Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB7488

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
15-11-2007
Zaaknummer
06/00341
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt dat de verschuldigdheid van parkeerbelasting door de heffingsambtenaar onvoldoende kenbaar is gemaakt. Het Hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat over de verschuldigdheid van de parkeerbelasting op de plaats en het tijdstip waarop belanghebbende zijn auto parkeerde redelijkerwijs geen misverstand kon bestaan.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/419
V-N 2008/12.29 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P06/00341

eerste meervoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Beverwijk,

de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/1329 van de rechtbank Haarlem van 24 juli 2006 in het geding tussen

X, wonende te Y,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 5 oktober 2007.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens het oordeel over het griffierecht; en

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Gronden

1. De auto met kenteken AA-BB-00 (hierna de auto) stond op 8 augustus 2005 om 15.56 uur geparkeerd aan het Slangenwegje te Beverwijk. Ter zake van dit feit is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. De naheffingsaanslag met aanslagnummer 101125 bedraagt

€ 46,50 (€ 0,50 parkeerbelasting en € 46 kosten).

2. Het Slangenwegje is een doodlopende weg aan de linkerzijde waarvan een parkeerterrein ligt. Op de plaats waar belanghebbende haar auto heeft geparkeerd waren geen parkeervakken gemarkeerd en op de hoek bij het begin van het Slangenwegje was geen bord geplaatst dat melding maakt van de verplichting tot het betalen van parkeerbelasting.

3. De rechtbank heeft ter zake van de verschuldigdheid van de parkeerbelasting – kort weergegeven – het volgende overwogen. De rechtbank is van oordeel dat het, ondanks de bebording elders in het centrum en op de doorgaande toegangswegen naar het centrum, niet onmiskenbaar was dat bij parkeren op het Slangenwegje parkeerbelasting was verschuldigd. Nu volgens de rechtbank bij belanghebbende redelijkerwijs een misverstand kon bestaan over de verschuldigdheid van de parkeerbelasting, moet die onduidelijkheid voor rekening van de heffingsambtenaar komen. Op grond hiervan heeft de rechtbank de naheffingsaanslag vernietigd.

4. De heffingsambtenaar heeft in beroep en in hoger beroep gesteld dat de verplichting tot het voldoen van parkeerbelasting in het centrum van Beverwijk volgt uit de Verordening parkeerbelastingen 2005 en het Parkeerreglement 2005. Uit de reeds voor de rechtbank overgelegde kaart die deel uitmaakt van dit reglement, blijkt dat het Slangenwegje gelegen is in het gebied waar parkeerbelasting is verschuldigd. De heffingsambtenaar heeft voorts gesteld dat de verplichting tot het voldoen van de parkeerbelasting blijkt uit bebording op zowel alle toegangswegen naar de betaald-parkerenzone in het centrum alsmede door bebording in het centrum zelf. Volgens de heffingambtenaar ligt het Slangenwegje midden in het centrum en tussen de drie grote parkeerterreinen in het centrum, te weten een op het Meerplein, een aan het Slangenwegje en een op het Beverplein. Volgens de heffingsambtenaar staan er in de directe nabijheid voldoende parkeerautomaten en zijn er herhalingsborden geplaatst. Volgens de heffingsambtenaar doet aan de verplichting tot het betalen van parkeerbelasting niet af dat op het gedeelte van het Slangenwegje waar belanghebbende haar auto heeft geparkeerd geen parkeervakken zijn gemarkeerd.

5. Belanghebbende heeft hier tegenover gesteld dat het haar volstrekt onduidelijk was dat zij zich met haar auto in een betaald-parkerenzone bevond. Zij wijst er op dat tot op de dag van vandaag onduidelijk is of het Slangenwegje bij het aan de linkerzijde daarvan gelegen parkeerterreinen hoort of niet. Daarbij wijst zij op de door haar overgelegde foto’s. Voorts stelt belanghebbende dat aan het begin van het Slangenwegje geen bord is geplaatst dat wijst op de verschuldigdheid van parkeerbelasting. Ten slotte stelt belanghebbende dat zij gekeken heeft in een aantal andere auto’s die tezelfdertijd op het Slangenwegje geparkeerd stonden of een parkeerkaartje zichtbaar was. Dit was volgens belanghebbende niet het geval waardoor zij bevestigd werd in haar veronderstelling dat sprake was van vrij parkeren.

6. Ingevolge artikel 2 van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2005 van de Gemeente Beverwijk (hierna: de Verordening) wordt er een parkeerbelasting geheven. Artikel 1, aanhef en onder a van de Verordening bepaalt dat onder parkeren moet worden verstaan – voor zover hier van belang – het doen of laten staan van een voertuig op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift verboden is. Ingevolge artikel 2, eerste lid aanhef en onderdeel 1.4 van de Tarieventabel behorende bij de Verordening geldt voor het Slangenwegje een tarief van € 0,50 per 60 minuten.

7. De verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd en gedurende een maximale tijdsduur parkeren van een voertuig dient kenbaar te zijn gemaakt op zo een wijze, dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor dat parkeren redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Van een weggebruiker mag echter worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de geldende regels met betrekking tot verschuldigdheid van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. Daarbij overweegt het Hof dat van algemene bekendheid mag worden geacht dat een auto parkeren in het centrum van vrijwel elke grotere plaats verschuldigdheid van parkeerbelasting met zich brengt. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde plattegrond begrijpt het Hof dat op de ingaande wegen naar het centrum van Beverwijk borden zijn geplaatst waaruit blijkt dat sprake is van verschuldigdheid van parkeerbelasting in dit centrum, waartoe het Slangenwegje behoort. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat het hierbij gaat om borden die door hun opschriften duidelijk maken dat de automobilist een zone, in casu het centrum, binnenrijdt waarbinnen betaald parkeren geldt. Op die borden is tevens vermeld binnen welke tijdvakken de belastingplicht geldt.

8. Het Hof is op grond van een en ander van oordeel dat bij belanghebbende omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting op de plaats en het tijdstip vermeld onder 1 redelijkerwijs geen misverstand kon bestaan. Belanghebbende heeft gesteld in andere op het Slangenwegje geparkeerde auto’s te hebben gekeken of in deze auto’s een parkeerkaartje zichtbaar was. Het betaalgedrag van andere autobezitters kan de verschuldigdheid van parkeerbelasting echter niet wegnemen. De omstandigheden dat op de plaats waar belanghebbende haar auto heeft geparkeerd geen parkeervakken op het wegdek waren aangebracht en dat er geen bord op de hoek van de straat was geplaatst waarop de verschuldigdheid van de parkeerbelasting was vermeld, acht het Hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Daarbij acht het Hof van belang dat op de bebording is vermeld dat het centrum een betaald-parkerenzone betreft en dat de gemeente – daardoor – niet gehouden is om op elke hoek een bord waarop de verschuldigdheid van de parkeerbelasting is vermeld, te doen plaatsen.

9. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd, behoudens haar beslissing met betrekking tot de vergoeding van het griffierecht. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De mondelinge uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, P.M.F. van Loon en J.P.F. Slijpen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.P. Wakkerman als griffier. De beslissing is op 19 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter. De griffier is verhinderd het proces-verbaal mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.