Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1158

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
06/00554
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen de lijfrente- en kapitaalverzekering bestaat zodanige samenhang dat zij voor de in 1999 ontvangen uitkering tezamen in aanmerking moeten worden genomen. Dat de uitkering op de ene polis en de premies t.z.v. de andere polis niet zijn verrekend door de verzekerings-maatschappij doet daaraan niet af. Ook het verschil in looptijd van overeenkomsten doet er niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2008, 50
V-N 2008/17.1.5
FutD 2008-0113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P06/00554

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te P., belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak nummer AWB 05/4138 van de rechtbank Haarlem (hierna ook: de rechtbank) van 13 november 2006, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 122.705. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 21 juli 2005 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Tegen deze uitspraak van de inspecteur is namens belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij brief van 14 december 2006. Het beroepschrift is ingediend door mr. G. als gemachtigde van belanghebbende. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Ter zitting van 24 september 2007 heeft het Hof het hoger beroep behandeld. Daarbij zijn namens belanghebbende verschenen mr. G. en mr. R., alsmede namens de inspecteur T. en W.. Namens belanghebbende is ter zitting een als ‘Telefonische offerte-aanvraag’ aangeduid stuk overgelegd. De inspecteur heeft van de inhoud van dit stuk kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten.

De griffier heeft van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

De feiten

2.1. Door de rechtbank zijn, voor zover in hoger beroep van belang, de volgende feiten vastgesteld:

“2.1. Op 15 mei 1986 heeft eiseres (Hof: belanghebbende) met verzekeringsmij NN (hierna: NN) een levensverzekeringsovereenkomst gesloten (polisnummer 29), waarin zij als verzekerde en als enige begunstigde werd aangemerkt. De premie voor deze verzekering bedroeg ƒ 180.000, te voldoen op 15 mei 1986. De verzekering geeft recht op een uitkering van ƒ 12.564 per jaar indien en zolang de verzekerde in leven is, voor het eerst op 15 mei 1986.

2.2. Eveneens op 15 mei 1986 heeft eiseres met NN een levensverzekeringsovereenkomst gesloten (polisnummer 30), waarin zij als verzekerde en als eerste en haar kinderen en erfgenamen als tweede respectievelijk derde begunstigde(n) werd(en) aangemerkt. De premie voor deze verzekering bedroeg ƒ 12.564 per jaar, voor het eerst op 15 mei 1986, mits op de vervaldag de verzekerde in leven was. De verzekering gaf recht op een uitkering van ƒ 182.714, te verhogen met winstdeling, op 15 mei 1999. Uit deze verzekering heeft eiseres op 15 mei 1999 een uitkering ontvangen van ƒ 240.277.

2.3. Eiseres heeft voor het jaar 1999 voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 32.186. Daarin is geen bedrag begrepen ter zake van de hiervoor onder 2.2 vermelde uitkering. Verweerder (Hof: de inspecteur) heeft aan eiseres een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd in overeenstemming met de gedane aangifte.

2.4. Verweerder heeft zich nader op het standpunt gesteld dat de uitkering van ƒ 240.277 behoort tot het belastbare inkomen van eiseres, voor zover deze de daarvoor betaalde premies (12 ´ ƒ 12.564, ofwel ƒ 150.768) overtreft. Derhalve rekent hij een bedrag van ƒ 89.509 tot het belastbare inkomen van eiseres. Als uitvloeisel daarvan is verweerder van mening dat eiseres geen recht heeft op de in de aangifte vermelde aftrek van ziektekosten van ƒ 1.010. Verweerder heeft het belastbare inkomen van eiseres nader berekend op (ƒ 32.186 + ƒ 89.509 + ƒ 1.010 =) ƒ 122.705 en naar dat belastbare inkomen de thans in geding zijnde navorderingsaanslag opgelegd.”

Partijen hebben ter zitting verklaard dat de feiten door de rechtbank op de juiste wijze zijn weergegeven.

2.2. Het geschil

In hoger beroep is in geschil of de onder 2.1. vermelde levensverzekeringsovereenkomsten met polisnummers 29 en 30 voor de bepaling van de gevolgen voor de inkomstenbelasting tezamen in aanmerking moeten worden genomen als ware sprake van één overeenkomst, hetgeen de inspecteur stelt, dan wel beide overeenkomsten daartoe afzonderlijk in aanmerking moeten worden genomen, hetgeen belanghebbende verdedigt.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

2.3.1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, daartoe het volgende overwegende:

“Vaststaat dat tussen de hiervoor onder 2.1 en 2.2 vermelde verzekeringsovereenkomsten een samenhang bestaat, aldus dat zij tussen dezelfde partijen zijn gesloten, dat zij een gelijke ingangsdatum hebben en dat eiseres in beide overeenkomsten wordt aangeduid als verzekeringnemer, verzekerde en - uiteraard tenzij een uitkering wordt gedaan na haar overlijden - begunstigde is. Voorts is de jaarlijkse uitkering ingevolge de onder 2.1 vermelde verzekeringsovereenkomst even hoog als de jaarlijkse premie ingevolge de onder 2.2 vermelde verzekeringsovereenkomst en kent zij gedurende de looptijd van de laatstvermelde verzekeringsovereenkomst dezelfde vervaldata. Naar het oordeel van de rechtbank moet op grond daarvan worden geoordeeld dat eiseres in feite tegen betaling van een koopsom van in totaal ƒ 180.000 van NN zowel een recht op een kapitaalsuitkering als een (uitgesteld) recht op periodieke uitkeringen heeft bedongen. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat de looptijd van de verzekeringsovereenkomsten niet dezelfde is en evenmin dat de door eiseres aan NN verschuldigde premies niet zijn verrekend met de door NN aan eiseres verschuldigde periodieke uitkeringen. Ook de omstandigheid dat een kapitaalsuitkering op vaste datum tegen een koopsom geen verzekeringsproduct is, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel omdat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting niet noodzakelijkerwijs meebrengt dat zulks ook voor de toepassing van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf heeft te gelden. Daaraan doet niet af dat een verzekeraar als NN dergelijke overeenkomsten niet pleegt te sluiten, aangezien niet van belang is welke overeenkomsten NN pleegt te sluiten, doch slechts welke overeenkomsten in casu zijn gesloten.

Daaruit volgt dat eiseres niet gedurende ten minste twaalf jaren jaarlijks premies heeft voldaan, zodat de vrijstelling waarop zij zich beroept toepassing mist. Voor dat geval is niet in geschil dat de in geding zijnde navorderingsaanslag niet te hoog is. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde op de zitting van 24 september 2007.

2.5. Overwegingen

2.5.1. Gelet op hetgeen ter zitting namens belanghebbende is verklaard acht het Hof aannemelijk dat de beide in geding zijnde overeenkomsten door de agent van de verzekeringsmaatschappij in samenhang aan belanghebbende zijn aangeboden. Vaststaat dat de overeenkomsten op dezelfde dag zijn gesloten en een gelijke ingangsdatum hebben. Van beide vormen van verzekering is belanghebbende de verzekeringnemer en - bij haar leven - tevens de begunstigde. Belanghebbende heeft ter zake van het sluiten van polis 29 een koopsom betaald van f 180.000. Gedurende de looptijd van polis 30 – 15 mei 1986 tot 15 mei 1999 – is de door belanghebbende te betalen jaarlijkse premie gelijk aan de jaarlijkse uitkering die zij ontvangt op polis 29. Premie en uitkering vervallen op dezelfde datum. In geval van overlijden van belanghebbende vóór 15 mei 1999 is geen premie meer verschuldigd op polis 30 en eindigt de uitkering op polis 29. In geval van arbeidsongeschiktheid bestaat met betrekking tot polis 30 geen recht op vrijstelling van premiebetaling . Ongeacht de datum van overlijden van belanghebbende bestaat op grond van polis 30 recht op een uitkering op 15 mei 1999. Die uitkering bestaat uit een bedrag van f 182.714 vermeerderd met een aandeel in de winst. Op laatstgenoemde datum is aan belanghebbende een bedrag van f 240.277 betaald. De uitkering op polis 29 loopt tot het overlijden van belanghebbende, ook als dat na 15 mei 1999 geschiedt.

2.5.2. Uitgaande van de onder 2.5.1. vermelde feiten leiden de twee in geding zijnde overeenkomsten er materieel toe dat belanghebbende enerzijds tegen betaling van f 180.000 op 15 mei 1986, een uitkering ontvangt van f 182.714 plus winstdeling op 15 mei 1999 en anderzijds vanaf 15 mei 1999 een lijfrente-uitkering van f 12.564 per jaar ontvangt tot haar overlijden. Aan het eerste doet niet af dat de tot 15 mei 1999 door NN uitgekeerde lijfrente-uitkeringen niet verrekend zijn met de verschuldigde premie. Economisch bezien heeft er bij belanghebbende namelijk geen betaling of ontvangst plaatsgevonden.

Daarbij worden in de periode 15 mei 1986 tot 15 mei 1999 de uitkeringen op polis 29 ontvangen en de premies ter zake van polis 30 betaald, hetgeen per saldo niet leidt tot een betaling of ontvangst van enig bedrag. In dit verband merkt het Hof op dat belanghebbende, anders dan namens haar ter zitting is gesteld, in zoverre niet de vrije beschikkingsmacht over de op polis 29 ontvangen uitkering heeft. Van het voorzien in enige verzorgingsbehoefte is in die periode dan ook geen sprake.

2.5.3. Gelet op de onder 2.5.1. en 2.5.2. weergegeven feiten en omstandigheden, in hun onderling verband bezien, bestaat naar het oordeel van het Hof tussen de beide in geding zijnde overeenkomsten een zodanige samenhang dat zij voor de toepassing van de bepalingen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) met betrekking tot de in 1999 door belanghebbende ontvangen uitkering op polis 30 tezamen in aanmerking moeten worden genomen als ware sprake van één overeenkomst. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat de uitkeringen op polis 29 en de premies ter zake van polis 30 niet door de verzekeringsmaatschappij zijn verrekend, maar wederzijds zijn voldaan. Ook doet daaraan naar het oordeel van het Hof niet af dat de looptijd van beide overeenkomsten verschilt in dier voege dat de uitkering op polis 29 ook na 15 mei 1999 wordt voortgezet zolang belanghebbende leeft.

2.5.4. Uit het onder 2.5.3. overwogene volgt dat de overgangsregeling van artikel 75 van de Wet, zoals die bepaling destijds luidde, op de door belanghebbende in 1999 ontvangen uitkering op polis 30 niet van toepassing is. Daarvan uitgaande is tussen partijen niet in geschil dat de inspecteur het tot het inkomen te rekenen bedrag niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

2.5.5. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat het als één overeenkomst aanmerken van polis 29, voor zover het de periode 15 mei 1986 tot 15 mei 1999 betreft, en polis 30 – de primaire stelling van de inspecteur – dan wel polis 29 als geheel en polis 30 – de subsidiaire stelling van de inspecteur – voor de berekening van het belastbare inkomen in 1999 geen verschil maakt. De inspecteur heeft dat ter zitting niet meer bestreden. Daarvan uitgaande kan in het midden blijven of het als één overeenkomst aanmerken van beide in geding zijnde verzekeringsovereenkomsten zich mede uitstrekt tot de periode vanaf 15 mei 1999.

2.6. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

3. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. De beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, D.B. Bijl en M.J. Hamer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier. De beslissing is op 3 december 2007 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.