Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1990

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
106.010.719
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAM

Zaaknummer: 106.010.719

Bij vervroeging

Beslissing van 20 december 2007 in de zaak onder rekestnummer 228/2007 NOT van:

[naam].,

gevestigd te [plaats],

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. M.J. Meermans-de Vries,

t e g e n

MR. [naam],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. G.A.J Boekraad.

1. Het geding in hoger beroep

Van de zijde van appellante, verder te noemen klaagster, is bij een op 1 maart 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met één bijlage - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 30 januari 2007, waarbij de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 24 mei 2007 een verweerschrift – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Op 6 december 2007 is van de zijde van klaagster een nadere productie bij de griffie van het hof ingekomen.

1.4. Van de zijde van de notaris is op 10 december 2007 ter griffie van het hof per faxbericht eveneens nog een aantal producties ingekomen.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 december 2007. De gemachtigde van klaagster, de notaris en de gemachtigde van de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van pleitnotities.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. De stelling die namens klaagster naar voren is gebracht dat de vastgestelde feiten onvolledig zijn, zal het hof – voor zover van belang – bij zijn beoordeling betrekken.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Namens klaagster wordt de notaris verweten dat hij een concept - levering met betrekking tot alle aandelen [A] hield in de besloten vennootschap [B]. heeft opgemaakt terwijl het feitelijk en juridisch niet mogelijk was deze aandelen te leveren, aangezien zij niet meer in het bezit van [A] waren en [B]. was geliquideerd.

4.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij bij brief van 15 februari 2006 heeft bericht dat deze brief niet diende te worden beschouwd als de oproeping zoals omschreven in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 januari 2006, omdat deze oproeping al had plaats gevonden bij brief van 3 februari 2006. De notaris heeft door aldus te handelen een oordeel gegeven met betrekking tot de eerder vermelde brief, wat hij niet had mogen doen aangezien zulks niet tot zijn competentie behoorde. Door dat te doen heeft hij er blijk van gegeven op de hand van [A] te zijn.

4.3. Ook wordt de notaris verweten dat hij in het door hem opgestelde proces-verbaal de eenzijdige passus heeft opgenomen dat de raadsman van klaagster niet tot ondertekening van de leveringsakte over wilde gaan, hetgeen in strijd was met de tijdens de bespreking van 13 februari 2006 door de notaris gedane toezegging dat hij in de proces-verbaalakte alleen zou opnemen dat de leveringsakte niet is getekend.

4.4. In het algemeen wordt de notaris verweten dat hij zijn ambt niet onafhankelijk en onpartijdig heeft uitgeoefend en op geen enkele wijze de belangen van klaagster heeft behartigd.

4.5. Ten slotte wordt namens klaagster bewijs aangeboden van haar stellingen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van getuigen.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris betwist de stellingen van klaagster en verweert zich als volgt.

5.2. De notaris stelt zich op het standpunt dat hij slechts uitvoering heeft gegeven aan het dictum van het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Hierbij werd de raadsman van klaagster de verplichting opgelegd te verschijnen op het kantoor van de notaris op een door de notaris te bepalen tijdstip om zijn medewerking te verlenen aan de leveringsakte. Hierdoor raakte de notaris betrokken bij een geschil dat klaagster en [A] reeds jaren verdeeld hield. De notaris brengt in dat verband naar voren dat hij wel degelijk heeft onderzocht of [B]. inmiddels was geliquideerd. Zowel op 7 februari als op 13 februari 2006 heeft hij een uittreksel uit het handelsregister opgevraagd, terwijl het liquidatiebesluit pas op 22 maart 2006 ter inschrijving bij het handelsregister werd aangeboden en de raadsman van klaagster het liquidatiebesluit niet aan de notaris heeft kenbaar gemaakt voorafgaand aan of tijdens de bijeenkomst van 13 februari 2006.

5.3. Met betrekking tot de brief van 15 februari 2006 betreffende de oproeping van klaagster en [A], merkt de notaris op zich er bij het schrijven van die brief terdege van bewust te zijn geweest dat het dictum van het arrest hem de instructie verschafte om partijen slechts éénmaal op te roepen om te verschijnen. De notaris wilde echter na de eenmaal door hem gedane oproeping voor de bijeenkomst van 13 februari 2006 partijen op hun eigen verzoek nogmaals in de gelegenheid stellen om alsnog tot overeenstemming te komen. Het overleg heeft niet tot enig resultaat geleid. Van bevoordeling van [A] is geen sprake geweest.

5.4. Ten aan zien van het proces-verbaal heeft de notaris betoogd dat hij hierin de feitelijk toedracht zakelijk heeft weergegeven. De notaris ontkent in dat verband ten stelligste dat hij gezegd zou hebben tijdens de bijeenkomst dat hij alleen zou constateren dat de leveringsakte niet door partijen was ondertekend.

5.5. Ten slotte heeft de notaris benadrukt dat hij slechts uitvoering heeft gegeven aan hetgeen hem was opgelegd ingevolge het arrest van het gerechtshof. Toen [A] zich tot hem wendde met het verzoek uitvoering te geven aan het dictum van het arrest, stond het hem – gelet op de feiten en omstandigheden - niet vrij om zijn ministerie te weigeren.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Het bewijsaanbod van klaagster zal het hof passeren omdat het onvoldoende is onderbouwd, dan wel niet ter zake dienende is.

6.3. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, A.L.G.A. Stille, en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 20 december 2007 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN

TE AMSTERDAM

Beslissing van 30 januari 2007 op de klacht met nummers 336632 / NT 06-20 AB van:

[naam],

gevestigd te [plaats],

raadsman mr. M.P.M. Fruytier,

tegen:

mr. [naam],

notaris te [plaats],

raadsman mr. G.A.J. Boekraad.

Het verloop van de procedure

De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:

- klaagschrift met bijlagen van 27 februari 2006;

- verweerschrift met bijlage van 28 maart 2006;

- repliek van 25 april 2006 en brief met bijlagen van 2 mei 2006;

- dupliek met bijlagen van 23 mei 2006;

- brief met bijlagen mr. Boekraad van 6 oktober 2006.

Bij de behandeling van de klacht op 12 oktober 2006 zijn zowel klaagster, vertegenwoordigd door haar raadsman, als de notaris, vergezeld van zijn raadsman, verschenen. Beide partijen hebben het woord gevoerd en hun standpunten nader toegelicht. De uitspraak is aanvankelijk bepaald op 14 december 2006 en vervolgens uitgesteld tot 30 januari 2007.

De feiten

1. Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a. Klaagster heeft met vennootschap [naam]., verder te noemen [A], een koopovereenkomst gesloten waarbij is overeengekomen dat klaagster per 31 januari 2001 alle aandelen van [A] (genummerd 6.501.30[B]. zou overnemen tegen betaling van een koopprijs van ƒ 2.250.000,=.

b. Tussen klaagster en [A] is een geschil ontstaan over de uitleg van die overeenkomst. Klaagster heeft geweigerd haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen. [A] heeft klaagster in rechte betrokken en nakoming gevorderd, welke vordering door de rechtbank te Utrecht is afgewezen bij vonnis van 11 juni 2003. [A] werd (in reconventie) veroordeeld het reeds ontvangen voorschot terug te betalen. Op 4 september 2003 heeft klaagster uit kracht van dat vonnis executoriaal beslag doen leggen op de 1.833.699 door [A] gehouden [B] genummerd 6.501.391 tot en met 8.335.000. De rechtbank Utrecht heeft bij beschikking van 12 november 2003 toestemming verleend voor de executoriale verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen. Op 7 mei 2004 heeft kandidaat-gerechtsdeurwaarder H.A. van Ooijen een proces-verbaal opgemaakt waarin is vastgelegd dat de aandelen zijn verkocht en overgedragen aan klaagster tegen een koopprijs van € 1.000,=.

c. [A] is van het vonnis van de rechtbank Utrecht in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 19 januari 2006 heeft het gerechtshof het vonnis vernietigd en onder meer beslist:

“Veroordeelt [klaagster]. om binnen zes weken na betekening van het in deze te wijzen arrest te verschijnen ten kantore van notaris mr. [naam] te [plaats] dan wel de bewaarder van diens protocol, op een door deze notaris vast te stellen tijdstip, teneinde medewerking te verlenen aan de ondertekening van de leveringsakte strekkende tot overdracht van het gehele[B]., derhalve 1.833.699 aandelen, genummerd van 6.501.301 tot en met 8.355.000, elke groot f 1.19 nominaal, aan [klaagster]. tegen storting door [klaagster]. onder genoemde notaris van het restant van de koopsom groot € 907.560,= (f 2.000.000,=), zulks op straffe van een dwangsom van € 45.000,= per dag voor elke dag dat klaagster daarmee in gebreke blijft, zulks met een maximum van € 1,125 miljoen en met bepaling dat na incasso van de gehele dwangsom een authentiek afschrift van het onderhavige arrest in de plaats van de hiervoor genoemde medewerking zal treden;

Veroordeelt [klaagster]. om, gelijktijdig met de overdracht van de verkochte aandelen van B., aan A te betalen het in de vorige alinea genoemde, onder de notaris gestorte bedrag van € 907.560,= (f 2.000.000,=), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag sedert 7 maart 2001 tot de voldoening;”

Op 25 januari 2006 is het arrest, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, aan klaagster betekend. Klaagster heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest.

d. De notaris heeft klaagster en [A] uitgenodigd om op 13 februari 2006 de leveringsakte te ondertekenen. Op 13 februari 2006 zijn klaagster en [A] wel bij de notaris verschenen, maar de akte is niet verleden. Daarop heeft de notaris op 14 februari 2006 een proces-verbaal opgesteld, dat, voorzover van belang, luidt:

“Omstreeks datzelfde tijdstip (13 februari 2006 omstreeks 16.00 uur, KvT) heb ik geconstateerd dat voormeld bedrag ad één miljoen éénhonderd vierennegentigduizend vijfhonderd drieëntwintig euro en negenentachtig eurocent (EUR 1.194.523,89) niet op de Derdenrekening is ontvangen, hetgeen ik aan de verschenen personen heb medegedeeld. Fruytier (de raadsman van klaagster, KvT) heeft daarop gereageerd door te bevestigen dat de koopsom voor de Aandelen niet is betaald op de Derdenrekening. Overigens gaf Fruytier aan niet tot ondertekening van de akte in de voorliggende vorm te willen overgaan.”

e. De notaris heeft afschriften van het onder d. genoemde proces-verbaal op 15 februari 2006 aan de raadslieden van klaagster en [A] toegezonden met een begeleidend schrijven dat, voorzover van belang luidt:

“Wellicht ten overvloede deel ik u mede dat deze brief niet dient te worden beschouwd als de oproeping als omschreven in het arrest (...), daar deze oproeping reeds heeft plaatsgevonden bij mijn brief van 3 februari 2006, die leidde tot de bijeenkomst van eergisteren”.

f. Op 13, 14 en 16 februari 2006 heeft [A] uit kracht van het arrest executoriaal beslag doen leggen op alle door klaagster gehouden aandelen in [C]

g. Bij deurwaardersexploot van 21 februari 2006 is klaagster namens [A] aangezegd dat zij vanaf 14 februari 2006 dwangsommen verschuldigd is geworden, met gelijktijdig bevel vanaf die datum de verschuldigde dwangsommen te betalen en voorts met aanzegging dat bij niet voldoening aan het bevel zal worden overgegaan tot tenuitvoerlegging door alle middelen rechtens.

h. Bij vonnis van 2 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht in een door klaagster aangespannen executiegeschil geoordeeld dat [A] geen redelijk te respecteren belang heeft om thans, voordat de Hoge Raad zich in cassatie over het arrest van het gerechtshof heeft uitgelaten, tot tenuitvoerlegging van het arrest over te gaan. De door [A] aangevangen executie werd geschorst.

i. Bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 14 september 2006 is dit laatste vonnis vernietigd en zijn de vorderingen van klaagster in het executiegeschil alsnog afgewezen.

De klacht

2.1 De door [A] gewenste levering was feitelijk en juridisch niet mogelijk. De notaris had dit, indien hij zijn werk zorgvuldig had gedaan, op eenvoudige wijze kunnen constateren. De voorzieningenrechter in Utrecht heeft klaagster in de onder h. vermelde beslissing op dit punt gelijk gegeven. Ten eerste was [A] niet in staat de aandelen te leveren, omdat zij daarover niet langer beschikte, hetgeen de notaris wist. Ten tweede was [B] op 13 februari 2006 geliquideerd. De notaris had van dit feit kennis kunnen nemen door enig onderzoek te verrichten, hetgeen hij heeft nagelaten. Desondanks, en hoewel klaagster de notaris al bij brief van 10 februari 2006 had bericht dat zij er niet aan behoeft mee te werken dat een akte zou worden verleden waarin onwaarheden staan, heeft de notaris in opdracht van [A] een eenzijdige concept leveringsakte opgesteld, waarin sprake is van een levering van de aandelen in [B].

2.2 Verder heeft de notaris in de onder e. aangehaalde brief bepaald dat die brief niet diende te worden beschouwd als de oproeping als omschreven in het arrest, omdat deze oproeping reeds had plaatsgevonden bij zijn brief van 3 februari 2006. Het is echter niet aan de notaris om te beoordelen of een brief de brief is als bedoeld in het arrest. Het door de notaris verwoorde standpunt is geen feitelijk oordeel, maar een door [A] gewenst standpunt.

2.3 Het door de notaris opgestelde proces-verbaal bevat niet alleen de constatering dat de leveringsakte niet is ondertekend, maar tevens de constatering dat de gelden niet op de derdenrekening zijn ontvangen en de – partijdige – constatering dat de raadsman van klaagster niet tot ondertekening van de akte wilde overgaan. Dit is in strijd met de door de notaris tijdens de bespreking op 13 februari 2006 gedane toezegging dat hij in het proces-verbaal alleen zou opnemen dat de leveringsakte niet is ondertekend.

2.4 Door te handelen zoals hij heeft gedaan heeft de notaris zijn ambt niet onafhankelijk

uitgeoefend en heeft hij op geen enkele wijze de belangen van klaagster in het oog gehouden. In dit kader verdient opmerking dat mevrouw mr. [naam], kantoorgenoot van de notaris, (ex-)echtgenote is van [naam], directeur en enig aandeelhouder van [A]. Het heeft er alle schijn van dat mevrouw [naam] direct dan wel indirect de grootste schuldeiser is van [A] en belang heeft bij de opbrengst van de incassowerkzaamheden, die worden ingezet met behulp van het proces-verbaal van de notaris.

Het verweer

3.1 Uit het op 7 mei 2004 door kandidaat-gerechtsdeurwaarder Van Ooijen opgemaakte proces-verbaal valt niet af te leiden dat de blokkeringsregeling is nageleefd. De notaris heeft over deze kwestie navraag laten doen bij het kantoor van Van Ooijen. De verkregen informatie heeft echter niet geleid tot overlegging van een document waaruit bleek dat de blokkeringsregeling destijds is nageleefd, noch tot mondelinge bevestiging daarvan. Het is derhalve sterk de vraag of dat proces-verbaal wel heeft geleid tot levering van de aandelen. Anders dan klaagster meent, achtte de notaris zich niet gehouden de directie van [B] zijnde klaagster, te vragen of en op welke wijze zij overleg had gepleegd met de overige aandeelhouders, teneinde zo na te gaan of de blokkeringsregeling in acht was genomen. Volgens de notaris miskent klaagster daarmee dat een notaris in een dergelijke situatie niet kan volstaan met kennisname van mondelinge mededelingen van één van de bij de akte betrokken partijen. De notaris heeft wel degelijk onderzocht of [B] inmiddels was geliquideerd. Hij heeft zowel op 7 februari als op 13 februari 2006 een uittreksel uit het Handelsregister opgevraagd. Uit die uittreksels bleek niet van een liquidatie. Het liquidatiebesluit is pas op 22 maart 2006 ter registratie aan het Handelsregister aangeboden. De raadsman van klaagster heeft het liquidatiebesluit ook niet aan de notaris overgelegd voorafgaand aan of tijdens de bijeenkomst van 13 februari 2006. Op die datum kon de notaris dus niet vaststellen dat er een (rechtsgeldig) liquidatiebesluit was genomen. Bij deze stand van zaken en bij afweging van de belangen van partijen bij de tenuitvoerlegging van het arrest, zag de notaris geen reden zijn medewerking te weigeren aan het verlijden van de leveringakte. Anders dan klaagster suggereert heeft de notaris de conceptakte zelfstandig opgemaakt en dus niet in eenzijdig overleg met [A]. Pas tijdens de bijeenkomst op 13 februari 2006 heeft de raadsman van klaagster commentaar op het concept geleverd.

3.2 De notaris heeft in zijn brief van 15 februari 2006 toegevoegd dat dit geen oproeping was als bedoeld in het arrest, omdat hij zich terdege bewust was van de geringe ruimte die de in het dictum van het arrest verwoorde, aan hem gerichte, instructie bood. Hij kon partijen één keer oproepen en niet zo vaak als nodig zou zijn om binnen de termijn van zes weken alsnog tot overeenstemming te komen. De rol van de notaris in deze was immers van instrumenterende en uitvoerende aard. Nadat hij de taak die hem in het arrest was toebedeeld had uitgevoerd, was de notaris bereid om, op gezamenlijk verzoek van klaagster en [A], in een andere rol behulpzaam te zijn bij een poging van partijen om alsnog overeenstemming te bereiken over de inhoud van de akte. Voor een juist begrip van zijn positie wilde de notaris er geen misverstand over laten bestaan dat hij dat niet deed ter uitvoering van de taak die hem in arrest was toebedeeld. De aldus gedane mededeling in zijn faxbrief van 15 februari 2006 had dus ook de betekenis van een feitelijke constatering.

3.3 De notaris ontkent dat hij tijdens de bijeenkomst zou hebben gezegd dat hij alleen zou constateren dat de leveringsakte door partijen niet was ondertekend. Hij heeft bij die gelegenheid gezegd dat de akte een onbevooroordeelde weergave zou bevatten van de relevante feiten. Naar de overtuiging van de notaris is het door hem opgemaakte proces-verbaal ook slechts constaterend voor wat betreft de relevante feiten die hebben geleid tot de samenkomst, alsmede het verloop daarvan. Ten overvloede merkt de notaris op dat het proces-verbaal door hem zelfstandig is opgemaakt en op geen enkele wijze voorafgaand aan het passeren onderwerp van overleg is geweest met een van de betrokken partijen.

3.4 Met betrekking tot zijn vermeende partijdigheid merkt de notaris op dat hij zich niet zelf heeft opgeworpen om deze akte te passeren, maar dat hij daartoe is aangewezen door het gerechtshof. Toen [A] zich tot hem wendde met het verzoek uitvoering te geven aan het bepaalde in het dictum van het arrest, stond het de notaris op grond van zijn ministerieplicht niet vrij om aan dat verzoek geen gehoor te geven. De notaris was en is zich niet bewust van feiten of omstandigheden die maken dat hij gehouden was zijn ministerie te weigeren. Het enkele feit dat de directeur enig aandeelhouder van [A] de voormalige echtgenoot is van een kantoorgenoot van de notaris vormde daartoe ook geen grond. Zeker niet in het licht van het gegeven dat het gerechtshof de notaris nu eenmaal had aangewezen en de rol die hem door het gerechtshof was toebedeeld zuiver instrumenteel en uitvoerend was.

De beoordeling

4.1 Op grond van artikel 98 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen en kandidaat-

notarissen aan tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. Thans staat ter beoordeling of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Op 13 februari 2006, de datum die de notaris ingevolge het arrest van 19 januari 2006 had vastgesteld, waren er twee omstandigheden die in de weg konden staan aan levering overeenkomstig dat arrest in [B]., namelijk dat de aandelen niet meer in het bezit van [A] waren en dat [B] inmiddels was geliquideerd. De eerste omstandigheid was al bekend gedurende de procedure waartoe het arrest heeft geleid. In het arrest is daarover niets te vinden. De tweede omstandigheid dateert van kort daarna.

4.3 Voor zover klaagster daarmee in de onmogelijkheid kwam te verkeren om te voldoen aan de op straffe van een dwangsom tegen haar uitgesproken veroordeling, was het aan haar om ofwel met de wederpartij tot overeenstemming te komen over de vraag hoe dan wèl aan het arrest kon worden voldaan, ofwel een executiegeschil aan te spannen. In beide gevallen had zij de notaris tijdig kunnen verzoeken het tijdstip voor het passeren van de leveringsakte zo laat mogelijk binnen de door het hof bepaalde termijn van zes weken na betekening vast te stellen. Dat heeft zij echter niet gedaan. Zij heeft evenmin om uitstel verzocht toen de datum van 13 februari 2006 eenmaal was vastgesteld.

De mogelijke executieproblemen dienden in ieder geval niet voor de notaris te worden uitgevochten en het lag ook niet op zijn weg zich daarover uit te laten. De notaris heeft terecht gedaan wat hem in het arrest was opgedragen. Weliswaar was denkbaar geweest dat de notaris in het proces-verbaal ook had vermeld waarom klaagster niet wilde overgaan tot ondertekening van de akte in de voorliggende vorm, maar daar was de zaak niet anders van geworden. Klaagster voldeed immers in ieder geval niet aan het arrest van 19 januari 2006 en verbeurde dus dwangsommen zolang de executie niet werd geschorst, dan wel in hoger beroep anders zou worden beslist.

4.4 Voor het klachtonderdeel dat de notaris zijn ambt niet onafhankelijk zou hebben uitgeoefend – waarbij wordt gesuggereerd dat dit te maken zou hebben met het feit dat een kantoorgenoot van de notaris connecties heeft gehad met een van de partijen bij de levering – is geen enkel aanknopingspunt in de stukken te vinden.

4.5 De slotsom is dat de klacht ongegrond is.

Beslissing

De kamer van toezicht:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.J. Beukenhorst, voorzitter, S.G. Ellerbroek, J.P. van Harseler, R.H. Meppelink en P.J. van Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. van Bennekom, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2007.

mr. E. van Bennekom, mr. A.J. Beukenhorst,

secretaris. voorzitter.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden kennisgeving.