Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6513

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
410/2007
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Limitering alimentatie oud geval; hof past HR 26 maart 1999, NJ 1999, 654 toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

28 augustus 2007

Familiekamer

Rekestnummer 410/2007U

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de man”,

procureur mr. F.B. Falkena.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 21 februari 2007, uitgesproken onder zaaknummer / rekestnummer 219969 / FA RK 06-5638.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 5 april 2007, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 april 2007, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2007 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr. G. van De Nesse, advocaat te IJsselstein, en de man bijgestaan door mr. J.C. Bolte, advocaat te Utrecht.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 23 december 1970 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 25 juni 1980 heeft de rechtbank Utrecht echtscheiding tussen hen uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op 21 juli 1980 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij echtscheidingsconvenant van maart 1980 zijn partijen overeengekomen dat de man ƒ 2.000,- (€ 907,56) per maand aan de vrouw betaalt als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en dat de bijdrage niet zal worden verhoogd met het wettelijke indexeringspercentage. Bij voornoemd echtscheidingsvonnis heeft de rechtbank dienovereenkomstig beslist.

3.3 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 6 oktober 2006, heeft de man de rechtbank verzocht te bepalen dat de op de man rustende onderhouds- alimentatieverplichting jegens de vrouw zoals bepaald in het vonnis van de rechtbank van 25 juni 1980 met ingang van 22 maart 2007 is beëindigd, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist acht.

3.4 Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de op de man rustende onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van 22 maart 2007 beëindigd.

Ten aanzien van de man

3.5 De man is alleenstaand. Hij ontvangt een AOW-uitkering van € 956,18 bruto/ € 886,58 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en een pensioenuitkering van € 1.966,23 netto per maand. De woonlasten van de man bedragen € 408,40 aan hypotheekrente en € 154,92 aan bijdrage VVE.

Ten aanzien van de vrouw

3.6 De vrouw, geboren op 22 maart 1942, is alleenstaand. Met ingang van 22 maart 2007 ontvangt zij een AOW-uitkering van € 956,18 bruto/ € 886,58 netto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel II van het overgangsrecht bij de wet limitering alimentatie na scheiding (verder te noemen “de WLA”), beëindigt de rechter op verzoek van degene, die op grond van een voor de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, de verplichting indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van deze uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot uitkering is gerechtigd kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een termijn vast.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat de man meer dan vijftien jaar bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Dit heeft tot gevolg dat het verzoek van de man in beginsel toewijsbaar is.

4.3 Nu de man de overeengekomen alimentatie heeft betaald tot 1 maart 2007 en de vrouw, in verband met haar 65-jarige leeftijd, met ingang van 22 maart 2007 een AOW-uitkering ontvangt, is het hof met de rechtbank van oordeel dat beëindiging per 1 maart 2007 voor de vrouw nauwelijks terugval van inkomen oplevert hetgeen ook niet is betwist door de vrouw en dus niet een ingrijpende terugval is als bedoeld in de WLA.

4.4 In zijn beschikking van 26 maart 1999, NJ 1999, 654 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen. Ter wille van de hanteerbaarheid van het systeem dient als vuistregel te worden aanvaard dat ingeval de beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde geen of slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft, de rechter in beginsel zonder meer, en met name zonder in zijn motivering de verdere omstandigheden van het geval te hoeven betrekken, mag aannemen dat het beroep op de uitzondering faalt. In uitzonderlijke gevallen zal voor toepassing van deze vuistregel echter geen plaats zijn. Dat zal zo zijn indien de verdere omstandigheden van het geval onmiskenbaar zó zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het beroep op de uitzondering opleveren, dat de rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kán gaan en moet laten uitkomen dat en hoe hij ook die verdere omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken.

4.5 Het hof ziet in de door de vrouw genoemde omstandigheden, te weten dat zij geen aanspraak maakt op een deel van het door de man opgebouwde pensioen, dat partijen hebben afgezien van indexering van de onderhoudsbijdrage en dat partijen ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant geen rekening hebben gehouden met de beëindiging van de onderhoudsbijdrage, geen zó zwaarwegende billijkheidsargumenten dat die een nadere motivering van het oordeel van het hof vergen dan wel dienen te leiden tot een ander oordeel. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen en de kosten van het geding in hoger beroep compenseren.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 21 februari 2007;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Ter Veer, Wammes en Ernes en is op 28 augustus 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.