Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB4641

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
02-10-2007
Zaaknummer
2007/194
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweerster heeft aangevoerd dat zij “op voet van art. 382 onder a Rv vordert (…) in incident” dat het hof het vonnis van 19 maart 2003 van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht herroept en dat het hof de vordering van Transfair alsnog afwijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

17 juli 2007

tweede civiele kamer

rekestnummer 2007/194U

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Beschikking

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Transfair B.V.,

gevestigd te Zwolle,

verzoekster,

procureur: mr. P.N. van Regteren Altena,

tegen:

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de beschikking van 24 november 2006 die de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, tussen verzoekster in hoger beroep (hierna ook te noemen: Transfair) als verzoekster en verweerster in hoger beroep (hierna ook te noemen: [verweerster]) als verweerster heeft gewezen; van die beschikking is een fotokopie aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, binnengekomen ter griffie van het hof op 23 februari 2007, is Transfair in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 november 2006, heeft zij drie grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd en toegelicht en heeft zij nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft verzocht dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking, de na de uitspraak gevallen kosten overeenkomstig art. 237 lid 4 Rv zal begroten op € 67,50 of € 59,58, subsidiair op zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, en daarvoor een bevelschrift zal afgeven.

2.2 Bij verweerschrift, binnengekomen ter griffie van het hof op 26 maart 2007, heeft [verweerster] de grieven bestreden en een productie in het geding gebracht. Zij heeft verzocht dat het hof het beroep ongegrond zal verklaren.

2.3 In hetzelfde verweerschrift heeft [verweerster] op de voet van art. 382 onder a Rv gevorderd in incident dat het hof het vonnis van de kantonrechter van 19 maart 2003 herroept en opnieuw recht doende de vordering van Transfair afwijst.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Bij die gelegenheid hebben partijen de zaak mondeling doen toelichten, Transfair door mr. W. Heemskerk, advocaat te ‘s-Gravenhage, en [verweerster] door mr. J. Bredius, advocaat te Zeist; partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald op heden.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 [verweerster] heeft, zoals onder 2.3 reeds is vermeld, in haar verweerschrift, onder 2, slot, aangevoerd dat zij “op voet van art. 382 onder a Rv vordert (…) in incident” dat het hof het vonnis van 19 maart 2003 van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht herroept en dat het hof de vordering van Transfair alsnog afwijst. Transfair heeft hiertegen bij haar pleitnota, onder 2, en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verweer gevoerd.

3.2 Met haar “vordering in het incident” beoogt [verweerster] kennelijk een herroepingsprocedure in de zin van art. 382 Rv e.v. te entameren. Nog afgezien van het feit dat een incidentele vordering in de zin van artikel 208 Rv in het kader van een verzoekschriftprocedure niet mogelijk is, omdat afdeling 10 van titel 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtvordering

(art. 208-224 Rv) enkel betrekking heeft op de dagvaardingsprocedure, is het hof niet bevoegd om van de vordering tot herroeping kennis te nemen. De herroepingsprocedure moet worden gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld (art. 384 lid 1 Rv). Het hof zal daarom de zaak voor zover betrekking hebbend op herroeping van het vonnis van 19 maart 2003, verwijzen naar de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht. Overigens volgt uit art. 382 Rv in verbinding met art. 385 Rv dat een vordering tot herroeping bij dagvaarding dient te worden ingesteld.

3.3 Het hof zal in het navolgende het door Transfair ingestelde hoger beroep beoordelen, waarbij eerst de ontvankelijkheid aan de orde komt. Transfair heeft in eerste aanleg op de voet van art. 237 lid 4 Rv een verzoek ingediend om de na de uitspraak van 19 maart 2003 ontstane kosten te begroten en daartoe een bevelschrift af te geven. Bij beschikking van 24 november 2006 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. Het hof is van oordeel – anders dan Transfair heeft betoogd (beroepschrift, onder 2.1) – dat tegen een op grond van art. 237 lid 4 afgegeven beschikking geen hoger beroep open staat. Uit de wetsgeschiedenis bij deze bepaling kan worden afgeleid dat het rechtsmiddelverbod ook van toepassing is indien het verzoek wordt afgewezen. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was in plaats van het woord “Hiertegen” (eerste woord in de slotzin van lid van art. 237 Rv) de zinsnede “Tegen een beschikking krachtens dit lid” opgenomen, terwijl deze wijziging is doorgevoerd “ter verduidelijking”, (Parl. Gesch. Herz. Rv. p. 409) en, zo begrijpt het hof, niet in verband met een inhoudelijke wijziging. Het hof leidt hieruit af dat het rechtsmiddelverbod van art. 237 lid 4 Rv van toepassing is op zowel krachtens deze bepaling gegeven toewijzende als afwijzende beschikkingen.

3.4 Het hof overweegt verder dat een partij – niettegenstaande een rechtsmiddelverbod – ontvankelijk is in hoger beroep indien zij erover klaagt dat de rechter in eerste aanleg het wettelijk voorschrift op grond waarvan de beslissing is gegeven (a) ten onrechte heeft toegepast, of (b) dit ten onrechte niet heeft toegepast, dan wel (c) dat de rechter bij de totstandkoming van de beslissing essentiële vormen heeft verzuimd, waardoor een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging is geschonden dat geen sprake meer is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Ten aanzien van deze laatste grond (c) geldt dat het beginsel van hoor en wederhoor als een dergelijke fundamenteel beginsel dient te worden aangemerkt (HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242; HR 24 april 1992, NJ 1992, 672).

3.5 Transfair heeft een beroep gedaan op de hiervoor onder c vermelde grond: de rechtbank heeft volgens Transfair bij de toepassing van art. 279 lid 1 Rv het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Het hof stelt voorop dat nu een verzoek op grond van art. 237 lid 4 Rv kan leiden tot een onherroepelijke toewijzing van een geldbedrag, dit verzoek dient te worden beschouwd als een verzoek in de zin van art. 261 Rv, zodat in deze ook art. 279 lid 1 Rv van toepassing is. Uit art. 279 lid 1 Rv volgt dat de rechter – tenzij deze zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst – dag en uur voor de mondelinge behandeling van het verzoek bepaalt. Nu de rechtbank klaarblijkelijk geen aanleiding heeft gezien om zich aanstonds onbevoegd te verklaren of het verzoek toe te wijzen, had de rechtbank op grond van voornoemde bepaling een mondelinge behandeling dienen te gelasten. Het beginsel van hoor en wederhoor verzet zich ertegen dat einduitspraak wordt gedaan zonder aan een partij – die op grond van art. 279 lid 1 Rv mocht verwachten dat zij nog de gelegenheid zou krijgen om haar verzoek ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nader te adstrueren – deze gelegenheid te bieden (vgl. HR 6 maart 1992, r.o. 3.2, NJ 1993, 79). Uit het voorgaande volgt dat Transfair ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep en dat grief 1 slaagt.

3.6 Transfair richt zich met grief 2 tegen het oordeel van de rechtbank dat zij onvoldoende heeft gemotiveerd dat de gestelde werkzaamheden een zozeer reële of noemenswaardige dienst betreffen dat deze als factor voor nakosten kunnen worden begroot. Het hof overweegt dat in zijn algemeenheid geldt dat een partij ten behoeve van wie een proceskostenveroordeling is uitgesproken doorgaans nakosten zal maken, bestaande uit onder meer de kosten van de procureur of gemachtigde betreffende het bestuderen van de uitspraak en overleg omtrent eventueel te nemen executiemaatregelen. In het onderhavige geval heeft Transfair in hoger beroep een overzicht overgelegd met daarin een uitvoerige omschrijving van de werkzaamheden die na het vonnis van 19 maart 2003 zijn verricht om voldoening daaraan te bewerkstelligen (productie 9 bij beroepschrift). [verweerster] heeft de juistheid van dit overzicht niet betwist. Het hof is van oordeel dat nu vaststaat dat namens Transfair de in het overzicht omschreven werkzaamheden in voornoemd kader zijn verricht, het evident is dat het verzoek van Transfair tot begroting van de nakosten afdoende is gemotiveerd. Het vorenstaande brengt mee dat grief 2 slaagt.

3.7 Transfair richt zich met grief 3 tegen het oordeel van de rechtbank dat de nakosten niet toewijsbaar zijn in verband met de vergaande standaardisering en automatisering in de incassopraktijk en dat nakosten eerst toewijsbaar zijn indien een bijzondere inspanning is vereist voordat tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.

3.8 Het hof stelt voorop dat art. 237 lid 4 Rv geen onderscheid maakt tussen zaken waarin slechts met procureur en zaken waarin in persoon kan worden geprocedeerd. Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat voor de toewijsbaarheid van de na de uitspraak ontstane kosten niet vereist is dat sprake is van bijzondere inspanningen nu art. 237 lid 4 Rv voor een dergelijke beperking geen grondslag biedt. De omstandigheid dat Transfair in dit kader geautomatiseerde en/of gestandaardiseerde werkzaamheden heeft laten verrichten staat evenmin aan de toewijsbaarheid van de nakosten in de weg nu van algemene bekendheid is dat ook het verwezenlijken en in stand houden en het bedienen van een geautomatiseerd systeem de nodige kosten met zich meebrengen. Bovendien blijkt uit het door Transfair overgelegde overzicht dat in het onderhavige geval de nodige werkzaamheden zijn verricht die niet kunnen worden aangemerkt als geautomatiseerde of gestandaardiseerde werkzaamheden, zoals herhaaldelijk telefonisch overleg met (de zaakwaarnemer van) [verweerster]. Uit het voorgaande volgt dat ook grief 3 slaagt.

3.9 De (overige) verweren van [verweerster] falen. Het verzoek van Transfair is niet te laat ingediend. De inhoudelijke bezwaren van [verweerster] – waaronder de gestelde valse handtekening – tegen het vonnis van 19 maart 2003, dat in kracht van gewijsde is gegaan, liggen, mede gelet op hetgeen onder 3.1 en 3.2 is overwogen, in dit geding niet ter beoordeling voor.

3.10 Het hof ziet aanleiding om, in aansluiting op het systeem met betrekking tot het liquidatietarief, de nakosten te begroten op 50% van het destijds (tot 1 april 2005) van toepassing zijnde forfaitaire liquidatietarief (€ 1.130,-- – € 2.260,--) van € 135,--, zijnde € 67,50 en zal daartoe een bevelschrift afgeven.

3.11 De slotsom van het vorenstaande is dat de drie grieven slagen en dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat het hof de nakosten begroot op € 67,50.

3.12 Transfair heeft niet verzocht om een proceskostenveroordeling. Het hof ziet evenmin reden om hiertoe ambtshalve over te gaan gelet op het beperkte materiële belang van deze zaak en gelet op het feit dat Transfair de procedure in hoger beroep als een proefprocedure heeft aangemerkt.

De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart zich onbevoegd ter zake van de vordering van [verweerster] tot herroeping van het vonnis van 19 maart 2003 van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, en verwijst de zaak in zoverre op de voet van art. 73 Rv naar voornoemde rechtbank;

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, van 24 november 2006 en beschikt opnieuw;

begroot de na de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 maart 2003 ontstane kosten van Transfair op de voet van art. 237 lid 4 Rv op € 67,50;

beveelt [verweerster] tot betaling aan Transfair van voormeld bedrag;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Frankena, Van Osch en Wattendorff en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2007.