Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC0322

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
R07/00741
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging schuldsaneringsregeling, in hoger beroep zonder ‘schone lei’.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 292, geldigheid: 2007-09-21
Faillissementswet 350, geldigheid: 2007-09-21
Faillissementswet 358, geldigheid: 2007-09-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 21 september 2007 in de zaak met rekestnummer R07/00741 van:

(...),

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

procureur: mr. J.C. Klompé

t e g e n

(...),

wonende te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. R.A. Korver.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante is bij op 27 juni 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2007 met insolventienummer 04/686-R, waarbij ten aanzien van geïntimeerde, de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd met toekenning aan geïntimeerde van de schone lei, op de wijze zoals in het dictum van die beslissing wordt vermeld.

1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 24 augustus 2007.

Ter zitting zijn verschenen:

- mr. Klompé voornoemd, namens appellante;

- geïntimeerde bijgestaan door mr. Korver voornoemd;

- (...), namens (...), eveneens crediteur;

- (...), bewindvoerder.

2. De gronden van de beslissing

2.1 De rechtbank heeft het verzoek van de bewindvoerder om de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verkorte termijn te beëindigen, alsmede de voordracht van de rechter-commissaris tot toekenning aan geïntimeerde van de schone lei, toegewezen. De rechtbank heeft hierbij – kort gezegd - overwogen dat niet is komen vast te staan dat geïntimeerde toerekenbaar en zodanig ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, dat hem bij beëindiging van die regeling de schone lei zou moeten worden onthouden. Hierop heeft de rechtbank bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank heeft geïntimeerde de zogenaamde “schone lei” verleend.

2.2 Ten behoeve van het hoger beroep heeft geïntimeerde op 21 augustus 2007 een verweerschrift ter griffie van het hof ingediend. De bewindvoerder heeft op 15 augustus 2007 een verslag aan het hof doen toekomen.

2.3 In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.3.1 Geïntimeerde is een alleenstaande man van 62 jaar oud. Hij heeft als vertaler in loondienst – onder meer bij appellante - en als zelfstandige gewerkt. Op 29 januari 2002 is geïntimeerde op eigen verzoek failliet verklaard.

Geïntimeerde is thans 80 tot 100% arbeidsongeschikt en ontvangt een uitkering volgens de WAO/WIA/WAZ.

2.3.2 Op 16 augustus 2004 is geïntimeerde na een verzoek tot omzetting van het faillissement definitief toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.3.3 Appellante heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat geïntimeerde ten onrechte is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, omdat het ontstaan van onder meer de schuld aan appellante te kwader trouw is ontstaan, zoals in kort geding bij onherroepelijk geworden vonnis van 24 januari 2002 is komen vast te staan. Subsidiair meent appellante dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling op geïntimeerde tussentijds beëindigd had moeten worden op grond van art. 350 lid 3 sub c en e Fw., omdat geïntimeerde tijdens de schuldsaneringsregeling niet volledige opening van zaken heeft gegeven door informatie achter te houden over betaalde nevenactiviteiten voor Alle Talen B.V. en zodoende getracht heeft zijn schuldeisers te benadelen. Aangezien appellante deze stellingen in het systeem van de wet niet heeft kunnen opwerpen, omdat zij in de desbetreffende procedures geen partij heeft kunnen zijn, neemt appellante in deze procedure het standpunt in dat weliswaar de schuldsaneringsregeling mag worden beëindigd, maar dan zonder toekenning van een schone lei op de voet van art. 358 lid 2 Fw.

2.3.4 De bewindvoerder heeft aangegeven dat hij het vonnis van de rechtbank volledig onderschrijft.

2.3.5 Geïntimeerde heeft in zijn verweerschrift en ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling is nagekomen, dat geen enkele schuld te kwader trouw is ontstaan en dat hij zich heeft onthouden van (verdere) benadeling van zijn schuldeisers. Alle door appellante geopperde feiten waren bekend ten tijde van de omzetting van het faillissement van geïntimeerde in de schuldsaneringsregeling in 2004. Voorts heeft de rechter-commissaris in het verhoor op 24 februari 2006 de handelwijze van geïntimeerde akkoord bevonden en niet aangedrongen op een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft dan ook terecht de schone lei verleend.

2.4 Het hof overweegt omtrent het oordeel van de rechtbank als volgt.

2.4.1 In de eerste plaats ontneemt het van toepassing verklaren van de schuldsanering de rechtbank niet de mogelijkheid om ter gelegenheid van een verzoek tot (tussentijdse) beëindiging daarvan het al dan niet te goeder trouw zijn van de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden opnieuw te beoordelen (nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 1997/1998, 22 969 en 23 429, nr. 297, blz. 8; vgl. concl. OM voor HR 12 juli 2002, LJN AE2508). Zoals hieronder wordt uiteengezet is het hof van oordeel dat deze goede trouw ontbreekt.

2.4.2 In de tweede plaats heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat geïntimeerde niet in een dusdanige mate in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, dat hem de schone lei moet worden onthouden.

2.5 Met betrekking tot de eerste grondslag overweegt het hof als volgt.

2.5.1 Het ontstaan van de schuld van geïntimeerde aan appellante vloeit voort uit een laakbaar handelen dat geïntimeerde kan worden toegerekend, zodat hij ten aanzien van het ontstaan daarvan niet te goeder trouw is. De vordering van appellante is immers ontstaan door een bewuste overtreding door geïntimeerde van het concurrentiebeding dat hij met appellante was overeengekomen. Het oordeel dienaangaande van de voorzieningenrechter bij vonnis van 24 januari 2002 staat onherroepelijk vast.

2.5.2 De hiermee samenhangende eigen faillissementsaanvraag van geïntimeerde op 23 januari 2002 heeft geleid tot diens faillietverklaring door de rechtbank Amsterdam op 29 januari 2002 met aanstelling van mr. De Wit, later opgevolgd door mr. Van Donk, tot curator.

2.5.3 Na een mislukte poging om tot een akkoord te komen tijdens de verificatievergadering op 3 juni 2004 heeft geïntimeerde bij verzoekschrift van 7 juli 2004 verzocht om het faillissement te beëindigen en hem toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. In haar advies van 19 juli 2004 aan de rechter-commissaris adviseert de curator afwijzend, omdat zij het gezien de voorgeschiedenis niet gerechtvaardigd acht dat geïntimeerde tot de schuldsaneringsregeling wordt toegelaten.

2.5.4 Bij de behandeling van het verzoek van geïntimeerde ter terechtzitting op 26 juli 2004 was alleen de curator aanwezig, maar bleek naderhand dat geïntimeerde de oproep niet had ontvangen, zodat toen geen inhoudelijke behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden en deze is aangehouden tot 16 augustus 2004. Op deze zitting was geïntimeerde wel, maar niet de curator noch appellante, aanwezig en heeft de rechtbank het faillissement opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de definitieve schuldsaneringsregeling. Uit het vonnis blijkt niet dat de rechtbank op de hoogte was van voormelde brief van de curator. In tegenstelling tot de rechtbank die het in haar vonnis van 20 juni 2007 ervoor houdt dat het geschil tussen geïntimeerde en appellante bij de behandeling van het verzoek tot toelating is meegewogen, acht het hof dit niet aannemelijk. In het licht van het uitdrukkelijke negatieve advies van de curator op het verzoek van geïntimeerde ligt het immers niet voor de hand dat de rechtbank bij kennisneming daarvan de toewijzing van het verzoek heeft kunnen baseren op de volgende (standaard)motivering: “Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Er is geen grond gebleken voor afwijzing van het verzoek”, zonder verder enige nadere aanduiding.

2.5.5 Een schuldeiser, zoals appellante, heeft op grond van art. 292 Fw. geen rechtsmiddel tegen de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, zodat het daarin vervatte oordeel dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest op dat ogenblik niet door een andere rechter kan worden getoetst. In het systeem van de wet ligt een correctie besloten in de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging op de voet van art. 350 lid 3 sub e Fw.: door de rechtbank niet volledig te informeren heeft de schuldenaar getracht zijn schuldeisers te benadelen.

2.5.6 Nadat appellante de bewindvoerder op 28 september 2004 op de hoogte had gesteld van de oorzaak van bepaalde schulden van geïntimeerde, heeft deze op 11 november 2004 de rechtbank verzocht de schuldsanering voor te dragen voor tussentijdse beëindiging ex art. 350 lid 3 sub e Fw., op welk verzoek geen actie heeft plaatsgevonden.

2.5.7 Op aandrang van appellante, die de bewindvoerder bij brieven van 8 september en 14 oktober 2005 tevens had geïnformeerd over nevenwerkzaamheden van geïntimeerde tijdens de schuldsaneringsregeling waarvan de bewindvoerder niet op de hoogte was, heeft de bewindvoerder op 27 oktober 2005 (herhaald bij brief van 24 november 2006) de rechtbank opnieuw verzocht om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens schending van de hieruit voortvloeiende verplichtingen door ernstig tekortschieten in de informatievoorziening.

2.5.8 Op 24 februari 2006 heeft een verhoor van geïntimeerde ten overstaan van de rechter-commissaris plaatsgevonden, waarbij appellante niet aanwezig was noch daarvoor was uitgenodigd. Een proces-verbaal is niet opgemaakt. Ter gelegenheid van de beëindigingszitting op 13 juni 2007 heeft de bewindvoerder verklaard dat de rechter-commissaris op basis van dat verhoor geen aanleiding had gezien om de schuldsanering van geïntimeerde voor te dragen voor tussentijdse beëindiging. Hoewel de bewindvoerder vraagtekens had bij het dossier, was het oordeel van de rechter-commissaris voor hem reden om niet meer op tussentijdse beëindiging aan te dringen.

2.5.9 In het vonnis waarvan beroep overweegt de rechtbank dat zij zich omtrent de invloed van het geschil tussen geïntimeerde en appellante op de vraag of de schuldsaneringsregeling al dan niet terecht op geïntimeerde van toepassing is verklaard niet vrij acht een nieuw oordeel te geven, omdat dit in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en een intern appel met zich zou brengen waarvoor geen steun in de wet te vinden is. Zoals hierboven in [2.4.1] overwogen, heeft de rechtbank zodoende miskend dat zij gedurende de schuldsaneringsregeling het al dan niet te goeder trouw zijn van de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden opnieuw kan toetsen zo daartoe gronden zijn.

2.5.10 Het hof is van oordeel dat geïntimeerde bij het ontstaan van zijn schuld aan appellante, die qua omvang een van de grootste is, niet te goeder trouw is geweest. Deze schuld vloeit immers voort uit een ernstig laakbare overtreding van verplichtingen die geïntimeerde jegens appellante als (voormalig) werkgever had. Zo heeft geïntimeerde tijdens zijn dienstverband met gebruikmaking van faciliteiten van appellante de start van zijn eigen bedrijf (...) voorbereid en zich voorgedaan als de voortzetting van de onderneming van appellante, zoals blijkt uit advertenties en mailing, waarbij nauw is aangesloten bij reclame-uitingen van appellante. Bovendien heeft geïntimeerde zijn concurrentiebeding met appellante geschonden. Desgevorderd is geïntimeerde bij genoemd in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de voorzieningenrechter van 24 januari 2002 veroordeeld om – kort gezegd – op straffe van een dwangsom zich van verdere schending te onthouden en een voorschot op de schadevergoeding te betalen. Reeds op deze grond is het hof van oordeel dat op geïntimeerde de schuldsaneringsregeling niet van toepassing had mogen worden verklaard dan wel dat deze tussentijds beëindigd had moeten worden, zodat van een “schone lei” geen sprake kan zijn.

2.6 Met betrekking tot de tweede grondslag overweegt het hof als volgt.

2.6.1 Het hof stelt voorop dat uit de Wet schuldsanering natuurlijke personen op de schuldenaar rustende verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling gevergd wordt. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar eigener beweging nalaat aan de bewindvoerder volledige informatie te verschaffen waarvan hij weet of behoort te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling, alsook nieuwe schulden laat ontstaan.

2.6.2 Hoewel de bewindvoerder ter gelegenheid van de beëindigingszitting heeft verklaard dat geïntimeerde op dat ogenblik aan al zijn verplichtingen had voldaan, neemt dit niet weg dat voor de beoordeling of een “schone lei” gerechtvaardigd is ook de correcte nakoming van die verplichtingen gedurende de schuldsaneringsregeling kan worden onderzocht. In dit verband is blijkens uitingen van de bewindvoerder in openbare verslagen en correspondentie meermalen vastgesteld en is ook door geïntimeerde erkend dat hij niet aan zijn informatieverplichtingen heeft voldaan. Anders dan de rechtbank, die dit tevens heeft geconstateerd, meent het hof evenwel dat het hier om ernstige tekortkomingen gaat die geïntimeerde ook kunnen worden toegerekend.

2.6.3 Zoals de bewindvoerder heeft aangegeven, heeft geïntimeerde hem nooit uit eigen beweging geïnformeerd omtrent zijn zelfstandige vertaalactiviteiten als directeur van Alle Talen B.V., bij de oprichting waarvan geïntimeerde nauw betrokken is geweest. Het is lange tijd onduidelijk geweest welke inkomsten hiermee voor geïntimeerde gemoeid waren en tot welke afdracht dit aan de boedel had moeten leiden. Ondanks herhaalde verzoeken van de bewindvoerder heeft geïntimeerde lange tijd nagelaten hem alsnog nauwkeurig omtrent deze activiteiten te informeren.

2.6.4 Voorts is er gedurende de schuldsanering een achterstand geweest in de afdracht in de betaling aan de boedel van enkele honderden euro’s.

2.7 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof van oordeel is dat op geïntimeerde de schuldsaneringsregeling ten onrechte is toegepast, althans ten onrechte niet tussentijds is beëindigd. geïntimeerde is bovendien tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen en hem kan deze tekortkoming worden toegerekend, terwijl er geen aanleiding is om die tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing te laten. Dientengevolge zal het hof de schuldsaneringsregeling dan ook beëindigen zonder toekenning van de zogenaamde “schone lei” aan geïntimeerde

3. De beslissing

Het hof:

vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

en opnieuw beslissende:

beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling en stelt vast dat geïntimeerde is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen, hetgeen hem kan worden toegerekend;

verwijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam teneinde met inachtneming van deze beslissing verder te worden afgedaan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, A. Bockwinkel en R.D. Vriesendorp en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 21 september 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.