Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BC0086

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
06/00393
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Wet belastingen op milieugrondslag wijst de stortplaatsexploitant aan als belastingplichtige.

De producent van afvalstoffen heeft aan de stortplaatsexploitant op lijsten opgave gedaan van de aan te leveren afvalstoffen en de op de gele plaat vermelde inhoudsmaat van de laadbak van de voor het vervoer benutte vrachtwagens, eigendom van een derde. Gelet op de strekking van art. 5c van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag kan niet worden gezegd dat belanghebbende door bij het opmaken van de lijsten als bedoeld in art. 5d van dit Uitvoeringsbesluit uit te gaan van het vermelde op de gele platen een bepaling van de belastingwet niet heeft nageleefd als bedoeld in

artikel 20, tweede lid, van de Awr. Aan hem kan dan ook geen naheffingsaanslag worden opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag 5e
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag 5c
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag 5d
Wet belastingen op milieugrondslag 13
Wet belastingen op milieugrondslag 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P06/00393

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 05/2820 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 25 augustus 2006 in het geding tussen

X-B.V. te P., belanghebbende,

gemachtigden mr. R. en drs. M.,

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 20 december 2004 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 juni tot en met 30 juni 2003 een naheffingsaanslag opgelegd in de afvalstoffenbelasting.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 20 mei 2005 het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 augustus 2006, verzonden op 30 augustus 2006, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 6 oktober 2006, ingekomen op diezelfde dag.

1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 27 november 2006, ingekomen op 29 november 2006, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord bij brief van 13 december 2006. Bij brief van 16 maart 2007 heeft belanghebbende gereageerd op deze brief van de inspecteur van 13 december 2006.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2007. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende mr. R. en drs. M. en namens de inspecteur mr. H. vergezeld van mr. J.

Voorafgaand aan de zitting is van de zijde van belanghebbende een pleitnota ontvangen. Ter zitting is namens belanghebbende een brief van 15 december 2006 van de belastingdienst overgelegd. De inspecteur heeft ter zitting op beide stukken kunnen reageren. Ter zitting heeft de inspecteur een pleitnota voorgelezen en overgelegd. Het Hof rekent de ingebrachte brief tot de stukken van het geding.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Het Hof stelt met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank de volgende feiten vast.

2.1.1. Belanghebbende heeft in juni 2003 met twee vrachtwagens AVI-slakken vervoerd naar de stortplaats van Y- B.V. (hierna: de stortplaatsexploitant). In de maand juni 2003 betrof het zeven vrachten.

2.1.2. De voor het transport van de AVI-slakken gebruikte vrachtwagens waren eigendom van L- B.V. De vrachtwagens beschikten over een zogenaamde Hyva Multikap (hierna ook wel multikap). De inhoudsmaat van de laadbak van de vrachtwagens stond vermeld op een plaat, nagelvast aangebracht aan de zijkanten van de laadruimte van de vrachtwagens. De ruimte direct onder de Hyva Multikap is niet in de vermelde inhoudsmaat begrepen.

2.1.3. Belanghebbende heeft aan de stortplaatsexploitant vooraf opgave gedaan van de voor het transport te gebruiken vrachtwagens, waarbij de op de plaat vermelde inhoud van de laadruimte van de vrachtwagens is doorgegeven. De stortplaatsexploitant heeft deze gegevens verwerkt in zijn administratie. De afvalstoffen zijn met de hiervoor genoemde vrachtwagens afgeleverd bij de stortplaats. De stortplaatsexploitant heeft voor iedere vracht een volumieke massa vastgesteld van meer dan 1.100 kilogram per kubieke meter afvalstoffen. Van elke vracht van de afgeleverde afvalstoffen zijn door de stortplaatsexploitant weegbonnen opgemaakt. De stortplaatsexploitant heeft ter zake van de afgifte ter verwijdering van de AVI-slakken op aangifte afvalstoffenbelasting voldaan naar het lage tarief.

2.1.4. Na een in 2004 bij de stortplaatsexploitant ingesteld onderzoek heeft de inspecteur aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd met toepassing van het tarief als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

2.2. Het geschil

In hoger beroep is in geschil of de onderhavige naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, daartoe het volgende overwegende:

“4.7. Naar het eensluidend standpunt van partijen is voor het antwoord op de vraag of naheffing van afvalstoffenbelasting terecht is, beslissend of de ruimte direct onder de Hyva Multikap tot de laadbak van de vrachtwagen moet worden gerekend. Wanneer het antwoord bevestigend luidt, zijn partijen het erover eens dat te weinig afvalstoffenbelasting is voldaan zodat dan de vraag aan de orde komt of de naheffingsaanslag terecht aan eiseres (Hof: belanghebbende) is opgelegd. Wanneer het antwoord op eerstgenoemde vraag ontkennend luidt, zijn partijen het erover eens dat de naheffingsaanslag vernietigd dient te worden. De rechtbank sluit zich hierbij aan, nu partijen hiermee geen blijk geven uit te gaan van een onjuiste rechtsopvatting.

4.8. Eiseres (Hof: belanghebbende) verwijst voor het antwoord op de vraag of de Hyva Multikap tot de laadbak van de vrachtwagen moet worden gerekend naar een opmerking van de Staatssecretaris van Financiën in de toelichting op artikel 5c van het Uitvoeringsbesluit. Het volledige citaat luidt:

"De in het zevende lid opgenomen bepaling dient er toe om duidelijk te maken dat het transportmiddel waarmee de afvalstoffen worden aangevoerd op een normale wijze beladen dient te zijn. Dit betekent dat het volume van het transportmiddel niet kunstmatig wordt vergroot door het plaatsen van schotten langs de wanden of dat de container, de laadbak, het laadruim of de big bag zodanig met afvalstoffen worden beladen dat deze boven de bovenzijde van de container, de laadbak, het laadruim of de big bag uitsteken."

(Nota van Toelichting bij het Besluit van 19 december 2000 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag, Stb. 2000, 606).

Naar het oordeel van de rechtbank mist dit citaat, dat betrekking heeft op het zevende lid van artikel 5c van het Uitvoeringsbesluit, betekenis voor de uitleg van het begrip laadbak als bedoeld in het tweede lid van voormeld artikel.

4.9. Beslissend voor het antwoord op de vraag of de Hyva Multikap tot de laadbak van de vrachtwagen moet worden gerekend is naar het oordeel van de rechtbank of de beladingsmogelijkheden van de vrachtwagen door de aanwezigheid van de Hyva Multikap groter zijn dan de beladingsmogelijkheden van een vrachtwagen zonder Hyva Multikap, met een overigens vergelijkbare laadruimte. Naar het oordeel van de rechtbank is niet van belang of de ruimte onder de Hyva Multikap daadwerkelijk wordt benut. Evenmin is van belang of is toegestaan dat deze ruimte, gelet op de geldende wettelijke voorschriften, wordt benut.

4.10. Uit de bevindingen van de rechter-commissaris tijdens het onderzoek ter plaatse van 30 mei 2006 blijkt dat de vrachtwagen alleen kan worden beladen met de zijkleppen van de Hyva Multikap neergeklapt. Bij het beladen verschilt een kipperwagen met Hyva Multikap naar het oordeel van de rechtbank niet van een vrachtwagen zonder Hyva Multikap. Echter, de aanwezigheid van een Hyva Multikap kan voorkomen dat lading, die boven de vaste zijwanden van de laadbak zou uitkomen, bij het transport verloren zou gaan. Bij vrachtwagens zonder Hyva Multikap zou daarvoor een afzonderlijk afdekzeil moeten worden aangebracht. Hieruit leidt de rechtbank af dat de beladingsmogelijkheden door de aanwezigheid van de Hyva Multikap groter zijn dan de beladingsmogelijkheden van een vrachtwagen zonder Hyva Multikap, met een overigens vergelijkbare laadruimte.

4.11. De rechtbank volgt eiseres (Hof: belanghebbende) niet in haar stelling dat de Hyva Multikap dezelfde functie vervult als een kopschot, en daarom op grond van beleid van de Staatssecretaris van Financiën buiten de inhoudsberekening dient te blijven. Een kopschot heeft als primaire functie het scheiden van de laadruimte van de bestuurderscabine. Een Hyva Multikap heeft als primaire functie het afsluiten van de laadruimte. Het beroep dat eiseres (Hof: belanghebbende) in dit verband doet op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

4.12. Uit het voorgaande vloeit voort dat de ruimte onder de Hyva Multikap tot de laadbak van de vrachtwagen dient te worden gerekend. De naheffing van afvalstoffenbelasting is derhalve in beginsel terecht en tot het juiste bedrag berekend.

4.13. Ingevolge artikel 14 Wbm wordt de belasting geheven van de stortplaatsexploitant. Nu ten onrechte het verlaagde tarief is toegepast, dient te worden nagegaan of eiseres (Hof: belanghebbende) de bepalingen van de belastingwet niet heeft nageleefd zodat, op grond van het bepaalde in artikel 20, tweede lid, laatste volzin, AWR aan haar de naheffingsaanslag dient te worden opgelegd. Vaststaat dat eiseres (Hof: belanghebbende), overeenkomstig artikel 5d Uitvoeringsbesluit, de lijst met de gebruikte vrachtauto’s en de inhoud van de kipwagens aan de stortplaatsexploitant heeft overhandigd. Eiseres (Hof: belanghebbende) heeft hiervoor gebruik gemaakt van de inhoudsmaten zoals die door L- B.V. zijn vastgesteld. Uit hetgeen de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen volgt echter dat de inhoud van de laadruimten afwijkt van de inhoud zoals deze door L- B.V. is vastgesteld. De vraag is of dit aan eiseres (Hof: belanghebbende) kan worden toegerekend. Niet gebleken is van enige bepaling in de belastingwet die eiseres (Hof: belanghebbende) er toe verplicht om te controleren of de door L- B.V. doorgegeven inhoudsmaten zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5c, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts van belang dat de stortplaatsexploitant op grond van artikel 5e van het Uitvoeringsbesluit voor het bepalen van het verschuldigde tarief van de afvalstoffenbelasting te allen tijde de inhoud toepast die op de plaat, bedoeld in artikel 5c, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit, is vermeld. Door deze bepaling had eiseres (Hof: belanghebbende), zelfs indien zij een andere inhoud had opgegeven dan de inhoud zoals deze op de plaat is vermeld, niet kunnen bewerkstelligen dat door de stortplaatsexploitant het reguliere tarief zou zijn toegepast. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat te weinig belasting is geheven doordat eiseres (Hof: belanghebbende) de bepalingen in de belastingwet niet heeft nageleefd.

4.14. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook uit het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 1999, Stct. 1999, nr. 251, blz. 32 volgt dat aan eiseres (Hof: belanghebbende) geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd. De Staatssecretaris van Financiën merkt in de toelichting bij onderdeel C immers op:

"Teneinde de stortplaatsexploitant in staat te stellen de volumieke massa te bepalen dient de aanbieder van afvalstoffen op voorhand een lijst te overleggen, met daarop vermeld de registratienummers en daaraan gekoppeld het volume van de door hem gebruikte containers, kipwagens of vaartuigen waarmee afvalstoffen bij de stortplaats worden aangeboden. De stortplaatsexploitant moet deze gegevens in zijn administratie invoeren. De aanbieder van de afvalstoffen dient de informatie over het volume gekoppeld aan containers, vrachtwagens of schepen te overleggen in een ondertekende verklaring. Bij later gebleken onjuistheden, zoals een afwijkend volume ten opzichte van het op de verklaring aangegeven volume, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor dan ook bij de aanbieder van de afvalstoffen. Ondanks dit gegeven wordt een naheffingsaanslag door de Belastingdienst wel opgelegd bij de stortplaatsexploitant, die vervolgens kan besluiten of en op welke wijze hij dit met de aanbieder van de afvalstoffen verrekent."

Naar het oordeel van de rechtbank kan de laatstgenoemde volzin van dit citaat in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan als een expliciete stellingname van de Staatssecretaris van Financiën dat naheffingsaanslagen afvalstoffenbelasting in voorkomende gevallen aan de stortplaatsexploitant zullen worden opgelegd. De wettelijke regeling is nadien weliswaar gewijzigd, maar de Staatssecretaris van Financiën heeft zich niet in andere zin uitgelaten over de vraag aan wie in voorkomende gevallen naheffingsaanslagen afvalstoffenbelasting zullen worden opgelegd.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het door de griffier opgemaakte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. Relevante bepalingen

2.5.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag, tekst 2003 (de Wbm) wordt onder de naam afvalstoffenbelasting een belasting geheven ter zake van de afgifte ter verwijdering van afvalstoffen aan een inrichting.

2.5.2. Ingevolge artikel 14 van de Wbm wordt de belasting geheven van de houder van de inrichting.

2.5.3. Ingevolge artikel 5e van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag, tekst 2003 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) wordt voor het bepalen van het verschuldigde tarief van de afvalstoffenbelasting te allen tijde de inhoud toegepast die op de plaat, bedoeld in artikel 5c, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit is vermeld.

2.5.4. In artikel 5c van het Uitvoeringsbesluit is, voor zover hier van belang, bepaald:

"1. De afvalstoffen, bedoeld in artikel 5a, worden aangevoerd in een container, een kipwagen, een vaartuig of in een big bag waarvan de inhoud in kubieke meters bekend is.

2. De inhoud van een container, van de laadbak van een kipwagen of van het laadruim van een vaartuig wordt tot op één decimaal nauwkeurig berekend in kubieke meters door de aan de binnenzijde gemeten lengte van de container, de laadbak onderscheidenlijk het laadruim te vermenigvuldigen met de breedte en de hoogte ervan, met dien verstande dat indien de lengte, de breedte of de hoogte niet overal gelijk is, steeds de grootste maat in aanmerking wordt genomen.

3. De inhoud van een container, de laadbak van een kipwagen of het laadruim van een vaartuig is op een nagelvast aangebrachte plaat aan de linker- en rechterbuitenzijde van de container, de laadbak of het laadruim vermeld.

4. Op de in het derde lid aangegeven plaat is tevens het voor de container, de kipwagen of het vaartuig unieke registratienummer aangebracht.

5. De inhoud en het unieke registratienummer worden in zwarte cijfers en letters van ten minste 15 centimeter hoogte aangebracht op een gele achtergrond.

(...)

7. De afvalstoffen worden aangevoerd op zodanige wijze dat zij binnen de begrenzingen van de container, de laadbak, het laadruim of de big bag blijven.

8. De administratie van de houder van de inrichting is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze is opgenomen of en op welke wijze aan de in de voorgaande leden vermelde voorwaarden al dan niet wordt voldaan."

2.5.5. Ingevolge artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit dient de aanbieder van de afvalstoffen aan de stortplaatsexploitant voorafgaand aan de aanvoer van afvalstoffen een lijst van de door hem gebruikte containers, kipwagens of vaartuigen met hun inhoud en registratienummer te overhandigen.

2.5.6. In artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is, voor zover van belang, bepaald:

1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen.

….

2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd.

2.6. Overwegingen

2.6.1. Als onderbouwing voor het feit dat de naheffingsaanslag aan een ander dan de stortplaatsexploitant is opgelegd, heeft de inspecteur gesteld dat van de drie partijen die bij het storten van afval betrokken zijn, te weten de stortplaatsexploitant, de transporteur/eigenaar van de vrachtwagen en de aanbieder van afval, alleen belanghebbende als aanbieder een bepaling van de belastingwet niet in acht heeft genomen. Ervan uitgaande dat de ruimte direct onder de multikap tot het volume van de laadbak gerekend dient te worden heeft belanghebbende, naar de inspecteur stelt, niet de juiste inhoudsmaat van de betreffende vrachtwagens vermeld op de in artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit bedoelde lijst.

2.6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het volume van de door belanghebbende gebruikte vrachtwagens, waarvan belanghebbende melding heeft gemaakt op de ingeleverde lijsten, overeenkomt met het volume dat aan beide zijkanten van de laadbakken vermeld stond op de gele plaat als bedoeld in artikel 5c, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Het verwijt dat de inspecteur aan belanghebbende maakt komt erop neer dat belanghebbende bij het opmaken van evenbedoelde lijsten niet had mogen afgaan op het volume dat op de plaat was vermeld, doch alvorens die lijsten in te dienen zelfstandig een onderzoek had moeten instellen naar het volume van de laadbak van de desbetreffende vrachtauto’s.

2.6.3. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende verantwoordelijk kan worden gesteld voor het vermelde op de gele plaat op de laadbak van de vrachtwagens. Gelet op de strekking van het in artikel 5c van het Uitvoeringsbesluit bepaalde kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat belanghebbende door bij het opmaken van de in geding zijnde lijsten uit te gaan van het vermelde op de gele platen een bepaling van de belastingwet niet heeft nageleefd. De beslissing van de rechtbank is derhalve juist.

2.7. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Alsdan komt het Hof niet toe aan de beoordeling van het door de belanghebbende ingestelde incidentele hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking: 2 punten voor proceshandelingen (verweerschrift, verschijnen ter zitting), vermenigvuldigd met € 322 per punt en met factor 1 voor het gewicht van de zaak = € 644.

3. De beslissing

Het Hof

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Van de Staat zal een griffierecht van € 422 worden geheven.

Aldus vastgesteld door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, D.B. Bijl en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands griffier. De beslissing is op 3 december 2007 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.