Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC0126

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
745/07 SKG (106.006.837)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Versnelde behandeling
Inhoudsindicatie

Aantal klachten over handelaar in honden gaat het normale niet significant te boven. Dat kan niet gezegd worden zonder nader onderzoek, waartoe het kort geding geen ruimte biedt. Sommige klachten zijn ingegeven door ontevredenheid over de koop, en betreffen niet het dierenwelzijn.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 37
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 39
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 108
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 121
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [X], wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],

APPELLANTEN,

procureur: mr. F.B. Falkena,

t e g e n

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid NEDERLANDSE VERENIGING TOT BESCHERMING VAN DIEREN, gevestigd te Den Haag,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna ook [X] cs en de Vereniging tot Bescherming van Dieren genoemd. Appellant sub 1 wordt ook bij zijn achternaam genoemd.

Bij dagvaarding van 14 juni 2007 is [X] cs in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank te Alkmaar in het kort geding tussen partijen (de Vereniging tot Bescherming van Dieren als eiseres en [X] cs als gedaagden) onder KG nummer: 94730/KG ZA 07-120 heeft gewezen en dat is uitgesproken op 24 mei 2007. Het appelexploot bevat de grieven.

Op 3 juli 2007 hebben [X] cs een herstelexploit doen uitbrengen en hebben zij de Vereniging tot Bescherming van Dieren opnieuw ter terechtzitting van het hof doen oproepen.

[X] cs hebben overeenkomstig de dagvaarding zestien grieven voorgesteld, bescheiden in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog de vordering van de Vereniging tot Bescherming van Dieren zal afwijzen, met veroordeling van de Vereniging tot Bescherming van Dieren in de kosten van het geding in beide instanties.

Daarop heeft de Vereniging tot Bescherming van Dieren geantwoord, de grieven bestreden, eveneens bescheiden in het geding gebracht en geconcludeerd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en [X] cs zal veroordelen in de kosten gevallen op het hoger beroep.

Partijen hebben de zaak doen bepleiten op 7 november 2007, [X] cs door mr. P.P. Hoyng, advocaat te Velsen, en de Vereniging tot Bescherming van Dieren door mr. K.T.B. Salomons, advocaat te Den Haag, aan de hand van door ieder van partijen overgelegde pleitnotities.

Ten slotte hebben partijen recht gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

Voor de grieven verwijst het hof naar de appèldagvaarding.

3. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.18 een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. Daartegen is geen grief gericht. Wel hebben [X] cs voorafgaand aan de grieven op enkele punten bezwaren gemaakt, onder meer in punt 2, 7 ev en 15, respectievelijk ten aanzien van rechtsoverweging 2.5, 2.9 en 2.15 van het vonnis. Het hof zal hierna voor zover nodig op die bezwaren ingaan. Voor het overige bestaat tussen partijen geen geschil over voormelde uitgangspunten, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 De Vereniging tot Bescherming van Dieren vordert - kort gezegd - [X] cs te veroordelen de handel in honden te staken en hun te verbieden op enigerlei wijze bij het verhandelen van honden betrokken te zijn. De vereniging stelt aan de hand van talrijke klachten dat [X] cs onrechtmatig jegens haar handelen onder meer

- door met het parvo-virus besmette honden te verkopen, als gevolg waarvan de ziekte zich verder verspreidt,

- door met andere infectieziekten besmette honden te verkopen en

- door pups te verkopen die te jong zijn en die derhalve op te jonge leeftijd van hun moeder zijn gescheiden.

Zij voert daarbij aan dat van de bij [X] cs aangekochte pups een onevenredig hoog aantal overlijdt. [X] cs importeren de pups 'uit het Oostblok', waar men het niet nauw neemt met de relevante voorschriften en met de belangen van de dieren, aldus de Vereniging tot Bescherming van Dieren.

Volgens de vereniging handelen [X] cs in strijd met diverse wettelijke bepalingen en met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dit geschiedt op zo grote schaal en al zo langdurig en bovendien ondanks het feit dat [X] tot twee maal toe publiekelijk heeft toegezegd met de handel in honden te zullen stoppen, dat een verbod gerechtvaardigd is.

4.2 De voorzieningenrechter heeft de vordering voor en periode van vijf jaar toegewezen. Daartegen en tegen de gronden waarop de beslissing berust keren zich de grieven.

4.3 Hoewel dat wel uit sommige stellingen van de Vereniging tot Bescherming van Dieren zou kunnen worden opgemaakt, legt zij - zo heeft zij desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep verklaard - niet de belangen van teleurgestelde of zelfs - volgens hun stellingen - bedrogen kopers van de pups ten grondslag.

Wel legt de vereniging - zo heeft zij verklaard - de bescherming van de belangen van de betrokken dieren aan haar vordering ten grondslag. De dieren zijn de 'belanghebbenden', aldus de vereniging (blz 13 pleitnota eerste aanleg).

4.4 Het hof laat daar of voornoemde belangen, zo geformuleerd, op zichzelf kunnen worden aangemerkt als belangen waarop artikel 3:305a BW eerste lid het oog op heeft. Het hof verstaat de stellingen van De Vereniging tot Bescherming van Dieren aldus dat zij onder ‘de belangen van de betrokken dieren’ mede begrijpt 'de belangen van het dierenwelzijn', als bedoeld in het tot 1 juli 1994 geldende artikel 128 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD), welke bepaling per die datum geacht moet worden te zijn opgegaan in het toen ingevoerde artikel 3:305a BW. De belangen van het dierenwelzijn zijn aan personen toe te rekenen belangen en voldoen derhalve aan het in artikel 3:305a BW omschreven begrip.

Volgens haar statuten stelt de Vereniging tot Bescherming van Dieren zich de bescherming van deze belangen ten doel en zij is daarmee ook reeds jarenlang actief. Zij kan derhalve in haar vordering worden ontvangen.

4.5 De Vereniging tot Bescherming van Dieren heeft haar stellingen ondersteund met onder andere berichtgeving in krant en op televisie, bevindingen van VARA medewerkers, verklaringen van twee vroegere medewerkers van [X] ([A] en [B]), een verklaring van [C] over aflevering van pups op een parkeerplaats langs de snelweg en een groot aantal individuele klachten, onder meer over met Parvo besmette pups, zieke pups, kort na aankoop overleden pups.

4.6 In diverse grieven hebben [X] cs aangevoerd dat de vordering zich niet leent voor beoordeling in kort geding (memorie van grieven 42, 56 en 78, respectievelijk grieven V, VII en XIII).

[X] cs hebben de gegrondheid van de vele klachten betwist. Daarnaast hebben zij de verklaringen van [A], [B] en [C] alsmede de bevindingen van de VARA verslaggevers betwist.

4.7 Aan De Vereniging tot Bescherming van Dieren moet worden toegegeven dat [X] cs de klachten niet stuk voor stuk hebben weerlegd. Echter, [X] cs hebben gewezen op de brief van 7 april 2006 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de voorzitter van de Tweede Kamer naar aanleiding van een verzoek van de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, waarin de minister – onder betwisting van het bestaan van capaciteitsproblemen bij de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en bij de Algemene Inspectiedienst (AID) – meedeelt dat ‘de controles van het Honden- en Kattenbesluit 1999 worden uitgevoerd en (dat) daarnaast (-) controles plaats (vinden) op basis van artikel 36 (verbod op mishandeling van dieren) en 37 (plicht tot verzorging van dieren) van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren’, terwijl er ‘altijd (wordt) opgetreden’ ‘als er meldingen zijn van mishandeling of verwaarlozing’ (productie 8 van de Vereniging tot Bescherming van Dieren).

[X] cs hebben in aansluiting daarop aangevoerd en ter terechtzitting in hoger beroep nader toegelicht dat de LID één à twee maal per jaar kwam controleren en dat deze dienst nimmer enige onregelmatigheid heeft geconstateerd.

Voorts hebben [X] cs een aantal klachten meer in detail betwist, terwijl - ten slotte - ook nogal wat klachten vaag of onduidelijk zijn en/of vooral dan wel mede betrekking hebben op het belang van de koper. Gelet op het karakter van het kort geding kan daarom – anders dan de Vereniging tot Bescherming van Dieren meent – niet worden gezegd dat [X] cs hun betwisting niet voldoende hebben gemotiveerd.

4.8 De Vereniging tot Bescherming van Dieren heeft nog opgemerkt dat de LID controleert op strafbare feiten en dat strafbaarheid geen vereiste voor toewijzing van de vordering is.

Aangenomen moet echter worden dat de controles niet tot strafbare feiten zijn beperkt. De AID heeft een algemene taak ten aanzien van het toezicht op de naleving van de GWWD en de LID meer in het bijzonder ten aanzien van het in deze zaak van belang zijnde artikel 39 GWWD (artikel 108 van die wet jo artikel 1 van de Regeling aanwijzing ambtenaren Gezondheids- en welzijnswet voor dieren). In dit verband verwijst het hof ook naar bovenvermelde brief van 7 april 2006 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Hierbij komt dat sommige van de volgens de Vereniging tot Bescherming van Dieren overtreden bepalingen, zoals artikel 36 en 37 GWWD, wel degelijk strafbare feiten zijn (artikel 121 GWWD).

Ten slotte heeft de Vereniging tot Bescherming van Dieren in dit verband nog opgemerkt dat de ‘LID niet bij machte is stelselmatig (-) te controleren’ op diverse aspecten van de regelgeving. Echter, nog daargelaten dat dit – zoals reeds overwogen – door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wordt bestreden, niet gesteld of gebleken is dat de LID en/of AID naar aanleiding van alle publiciteit en de vele klachten in de afgelopen anderhalf jaar enige onregelmatigheid heeft/hebben geconstateerd, terwijl zo’n constatering – ook indien slechts incidenteel wordt gecontroleerd – wel voor de hand zou hebben gelegen, indien de omstandigheden zo ernstig zijn dat (nog steeds) een verbod is gerechtvaardigd.

4.9 Met betrekking tot de in eerste aanleg overgelegde, bij de Vereniging tot Bescherming van Dieren binnengekomen 94 klachten gaat het, onderscheiden naar jaar, om de volgende aantallen (productie 11 en 12 eerste aanleg).

Jaar, aantal

1994-2003: 21

2004: 24

2005: 18

2006-2007: 30

Onbekend: 1

Als indicatie kan worden uitgegaan van gemiddeld 666 verkochte pups per jaar (dagvaarding eerste aanleg onder 12), behalve in 2006, toen het aantal – naar mag worden aangenomen (mede) als gevolg van het tweemaal staken van de handel door [X] cs – lager was en wel 368 (vonnis onder 4.3).

Daarnaast zijn er naar aanleiding van de VARA-uitzendingen 49 klachten over de periode 2002 tot en met 2006 bij de omroep binnengekomen, waarvan volgens de door de Vereniging tot Bescherming van Dieren overgelegde lijst (productie 10 eerste aanleg) 13 klachten ook bij de vereniging zijn ingediend. Deze VARA-klachten zijn niet overgelegd, maar zijn – anoniem – kort weergegeven op de lijst. Ten slotte zijn er in hoger beroep ook nog een tweetal klachten overgelegd. Het totaal bedraagt derhalve 132 klachten.

Het gaat hier niet om ‘spontane’ klachten maar om klachten die na de nodige aandacht in de media zijn opgegeven door middel van een op de website van de Vereniging tot Bescherming van Dieren in te vullen formulier respectievelijk – naar het hof uit de door de Vereniging tot Bescherming van Dieren in eerste aanleg overgelegde productie 4 begrijpt – aan de redactie van het betrokken programma te sturen email.

Sommige klachten zijn kennelijk tenminste mede ingegeven door ontevredenheid over de koop, bijvoorbeeld omdat de koper bovenop de niet geringe aankoopkosten extra kosten heeft moeten maken voor de dierenarts of omdat [X] volgens de betrokken klager op zijn klachten onbehoorlijk of niet adequaat reageerde. Die gevoelens van ontevredenheid zijn niet bij voorbaat onbegrijpelijk, maar – voor zover zij niet het dierenwelzijn betreffen – irrelevant voor de beoordeling van de vordering.

In het licht van dit een en ander en ook gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over inspectie en controle door de LID en de AID, kan niet op voorhand worden aangenomen dat het hier om zo grote aantallen gaat dat – zonder nader onderzoek, waartoe dit kort geding geen ruimte biedt – met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat deze het normale significant te boven gaan en wel in zodanige mate dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat [X] cs onrechtmatig handelen en dat daarom de gevorderde maatregel is gerechtvaardigd.

4.10 Het hof zal nog op een enkel aspect afzonderlijk ingaan.

Volgens de Vereniging tot Bescherming van Dieren hebben [X] cs regelmatig pups verkocht die zo jong waren dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij – in strijd met de desbetreffende bepalingen – jonger dan 7 weken waren toen zij van hun moeder werden gescheiden. Volgens de door de Vereniging tot Bescherming van Dieren als productie 39 in hoger beroep overgelegde lijst gaat het hierbij om twaalf gevallen, mogelijk enkele meer (memorie van antwoord onder 54).

In vijf gevallen gaan [X] cs uit van een latere – niet met de wet strijdige – datum van aankoop (zie de lijst). In drie gevallen is de datum van aankoop precies 7 weken of iets meer. Daaruit leidt de Vereniging tot Bescherming van Dieren af dat de pups korter dan 7 weken hebben geleefd toen zij van hun moeder werden gescheiden. In één geval gaat het volgens de lijst om een pup van twee dagen, hetgeen – zonder nadere uitleg die ontbreekt – niet aannemelijk voorkomt. In de overblijvende drie gevallen (mogelijk enkele meer) vond de aankoop plaats in respectievelijk de jaren 2002, 2004 en 2004 en bij een leeftijd van respectievelijk 6 weken en 5 dagen, ‘6,5’ weken en 6 weken en 4 dagen.

Hoewel hieruit derhalve inderdaad overtreding van de desbetreffende regels blijkt en inderdaad ook waarschijnlijk – maar niet voldoende zeker - is dat dat vaker is voorgekomen dan in de drie genoemde resterende gevallen, kan niet gezegd worden dat er voorshands vanuit kan worden gegaan dat dit zo vaak gebeurt en in zodanige mate dat dit een ordemaatregel als gevorderd rechtvaardigt. Dit geldt ook indien men in aanmerking neemt hetgeen overigens in deze zaak omtrent de handelwijze van [X] cs op voorhand aannemelijk is.

4.11 Ook de omstandigheid dat [X] cs veel, mogelijk zelfs de meeste pups uit – zoals partijen het steeds formuleren – ‘het Oostblok’ importeren leidt niet tot een ander oordeel. De gestelde omstandigheid dat hondenfokkers zich in de bedoelde landen niet aan de (ook) daar geldende regels houden, betekent niet dat dat voor iedere daar gevestigde hondenfokker geldt.

Weliswaar roept het feit dat [X] cs de pups wel eens op een parkeerplaats langs de snelweg geleverd krijgen vragen op, doch de uitleg die [X] cs daarvoor tijdens de pleidooien in hoger beroep hebben gegeven (soms heeft de leverancier grote haast, omdat hij op verschillende adressen moet afleveren), is niet bij voorbaat zodanig ongeloofwaardig dat daaraan in dit geding voorbij kan worden gegaan. Dit geldt te meer daar [X] cs onbestreden hebben aangevoerd dat dezelfde leverancier ook regelmatig bij de winkel in Medemblik heeft afgeleverd.

4.12 Gelet op dit alles moet geconcludeerd worden dat de grieven V, VII en XIII in zoverre terecht zijn aangevoerd dat (de omvang van) het verweten onrechtmatig handelen niet voldoende is komen vast te staan en dat voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanspraken van de Vereniging tot Bescherming van Dieren nader onderzoek, wellicht ook door deskundigen, noodzakelijk is, waarvoor dit kort geding zich niet leent. De Vereniging tot Bescherming van Dieren is daarom aangewezen op een bodemprocedure.

5. Slotsom

De grieven zijn in zoverre terecht voorgedragen, dat voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering nader onderzoek noodzakelijk is waarvoor dit kort geding zich niet leent. Dit betekent dat de vordering – met vernietiging van het vonnis waarvan beroep – alsnog dient te worden afgewezen. Het hof zal de Vereniging tot Bescherming van Dieren als de in het ongelijk gestelde partij verwijzen in de kosten van de beide instanties.

6. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

wijst de vordering van de Vereniging tot Bescherming van Dieren af;

verwijst de Vereniging tot Bescherming van Dieren in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van [X] cs in eerste aanleg begroot op € 1067 en in hoger beroep tot op heden begroot op € 3.052,85;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Ingelse, N. van Lingen en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 december 2007.