Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB4629

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
07/00017
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2006:BA0153, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In casu is terecht verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken nageheven nu het Hof van oordeel is dat zich het belastbare feit ‘uitslag’ heeft voorgedaan. De inspecteur kon en mocht zich voor de berekening van de naheffingsaanslag baseren op de door belanghebbende zelf overgelegde ordner met facturen.

De enkele omstandigheid dat belanghebbende geen belasting op aangifte heeft voldaan is volstrekt onvoldoende om te onderbouwen dat sprake is van grove schuld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f, geldigheid: 2007-09-25
Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken 4, geldigheid: 2007-09-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2020
FutD 2007-2042

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P07/00017

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en op het incidenteel hoger beroep van

X B.V. te Z,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 06/1052 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 6 december 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 24 december 2004 onder nummer 0000.00.000/00.0.0001 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken opgelegd ten bedrage van € 30.708,00. Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur bij beschikking een boete opgelegd van € 15.354.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 28 november 2005 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot een bedrag van € 7.677. Op 6 juni 2006 en 12 juni 2006 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot € 30.424 respectievelijk € 25.237. De boete is verminderd tot € 7.606 respectievelijk € 6.309. Bij uitspraak van 6 december 2006, verzonden op 8 december 2006, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag gehandhaafd zoals deze door de inspecteur is verminderd en de boete vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 16 januari 2007, ingekomen op 23 januari 2007.

1.3. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2007. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende A, alsmede namens de inspecteur P en B. Van het verhandelde ter zitting is een proces verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Het Hof verwijst naar de volgende door de rechtbank vastgestelde feiten.

“2.1. De bedrijfsactiviteiten van eiseres bestonden in hoofdzaak uit de handel in koffiefilterzakjes. Als bijproduct leverde zij aan enkele afnemers tevens vruchtensappen. De vruchtensappen, verpakt in kleinhandelsverpakkingen, werden betrokken van de leverancier C uit Duitsland (de Duitse leverancier). De Duitse leverancier vervoerde de zendingen met eigen vrachtwagens naar Nederland en leverde deze af bij eiseres.

2.2. Tot 1 januari 1993 werd de verschuldigde accijns op de vruchtensappen aangegeven en voldaan door een douane-expediteur die door de leverancier werd ingeschakeld. De expediteur bracht de betaalde bedragen vervolgens aan eiseres in rekening. Over tijdvakken die aanvingen na voormelde datum heeft eiseres geen rekeningen meer ontvangen.

2.3. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een controlerapport van 23 november 2004 dat is opgemaakt naar aanleiding van een bij eiseres en Y B.V. ingesteld onderzoek. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:

“3 Vruchtensappen

In de gecontroleerde periode is voor geen enkele zending aangifte verbruiksbelasting gedaan, zodat geen verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken is voldaan. De reden is dat X B.V. niet op de hoogte was van het feit dat voor vruchtensappen belasting verschuldigd is, omdat per 1 januari 1993 de accijns op alcoholvrije dranken is afgeschaft en de mening was toegedaan dat vanaf 1 januari 1993 vruchtensappen onbelast waren geworden.”

3.1. Hoeveelheden

In de gecontroleerde periode is betrokken aan

Appelsap 200.754

Druivensap 48.891

Sinaasappelsap 257.640

Zwarte bessensap 23.370

530.655””

2.2. Het geschil

In hoger beroep is in geschil of terecht een naheffingsaanslag in de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is opgelegd en of terecht een boete is opgelegd.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

2.3.1. De rechtbank heeft het beroep voor zover het betreft de naheffingsaanslag ongegrond verklaard en voor zover het betreft de boete gegrond, en heeft daartoe het volgende overwogen:

“4.1. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat eiseres niet (meer) betwist dat zij € 25.237 aan verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken verschuldigd is. Zij is evenwel van mening dat vanwege schending van het zorgvuldigheidsbeginsel de naheffingsaanslag niet in stand kan blijven.

De rechtbank is van oordeel dat het in eerste instantie op een te hoog bedrag vaststellen van de naheffingsaanslag niet dermate onzorgvuldig is dat deze aanslag daardoor niet meer in stand kan blijven. De rechtbank zal de naheffingsaanslag handhaven zoals deze is verminderd door verweerder.

4.2. Verweerder heeft op grond van artikel 67f, Algemene wet inzake rijksbelastingen, een boete opgelegd omdat de belasting niet was betaald. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de boete verminderd tot 25% van de nageheven belasting. Onder grove schuld wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat het mede grove onachtzaamheid.

4.3. Ter zitting is door eiseres onweersproken gesteld dat de hoofdactiviteit van de onderneming bestond uit de handel in koffiefilterzakjes en dat de vruchtensappen slechts aan enkele klanten als bijproduct werden geleverd. De rechtbank acht in dit verband aannemelijk dat de leiding van de vennootschap zich in mindere mate richtte op de (fiscale) ontwikkelingen op het gebied van de vruchtensappen. Daarbij komt dat het relatief gezien om kleine bedragen per jaar gaat die niet langer werden betaald. De verklaring ter zitting dat het bedrijf in het verleden nooit eerder problemen met de fiscus heeft gehad en dat de boekhouding overigens altijd in orde is geweest heeft verweerder niet betwist. De rechtbank acht verder van belang dat verweerder in de periode 1 januari 1993 tot 2004 nimmer met een controle of anderszins kenbaar heeft gemaakt dat eiseres ten onrechte geen aangifte deed. Tot slot is van belang dat de onderhavige belasting in mindere mate bekend is bij ondernemers, hetgeen de rechtbank mede afleidt uit het verklaarde ter zitting door eiseres dat haar (externe) accountant, die de boekhouding verzorgde en de andere belastingaangiften deed, eiseres eveneens nimmer heeft ingelicht en dat bij navraag op dat kantoor bleek dat slechts één adviseur van een nevenvestiging op de hoogte was van de fiscale merites van de onderhavige verbruiksbelasting.

Alle vorenvermelde feiten en omstandigheden tezamen genomen en in hun onderling verband bezien brengen de rechtbank tot het oordeel dat eiseres weliswaar een verwijt kan worden gemaakt van het niet doen van aangifte en het niet betalen van de belasting in de jaren 1999 tot en met 2002, maar dat geen sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid of grove onachtzaamheid. Dit betekent dat de boetebeschikking niet in stand kan blijven.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. Relevante bepalingen

Bij de beoordeling van het geschil heeft het Hof de volgende bepalingen in aanmerking genomen.

Gelet op artikel 4, eerste lid, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten (hierna: de Wet) wordt als uitslag mede aangemerkt het voorhanden hebben van alcoholvrije dranken waarvan de belasting niet is geheven, door, voor zover hier van belang, een ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan in een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen.

Gelet op het tweede lid van artikel 4 van de Wet is het eerste lid niet van toepassing met betrekking tot alcoholvrije dranken die worden vervoerd naar, voor zover hier van belang, een ondernemer of een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer.

Op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) geldt dat indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting die op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald er sprake is van een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur een boete kan opleggen van ten hoogste 100%.

Alvorens een vergrijpboete op te leggen stelt de inspecteur de belastingplichtige, ingevolge artikel 67k van de Awr in kennis van zijn voornemen daartoe, onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2.6. Overwegingen

2.6.1. Met betrekking tot de vraag of de inspecteur de verbruiksbelasting terecht heeft nageheven stelt het Hof allereerst het volgende vast. Niet in geschil is dat belanghebbende ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 en derhalve eveneens ondernemer in de zin van artikel 2, aanhef en onderdeel i, van de Wet. Evenmin is in geschil dat de vruchtensappen in kwestie goederen zijn die aan de verbruiksbelasting zijn onderworpen en dat belanghebbende, aldus heeft zij ter zitting bevestigd, in het onderhavige tijdvak deze sappen voorhanden heeft gehad in het kader van haar onderneming.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van goederen ‘waarvan de belasting niet is geheven’ als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet heeft belanghebbende ter zitting desgevraagd bevestigd dat zij geen belasting heeft voldaan en dat het niet voor de hand ligt dat een ander de belasting heeft voldaan.

Hiervan uitgaande is het Hof van oordeel dat zich het belastbare feit ‘uitslag’ als bedoeld in art. 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet heeft voorgedaan. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat de Wet in een geval als het onderhavige waarbij de goederen rechtstreeks vanuit Duitsland naar Nederland worden vervoerd, niet de mogelijkheid biedt de leverancier of een eventueel door hem ingeschakelde vervoerder als belastingplichtige aan te laten merken c.q. de belasting te laten voldoen.

2.6.2 Met betrekking tot de berekening van het nageheven bedrag aan verbruiksbelasting geldt het volgende. Uit de stukken van het geding en uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard volgt dat het bedrag van de naheffing is gebaseerd op facturen, opgenomen in een ordner van belanghebbende, welke ordner belanghebbende zélf aan de controleur van de belastingdienst heeft overhandigd, nadat deze had verzocht om inzage van de facturen van de leverancier van de vruchtensappen. De naheffingsaanslag is berekend op basis van het getotaliseerde bedrag van de in deze ordner opgenomen facturen. Nadien heeft de inspecteur de naheffingsaanslag meerdere malen (ambtshalve) verminderd naar aanleiding van brieven van belanghebbende waarin stond vermeld dat in de desbetreffende ordner ook facturen waren opgenomen die waren gericht aan Y B.V. en niet aan belanghebbende.

2.6.3. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het bedrag van de naheffingsaanslag, zoals dit uiteindelijk na de verminderingen is vastgesteld, correspondeert met de in deze ordner opgenomen, aan haar gerichte facturen. Zij stelt echter dat de aanslag wellicht te laag dan wel te hoog is vastgesteld omdat zich elders in haar administratie mogelijk nog andere facturen of creditfacturen van leveringen van vruchtensappen bevinden. De belastingdienst valt te verwijten, aldus belanghebbende, dat zij niet de gehele administratie van belanghebbende heeft bezien ten einde hierover uitsluitstel te kunnen geven. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd wegens onzorgvuldig handelen van de belastingdienst. Belanghebbende voert voorts aan, aldus begrijpt het Hof, dat de naheffingsaanslag onrechtmatig is vastgesteld nu deze na de vaststelling ambtshalve meerdere malen is verminderd.

2.6.4. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur zich voor de berekening van de naheffingsaanslag kon en mocht baseren op de door belanghebbende zelf overgelegde ordner met facturen. De stelling van belanghebbende dat zich mogelijk elders in de administratie creditfacturen bevinden vormt, nu belanghebbende deze stelling op geen enkele wijze concretiseert, onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat het bedrag van de aanslag - zoals dit uiteindelijk is vastgesteld - te hoog is. De stelling van belanghebbende dat de omstandigheid dat de inspecteur na het opleggen van de naheffingsaanslag deze meerdere malen (ambtshalve) heeft verminderd meebrengt dat deze dient te worden vernietigd vindt geen steun in het recht, ook niet ingeval de eerste berekening van de aanslag onzorgvuldig heeft plaatsgevonden.

2.6.5. Gelet op het hiervoor onder 2.6.1 tot en met 2.6.4 overwogene faalt het incidenteel hoger beroep van belanghebbende met betrekking tot de naheffingsaanslag.

2.6.6. Met betrekking tot de boete geldt het volgende. De inspecteur stelt dat het aan grove schuld van belanghebbende te wijten is dat geen verbruiksbelasting op aangifte is voldaan. Het Hof stelt dienaangaande voorop dat de bewijslast te dezen rust op de inspecteur. Het door de inspecteur ter zitting ingenomen standpunt dat belanghebbendes grove schuld voortvloeit uit de enkele omstandigheid dat zij geen belasting op aangifte heeft voldaan, is naar het oordeel van het Hof volstrekt onvoldoende om aan deze bewijslast te voldoen. De stelling van de inspecteur dat dit te meer geldt nu belanghebbende kan worden verweten geen onderzoek te hebben ingesteld naar de invoering van een verbruiksbelasting, terwijl zij voor de afschaffing van de fiscale grenzen accijns ter zake van invoer moest voldoen en in Nederland nimmer belastingen plegen te worden afgeschaft zonder dat daar een andere heffing voor in de plaats wordt gesteld, faalt, reeds omdat deze stelling feitelijke grondslag ontbeert. Dienaangaande merkt het Hof nog op dat de constatering door belanghebbende dat een bepaalde belasting is vervallen zonder actief op zoek te gaan naar een mogelijk daarvoor in de plaats gekomen belasting, als zodanig niet zonder meer een verwijtbaar handelen oplevert. Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof onvoldoende feiten aangevoerd voor het bewijs van grove schuld aan de zijde van belanghebbende. In verband met dit oordeel acht het Hof het niet meer van belang of de inspecteur belanghebbende op 3 december 2004 daadwerkelijk een kennisgeving voor het opleggen van de boete heeft toegezonden.

2.6.7. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de inspecteur niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan en dat de boete ten onrechte is opgelegd. Het hoger beroep van de inspecteur met betrekking tot de boete faalt derhalve.

2.7. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is evenals het incidenteel hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

2.8. Proceskosten

Met betrekking tot de kosten van de procedure voor het Hof geldt dat er termen aanwezig zijn voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen in het onderhavige geval voor vergoeding in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op € 27.

3. De beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank, en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 27 en wijst de Staat aan als rechtspersoon die deze kosten dient te betalen.

Van de Staat zal een griffierecht van € 422 worden geheven.

Aldus vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, D.B. Bijl en J.P.A. Boersma, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M. van Bakel als griffier. De beslissing is op 25 september 2007 in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.