Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB8542

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2007
Datum publicatie
29-11-2007
Zaaknummer
07/73
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BJ5120
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP5530, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er bestaat in deze zaak geen grond om de transactieprijs op grond van artikel 33, aanhef en letter f, van het CDW te verminderen met de nagevorderde douanerechten. De Douanekamer acht aannemelijk dat partijen bij de bepaling van de prijs van de goederen ervan zijn uitgegaan dat ter zake van de invoer geen douanerechten verschuldigd waren, zodat in de transactieprijs geen bedrag aan douanerechten was opgenomen. Het hoger beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 07/73 DK

uitspraak van de Douanekamer van 15 oktober 2007

op het hoger beroep van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V.,

gevestigd te Z, belanghebbende,

gemachtigde B.

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/6406 van de rechtbank Haarlem van 22 januari 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1. Aan belanghebbende zijn voor zover hier van belang vierenveertig uitnodigingen tot betaling uitgereikt ten bedrage van in totaal € 778.867,90 aan douanerechten, welke uitnodigingen tot betaling zijn gedagtekend op diverse data in juni 2001 en augustus 2001, te weten 7 juni (23 keer), 11 juni (18 keer), 21 juni (een keer) en 28 juni (een keer) en 17 augustus 2001 (een keer).

1.2. De onder 1.1. vermelde vierenveertig uitnodigingen tot betaling zijn op 18 juli 2002 ambtshalve verminderd tot in totaal een bedrag van € 486.508,47.

1.3. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar die in één geschrift zijn vervat, de uitnodigingen tot betaling gehandhaafd zoals ambtshalve verminderd. De uitspraken op bezwaar zijn gedagtekend 7 oktober 2005.

1.4 Bij uitspraak van 22 januari 2007, verzonden op 24 januari 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen de onder 1.3. vermelde uitspraken op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard behoudens voor zover het beroep de uitnodiging tot betaling van 21 juni 2001, kenmerk 0355, betreft. Het beroep met betrekking tot evenvermelde uitnodiging tot betaling is gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd evenals de uitnodiging tot betaling.

1.5. De rechtbank heeft geoordeeld, voor zover hier van belang, dat op bepaalde leveringen de conditie DDP met diverse bestemmingen binnen de Europese Unie van toepassing was, dat deze conditie inhoudt dat de verkoper aan zijn leveringsverplichting voldoet wanneer de goederen op de genoemde plaats ter beschikking van de verkoper zijn gesteld en de aan aflevering verbonden risico’s en kosten, inclusief eventueel verschuldigde douanerechten, voor rekening van de verkoper zijn. Gelet op de verklaringen van belanghebbende en de op facturen gestelde factuurverklaring acht de rechtbank aannemelijk dat de verkoper er ten tijde van het opstellen van de factuur vanuit ging dat een preferentieel tarief van 0% van toepassing was ten aanzien van de ingevoerde partijen vis. In dat geval kan, aldus de rechtbank, de door partijen overeengekomen prijs worden geacht onder meer te zien op de overname door de koper van het risico dat eventueel invoerrechten moeten worden betaald. Naar het oordeel van de rechtbank is dit in de overeenkomst en de prijs begrepen risico niet op één lijn te stellen met de betaling van de invoerrechten zelf, zodat met de voorwaarde DDP de invoerrechten zelf geen onderdeel van de tussen partijen overeengekomen (factuur)prijs zijn gaan vormen. Nu de douanerechten van meet af aan geen deel hebben uitgemaakt van de factuurwaarde en dus ook niet van de door verweerder (de inspecteur) gehanteerde douanewaarde, komt de rechtbank aan toepassing van artikel 33 van het Communautair douanewetboek niet toe. Dat de douanerechten uiteindelijk zullen worden betaald door de indirect door de verkoper ingeschakelde douane-expediteur en dat in de koopprijs een eventuele risico-opslag zal zijn verwerkt in verband met het aanvaarden van de voorwaarde DDP leidt niet tot een andersluidend oordeel. Hiermee zijn immers de douanerechten niet – al dan niet met terugwerkende kracht – alsnog tot de transactiewaarde gaan behoren.

2. De procedure voor de Douanekamer

2.1. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij beroepschrift van 28 februari 2007, ingekomen op 1 maart 2007, hoger beroep ingesteld bij de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam (hierna: de Douanekamer).

2.2. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Namens belanghebbende is op 15 augustus 2007 een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft op 29 augustus 2007 een conclusie van dupliek genomen.

2.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende B, alsmede namens de inspecteur C en D. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd welke pleitnota’s tot de gedingstukken worden gerekend.

3. De feiten

3.1. De Douanekamer verwijst naar de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vastgestelde feiten.

“2.1. In de periode 1998 tot en met 2000 heeft eiseres (Douanekamer: belanghebbende) aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van partijen kabeljauw. Het betreft voornamelijk gezouten en bevroren kabeljauwfilets met een lengte van circa 70 cm en daarnaast kabeljauwstukjes. Deze kabeljauwstukjes zijn afkomstig van de restanten die overblijven bij het fileren. Eiseres heeft de goederen aangegeven onder de posten 0305 30 19, 0305 30 90 en 0305 62 00 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT). De aangiften vermelden als land van oorsprong IJsland en daarbij is om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel verzocht. Bij de aangiften zijn zogenoemde factuurverklaringen gevoegd die zijn afgegeven door de IJslandse exporteur. Deze exporteur beschikt over een vergunning toegelaten exporteur in de zin van artikel 22 van Protocol nr. 4 bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Pb EG L 1 van 3 januari 1994, blz. 54 tot en met 156 (Protocol nr. 4).

2.2. Eiseres deed de aangiften als douane-expediteur in opdracht van een IJslandse vervoerder, die het vervoer voor de exporteur verzorgde. De uitgevoerde vis is verwerkt door het IJslandse visverwerkingsbedrijf X (het visverwerkingsbedrijf).

2.3. Tot de stukken behoren bij de aangiften gevoegde facturen van de exporteur aan een partij met adres te Reus (Tarragona) te Spanje waarop in een aantal gevallen de leveringsconditie Delivered Duty Paid (DDP (Incoterms 1990) REUS) is opgenomen. Ook is vermeld: “The exporter of the products covered by this document (customs authorization no.1004-98) declares that, except where otherwise clearly indicated, these products are of EEA preferential origin.”

2.4. In 1999 hebben de IJslandse autoriteiten bij de exporteur en het visverwerkingsbedrijf een onderzoek ingesteld. Het onderzoek richtte zich met name op de herkomst van de verwerkte vis in de jaren 1997 tot en met 1999. Nadat de autoriteiten tot de conclusie waren gekomen dat een deel van de verwerkte vis afkomstig was uit derde landen, terwijl deze met de oorsprong IJsland naar de Europese Unie is geëxporteerd, hebben zij contact opgenomen met het antifraudebureau van de Europese Commissie (OLAF). In 2003 heeft het OLAF een missie naar IJsland gezonden.”

3.2. De inspecteur heeft de vierenveertig onder 1.1. vermelde uitnodigingen tot betaling uitgereikt onder verwijzing naar de omstandigheid dat uit onderzoek blijkt dat de goederen niet voldeden aan de oorsprongseisen zoals neergelegd in artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij de EER-overeenkomst (Besluit nr. 94/1/EGKS, EG van de Raad en de Commissie van 13 december 1993 (Pb EG 1994, L1). De inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de douaneschuld ten onrechte was berekend met toepassing van een preferentiële tariefmaatregel. Op grond van artikel 220 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) heeft hij het (aanvullende) bedrag nagevorderd.

4. Het geschil en de relevante wetsbepalingen

4.1. In hoger beroep is in geschil of bij vijftien uitnodigingen tot betaling de douanewaarde van de ingevoerde goederen dient te worden vastgesteld door de transactiewaarde te verminderen met de nagevorderde douanerechten omdat de levering heeft plaatsgevonden onder de conditie Delivery Duty Paid (hierna: DDP). Ingeval het gelijk aan de inspecteur is dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd. Ingeval het gelijk aan belanghebbende is, is tussen partijen niet meer in geschil dat de vijftien in geschil zijnde uitnodigingen tot betaling dienen te worden verminderd zoals weergegeven in onderstaande tabel.

In hoger beroep in geschil zijnde UTB’s Datum Hoogte UTB’s na ambtshalve

vermindering

op 18 juli 2002 Door belanghebbende in hoger beroep voorgestane vermindering Hoogte UTB’s na vermindering zoals belanghebbende voorstaat

.7.0306 7 juni 2001 19.520,54 3.253,42 16.267,12

.7.0307 7 juni 2001 19.713,76 2.954,44 16.759,32

.7.0308 7 juni 2001 23.149,23 3.858,21 19.291,02

.7.0311 7 juni 2001 24.065,60 4.010,93 20.054,67

.7.0314 7 juni 2001 8.155,16 1.359,19 6.795,97

.7.0318 7 juni 2001 18.670,79 3.111,80 15.558,99

.7.0319 7 juni 2001 20.207,01 3.367,84 16.839,17

.7.0320 7 juni 2001 19.995,19 3.332,53 16.662,66

.7.0321 7 juni 2001 23.119,01 3.853,17 19.265,84

.7.0323 7 juni 2001 22.512,04 3.752,01 18.760,03

.7.0340 11 juni 2001 19.187,46 3.197,91 15.989,55

.7.0341 11 juni 2001 17.875,76 2.979,29 14.896,47

.7.0342 11 juni 2001 24.594,70 3.601,84 20.992,86

.7.0350 11 juni 2001 17.357,54 1.427,56 15.929,98

.7.0360 28 juni 2001 25.394,09 4.232,35 21.161,74

303.517,88 48.292,49 255.225,39

Met betrekking tot de overige negenentwintig uitnodigingen tot betaling is in hoger beroep niet meer in geschil dat deze terecht en tot het juiste bedrag zijn vastgesteld.

4.2. Bij de beoordeling van het geschil heeft de Douanekamer de volgende bepalingen in aanmerking genomen.

4.2.1. Ingevolge artikel 33 van het CDW maken bepaalde elementen geen deel uit van de douanewaarde, op voorwaarde dat zij van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn te onderscheiden. Krachtens letter f van evenvermelde bepaling behoren hiertoe rechten bij invoer en andere belastingen die in de Gemeenschap ingevolge de invoer of de verkoop van de goederen dienen te worden voldaan.

4.2.2. Ingevolge artikel 78 van het CDW kunnen de douaneautoriteiten na de vrijgave van de goederen ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van de aangifte overgaan.

5. Standpunten van partijen

Belanghebbende

5.1. Als uitgangspunt dient te gelden dat de douanewaarde moet zijn gebaseerd op alle (werkelijk) betaalde kosten. In artikel 29, eerste lid, van het CDW is vermeld dat de douanewaarde de transactiewaarde van de goederen is, te weten de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de goederen. In artikel 32 van het CDW worden zogenaamde bijtelelementen opgenoemd en daaruit blijkt dat in alle gevallen moet worden uitgegaan van de werkelijk betaalde kosten of de op een passende wijze toegerekende waarde van bepaalde goederen of diensten. Dit geldt onverkort voor de aftrekelementen opgenomen in artikel 33 van het CDW. De aangegeven douanewaarde moet op grond van artikel 78 van het CDW worden aangepast met de werkelijk verschuldigde standaard douanerechten.

5.2. In de conclusie van repliek voert belanghebbende aan dat de inspecteur niet over gegevens beschikt waar hij uit kan concluderen dat de leverancier bij het bepalen van de prijs is uitgegaan van een preferentieel tarief voor vis van 0%. Bij de conclusie is een berekening gevoegd van de douanewaarde zoals die had moeten worden aangegeven. Met betrekking tot het argument dat de douanerechten niet zijn te onderscheiden van de betaalde prijs geldt dat de leveringsconditie DDP reeds aangeeft dat de douanerechten voor rekening van de koper komen en dat deze kosten in de prijs van de goederen zijn begrepen.

5.3. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan het volgende toegevoegd. In geschil zijn nog slechts de vijftien uitnodigingen tot betaling die betrekking hebben op een levering onder de conditie DDP. Met betrekking tot de cijfers geldt dat belanghebbende verminderingen voorstaat zoals vermeld op de bijlage bij het beroepschrift. De uitnodigingen tot betaling dienen derhalve, indien het gelijk aan belanghebbende is, te worden vastgesteld op de bedragen van de uitnodigingen zoals die ambtshalve zijn verminderd minus de berekende voorgestane verminderingen. Het kan kloppen dat in de eigen berekening afrondingsfouten zijn geslopen.

De conditie DDP brengt mee dat de betaalde of te betalen douanerechten geen deel uitmaken van de douanewaarde. Belanghebbende, de douane-expediteur, heeft de desbetreffende douanerechten succesvol doorberekend aan haar opdrachtgever. De doorberekening in de keten is echter niet compleet omdat de leverancier Valeik, een IJslandse ondernemer, de rechten niet heeft betaald vanwege een faillissement.

De inspecteur

5.4. De elementen als genoemd in artikel 33 van het CDW mogen alleen voor de bepaling van de douanewaarde in mindering worden gebracht op de factuurprijs als zij deel hebben uitgemaakt van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, zoals bedoeld bij artikel 29, derde lid, letter a, van het CDW. Met andere woorden, de in mindering te brengen elementen moeten dan door de koper zijn betaald aan de verkoper en moeten te onderscheiden zijn van de transactiewaarde. In casu ging de leverancier ervan uit dat geen rechten bij invoer betaald moesten worden. Er bestaat geen aanleiding de gehanteerde douanewaarde te verminderen. Er bestaat evenmin aanleiding de aangiften ten invoer te herzien. Op het moment van invoer was nog geen sprake van elementen die te onderscheiden waren van de betaalde prijs in de zin van artikel 33 van het CDW.

5.5. In de conclusie van dupliek voert de inspecteur aan dat hij het niet aannemelijk acht dat de leverancier ervan uitging dat douanerechten betaald moesten worden. Het is aan belanghebbende aan te tonen dat er elementen als bedoeld in artikel 33 begrepen zijn in de prijs. De elementen moeten bij de prijs van de goederen zijn opgeteld en van die prijs te onderscheiden zijn op het moment van het doen van de aangiften ten invoer. Belanghebbende heeft het gevraagde bewijs niet geleverd.

5.6. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende toegevoegd. Het geschil betreft de betekenis van de leveringsconditie DDP. Cijfermatig bestaat geen verschil van mening meer. Uitgegaan kan worden van de door belanghebbende voorgestane verminderingen. Van belang is of de douanerechten alsnog worden doorgefactureerd.

Indien bij een eerste boeking wordt geconstateerd dat er meer douanerechten verschuldigd zijn dan de douane-expediteur bij het doen van de aangifte veronderstelde, kunnen deze meer verschuldigde rechten in mindering worden gebracht op de douanewaarde op voorwaarde dat de douane-expediteur de meer verschuldigde rechten alsnog doorberekent aan de leverancier. De aangifte kan dan nog worden gecorrigeerd. Cijfermatig betekent dit dat indien bijvoorbeeld 100 in rekening is gebracht door leverancier A aan afnemer B, terwijl bij het aangaan van de overeenkomst beide partijen ervan uit gingen dat het tarief van de douanerechten 0 was, en bij de eerste boeking blijkt dat de douane-expediteur C 20 is verschuldigd, de douanewaarde 80 wordt. Voorwaarde is dat de douanerechten alsnog door douane-expediteur C worden doorberekend aan leverancier A. De aangifte kan dan worden gecorrigeerd.

Bij een boeking achteraf ligt dat anders omdat daar geen mogelijkheid meer bestaat de aangifte te corrigeren. Ook indien in deze laatste situatie douane-expediteur C de douanerechten alsnog doorberekent aan A kan de douanewaarde niet worden verlaagd omdat correctie van de aangifte niet meer mogelijk is. Dit lijkt wrang maar is inherent aan het systeem. De elementen van de douanewaarde moeten bekend zijn op het tijdstip van de invoer.

6. De overwegingen van de Douanekamer

6.1. Belanghebbende stelt dat de transactieprijs dient te worden verminderd met de nagevorderde douanerechten omdat deze, gelet op artikel 33, aanhef en letter f, van het CDW, geen deel uitmaken van de douanewaarde. De vijftien thans in hoger beroep nog in geschil zijnde uitnodigingen tot betaling zijn derhalve volgens belanghebbende tot een te hoog bedrag vastgesteld.

6.2. De Douanekamer is van oordeel dat belanghebbende niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de op de aangifte vermelde transactieprijs enig bedrag aan douanerechten is begrepen. Belanghebbende heeft geen enkel (handels)bescheid overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat een bedrag aan douanerechten deel uitmaakt van de transactieprijs. De enkele omstandigheid dat de levering is verricht onder de conditie DDP is daartoe onvoldoende. Vaststaat daarentegen dat belanghebbende bij de aangiften heeft verzocht om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel en zich op het standpunt heeft gesteld dat geen douanerechten verschuldigd waren. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar verzoek bij de aangiften factuurverklaringen overgelegd, die als oorsprong EER (Europese Economische Ruimte) aangeven. Gelet op de overgelegde bescheiden komt het Douanekamer veeleer aannemelijk voor dat partijen bij de transactie bij de bepaling van de prijs van de goederen ervan zijn uitgegaan dat ter zake van de invoer van de goederen geen douanerechten verschuldigd waren, zodat in de transactieprijs in het geheel geen bedrag aan douanerechten was opgenomen.

6.3. Er bestaat gelet op het vorenoverwogene naar het oordeel van de Douanekamer geen aanleiding een deel van de transactieprijs toe te rekenen aan douanerechten die ingevolge de invoer van de goederen dienen te worden voldaan en die gelet op artikel 33 van het CDW geen deel uitmaken van de douanewaarde.

Slotsom

6.4. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond en dient de bestreden uitspraak

van de rechtbank te worden bevestigd.

7. Proceskosten en griffierecht

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, D.B. Bijl en H.J. Bronkhorst, leden van de Douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op 15 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.