinig loonbelasting en premie volksverzekeringen afgedragen. Deze hef ik na (…)

2.1.8. De naheffingsaanslag betrof onder meer het loon van twee Poolse werknemers die in de brief van de inspecteur van 10 oktober 1997 zijn genoemd (zie 2.3 uitspraak rechtbank).

2.2. Het geschil in hoger beroep betreft, evenals voor de rechtbank, de vraag of de naheffingsaanslag, voor zover die betrekking heeft op het loon van de Poolse werknemers van belanghebbende, in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is opgelegd. Voor de rechtbank ging het uitsluitend om het vertrouwensbeginsel; in hoger beroep gaat het daarnaast ook om het zorgvuldigheidsbeginsel.

Daarnaast is in geschil of de boete terecht en voor het juiste bedrag was opgelegd.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en, kort gezegd, overwogen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur ter zake van de inhouding van de loonheffing van het uitbetaalde loon aan de Poolse werknemers enige toezegging heeft gedaan die erop neerkomt dat zij kon volstaan met toepassing van het tabeltarief. Volgens de rechtbank zijn tijdens het telefoongesprek van 12 november 1997 door de betrokken medewerker van de Belastingdienst - slechts - algemene inlichtingen en aanbevelingen omtrent de opname van de betrokken werknemers in de administratie van belanghebbende verstrekt en heeft ook anderszins bij belanghebbende niet de indruk kunnen doen ontstaan dat de in het verleden door de inspecteur gevolgde gedragslijn berustte op diens bewuste standpuntbepaling.

2.4. Belanghebbende bestrijdt het oordeel van de rechtbank. Zij meent - samengevat - dat zij aan de brief van 10 oktober 1997, in samenhang met het daaropvolgende telefonische onderhoud met de inspecteur van 12 november 1997 en het daarna uitblijven van een reactie van de zijde van de inspecteur, het vertrouwen kon ontlenen, dat zij op het loon van de Poolse werknemers het tabeltarief kon (blijven) toepassen. Daarnaast meent zij dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door met de informatie uit 1997 niets te doen en eerst in 2004 in actie te komen.

2.5. De inspecteur meent dat het oordeel van de rechtbank juist is. Zijns inziens heeft hij in de brief van 10 oktober 1997 en in het daaropvolgende telefonische onderhoud slechts algemene voorlichting gegeven. Zo die inlichtingen al onjuist zouden zijn geweest (hetgeen de inspecteur heeft betwist), dan nog kan het beroep van belanghebbende niet slagen, omdat niet is voldaan aan het alsdan toepasselijke, zogenoemde dispositievereiste.

Hij bestrijdt voorts dat hij in die brief, in het daaropvolgende telefoongesprek of anderszins het standpunt heeft ingenomen dat een naheffingsaanslag in een situatie als de onderhavige achterwege zou blijven. Maar ook indien belanghebbende uit zijn uitlatingen of gedragingen meende te kunnen afleiden dat hij ten gunste van belanghebbende van de Wet zou afwijken, zou hij daaraan niet gebonden zijn. Allereerst niet, omdat zijn standpunt dan zo duidelijk in strijd met de Wet zou zijn geweest (namelijk het toepassen van het tabeltarief, terwijl de identiteit van de werknemers niet op de voorgeschreven wijze was vastgesteld) dat belanghebbende hem niet aan dat standpunt kan houden. Voorts niet, omdat belanghebbende hem in genoemd telefonisch onderhoud onvolledig heeft geïnformeerd en zij niet te goeder trouw is geweest, zodat de inspecteur ook om die redenen niet aan een eventuele toezegging is gebonden. Het niet te goeder trouw zijn van belanghebbende baseert hij op de juridische adviezen die belanghebbende in de jaren negentig heeft ingewonnen. Uit die adviezen blijkt dat belanghebbende op de hoogte is gesteld van de inhoud van de relevante regelgeving en dat zij wist welke risico’s zij liep als zij in casu het tabel- in plaats van het anoniementarief toepaste.

Tot slot meent hij dat het enkele ontbreken van sofinummers - zoals door de Belastingdienst in de loop der jaren diverse malen is geconstateerd - niet tot naheffing hoefde te leiden.

Naar de mening van de inspecteur heeft belanghebbende ernstig onzorgvuldig gehandeld, zodat een boete van 25% zeker niet te hoog is.

2.6.1. Naar het oordeel van het Hof heeft bij de beoordeling van de onderhavige zaak in het algemeen te gelden dat aan de bevoegdheid van de inspecteur tot het opleggen van een naheffingsaanslag het vertrouwensbeginsel in de weg staat, indien de belastingplichtige in redelijkheid kan menen dat bij hem als gevolg van een handelen of nalaten van de zijde van de inspecteur de indruk is gewekt dat die inspecteur zich (welbewust) op het standpunt heeft gesteld dat voor het opleggen van een naheffingsaanslag geen reden (meer) is (vergelijk onder meer HR 13 december 1989, nr. 25.077, BNB 1990/119, HR 10 februari 1993, nr. 28.965, BNB 1993/115 en HR 10 november 1993, nr. 29.167, BNB 1994/35). In een dergelijk geval is sprake van een weloverwogen standpuntbepaling, althans van de in redelijkheid bij de belastingplichtige gewekte indruk daarvan. Hierbij geldt als voorwaarde dat de belastingplichtige de aangelegenheid die (mogelijk) tot het opleggen van een naheffingsaanslag zou kunnen leiden uitdrukkelijk en gemotiveerd bij de inspecteur aan de orde heeft gesteld.

2.6.2. In dit verband acht het Hof de volgende feiten en omstandigheden van belang. De inspecteur wist vanaf begin jaren negentig dat belanghebbende op de loonbelastingkaarten van bepaalde werknemers de sofinummers niet invulde (zie 2.1 uitspraak rechtbank). De inspecteur wees belanghebbende daar herhaaldelijk per brief op, maar ging vervolgens (kennelijk) niet tot verdere actie over.

Op 10 oktober 1997 schrijft de inspecteur belanghebbende dat hij over het jaar 1995 van met naam en toenaam genoemde werknemers loonbelastingkaarten van belanghebbende heeft ontvangen zonder dat daarop een sofinummer is vermeld en verzoekt hij haar om toezending van de sofinummers, de loonbelastingverklaringen en kopieën van de identiteitsbewijzen van die werknemers. De secretaresse van de directeur van belanghebbende heeft blijkens een aantekening op die brief op 12 november 1997 telefonisch contact opgenomen met de inspecteur (zie 2.4 uitspraak rechtbank). Het Hof ziet geen reden eraan te twijfelen dat dit gesprek heeft plaatsgevonden en dat in dit gesprek, gelet op de inhoud van de brief van de inspecteur, de daarop geschreven aantekening en de namens belanghebbende ter zitting hieromtrent afgelegde verklaring, door de secretaresse uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld dat de in de brief genoemde personen Polen waren en dat van hen loonbelastingverklaringen en kopieën van identiteitsbewijzen aanwezig waren doch dat sofinummers ontbraken, kennelijk omdat zij destijds niet over (geldige) verblijfstitels beschikten. Ook acht het Hof aannemelijk dat de inspecteur in dat gesprek belanghebbende het advies gegeven heeft om toch sofinummers en verblijfsvergunningen aan te vragen.

Het Hof acht het aannemelijk dat de inspecteur na het hiervoor vermelde telefoongesprek ervan op de hoogte was dan wel redelijkerwijs ervan op de hoogte kon zijn dat de zes hiervoor genoemde Polen niet over een rechtsgeldige titel tot verblijf in Nederland beschikten, dat belanghebbende van de Polen de identiteit niet conform artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet heeft kunnen vaststellen en dat belanghebbende ten onrechte niet op de voet van artikel 26b van de Wet heeft kunnen ingehouden.

2.6.3. Ofschoon belanghebbende (kennelijk) niet aan het door de inspecteur in zijn brief van 10 oktober 1997 gedane verzoek heeft voldaan en zij op dezelfde wijze is blijven inhouden en afdragen, dat wil zeggen onder toepassing van het tabeltarief van artikel 20a van de Wet, ondernam de inspecteur met betrekking tot de heffing van loonbelasting over het loon van de genoemde Poolse werknemers geen verdere actie. Niet in geschil is dat belanghebbende ook op het loon van sindsdien (en in ieder geval tot en met het naheffingstijdvak) in dienst getreden Poolse werknemers aldus bleef inhouden en dat zij steeds over loonbelastingverklaringen en kopieën van identiteitsbewijzen van de desbetreffende werknemers beschikte.

2.6.4. Na het telefonische onderhoud van november 1997 ontving belanghebbende jaarlijks de in 2.1.6. vermelde ‘mededelingen’. Niet in geschil is dat die mededelingen betrekking hadden op de bij belanghebbende in dienst zijnde (van tijd tot tijd andere) Poolse werknemers zonder rechtsgeldige verblijfstitel.

2.7.1. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende in redelijkheid kunnen menen dat de inspecteur ten aanzien van haar Poolse werknemers naheffing op basis van het anoniementarief weloverwogen achterwege heeft gelaten en dat zij met inhouding naar het tabeltarief kon volstaan. Het Hof heeft hierbij, gelet ook op hetgeen onder 2.6.2 tot en met 2.6.4 is vermeld, in het bijzonder in aanmerking genomen (i) dat belanghebbende ten aanzien van haar Poolse werknemers (kennelijk) ervan uitging dat naheffing achterwege bleef omdat zij in materiële zin aan haar inhoudingsverplichtingen voldeed, nu zij (wel) beschikte over loonbelastingverklaringen en kopieën van identiteitsbewijzen en het ontbreken van sofinummers (op zichzelf) geen reden kon zijn om het anoniementarief toe te passen, (ii) dat belanghebbende haar situatie in november 1997 in een gesprek met de inspecteur nadrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld en (iii) dat de inspecteur vervolgens tot 2004 geen actie heeft ondernomen, althans geen gevolg heeft verbonden aan de situatie die hem was voorgelegd; integendeel, belanghebbende ontving van de Belastingdienst juist signalen dat haar handelwijze was opgemerkt en - administratief, wat betreft het ontbreken van sofinummers - onjuist werd geacht, doch dat daaraan overigens, voor de belastingheffing, geen gevolg werd verbonden. Onder deze omstandigheden mocht belanghebbende redelijkerwijs ervan uitgaan dat de inspecteur haar hiervoor sub (i) vermelde standpunt onderschreef. Mitsdien moet in beginsel worden geoordeeld dat de naheffingsaanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd.

2.7.2. Zoals uit het voorgaande blijkt onderschrijft het Hof niet het oordeel van de rechtbank - en dat van de inspecteur - dat de brief van 10 oktober 1997 ‘algemene inlichtingen en aanbevelingen’ bevatte. De brief is blijkens haar inhoud een reactie op een aantal door belanghebbende ingeleverde loonbelastingkaarten en gaat specifiek in op de op die kaarten voorkomende gebreken. Van belang acht het Hof hierbij dat de brief - anders dan bijvoorbeeld de ‘mededelingen’ die belanghebbende na 1997 jaarlijks van de belastingdienst ontving - niet in een geautomatiseerd proces was vervaardigd, maar - kennelijk persoonlijk - door H, als inspecteur, was opgesteld en ondertekend. Van betekenis is voorts dat het telefonische onderhoud van 12 november 1997 gevoerd is met de schrijver van de brief.

Daar komt bij dat in ieder geval hetgeen de inspecteur heeft verklaard in dat op die brief volgende telefonische onderhoud, niet als algemene voorlichting kan worden bestempeld. Immers, in dat gesprek is de inspecteur juist ingegaan op de specifieke fiscale positie van belanghebbende als inhoudingsplichtige in relatie tot met naam en toenaam genoemde Poolse werknemers.

Nu het bij belanghebbende gewekte vertrouwen niet is terug te voeren op een verstrekken van inlichtingen in algemene zin, staat het dispositievereiste in dit geval – overeenkomstig vaste jurisprudentie – niet aan een honoreren van het gewekte vertrouwen in de weg. In het midden kan blijven of overigens in het onderhavige geval ten gevolge van het niet-handelen van de inspecteur een situatie is ontstaan op grond waarvan moet worden geoordeeld dat aan het dispositievereiste is voldaan.

2.7.3. Het standpunt van belanghebbende dat in casu kon worden volstaan met inhouding op basis van het tabeltarief acht het Hof - in tegenstelling tot de inspecteur - ook niet dusdanig in strijd met een juiste toepassing van de Wet dat belanghebbende de inspecteur in redelijkheid niet aan zijn (vermeende) goedkeuring van dat standpunt kon houden. Van belang hierbij acht het Hof dat belanghebbende de identiteit van de Poolse werknemers weliswaar niet overeenkomstig de Wet had vastgesteld, maar dat zij die identiteit wel kende en bovendien wist waar de Polen verbleven. Voorts acht het Hof hierbij van belang dat toepassing van het anoniementarief in het onderhavige geval weliswaar volgt uit het ontbreken van geldige verblijftitels en daarmee van identiteitsbewijzen in de zin van artikel 28, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet, maar dat dit ontbreken belanghebbende bezien in het licht van het in november 1997 gevoerde telefoongesprek en de complexiteit van de ter zake geldende regelgeving niet in die mate mag worden tegengeworpen dat dit in het onderhavige geval aan een beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg staat.

2.7.4. Anders dan de inspecteur stelt is het Hof - zoals ook volgt uit rechtsoverweging 2.6.2. - van oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende de inspecteur in het telefonische onderhoud van 12 november 1997 adequaat, althans voldoende, heeft geïnformeerd. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet te goeder trouw is geweest in de zin dat belanghebbende de inspecteur bewust - laat staan opzettelijk - informatie onthouden heeft. De omstandigheid dat door belanghebbende in de jaren negentig adviezen waren ingewonnen, maakt dit, gelet op die adviezen en hetgeen in 2.7.3. is overwogen, niet anders.

2.7.5. Met betrekking tot het standpunt van de inspecteur dat het enkel ontbreken van sofinummers - zoals door de belastingdienst in de loop der jaren diverse malen is geconstateerd - niet tot naheffing hoefde te leiden, zodat daar ook geen vertrouwen aan kon worden ontleend, overweegt het Hof dat – zoals ook uit het hiervoor overwogene volgt –het bij belanghebbende gewekte vertrouwen ook niet op een (vermeend) gedogen van het ontbreken van sofinummers is gebaseerd.

2.8. Uit het voorgaande volgt dat de naheffingsaanslag niet in stand kan blijven. Daarmee vervalt ook de boete.

2.9. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de uitspraak van de inspecteur alsmede de naheffingsaanslag en de boetebeschikking vernietigen.

2.10. Nu het hoger beroep gegrond is en het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond wordt verklaard, zijn termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding voor de rechtbank en voor het Hof. De proceskostenveroordeling wordt gesteld op € 1.932 (4 punten voor proceshandelingen x factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak x € 322 per punt). De inspecteur, althans de Staat zal ook het griffierecht in beide instanties moeten vergoeden. Andere proceskosten zijn niet gesteld of gebleken.

3. Beslissing

Het Hof

? vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

? verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond;

? vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

? vernietigt de naheffingsaanslag;

? vernietigt de boetebeschikking;

? veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.932 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet voldoen;

? gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van € 276 en € 422, derhalve totaal € 698.

Aldus vastgesteld door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, E.F. Faase en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst als griffier. De beslissing is op 11 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.