Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB8135

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2007
Datum publicatie
19-11-2007
Zaaknummer
1483/06
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schikkingscomparities bevolen in hoger beroepszaken individuele aandelenleasebeleggers Dexia. Eerdere uitspraken hof aangemerkt als richtinggevend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZEVENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

procureur: mr. F.R.H. van der Leeuw,

t e g e n

[Geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. A.E. Toenbreker.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

Bij dagvaarding van 17 februari 2006 is Dexia in hoger beroep gekomen van twee vonnissen van de ¬rechtbank te Alkmaar van 23 juni 2004 en 23 november 2005, in deze zaak achtereenvolgens onder zaak-/rolnum¬mers 72054/HAZA 04-291 en 166297/04-2971 gewezen tussen haar als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

Dexia heeft van grieven gediend en daarbij bescheiden in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en alsnog uitvoerbaar bij voorraad – de vordering van Dexia zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

Daarop heeft [geïntimeerde] geantwoord en bewijs aangeboden, met conclu¬sie, kort gezegd, dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

Dexia heeft vier grieven voorge¬steld en toegelicht. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende memo¬rie.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 23 juni 2004 onder 1, a tot en met c, alsmede in het bestreden vonnis van 23 november 2005 onder 1 tot en met 5, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Over de juistheid van de aldus vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Het bestreden vonnis van 23 juni 2004 is gewezen door de rechtbank te Alkmaar, sector civiel, naar aanleiding van een verzoek van [geïntimeerde] op de voet van artikel 71, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot verwijzing van de zaak naar de sector kanton van dezelfde rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Dat verzoek is gegrond bevonden en de zaak is naar de sector kanton verwezen. De in het vonnis gegeven beslissing strekt uitsluitend hiertoe.

4.2 Artikel 71, vijfde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt uitdrukkelijk dat tegen een verwijzing zoals hierboven beschreven geen voorziening openstaat. Dit brengt mee dat Dexia niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het vonnis van 23 juni 2004. In zoverre zal Dexia daarom bij het in deze zaak te wijzen eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. Dit laat evenwel onverlet dat haar klachten tegen de inhoudelijke beoordeling in het vonnis van 23 juni 2004 deel (blijven) uitmaken van de rechtsstrijd in hoger beroep, voor zover het vonnis van 23 november 2005 op het vonnis van 23 juni 2004 voortbouwt en Dexia eerstbedoeld vonnis op de desbetreffende punten aanvalt.

4.3 De zaak heeft betrekking op, kort gezegd, de rechten en verplichtingen van partijen in verband met een tussen hen in 2000 gesloten overeenkomst tot effectenlease. De memorie van grieven stelt, in drieëntachtig pagina’s, dienaangaande kwesties aan de orde waarover dit hof, in ieder geval voor een belangrijk deel, reeds in eerdere uitspraken betrekking hebbende op effectenlease-overeenkomsten oordelen heeft gegeven. Hetzelfde geldt voor de overige tussen partijen gewisselde gedingstukken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

4.4 De hierboven bedoelde eerdere uitspraken van het hof, ten dele gewezen in zaken waarin Dexia evenals nu procespartij was, zijn alle bekend gemaakt op www.rechtspraak.nl en gepubliceerd in jurisprudentietijdschriften. Het hof wijst hierbij duidelijkheidshalve op zijn beschikking van 25 januari 2007 naar aanleiding van het verzoek van Dexia en anderen tot verbindendverklaring van de overeenkomst tot collectieve afwikkeling van massaschade strekkende tot uitvoering van de zogeheten “Duisenberg-regeling” (onder andere gepubliceerd in NJ 2007, 427) en zijn arresten in de zaken Dexia/Van Tuijl (arrest van 1 maart 2007, gepubliceerd in JOR 2007, 98), Breedijk & Biesenbeek en Dexia/Jungblut (1 maart 2007, JOR 2007, 97), Levob/Bolle (24 mei 2007, NJF 2007, 323) en Aegon/Van den Ham (16 augustus 2007, JOR 2007, 244). Het hof vertrouwt partijen en hun raadslieden bekend met de genoemde beschikking en arresten, die voor zover daarin algemeen verwoorde en toepasbare oordelen zijn opgenomen, ook in andere zaken voor dit hof richtinggevend zijn (behoudens in het geval van andersluidende oordelen van een hogere rechter).

4.5 In het bovenstaande vindt het hof aanleiding om thans ambtshalve, op de voet van artikel 87, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een verschijning van partijen ter terechtzitting te bevelen teneinde een schikking te beproeven. Daartoe strekt de hierna te geven beslissing. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. Beslissing

Het hof:

bepaalt dat partijen (Dexia deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die bevoegd is haar te binden en [geïntimeerde] in persoon), vergezeld van hun raadslieden, dienen te verschijnen op een zitting van dit hof (uitsluitend) voor het onder 4.5 vermelde doel;

bepaalt dat deze zitting zal plaatsvinden ten overstaan van

mr. W.H.F.M. Cortenraad, raadsheer in dit hof, die hiertoe tot raadsheer-commissaris wordt benoemd, in een van de zalen van het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam, op dinsdag 8 januari 2008 te 13.30 uur;

bepaalt dat de partij die op bovengenoemd tijdstip verhinderd is te verschijnen hiervan tot drie weken na de datum van dit arrest schriftelijk mededeling kan doen aan het enquêtebureau van de griffie van het hof, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de maanden januari, februari en maart 2008, in welk geval met inachtneming van die verhinderdata een nieuw tijdstip voor de zitting zal worden vastgesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, J.M.J. Chorus en M.P. van Achterberg en in het openbaar uitgesproken op donderdag 8 november 2007 door de rolraadsheer.