Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC2025

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
106.010.850/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt het beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Zaaknummer 106.010.850/01

Beslissing van 13 december 2007 in de zaak onder rekestnummer 359/07 NOT van:

[naam],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

MR. [naam],

notaris te ‘[plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellant, verder te noemen klager, is bij een op 4 april 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 14 maart 2007. In deze beslissing is het verzet van klager tegen de afwijzende beslissing van 3 augustus 2006 van de voorzitter van de kamer gegrond verklaard en is voorts de klacht van klager tegen geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, ongegrond verklaard.

1.2. Op 3 mei 2007 is van de zijde van de notaris een verweerschrift - met bijlagen - ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 oktober 2007. De notaris is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klager is, zoals aangekondigd in zijn faxbericht van 11 oktober 2007, niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de voorzitter in de beslissing van 3 augustus 2006 heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de voorzitter geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

De klacht van klager bestaat uit zes onderdelen:

1. Klager stelt dat de notaris op de hoogte was van het door zijn zuster gepleegde bedrog in de opstelling van de nalatenschap van zijn moeder en kennis had van het destijds lopende strafrechtelijke onderzoek. In dat verband is het de notaris ernstig te verwijten dat hij in april 2004 de bewindvoerder van klagers vader - de stichting CAV - het advies gaf de onderhandse lening van klagers ouders aan zijn zuster alvast te verrekenen met de nalatenschap.

2. Bij brief van 7 februari 2006 (in een eerdere klachtprocedure) heeft de notaris de kamer van toezicht opzettelijk onjuist geïnformeerd met zijn verklaring dat hij geen contact heeft gehad met de stichting CAV over de onderhandse lening.

3. De notaris heeft opzettelijk en ten onrechte ontkend dat hij bekend was met de onderhandse lening van zijn ouders aan zijn zus. Klager heeft de notaris van die lening bij brief van 31 juli 2003 op de hoogte gebracht.

4. De notaris heeft in de eerdergenoemde brief van 7 februari 2006 ten onrechte verklaard dat klager herhaaldelijk “lariekoek” over hem verkoopt.

5. De notaris heeft zijn geheimhoudingsplicht geschonden door de stichting CAV informatie te verschaffen over het testament van de vader van klager.

6. De testamenten van 6 december 2001 zijn ten kantore van de notaris opgemaakt en niet ten huize van de ouders van klager, aldus klager. Dit blijkt uit de fax van 3 april 2006 van de stichting CAV aan klager.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris bestrijdt de klacht van klager als volgt. De klachtonderdelen 1 tot en met 4 hebben alle betrekking op een vermeend advies dat de notaris zou hebben gegeven aan de stichting CAV omtrent hoe om te gaan met een onderhandse lening.

De notaris stelt zich een vermogensopstelling van All Account Advies Groep te herinneren waarin geen lening aan de zuster van klager was opgenomen. Ook in het contact dat de notaris met de ouders van klager heeft gehad in december 2001 hebben zij geen melding gemaakt van een verstrekte lening. De notaris heeft bevestigd dat hij bij brief van 31 juli 2003 door klager is geïnformeerd over de lening. De notaris heeft voorts slechts één keer telefonisch contact gehad met de stichting CAV, in april 2004, en herinnert zich niet dat hij toen een advies heeft gegeven omtrent hoe om te gaan met een verstrekte lening. De term “lariekoek” kwam voort uit enige irritatie en als reactie op de veronderstelling van klager dat de notaris wel in een bepaalde richting zou hebben geadviseerd.

5.2. Klachtonderdeel 5 refereert aan een faxbericht van de stichting CAV aan klager van 3 april 2006. In dit faxbericht wordt gesproken van “het meest recente testament” waaruit klager kennelijk en ten onrechte afleidt dat dit het testament van zijn toen nog niet overleden vader betrof. Hier is echter bedoeld het meest recente testament van de moeder van klager.

5.3. Wat betreft klachtonderdeel 6 stelt de notaris dat zowel de voorbereidende bespreking als het passeren van de aanvullende testamenten op 6 december 2001 ten huize van de ouders van klager heeft plaatsgevonden en dat het eerdergenoemde faxbericht van de stichting CAV op dit punt onjuist is.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.3. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.M.A. Verscheure en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 13 december 2007 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’s­Gravenhage

Beslissing d.d. 14 maart 2007 op het verzet tegen de afwijzende beslissing d.d. 3 augustus 2006 van de voorzitter van de Kamer als bedoeld in artikel 99 lid 2 van de Wet op het notarisambt inzake de klacht onder nummer 06-17, alsmede op voormelde klacht, welk[e] verzet respectievelijk klacht is ingesteld door:

[naam],

wonende te [plaats],

hierna ook te noemen: klager,

tegen

mr [naam],

notaris te [naam],

hierna ook te noemen: de notaris.

De procedure

Het verzet is ingekomen op 17 augustus 2006, derhalve binnen veertien dagen na 4 augustus 2006, de dag van verzending aan klager van afschrift van de beslissing van de voorzitter. Het verzet is mitsdien tijdig ingesteld.

De mondelinge behandeling van het verzet en de klacht heeft plaatsgevonden op 13 december 2006.

Op verzoek van klager is hij door de Kamer in de gelegenheid gesteld om over het verzet, alsmede ­ voor het geval het verzet gegrond wordt verklaard ­ over de klacht te worden gehoord en is in overleg met partijen de behandeling bepaald op 13 december 2006. Klager is daartoe opgeroepen, maar heeft vóór de zitting telefonisch te kennen gegeven er vanaf te zien om te verschijnen.

De notaris is, als opgeroepen, verschenen.

Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

Het verzet

Klager handhaaft in het verzetschrift zijn klacht. Klager heeft tegen voormelde beslissing van de voorzitter het volgende ingebracht. Hij verwijst hiervoor naar na te melden tekst op pagina 1 van de brief van 7 februari 2006 die de notaris als dupliek in de klachtprocedure bij deze Kamer onder nummer 05-37 heeft ingezonden:

“Ik herinner mij niets van een hier gesuggereerd advies. Ik heb met de bewindvoerder in het geheel geen contact gehad over welke lening dan ook en ben niet bekend met het wel of niet bestaan van een lening als hier bedoeld.”

Voormelde tekst betreft volgens klager twee onderdelen van de onderhavige klacht [als nummers 2 en 3 vermeld in de beslissing van de voorzitter], namelijk:

2. De notaris heeft de Kamer opzettelijk onjuist geïnformeerd door bij schrijven d.d. 7 februari 2006 [dupliek in de procedure met klacht nr 05-37] te vermelden dat hij geen contact heeft gehad met de bewindvoerder over de onderhandse lening aan de zus van klager.

3. De notaris ontkent bekend te zijn met de onderhandse lening van de ouders aan de zus, waarvan klager de notaris bij brief d.d. 31 juli 2003 op de hoogte heeft gebracht [bladzijde 2 van bijlage 6 van de klacht, de vermogensopstelling van All Account Adviesgroep ten behoeve van de belastingaangifte van klager als erfgenaam].

In zijn verweer in de onderhavige klachtprocedure heeft de notaris zich volgens klager enkel beperkt tot het al dan niet door hem gegeven zijn van het advies en tot de wijze van totstandkoming van de testamenten van de moeder en van het laatste testament van de vader van klager. Hoewel de notaris in de klachtprocedure onder nummer 05­37 heeft ontkend bekend te zijn met het wel of niet bestaan van een lening, heeft hij in de onderhavige klachtprocedure niet ontkend het schrijven d.d. 31 juli 2003 van klager [bijlage 6 bij de klacht] te hebben ontvangen, waarin klager de notaris op de hoogte heeft gebracht van de boven tafel gekomen onderhandse lening. Daarnaast stelt de notaris zich niet met zekerheid te kunnen herinneren of, in zijn telefonisch contact in april 2004 met mevrouw [naam], verbonden aan de Stichting CAV, welke stichting bewindvoerder is geweest van de vader van klager, de onderhandse lening ter sprake is geweest, doch hij wenst dit ook niet uit te sluiten.

In zijn beslissing tot afwijzing van de klacht als kennelijk niet­gegrond heeft de voorzitter het volgens klager te dien aanzien ontoereikend verweer van de notaris ten onrechte niet meegewogen, aldus klager.

De beoordeling van het verzet

De Kamer verwijst voor de feiten en de inhoud van de klacht naar hetgeen terzake in de beslissing van 3 augustus 2006 is overwogen.

Samengevat gaat het in het verzet om de vraag of het verweer van de notaris ten aanzien van voormelde twee klachtonderdelen een kennelijke ongegrondverklaring van de klacht heeft gerechtvaardigd.

De Kamer is op grond van haar [summiere] onderzoek van oordeel ­ gelet op klagers verzetschrift ­ dat de klacht niet kennelijk ongegrond is, zodat zij het verzet gegrond zal verklaren en hierna zal overgaan tot beoordeling van de klacht.

De klacht en het verweer van de notaris

De klacht valt uiteen in zes onderdelen.

1. Gezien de kennis die de notaris droeg van het door de zus van klager gepleegde bedrog in de opstelling van de nalatenschap van de moeder en zijn kennis van het lopende strafrechtelijke onderzoek is het de notaris te verwijten dat hij in april 2004 de Stichting CAV [bewindvoerder van de vader] advies heeft gegeven de onderhandse lening alvast te verrekenen met de nalatenschap.

2. De notaris heeft de Kamer opzettelijk onjuist geïnformeerd door bij schrijven d.d. 7 februari 2006 [dupliek in de procedure met klacht nr 05-37] te vermelden dat hij geen contact heeft gehad met de bewindvoerder over de onderhandse lening aan de zus.

3. De notaris ontkent bekend te zijn met de onderhandse lening van de ouders aan de zus, waarvan klager de notaris bij brief d.d. 31 juli 2003 op de hoogte heeft gebracht [bladzijde 2 van bijlage 6 van de klacht, de vermogensopstelling van All Account Adviesgroep ten behoeve van de belastingaangifte van klager als erfgenaam].

4. De notaris heeft herhaaldelijk verklaard dat klager “lariekoek” over hem verkoopt en heeft op dergelijke wijze de Kamer valselijk geïnformeerd [bijlage 1 bij de klacht].

5. De notaris heeft de “Notariswet” overtreden door de regels rondom geheimhouding te schenden door in het telefoongesprek met de bewindvoerder informatie aan derden te verstrekken over het meest recente testament van de vader.

6. Het testament d.d. 6 december 2001 is ten kantore van de notaris opgemaakt en niet elders, zoals blijkt uit de fax van 3 april 2006 van de bewindvoerder aan klager.

De notaris heeft gemotiveerd zowel schriftelijk als ter zitting verweer gevoerd, dat hierna ­ voor zover nodig ­ zal worden besproken.

De beoordeling van de klacht

Klachtonderdelen 2 en 3

Ter zitting heeft de notaris zijn verweer aldus toegelicht dat hij ten tijde van het opmaken van de testamenten van de ouders van klager niet bekend is geweest met de onderhandse lening, dit te minder nu hem het bestaan van voormelde lening indertijd bij de bespreking van de testamenten met de ouders ook niet is meegedeeld. De notaris was wel bekend met de brief van 31 juli 2003 van klager, maar heeft het vervolgens niet noodzakelijk geoordeeld om te reageren op de in de bijlage bij die brief van klager vervatte mededeling omtrent het bestaan van een onderhandse lening, nu de notaris daaraan voorafgaand nimmer van die lening had afgeweten.

Voor de Kamer staat genoegzaam vast dat de notaris, vanaf klagers brief van 31 juli 2003 aan de notaris en diens compagnon, notaris mr [naam], wist of kon weten van de onderhandse lening, nu deze in de bijlage bij die brief met zoveel woorden wordt vermeld.

Uit de stukken blijkt naar het oordeel van de Kamer echter niet dat de notaris op de een of andere wijze een onjuist gebruik heeft gemaakt van zijn [mogelijke] bekendheid met de lening.

Voorts heeft de notaris ter zitting herhaald dat hij zich niet met zekerheid kan herinneren of hij in april 2004 telefonisch met de bewindvoerder daadwerkelijk heeft gesproken over de onderhandse lening, doch dat hij dit ook niet wenst uit te sluiten. Wel heeft hij in dat gesprek de bewindvoerder meegedeeld dat hij voor het maken van een verklaring van erfrecht een vermogensopstelling aan de accountant had opgevraagd. In de daaropvolgende vermogensopstelling van de accountant, All Acount Adviesgroep, was geen onderhandse lening opgenomen. Uiteindelijk is de verklaring van erfrecht niet totstandgekomen. Zijn compagnon, notaris [naam], was volgens het faxbericht van 3 april 2006 van de bewindvoerder aan klager wellicht bekend met het bestaan van de onderhandse lening, maar heeft de notaris ­ voor zover deze het zich kan herinneren ­ niet daarover geïnformeerd.

De Kamer ziet onvoldoende aanknopingspunten om voormeld verweer van de notaris onaannemelijk te achten, dit te minder nu de bewindvoerder in meergenoemd faxbericht geen melding heeft gemaakt van enige bekendheid bij de notaris met de lening en mede in aanmerking genomen dat klager geen bewijs heeft aangevoerd van het tegendeel.

Daarnaast moet worden vastgesteld dat het hier gaat om een aangelegenheid die reeds zeer geruime tijd speelt en waarin ook procedureel inmiddels het nodige is voorgevallen, zodat naar het oordeel van de Kamer de notaris niet kan worden verweten dat hij zich niet steeds weer exact ieder detail uit elk gesprek en geproduceerd stuk of bijlage daarbij of een daaropvolgende reactie kan herinneren.

Gelet op het vorenstaande is de Kamer van oordeel dat de notaris met de hem in deze klachtonderdelen verweten gedragingen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is daarom in deze onderdelen ongegrond.

Overige klachtonderdelen

Het onderzoek van deze klachtonderdelen heeft naar het oordeel van de Kamer niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel andere beschouwingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter, waarmee de Kamer zich verenigt.

De beslissing

De Kamer van Toezicht voormeld:

verklaart het verzet gegrond;

verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs R.G. Kok, voorzitter, R. van der Galiën, G.H.I.J. Hage, J. Smal en N.P.C. van Wijk, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr A. Saab, in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2007.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing ­ voor zover die de klacht betreft ­ staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.