Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB4640

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
07/00027
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd.

De waarde van het motorrijtuig ten opzichte van het bedrag van de naheffing is niet relevant. Evenmin is relevant dat slechts kort gebruik is gemaakt van de weg.

Gelet op de financiële positie van belanghebbende dient de boete te worden gematigd tot 50%.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c, geldigheid: 2007-09-25
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 35, geldigheid: 2007-09-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2164
FutD 2007-2054

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P07/0027

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 06/631 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 11 december 2006 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft onder nummer 000.00.000.Y0.00001 aan belanghebbende over het tijdvak 11 oktober 2004 tot en met 10 oktober 2005 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.028. Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 1.028.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 18 november 2005 de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd. Bij uitspraak van 11 december 2006, verzonden op 15 december 2006, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 22 januari 2007, ingekomen op 25 januari 2007.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2007. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende Y, alsmede namens de inspecteur P. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd en een afschrift van een specificatie van een bijstanduitkering overgelegd. De inspecteur heeft van dit afschrift kennis kunnen nemen en zich er over kunnen uitlaten. De overgelegde stukken worden tot de gedingstukken gerekend.

1.5. Van het verhandelde ter zitting is een proces verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Het Hof verwijst naar de feiten zoals door de rechtbank in de onder 1.2. vermelde uitspraak vastgesteld.

2.2. Het geschil

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd alsmede of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, en heeft daartoe het volgende overwogen:

“3. Niet in geschil is dat op het tijdstip van controle de auto geparkeerd stond op de plaats van controle. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder de belasting op juiste gronden heeft nageheven. Anders dan eiser meent is voor de hoogte van het na te heffen bedrag niet van belang dat de auto voor het overige in het naheffingtijdvak op een privé-terrein geparkeerd stond.

(…)

5. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat bij de vaststelling van het opgelegde bedrag rekening is gehouden met gedurende het betreffende tijdvak door eiseres gedane betalingen.

6. Met betrekking tot de boete overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 37 van de Wet Mrb is in geval van gebruik van de weg tijdens schorsing sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Awr. Op grond van de artikelen 70 juncto 37 van de Wet Mrb is artikel 67c van de Awr op de opgelegde boete van overeenkomstige toepassing. Op grond van § 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 bedraagt de boete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald, met een minimum van € 45 en een maximum van € 4.537. Het betreft hier een boete wegens een verzuim. Bij een dergelijke boete speelt de mate van schuld of verwijtbaarheid geen rol. Alleen bij afwezigheid van alle schuld, waarop eiseres een beroep moet doen, kan de boete achterwege blijven. Eiseres heeft zich er niet op beroepen dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. Ook is daarvan niet gebleken. Nu eiseres zich er niet op heeft beroepen dat gelet op haar financiële positie de boete haar onevenredig zwaar treft heeft verweerder niet in strijd gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur door de verhoging op 100% van het nageheven bedrag aan belasting vast te stellen.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. Relevante bepalingen

Bij de beoordeling van het geschil heeft het Hof de volgende bepalingen in aanmerking genomen.

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) kan bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994 de belasting worden nageheven.

Ingevolge het tweede lid van artikel 35 van de Wet wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd.

Op grond van het derde lid van artikel 35 van de Wet geldt dat indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van de vier tijdvakken niet op naam heeft gestaan van degene die het motorrijtuig houdt, over dat gedeelte de belasting niet wordt nageheven.

De na te heffen belasting wordt op grond van het vijfde lid van artikel 35 van de Wet verminderd met de belasting die over de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor het motorrijtuig is betaald en voorzover voor de belasting over die periode geen aanspraak op teruggaaf van belasting bestaat.

Ingevolge artikel 37 van de Wet is in de gevallen, bedoeld in de artikelen 33, 34, 35, 35a, onder b, en 36, artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) van overeenkomstige toepassing.

Op grond van 67c van de Awr is, voor zover hier van belang, indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, sprake van een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen.

In paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB), inzake onder meer de in artikel 35 van de Wet genoemde naheffing, is opgenomen dat de verzuimboete maximaal 100% bedraagt van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald, met een minimum van € 45 en een maximum van € 4.537.

2.6. Overwegingen

2.6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat met het motorrijtuig ten tijde van de controle gebruik is gemaakt van de openbare weg terwijl het motorrijtuig was geschorst. Belanghebbende heeft derhalve niet voldaan aan de voorwaarden van de schorsingsregeling zodat de inspecteur terecht motorrijtuigenbelasting heeft nageheven.

2.6.2. Belanghebbende stelt dat de na te heffen belasting dient te worden berekend over het tijdvak 11 april 2005 tot en met 10 oktober 2005 en niet over het tijdvak 11 oktober 2004 tot en met 10 oktober 2005 omdat het motorrijtuig in de periode 2 maart 2005 tot 11 april 2005 niet was geschorst en er over die periode motorrijtuigenbelasting is betaald. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Gelet op artikel 35 van de Wet wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat hij de aldus berekende belasting, gelet op het vijfde lid van artikel 35 van de Wet, heeft verminderd met de belasting die over de periode 2 maart 2005 tot 11 april is betaald. De belasting is derhalve op de juiste wijze berekend.

2.6.3. De omstandigheid dat de waarde van het motorrijtuig ten opzichte van het bedrag van de naheffing laag is, is niet relevant. De berekening van de naheffing is gebaseerd op het van toepassing zijnde tarief en het tijdvak waarover wordt nageheven en houdt geen verband met de waarde van het motorrijtuig. Indien en voorzover belanghebbende bedoelt te stellen dat zij met het motorrijtuig slechts kort gebruik heeft gemaakt van de weg geldt dat deze stelling haar evenmin kan baten. Elk gebruik van de weg, hoe kort ook leidt tot naheffing van de ten onrechte niet betaalde belasting.

2.6.4. Met betrekking tot de boete geldt het volgende. Er is gelet op artikel 37 van de Wet sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Awr. De inspecteur heeft een boete opgelegd van 100%, met inachtneming van paragraaf 34 van het BBBB. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat deze boete gelet op de financiële positie van belanghebbende dient te worden gematigd tot 50%. Het Hof zal de inspecteur hierin volgen en acht een dergelijke boete passend. Van belang is dat belanghebbende er eigener beweging voor heeft gekozen van de schorsingsregeling gebruik te maken en dat zij vervolgens de auto op de openbare weg heeft geparkeerd ondanks de omstandigheid dat dit in strijd is met de schorsingsvoorwaarden. Zij heeft daarmee bewust het risico gelopen dat haar een naheffingsaanslag zou kunnen worden opgelegd. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat haar na het schorsen van het motorrijtuig geen stallingsformulier is toegezonden met informatie over de voorwaarden welke gelden bij het schorsen van een motorrijtuig geldt dat, wat er verder ook zij van deze stelling, deze haar niet kan baten nu het belanghebbendes verantwoordelijkheid is om bij het schorsen van een motorrijtuig na te gaan wat de ter zake geldende voorwaarden zijn.

2.7. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is voor zover het de boete betreft en ongegrond voor zover het de naheffingsaanslag betreft, dat de uitspraak van de rechtbank ter zake van de boete dient te worden vernietigd, dat de uitspraak op bezwaar ter zake van de boete dient te worden vernietigd en dat de boete dient te worden verminderd tot een bedrag van € 514.

2.8. Proceskosten

Met betrekking tot de kosten van de procedure voor het Hof en de rechtbank geldt dat niet gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

3. De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de boete betreft;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boete betreft;

- vermindert de boete tot een bedrag € 514;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep in eerste aanleg betaalde griffierecht van in totaal € 142.

Aldus vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, D.B. Bijl en J.P.A. Boersma, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M. van Bakel als griffier. De beslissing is op 25 september 2007 in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.