Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1050

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
02-01-2008
Zaaknummer
106006263 (171/07KG)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Geen spoedeisend belang bij de vordering in kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BLD VASTGOED B.V., gevestigd te Amsterdam,

2. [X], wonende te [...],

APPELLANTEN,

procureur: mr. R.A. Oskamp,

t e g e n

[Y], wonende te [...],

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. E.J. Bink.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna BLD cs en [Y] genoemd. Appellanten afzonderlijk worden ook aangeduid met BLD respectievelijk [X].

Bij dagvaarding van 30 januari 2007 zijn BLD cs in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam in het kort geding tussen partijen (BLD cs als eisers en [Y] als gedaag¬de) onder zaak-/rolnum¬mer 359487/KG ZA 06 2360 SR/MV) heeft gewezen en dat is uitgesproken op 3 januari 2007.

BLD cs hebben bij memorie vijf grieven voorgesteld, hun eis gewijzigd, bescheiden in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en [Y] zal veroordelen aan BLD cs een bedrag van € 317.847,49 te betalen, te verhogen met de wettelijke handelsrente althans met de wettelijke rente, en met veroordeling van [Y] in de kosten van het geding in beide instanties.

Daarop heeft [Y] geantwoord, de grieven bestreden en geconcludeerd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en BLD cs zal veroordelen in de kosten gevallen op het hoger beroep.

Ten slotte hebben partijen recht gevraagd op de stukken van beide instan¬ties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. In grief I voeren BLD cs aan ‘dat het [Y] is geweest die de toepasselijkheid van het Reglement wenste’ en dat de voorzieningenrechter dit ook als vaststaand feit had moeten aannemen. [Y] heeft dit bestreden. Het hof zal op dit punt hierna voor zover nodig ingaan. Voor het overige bestaat tussen partijen geen geschil over deze feiten, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 [X] is gelieerd aan BLD. BLD was tot op of omstreeks 4 januari 2007 eigenares van het zogenoemde Hilwis-appartementencomplex aan het Victorieplein te Amsterdam. Het complex was ter verzekering van een door [Y] aan [X] verstrekte lening van ƒ 100.000.000,- aan [Y] verhypothekeerd. Partijen hadden op de overeenkomst van lening het Reglement voor geldlening alsmede de Algemene Voorwaarden voor krediethypotheken van Zwitserleven van toepassing verklaard. Volgens artikel 6 van het Reglement moet de rente in geval van te late betaling worden verhoogd met een half procent voor iedere maand dat de schuldenaar in gebreke is en moet daarbij een deel van een maand als volle maand worden gerekend.

Artikel 7 van het Reglement kent een boeteregeling in geval van vervroegde aflossing en luidt – voor zover hier van belang – als volgt.

Indien om welke reden dan ook vervroegd wordt afgelost en de voor de desbetreffende lening overeengekomen rente hoger is dan de ten dage van de aflossing geldende rente voor soortgelijke leningen met soortgelijke onderpanden bij de schuldeiseres, is een vergoeding verschuldigd die gelijk is aan de contante waarde van dit verschil gedurende de resterende duur van de lening. Het percentage aan de hand waarvan de contante waarde zal worden berekend, is gelijk aan de ten dage van de vervroegde aflossing door de schuldeiseres gehanteerde rente voor soortgelijke leningen met soortgelijke onderpanden.

Volgens de hypotheekakte moet voor ‘schuldeiseres’ [Y] worden gelezen.

4.2 Omdat het complex aan een derde was verkocht en op 4 januari 2007 aan de koper moest worden geleverd, vorderden BLD cs in dit kort geding om [Y] op straffe van een dwangsom te bevelen op 4 januari 2007 alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan royement van de hypotheek onder gehoudenheid van [X] om de resterende hoofdsom per 1 januari 2007, de rente van 1 tot en met 4 januari 2007, alsmede de door de voorzieningenrechter te bepalen boeterente in verband met vervroegde aflossing te voldoen. [Y] was wel bereid royement te verlenen, doch over de financiële voorwaarden verschilden partijen van mening.

4.3 Het eerste verschil betreft de boeterente op grond van artikel 6 van het Reglement. Volgens [Y] was [X] een volle maand boeterente of € 9.660,- verschuldigd, terwijl BLD cs – erkennende dat de rentebetalingstermijn met vier dagen werd overschreden – menen dat deze gezien de geringe overschrijding moet worden gematigd.

4.4 Het tweede verschil van mening heeft betrekking op de omstandigheid dat aflossing per 4 januari 2007 een vervroegde aflossing betekent en dat derhalve de boeterente op de voet van artikel 7 van het Reglement is verschuldigd. Bij het bepalen van die boeterente diende volgens BLD cs (onder meer in de memorie van grieven onder 11) – overeenkomstig de letterlijke bewoordingen van artikel 7 van het Reglement – te worden uitgegaan van verschil tussen de contractuele hypothecaire rente en het rentepercentage voor vergelijkbare leningen met vergelijkbare onderpanden, hetgeen een vergelijkingspercentage van 5 (onder meer pleitnota BLD cs in eerste aanleg onder 13) en een boetesom van € 274.986,29 (memorie van grieven 17) oplevert.

Volgens [Y] beoogde de regeling tussen partijen echter te bewerkstelligen dat hij, [Y], er bij vervroegde aflossing niet op achteruit zou gaan en was voor hem bij vervroegde aflossing een deposito met een rentepercentage van 3,6 het maximaal haalbare. Volgens het vonnis (het standpunt van [Y] overnemend, 4.3 slot) bracht dit een – nog contant te maken – boeterente van € 595.804,- mee.

4.5 [Y] was bereid om aan royement mee te werken tegen betaling van de hoofdsom alsmede betaling van de boeterente wegens te late rentebetaling en de boeterente wegens vervroegde aflossing.

4.6 De voorzieningenrechter heeft de vordering tot medewerking aan royement toegewezen met overneming van het standpunt van [Y] op beide punten. Zij heeft BLD cs als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust richten zich de grieven.

Er is inmiddels uitvoering aan het vonnis gegeven. BLD cs stellen zich op het standpunt dat zij een bedrag van € 317.847,49 te veel hebben betaald en vorderen in hoger beroep dat [Y] dat terugbetaalt.

4.7 In het geval dat de grieven tot vernietiging zouden leiden, heeft het hof opnieuw te onderzoeken of de vordering spoedeisend is. Voor dat geval oordeelt het hof als volgt.

Kennelijk stellen BLD cs – en de voorzieningenrechter met hen – zich op het standpunt dat de vordering voldoende spoedeisend was, omdat het complex was verkocht en BLD op zeer korte termijn – vrij van hypotheek – aan haar leveringsplicht moest voldoen. Nu [Y] echter steeds bereid was royement te verlenen tegen betaling van het volgens hem verschuldigde bedrag en BLD cs royement wensten tegen een lager bedrag, ging het om de vraag of BLD cs een spoedeisend belang hadden bij royement tegen dat lagere bedrag in plaats van het door [Y] verdedigde bedrag.

Zij hebben daarvoor echter geen enkele toelichting gegeven. Spoedeisendheid ten aanzien van dit uitsluitend financiële verschil blijkt ook overigens niet uit de stellingen van partijen of uit de overgelegde bewijsstukken. Reeds daarom had de voorzieningenrechter de vordering moeten afwijzen. Dit betekent dat BLD cs geen belang hebben bij behandeling van de grieven, omdat die hoe dan ook niet tot – de door BLD cs gewenste vedergaande – toewijzing van de vordering kunnen leiden.

4.8 Ten overvloede overweegt het hof als volgt. Indien wordt uitgegaan van een voldoende spoedeisend belang, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter BLD cs zal volgen ten aanzien van in ieder geval het belangrijkste punt, de door BLD cs verdedigde uitleg van artikel 7 van het Reglement. Daarvan kan echter niet op voorhand – zonder nader onderzoek waarvoor in dit geding geen plaats is – worden uitgegaan. Ook kan er niet op voorhand vanuit worden gegaan dat [Y] hoe dan ook een hogere rente (meer dan 3,6%) had kunnen krijgen.

Dat betekent dat – ook indien van spoedeisendheid wordt uitgegaan – de voorzieningenrechter de vordering niet had kunnen toewijzen op de wijze als door BLD cs verlangd. Dat geldt ook indien grief I gegrond zou zijn en de toepasselijkheid van het Reglement inderdaad op verzoek van [Y] zou zijn overeengekomen.

4.9 Bij deze stand van zaken behoeft de vraag van [Y] wat het belang van BLD bij deze procedure is (memorie van antwoord 16) geen beantwoording. Het hof merkt ten overvoede op dat BLD de eerst belanghebbende bij de vordering tot royement was. Dat belang werkt ook in dit hoger beroep door.

5. Slotsom

Het voorgaande brengt mee dat de grieven niet tot een andere beslissing kunnen leiden en dat zij geen afzonderlijke behandeling behoeven. Het hof zal het hoger beroep verwerpen en BLD cs als de in het ongelijk gestelde partij verwijzen in de kosten van het geding in hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

verwerpt het beroep;

verwijst BLD cs in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op € 2.030,-;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Ingelse, M. Coeterier en N. van Lingen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 december 2007.