Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB4569

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
1059/2006 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het behoort tot de rol van de notaris de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze te behartigen, waaronder tevens begrepen het verstrekken aan hen van de juiste informatie om zoveel mogelijk te voorkomen dat partijen of een van hen voor verrassingen komen of komt te staan. Het hof is van oordeel dat de notaris, ter vervulling van die rol, gehouden was om voor zichzelf duidelijkheid te verkrijgen omtrent het verschil in koopsommen in relatie tot het verschil in omvang van het registergoed waarop die koopsommen betrekking hebben en vervolgens zo nodig de koper uitdrukkelijk op de verschillen te wijzen. Hieraan doet niet af dat in dit geval de gemeente de kopende partij was. Nu de notarissen hebben nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen hebben zij onjuist gehandeld en is de klacht gegrond.

Het hof van oordeel dat destijds – in het tijdperk vóór het telebankieren – een notaris voorafgaand aan het passeren van de akte mocht afgaan op de telefonische bevestiging van de eigen bankier dat de gelden waren overgemaakt op een notariële derdenrekening. Echter in het onderhavige geval zijn de notarissen afgegaan op de verklaring van de X Bank, niet zijnde hun eigen bankier. Dit is onjuist.

Buiten het opvragen van het uittreksel uit het Handelsregister had het op de weg van de notarissen gelegen en behoorde het ook tot hun verantwoordelijkheid om nader te (doen) onderzoeken of het faillissement van [naam] dat de curator vertegenwoordigingsbevoegd was. Nu zij dit hebben nagelaten hebben zij in deze klachtwaardig gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 13 september 2007 in de zaak onder rekestnummer 1059/2006 NOT van:

[naam],

gevestigd te [plaats],

APPELLANTE,

gemachtigden: 1 M.J.V. Freijsse,

2. mr. D.S. Kolkman,

3. F.J. Winkel RA,

en

1. [geïntimeerde 1],

oud-notaris te [woonplaats],

2. [geïntimeerde2],

voorheen kandidaat-notaris te [woonplaats],

thans notaris te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDEN

gemachtigde: mr. Ph.N.M. Creijghton.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Namens appellante, verder te noemen het [naam], is bij een op 7 juli 2006 ter griffie ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond, verder te noemen de kamer, van 12 juni 2006. Bij deze beslissing heeft de kamer de klachten zoals vervat in de brief van 3 november 2005 van het [naam] aan de plaatsvervangend voorzitter van de kamer gegrond verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping aan ieder van geïntimeerden, hierna te samen ook aan te duiden met: de notarissen.

1.2. Bij aanvullend verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen ter griffie op 17 juli 2006, heeft het [naam] zijn hoger beroep toegelicht.

1.3. Op 4 oktober 2006 is van de zijde van de notarissen een verweerschrift tevens incidenteel beroepschrift ter griffie ingekomen.

1.4. Op 2 november 2006 is ontvangen ter griffie – naar het hof begrijpt – de repliek in het principaal appel en het verweerschrift in het incidenteel appel.

1.5. Op 14 december 2006 is ter griffie ontvangen van de notarissen de dupliek in principaal hoger beroep, tevens repliek in incidenteel hoger beroep.

1.6. Het hoger beroep is – gelijktijdig met de zaak met rekestnummer 1515/2006 NOT – behandeld ter openbare terechtzitting van 12 april 2007. Verschenen zijn de gemachtigden van het [naam] en de notarissen met hun gemachtigde. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde sub 1 van het [naam] en de gemachtigde van de notarissen aan de hand van een pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de in het kader van de behandeling van de hoger beroepsprocedure aan het hof toegezonden stukken.

3. De feiten

3.1. Naar aanleiding van een onderzoek door de Ondernemingskamer van het hof Amsterdam op 5 januari 2004 naar het beleid en de gang van zaken[naam], is gebleken dat de notarissen bij een tweetal onroerend-goedtransacties zijn betrokken geweest. Het betreft het verlijden van een akte van transport van het aan [naam] toebehorend registergoed (mede omvattende het [adres]in [naam] op 28 november 2000 en het verlijden van een akte van transport van het woonhuis aan het [adres] op 19 maart 2001, beide akten verleden ten overstaan van de notaris sub 1 genoemd.

3.2. Aan deze leveringen liggen twee vaststellingingsovereenkomsten ten grondslag gedateerd juli 1999 en 20/21 november 2000. In de eerste overeenkomst is overeengekomen dat het registergoed cum annexis voor fl. 520.000,-- zal worden (terug) verkocht door middel van de verkoop door [naam], verder te noemen de [naam], van haar aandelen in [naam] voor fl. 540.000,--.

3.3 Op 25 april 2000 is de [naam] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [de curator], als curator.

[de curator] heeft qualitate qua het regeistergoed geleverd aan [naam], zijnde een van de de directeuren van [naam], een voormalige eigenaresse van het registergoed. De levering heeft plaatsgevonden op 28 november 2000 op grond van de tweede vaststellingovereenkomst van 20/21 november 2000, maar in de leveringsakte is als titel de vaststellingsovereenkomst van juli 1999 genoemd. De leveringsakte is verleden voor notaris sub 1, terwijl notaris sub 2 de voorbereidende werkzaamheden heeft verricht en bij de verkoop van het registergoed is opgetreden als gevolmachtigde van [de curator]. In de leveringsakte is opgenomen dat [de curator] persoonlijk niet aangesproken kan worden door derden met betrekking tot de aan leveringsovereenkomst ten grondslag liggende overeenkomsten.

3.4. [naam] heeft het registergoed gesplitst en de delen op 9 en 19 maart 2001 verkocht en geleverd aan derden voor in totaal fl. 1.915.000, --. Bij de levering van de grond op 9 maart 2001 zijn de notarissen niet betrokken geweest. Het woonhuis[adres] is voor fl. 645.000,-- verkocht aan de gemeente [naam]. De notaris sub 2 is daarbij opgetreden als de gevolmachtigde van [naam].

3.5 De opbrengst van de verkoop van het registergoed door [naam] aan [naam] is niet ten goede gekomen aan [naam], maar aan mr[naam], verder te noemen: mr. [naam], die curator is van drie failliete zustermaatschappijen van [naam]. Mr. [naam] stelde een vordering te hebben op [naam] door subrogatie in de rechten van de [bank x].

3.6. In de vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000 heeft [naam] verklaard een bedrag ad fl. 260.000,-- te betalen aan mr. [naam] in verband met zijn medewerking aan een bepaald royement, onder het beding dat [naam] zich het recht voorbehoudt het bedrag van fl. 260.000,-- terug te vorderen. Voornoemd bedrag is door [naam] op 28 november 2000 gestort op de derdenrekening van de notarissen onder vermelding “aankoop onroerendgoed [adres] volgens vaststellingsovereenkomst 28-11-2000”, evenals de overeengekomen koopprijs van

fl. 520.000,--.

4. Procesverloop in eerste aanleg

4.1. De kamer heeft bij beslissing van 12 juni 2006 op grond van een onderzoek ex artikel 96 lid 2 Wna, geoordeeld dat de notarissen klachtwaardig hebben gehandeld.

De kamer is tot dit oordeel gekomen naar aanleiding van de brief van 6 december 2004 van het [naam], gericht tot de voorzitter van de kamer, verder te noemen: de voorzitter, met de mededeling dat het op grond van zijn toezichthoudende taak op een zaak van de notarissen was gestuit waarover vragen waren gerezen. Het [naam] heeft de voorzitter verzocht om een onderzoek in te stellen teneinde antwoorden te verkrijgen op de openstaande vragen met betrekking tot de desbetreffende kwestie (leveringen van een onroerende zaak en de afwikkeling daarvan).

4.2. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de voorzitter op basis van artikel 96 lid 2 Wna een onderzoek gelast en de uitvoering van het onderzoek opgedragen aan de plaatsvervangend voorzitter.

4.3. Door de plaatsvervangend voorzitter en de secretaris van de kamer is vervolgens een onderzoek ingesteld bij het kantoor van notaris sub 2. Notaris sub 1 was toen inmiddels gedefungeerd. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 21 januari 2005. Van dit onderzoek is proces-verbaal opgemaakt.

4.4. Aan notaris sub 2 is een concept van dat proces-verbaal toegezonden en hierop is door notaris sub 2 gereageerd. Vervolgens is het proces-verbaal - met de op- en aanmerkingen van notaris sub 2 en andere bijlagen - op 25 februari 2005 toegezonden aan de voorzitter van de kamer, die het proces-verbaal vervolgens bij brief van 1 maart 2005 heeft toegezonden aan notaris sub 2 en aan het [naam] met het verzoek aan laatstgenoemde om aan te geven tot welke conclusie het proces-verbaal aanleiding geeft.

4.5. Bij brief van 11 april 2005 heeft het [naam] onder vermelding van zijn conclusies gereageerd op het proces-verbaal en aanvullende vragen geformuleerd. Naar aanleiding daarvan heeft de voorzitter bij brief van 18 april 2005 aan de plaatsvervangend voorzitter verzocht een aanvullend onderzoek in te stellen.

4.6. Bij brief van 2 mei 2005 heeft de plaatsvervangend voorzitter de vragen schriftelijk aan notaris sub 2 voorgelegd. Notaris sub 2 heeft op 11 juli 2005 schriftelijk gereageerd. De brief van de plaatsvervangend voorzitter en de reactie (met bijlagen) van notaris sub 2 zijn op 2 september 2005 toegezonden aan het [naam] met het verzoek om, indien het [naam] (nog) klachten heeft ten aanzien van gedraging(en) van notaris sub 2, die klacht(en) schriftelijk en gemotiveerd weer te geven.

4.7. Bij brief van 3 november 2005 heeft het [naam] aangegeven tegen welke gedragingen van de notarissen het een klacht indient. De plaatsvervangend voorzitter heeft op 21 november 2005 verzocht om een aantal ontbrekende stukken die bij brief van 29 november 2005 door notaris sub 2 alsnog ter beschikking zijn gesteld. Op 5 december 2005 is een kopie van de brief van het [naam] van 3 november 2005 aan de notarissen toegezonden met het verzoek om daarop te reageren. Van deze gelegenheid is op 3 februari 2006 gebruik gemaakt door de gemachtigde van de notarissen.

4.8. Op 6 februari 2006 heeft de plaatsvervangend voorzitter aan de voorzitter bericht dat het onderzoek is voltooid en heeft hij het dossier aan de voorzitter overgedragen.

Bij brief van 17 februari 2006 heeft de voorzitter aan het [naam] te kennen gegeven dat het onderzoek hem aanleiding heeft gegeven om de zaak voor te leggen aan de kamer van toezicht teneinde deze als klacht te behandelen.

5. Verwijten aan de notarissen naar aanleiding van het onderzoek

5.1. Het [naam] verwijt de notarissen (I) dat zij het bestaan en in het bijzonder de omvang van een volmacht van [naam] en/of [de curator] en/of [naam] aan mr. [naam] tot het opdracht geven aan de notaris (tot uitvoering van de gehele tweede vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000, op de wijze zoals deze is geschied) bij de opdrachtaanvaarding onvoldoende expliciet hebben onderzocht.

5.2. Ook wordt de notarissen (II) verweten dat zij zich onvoldoende hebben vergewist van de (on)bevoegdheid van een in een voor hem verleden akte optredende vertegenwoordiger van een der partijen, zijnde [de curator].

5.3. Voorts verwijt het [naam] de notarissen (III) dat zij een (onjuiste) verwijzing in de akte van 28 november 2000 naar een vaststellingsovereenkomst van juli 1999 hebben opgenomen, dit terwijl is uitgegaan van de tweede vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000.

5.4. Tevens wordt de notarissen (IV) verweten dat zij geen dan wel zeer beperkt onderzoek hebben gedaan naar de waarde in het economisch verkeer van het op 28 november 2000 verkochte onroerend goed.

5.5. Eveneens verwijt het [naam] de notarissen (V) dat zij de in verband met de tweede vaststellingsovereenkomst en de uitvoering daarvan ontvangen gelden niet aan [naam] of aan de (veronderstelde) gesubrogeerden hebben betaald, hebben overgemaakt op een derdengeldrekening van een advocatenkantoor (die bovendien afwijkt van de in de tweede vaststellingsovereenkomst (koopovereenkomst) genoemde rekening) en dat [naam] terzake van de levering geen nota van afrekening heeft ontvangen.

5.6. Mede wordt de notarissen (VI) verweten dat zij in de akte van 28 november 2000 de koper kwijting hebben verleend voor betaling van de koopsom, terwijl de daarop betrekking hebbende gelden op dat moment niet tot hun beschikking stonden.

.

5.7. Het [naam] verwijt de notarissen (VII) vervolgens dat zij gelden hebben doorbetaald die zij nog niet hebben ontvangen.

5.8. Daarbij wordt de notarissen (VIII) verweten dat zij niet, op grond van artikel 46 Wna, de volledige geldelijke tegenprestatie voor de levering in de akte hebben vermeld.

5.9. Bovendien verwijt het [naam] dat de notarissen (IX) in de akte in artikel 7 enkele onjuistheden/slordigheden hebben opgenomen.

5.10. Daarenboven wordt de notarissen verweten (X) dat zij bij de levering van het woonhuis aan de gemeente begin 2001 de koopsom niet of nauwelijks hebben geverifieerd, ondanks de grote afwijking met de voorafgaande verkrijging eind 2000.

5.11. Dan verwijt het [naam] de notarissen (XI) dat zij zich bij voormelde transactie onvoldoende hebben vergewist van de beschikkingsbevoegdheid van de verkopende partij, zijnde [naam].

5.12. Buitendien wordt de notarissen (XII) verweten dat zij een verklaring hebben opgenomen in de akte (“verkoper garandeert dat hij bevoegd is tot verkoop en levering van het verkochte”) waarvan zij wisten, dan wel moesten weten dat die onjuist was.

5.13. Ten slotte verwijt het [naam] de notarissen (XIII) dat zij de koper onvoldoende hebben voorgelicht en gewaarschuwd (“Belehrungspflicht”) voor de bijzondere artikelen (5 en 7) in de akte van de voorafgaande verkrijging en de hieraan verbonden risico’s.

6. Het standpunt van de notarissen in eerste aanleg

6.1. De notarissen hebben aangevoerd dat het geen ongebruikelijke gang van zaken was dat mr. [naam], als een van de bij de transactie betrokken partijen, het initiatief nam tot de uitvoering en als contactpersoon voor de notaris optrad. De andere bij de transactie betrokken partijen, [de curator] en [naam] hebben hierover nooit geklaagd. Met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [de curator] hebben de notarissen op 27 november 2000 uittreksels uit het handelsregister opgevraagd, waaruit is gebleken dat [de curator] tot curator van de [naam] was benoemd en deze rechtspersoon zowel binnen als buiten rechte vertegenwoordigde. Tevens hebben zij zich beroepen op de toestemming voor het aangaan van de tweede vaststellingsovereenkomst van de rechter-commissaris in het faillissement van de [naam].

6.2. Voorts hebben de notarissen er op gewezen dat de in de akte van 28 november 2000 genoemde titel van de eerste vaststellingsovereenkomst direct is te herleiden tot de overwegingen in de tweede vaststellingsovereenkomst waarin wordt opgemerkt dat in de eerste vaststellingovereenkomst de verkoop is overeengekomen. Een onjuist beeld wordt volgens hen niet geschetst.

6.3. De notarissen hebben zich bij de transactie van 28 november 2000 verlaten op de verklaring van de fiscus in dier voege dat dezelfde koopsom van fl. 520.000,-- zou gelden bij het terugdraaien van de transactie. Daarbij komt dat het bedrijfsterrein naast het woonhuis ernstig was vervuild, zodat er geen aanleiding bestond om te veronderstellen dat het registergoed een hogere koopprijs zou opbrengen. Voorts wijzen de notarissen er op dat bij de vaststelling van de koopsom twee curatoren, twee rechters-commissarissen en twee fiscaal adviseurs waren betrokken.

6.4. Ten aanzien van het storten van de litigieuze bedragen op de derdenrekening van mr. [naam] in plaats van deze over te maken aan [naam] of een plaatsvervanger zijn de notarissen van mening dat dit een betaling betrof die buiten de notaris om is gegaan, aangezien het betrof een afspraak tussen mr. [naam] en [de curator]. In dat verband wijzen de notarissen erop dat de KNB advies is gevraagd met betrekking tot de subrogatie van mr. [naam] en dat de bij de tweede vaststellingovereenkomst betrokken partijen nadrukkelijk hebben aanvaard dat er sprake was van een rechtsgeldige subrogatie, die ook de goedkeuring had van de [bank x] zoals blijkt uit haar brief van 31 mei 1999.

6.5. Met betrekking tot de kwijting voor de ontvangen koopsom stellen de notarissen dat de opdracht tot telefonische overboeking door de notarissen is gegeven op het moment dat de daartoe strekkende betalingen waren ontvangen. Ten tijde van het passeren van de akte was er van de zijde van [Bank] een onvoorwaardelijke toezegging dat een bedrag van fl. 811.200,-- was overgemaakt op de derdenrekening van de notarissen. In dat verband verwijzen de notarissen naar de bankafschriften van de x bank van 29 november 2000 betreffende een betaling van (afgerond)

fl. 82.400,-- en een afschrift van 30 november 2000, waaruit blijkt dat de bedragen ad fl. 260.000,-- en ad fl. 520.000,-- waren bijgeschreven op de derdengeldenrekening van de notarissen.

6.6. De notarissen zijn van mening dat de geldelijke tegenprestatie voor de levering van de registergoederen fl. 520.000, -- bedroeg en geen fl. 780.000,--.

6.7. Voor zover het [naam] klaagt over enkele slordigheden dan wel onjuistheden in artikel 7 van de leveringakte zijn de notarissen van mening dat hun hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6.8. Ook het verwijt dat de notarissen de koopsom in de akte van 19 maart 2001 niet hebben geverifieerd kan volgens de notarissen geen doel treffen, aangezien notaris sub 1 niet betrokken is geweest bij de verkoop van het bedrijfsterrein gelegen naast het woonhuis, zodat de opbrengst ervan niet relevant is. Bovendien is de notaris van mening dat de koopsom van fl. 520.000,-- op 28 november 2000 en de vervuiling van het bedrijfsterrein in aanmerking genomen, de door partijen overeengekomen koopsom van fl. 645.000,-- geen aanleiding gaf om de koopsom in twijfel te trekken.

6.9. De notarissen benadrukken dat zij geen reden hadden om te twijfelen aan de vertegenwoordiging van [naam] door [ de curator]. Alle betrokkenen gingen daarvan uit, evenals van de beschikkingsbevoegdheid van [naam].

7. oordeel van de kamer

In haar beslissing van 12 juni 2006 heeft de kamer geoordeeld dat de notarissen verwijtbaar hebben gehandeld, daarbij overwegende dat de klachten II (deels), III, V (deels), VI, VII, IX, X, XI en XII gegrond zijn, zij het dat de laatste twee klachten geen zelfstandige grond kennen.

Klacht IX ziet op een fout en slordigheden die echter, hoewel de klacht gegrond is, zodanig zijn dat deze op zichzelf genomen geen aanleiding zouden zijn voor een tuchtrechtelijke maatregel. Klacht III ziet op een onjuistheid wat betreft de titel van de overdracht. Klacht V ziet op het ontbreken van de nota van afrekening voor [naam] en de klachten VI en VII op de geldstromen op de derdengeldrekening van de notarissen. De klachten II (en in navolging daarvan de klachten XI en XII) en X tenslotte zien op de uitvoering van de taak van de notarissen, de op hen rustende verplichting tot recherche en hun signaalfunctie.

Gezien het karakter van deze - gegronde - klachten is er volgens de kamer sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen als bedoeld in artikel 98 lid 1 Wna. Dat vormt voor de kamer aanleiding te komen tot een tuchtrechtelijke maatregel. Zij vindt de aard en de ernst van overtreding van genoemde bepaling zodanig dat een berisping op zijn plaats is.

8. Het standpunt van het [naam] in hoger beroep

8.1.Het [naam] kan zich niet verenigen met het oordeel van de kamer dat klachtonderdelen I, II (gedeeltelijk), IV, V (gedeeltelijk), VIII, XI, XII en XIII ongegrond zijn.

8.2. Ten aanzien van klachtonderdeel I brengt het [naam] naar voren dat niet uit de stukken noch uit de omstandigheden blijkt dat mr. [naam] bevoegd zou zijn de notaris de opdracht te geven tot uitbetaling van fl. 780.000,-- op de rekeningnummers waarnaar dat bedrag is overgemaakt. Dit houdt een risico in voor het bestaan en de omvang van de mondeling aan mr. [naam] verleende volmacht tot opdrachtverlening aan de notaris, die de notaris onderzocht zou moeten hebben.

8.3. Het [naam] stelt dat het onjuist is dat de kamer klachtonderdeel II deels ongegrond heeft verklaard. Het [naam] is van mening dat het ontbreken van de garantie dat

[de curator] bevoegd was tot verkoop en levering, in samenhang met de afwezigheid bij de tweede vaststellingsovereenkomst van [naam] en/of mevrouw [naam], mede gelet op het feit dat de eerste vaststellingsovereenkomst buiten medeweten van mr. [naam] is getekend en de omstandigheid van het niet ontvangen van de koopsom door verkoopster [naam] op een eigen rekening, de notaris voldoende aanwijzing moest hebben gegeven om in te zien dat er problemen waren met de beschikkingsbevoegdheid van [de curator].

8.4. Naar aanleiding van de ongegrondverklaring van klachtonderdeel IV houdt het [naam] staande dat het registergoed in ieder geval fl. 260.000,-- meer waard zou zijn, aangezien [naam] bereid is gebleken dit (extra) bedrag te betalen om het registergoed onbezwaard in zijn bezit te krijgen. De verkoper is immers verplicht de eigendom onbezwaard te leveren. Dit hadden de notarissen ook kunnen bedenken. Bovendien strekte de levering ertoe de levering van 26 februari 1998 terug te draaien en was er voorafgaand aan de levering geen recent taxatierapport noch een recent rapport betreffende een bodemonderzoek voorhanden.

8.5. Het [naam] is van mening dat het klachtonderdeel zoals genoemd onder V in zijn totaal gegrond dient te worden verklaard. Dit geldt te meer nu de betaling aan mr. [naam] blijkens het advies van de KNB niet geheel onomstreden was.

8.6. Ook dient klachtonderdeel VIII naar de mening van het [naam] gegrond te worden verklaard aangezien het [naam] van mening is dat de fl. 780.000,-- een betaling door de koper aan de verkoper is en als zodanig onderdeel uitmaakt van de koopsom. Het bedrag van fl. 49.400,-- dient eveneens te worden gerekend tot de koopsom. Het bedrag komt [naam] toe uit hoofde van de levering van de grond en wordt voldaan door de koper.

8.7. Het [naam] is het niet eens met het oordeel van de kamer dat het klachtonderdeel XI een zelfstandige grond mist. Het [naam] voert daartoe aan dat de notarissen zich bewust hadden dienen te zijn van de mogelijke onbevoegdheid van [de curator] en dat zij zich hadden dienen af te vragen wat de reden was van de snelle doorverkoop door [naam]. Bovendien heeft [naam] geen nota van afrekening gekregen.

8.8. Zulks geldt evenzeer voor het klachtonderdeel zoals genoemd in XII. Het [naam] is van mening dat de notarissen niet slechts onwetendheid kan worden verweten zoals de kamer heeft geoordeeld, maar gelet op de literatuur en de jurisprudentie ter zake hadden de notarissen zich moeten afvragen of er sprake is van beschikkingsonbevoegdheid.

8.9. Ten slotte is het [naam] met betrekking tot klachtonderdeel XIII van oordeel dat de notarissen de gemeente [naam] op de hoogte hadden dienen te brengen van de mogelijke consequenties van de koop, ongeacht het feit dat mr. [naam] als gevolmachtigde voor de gemeente bij de koop is opgetreden.

8.10 Het [naam] verzoekt het hof de uitspraak kenbaar te maken aan de feitelijk bevoegde bestuurders van [naam].

9. Het standpunt van de notarissen in hoger beroep

9.1. De notarissen hebben in hoger beroep gesteld het niet eens te zijn met het oordeel van de kamer over de klachtonderdelen II, III, VII en X. Zij refereren zich ten aanzien van de gegrondverklaring van het subonderdeel van klachtonderdeel V en van klachtonderdeel VI.

9.2. Over klachtonderdeel II merken de notarissen het volgende op. De notarissen stellen voorop dat zij een eigen verantwoordelijkheid hebben bij de beoordeling van de vertegenwoordingsbevoegdheid van degene die namens partijen optreden bij een transactie. Zij hebben onderzoek verricht en voegen in het hoger beroep toe dat het [naam] kennelijk nog steeds in de veronderstelling verkeert dat de notarissen en de curatoren hebben samengespannen. Deze curatoren zijn echter door hun benoemingen in de positie geraakt dat zij de al jarenlang slepende conflicten tussen [naam] junior en senior en hun vennootschappen enerzijds en [naam] en zijn vennootschappen anderzijds alsnog dienden op te lossen. Daarom heeft [de curator] in zijn brief van 28 november 2000 aangeven ten opzichte van de koop geen enkele garantie te kunnen en zullen verschaffen. Dit past in de algemene rol van een curator, zoals ook de kamer onderschrijft.

9.3. Ten aanzien van klachtonderdeel III kunnen de notarissen erkennen dat het beter zou zijn geweest als zij de vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000 als titel in de akte zouden hebben opgenomen. Zij wijzen er echter op dat deze vaststellingsovereenkomst een verwijzing bevat naar de eerste vaststellingsovereenkomst, zodat de tweede vaststellingsovereenkomst beschouwd dient te worden als een voortzetting van de eerste, zoals beschreven in artikel 7 van de akte, waarin sprake is van “overeenkomsten”. Daarom is hun handelen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

9.4. De notarissen hebben voorts naar voren gebracht dat de kamer ten onrechte het klachtonderdeel VII gegrond heeft bevonden. Zij wijzen in dat verband naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, waarin het [naam] heeft erkend dat op 30 november 2000 het moment van de ontvangst van de diverse betalingen door de notarissen en dat van de overboeking daarvan zijn samengevallen . Bovendien dient een en ander bezien te worden in het licht van de situatie op 30 november 2000, toen telebankieren nog niet bestond. Een bankafschrift was dan ook niet meteen voorhanden.

9.5. Ten aanzien van de gegrondbevinding van klachtonderdeel X merken de notarissen op dat de kamer er ten onrechte aan is voor bij gegaan dat de grond van het bedrijfsterrein ernstig vervuild was. Daarom had deze grond nauwelijks enige waarde. De notarissen benadrukken dat de gemeente [naam] volledig bekend was met de locatie en als professional redelijkerwijs in staat moest worden geacht te bepalen of een koopprijs reëel is.

9.6. De notarissen komen dan ook tot de conclusie dat de maatregel van berisping – zoals opgelegd door de kamer - een veel te zware maatregel is. De maatregel van waarschuwing zou meer op zijn plaats zijn.

9.7. Ten slotte verzoeken de notarissen het hof het verzoek van het [naam] tot bekendmaking van de beslissing van het hof aan de feitelijk bevoegde bestuurders van [naam] af te wijzen, nu de Wna daartoe geen aanknopingspunt biedt.

10. Beoordeling van het hoger beroep

10.1. Alvorens tot de behandeling van de klachtonderdelen over te gaan wijst het hof er op dat sinds de invoering van de Wna, waarvan de inwerkingtreding op 1 oktober 1999 heeft plaats gevonden, het grievenstelsel is verlaten. Blijkens artikel 107 lid 4 Wna behandelt het hof de zaak opnieuw in volle omvang. Grieven behoeven in zoverre geen bespreking. Dat betekent voorts dat in hoger beroep geen plaats meer is voor de figuur van het incidenteel appel. Partijen hebben – mede gelet op de datum waarop het verweerschrift van de notarissen ter griffie is ontvangen – naar aanleiding hiervan er mee ingestemd dat het hof in deze zaak 06/1059 zal volstaan met de behandeling van het appel van het [naam], met inachtneming van het bepaalde in artikel 107 lid 4 Wna.

10.2. Het hof is met de kamer van oordeel dat klachtonderdeel I, dat ziet op het onderzoek naar de omvang van de volmachtverlening, ongegrond is en het onderschrijft de gronden waarop de kamer tot dat oordeel is gekomen.

10.3. Het hof zal de klachtonderdelen II, XI en XII gezamenlijk behandelen omdat deze klachtonderdelen met betrekking tot de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van [naam] door [de curator] en de daaruit voortvloeiende beschikkings(on)bevoegdheid van [naam] zo nauw met elkaar samenhangen dat zulks een gezamenlijke behandeling rechtvaardigt.

Het hof stelt vast – gelet op de wet, de jurisprudentie en de literatuur - dat [de curator] als curator van de failliete [naam] niet zonder meer bevoegd was deze laatste te vertegenwoordigen als bestuurster van [naam]. Hieruit volgt dat de notaris sub 2 aan wie een volmacht was vertrekt om als gevolmachtigde [naam] te vertegenwoordigen eveneens onbevoegd heeft gehandeld.

De notarissen hebben tot hun verdediging aangevoerd dat zij een onderzoek hebben verricht door het opvragen van een uittreksel uit het Handelsregister waaruit is gebleken dat de [naam] werd vertegenwoordigd door de curator in en buiten rechte. Bovendien wijzen zij er op dat de rechter-commissaris in het faillissement van [naam] toestemming heeft verleend voor de overeenkomst, zodat de notarissen konden uitgaan van de bevoegdheid van [de curator].

Deze verweren kunnen de notarissen niet baten. Buiten het opvragen van het uittreksel uit het Handelsregister had het op de weg van de notarissen gelegen en behoorde het ook tot hun verantwoordelijkheid om nader te (doen) onderzoeken of het faillissement van [naam] meebracht dat [de curator] vertegenwoordigingsbevoegd was. Nu zij dit hebben nagelaten hebben zij in deze klachtwaardig gehandeld. Het hof acht klachtonderdeel II in zoverre gegrond. Met de kamer is het hof echter van oordeel dat het feit dat [de curator] geen garantie had afgegeven en een vrijwaringsclausule in de akte had doen opnemen ook in samenhang met de overige omstandigheden van het geval niet een zelfstandige grond voor twijfel aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid opleverde. In zoverre is dit klachtonderdeel dus ongegrond.

10.4. Het hof is van oordeel dat ook het klachtonderdeel III over de onjuiste verwijzing in de akte van 28 november 2000 naar een vaststellingsovereenkomst van juli 1999 terwijl de akte haar grondslag grotendeels vindt in de vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000, terecht door het [naam] is voorgedragen. In het hoger beroep geven de notarissen zelf aan dat zij er beter aan zouden hebben gedaan als titel van de akte de vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000 op te nemen. De notarissen hebben dit echter nagelaten, zodat de klacht in zoverre gegrond is.

10.5. Dat geldt echter niet voor klachtonderdeel IV met betrekking tot het onderzoek naar de waarde in het economisch verkeer van het op 28 november 2000 verkochte onroerend goed. Een notaris is in het algemeen geen deskundige in de waardering van registergoederen. Van een notaris mag wel worden verwacht dat hij onderzoek doet naar onverklaarbare prijsverschillen bijdoorlevering van het registergoed binnen een kort tijdsbestek. In het onderhavige geval was het echter de bedoeling van partijen dat het registergoed tegen dezelfde prijs zou worden teruggeleverd. De teruglevering van het registergoed heeft met instemming van alle betrokken partijen, waaronder de fiscus, plaats gevonden. Een en ander hoefde voor de notaris dan ook geen aanleiding te vormen een nader onderzoek te doen naar de prijs van het betrokken registergoed dan het onderzoek dat feitelijk heeft plaats gevonden. Dit klachtonderdeel acht het hof ongegrond.

10.6. Het hof is met de kamer van oordeel dat klachtonderdeel V voor wat betreft het ontbreken van een nota van afrekening voor [naam] gegrond is en voor het overige ongegrond en het onderschrijft de gronden waarop de kamer tot dat oordeel is gekomen.

10.7. Ten aanzien van klachtonderdeel VI is het hof van oordeel dat destijds – in het tijdperk vóór het telebankieren – een notaris voorafgaand aan het passeren van de akte mocht afgaan op de telefonische bevestiging van de eigen bankier dat de gelden waren overgemaakt op een notariële derdenrekening. Echter in het onderhavige geval zijn de notarissen afgegaan op de verklaring van de [Bank], niet zijnde hun eigen bankier. Dit is onjuist. De notarissen hebben het onjuiste van hun handelen ingezien blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de kamer van 10 april 2006. De klacht is gegrond.

10.8. De klacht met betrekking tot het ontvangen en doorbetalen van gelden op 30 november 2000 – VII – is naar het oordeel van het hof, anders dan de kamer heeft geoordeeld, ongegrond. Blijkens dagafschrift 199, bladnummers 4 en 5 van de derdengeldenrekening nummer 68.84.10. 278 van de notarissen bij de [bank x], welk dagafschrift is gedateerd 30 november 2000, zijn bedragen van fl. 260.000,--, fl. 519.999,99 en fl. 31.200,-- met valutadatum 1 december 2000 ontvangen van [naam] onder vermelding van “aankoop onroerend goed [adres] vgls vaststellingsovereenkomst 28-11-2000.”

Bladnummer 3 van hetzelfde dagafschrift toont dat fl. 730.702,37 van dezelfde rekening is overgemaakt naar de derdengeldrekening van [naam], het kantoor van mr. [naam]. Hieruit blijkt dat de momenten van ontvangst en betaling zijn samengevallen, zodat niet kan worden vastgesteld dat de notarissen hebben uitbetaald aan mr. [naam] zonder dat zij beschikten over de gelden van [naam]. De klacht is ongegrond. Nu het hof op dit punt afwijkt van het oordeel van de kamer kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

10.9. Het hof is met de kamer van oordeel dat klachtonderdeel VIII met betrekking tot het niet vermelden in de akte van de gehele geldelijke tegenprestatie voor de levering, ongegrond is en het onderschrijft de gronden waarop de kamer tot dat oordeel is gekomen.

10.10. Dat geldt evenzeer voor klachtonderdeel IX. De notarissen hebben erkend dat in artikel 7 van de akte enige onjuistheden zijn geslopen. Het hof is van oordeel dat er sprake is van een kennelijke verschrijving die geen tuchtrechtelijk verwijt rechtvaardigt. Het klachtonderdeel is ongegrond.

10.11. Het hof is met de kamer van oordeel dat klachtonderdeel X gegrond is. Het behoort tot de rol van de notaris de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze te behartigen, waaronder tevens begrepen het verstrekken aan hen van de juiste informatie om zoveel mogelijk te voorkomen dat partijen of een van hen voor verrassingen komen of komt te staan. Het hof is van oordeel dat de notaris, ter vervulling van die rol, gehouden was om voor zichzelf duidelijkheid te verkrijgen omtrent het verschil in koopsommen in relatie tot het verschil in omvang van het registergoed waarop die koopsommen betrekking hebben en vervolgens zo nodig de koper uitdrukkelijk op de verschillen te wijzen. Hieraan doet niet af dat in dit geval de gemeente de kopende partij was. Nu de notarissen hebben nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen hebben zij onjuist gehandeld en is de klacht gegrond.

10.12 Ten slotte is het hof van oordeel dat ten aan zien van klacht XIII niet is gebleken dat de notaris sub 1 zich niet heeft gekweten van zijn “normale” informatieplicht. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

10.13. Nu het hof, anders dan de kamer, tot de bevinding is gekomen dat klachtonderdeel VII ongegrond is, is het hof van oordeel dat de maatregel van berisping zoals opgelegd door de kamer niet in stand kan blijven en zal het hof de beslissing van de kamer vernietigen. Het hof is, gelet op de hiervoor gegrond geoordeelde klachtonderdelen, van oordeel dat de maatregel van waarschuwing op zijn plaats is.

10.14. Het verzoek van het [naam] tot bekendmaking van zijn beslissing aan de feitelijke bestuurders van [naam], zal het hof passeren, reeds omdat de beslissing na de uitspraak gepubliceerd wordt op www.rechtspraak.nl , zoals reeds geruime tijd geschiedt ten aanzien van beslissingen van dit hof in notariële tuchtzaken.

10.15 Het vorenoverwogene leidt tot de volgende beslissing.

11. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer van 12 juni 2006, en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klachten II (gedeeltelijk), III, V (gedeeltelijk), VI, X, XI en XII gegrond;

- legt aan ieder van de notarissen de maatregel van waarschuwing op;

- verklaart de klachten voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en P.J.N van Os in het openbaar uitgesproken op donderdag 13 september 2007 en uitgesproken door de rolraadsheer.

B E S L I S S I N G

van de kamer van toezicht over

de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond

nummer: 4/2006

uitspraak: 12 juni 2006.

Door de voorzitter van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond is op basis van artikel 96 lid 2 van de Wet op het notarisambt een onderzoek gelast naar aanleiding van een klacht van het [naam]) jegens

[naam],

oud-notaris,

destijds gevestigd te [plaats],

en

mr. [naam],

notaris,

gevestigd te [plaats]

van welk onderzoek een proces-verbaal is opgemaakt. De resultaten daarvan zijn vervolgens door de voorzitter overeenkomstig het bepaalde in artikel 96, zesde lid van de Wet op het notarisambt voorgelegd aan de kamer van toezicht.

De behandeling door de kamer van toezicht in bepaald op 10 april 2006. Bij schrijven van 6 maart 2006 zijn mr. [naam] en mr. [naam] in kennis gesteld van de datum van behandeling en uitgenodigd bij de behandeling aanwezig te zijn.

Op 10 april 2006 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De secretaris heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij deze behandeling zijn verschenen:

-[naam] en mr. [naam], beiden bijgestaan door mr. Ph.N.M. Creijghton, advocaat te Amsterdam;

- het [naam] in de persoon van drs. M.J.V. Freijssen RA, vergezeld van D.S. Kolkman en F.J. Winkel.

Het onderzoek en het verdere verloop van de procedure

Het [naam] heeft zich bij brief van 6 december 2004 gericht tot de voorzitter van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond (verder: de kamer) met de mededeling dat zij op grond van haar toezichthoudende taak op een zaak was gestuit van (destijds kandidaat-)notaris [naam] en (inmiddels oud-)notaris[naam], beiden gevestigd te [plaats] (verder afzonderlijk:

mr. [naam] en mr. [naam]; gezamenlijk: de notarissen) waaromtrent vragen waren gerezen. Het [naam] heeft verzocht om een onderzoek in te stellen teneinde antwoorden te verkrijgen op de openstaande vragen met betrekking tot de betreffende kwestie (leveringen van een onroerende zaak en de afwikkeling daarvan).

Naar aanleiding van dat verzoek heeft de voorzitter van de kamer op basis van artikel 96 lid 2 van de Wet op het notarisambt (verder: Wna) een onderzoek gelast en de uitvoering van het onderzoek overgedragen aan de plaatsvervangend voorzitter van de kamer, mr. L.A. Gruiters.

Door mr. Gruiters en mr. L.G.H. Cox, secretaris van de kamer, is vervolgens een onderzoek ingesteld bij (het kantoor van) mr. [naam]. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 21 januari 2005. Van dit onderzoek is proces-verbaal opgemaakt.

Aan mr. [naam] is een concept van dat proces-verbaal toegezonden en door hem is gebruik gemaakt van de mogelijkheid op het concept te reageren. Vervolgens is het proces-verbaal - met de op- en aanmerkingen van mr. [naam] en andere bijlagen - op 25 februari 2005 toegezonden aan de voorzitter van de kamer, die het proces-verbaal vervolgens bij brief van 1 maart 2005 heeft toegezonden aan mr. [naam] en aan het [naam] met het verzoek aan te geven tot welke conclusie het proces-verbaal haar ([naam]) aanleiding geeft.

Bij schrijven van 11 april 2005 heeft het [naam] gereageerd op het proces-verbaal, haar conclusies weergegeven en aanvullende vragen geformuleerd. Naar aanleiding daarvan heeft de voorzitter van de kamer bij brief van 18 april 2005 mr. Gruiters verzocht een aanvullend onderzoek in te stellen.

Bij schrijven van 2 mei 2005 heeft mr. Gruiters de vragen schriftelijk aan mr. [naam] voorgelegd. Mr. [naam] heeft op 11 juli 2005 schriftelijk gereageerd. Het schrijven van mr. Gruiters en de reactie (met bijlagen) van mr. [naam] zijn op 2 september 2005 toegezonden aan het [naam] met het verzoek om, indien het [naam] (nog) klachten heeft ten aanzien van gedraging(en) van mr. [naam], die klacht(en) schriftelijk en gemotiveerd weer te geven.

Bij schrijven van 3 november 2005 heeft het [naam] aangegeven tegen welke gedragingen van (oud) notaris [naam] en (kandidaat) notaris [naam] zij een klacht indient. Mr. Gruiters heeft mr. [naam] op 21 november 2005 verzocht om een aantal ontbrekende bescheiden, welke bescheiden bij schrijven van 29 november 2005 door mr. [naam] alsnog ter beschikking zijn gesteld. Op 5 december 2005 is een kopie van de brief van het [naam] van 3 november 2005 aan mr. [naam] en aan mr. [naam] toegezonden met het verzoek om daarop te reageren. Van deze gelegenheid is op 3 februari 2006 gebruik gemaakt door de raadsman van de notarissen.

Op 6 februari 2006 heeft mr. Gruiters aan de voorzitter van de kamer bericht dat het onderzoek is voltooid en heeft hij het dossier overgedragen.

Bij schrijven van 17 februari 2006 heeft de voorzitter van de kamer aan het [naam] te kennen gegeven dat het onderzoek van mr. Gruiters haar aanleiding heeft gegeven om de zaak voor te leggen aan de kamer van toezicht teneinde haar als klacht te behandelen.

Het geschil en het oordeel van de kamer daarover.

Kern van het onderzoek is de vraag of door de notarissen is gehandeld in strijd met de tuchtnorm van artikel 98, eerste lid, Wna.

Het [naam] heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vraag, op grond van dertien door haar geformuleerde klachten bevestigend beantwoord dient te worden. De notarissen hebben zich tegen de klachten verweerd. De kamer zal de respectievelijke klachten en het verweer daartegen achtereenvolgens bespreken, waarna een recapitulatie zal volgen.

Daar waar gesproken wordt over “notarissen” wordt daarmee zowel mr. [naam] (die destijds als notaris is opgetreden) als mr. [naam] (die de werkzaamheden als kandidaat-notaris heeft verricht/voorbereid) bedoeld. Verder is mr. [naam] opgetreden als gevolmachtigde van [de curator] in diens hoedanigheid van curator van [naam] (en vanuit die hoedanigheid als verondersteld bestuurder van [naam] BV).

De klachten I tot en met IX zien op de transactie die heeft geleid tot de verleden akte van 28 november 2000 en de klachten X tot en met XIII op de transactie die heeft geleid tot de verleden akte van 19 maart 2001.

Klacht I:

De notarissen hebben het bestaan en met name de omvang van een volmachtverlening aan mr. [naam] door [naam] BV en/of [de curator] en/of de heer [naam] tot het opdracht geven aan de notaris (tot uitvoering van de gehele tweede vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000, op de wijze zoals deze is geschied) bij de opdrachtaanvaarding onvoldoende expliciet onderzocht.

Door het [naam] is aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt dat [de curator] (als curator van de failliete moeder van [naam] BV, daargelaten zijn (on)bevoegdheid om [naam] BV te vertegenwoordigen) direct dan wel indirect (middels een volmacht aan mr. [naam]) opdracht heeft gegeven aan de notaris om de koopsom van de aan [naam] BV in eigendom toebehorende onroerende zaak te storten op een derdengeldrekening van [naam]. Nu door [de curator] slechts een volmacht was verleend voor het transport van de onroerende zaak (en dus niet de uitvoering van de gehele (tweede) overeenkomst, waaronder de betaling aan een ander dan [naam] BV als eigenaar) heeft de notaris volgens het [naam] het risico genomen dat hij gelden onverschuldigd heeft betaald.

Deze klacht is naar het oordeel van de kamer ongegrond. Er is, zo blijkt uit de stukken, aanvankelijk opdracht gegeven tot het voorbereiden van de transactie door mr. [naam]. Dat een notaris vervolgens een aanvang maakt met de voorbereidingen is geenszins ongebruikelijk. Vervolgens is door [de curator] een schriftelijke volmacht aan mr. [naam] gegeven teneinde namens hem op te treden bij de overdracht van de onroerende zaak. Het is weliswaar juist dat die volmacht alleen de levering van de onroerende zaak noemt en niet op de betaling van de gelden aan een ander dan aan de eigenaar van de onroerende zaak ([naam] BV), maar naar het oordeel van de kamer was een schriftelijke volmacht voor die betaling, gegeven de omstandigheden, ook niet vereist. [de curator] had immers de overeenkomst, waarin was opgenomen dat aan de derdengeldrekening van het kantoor van mr. [naam] betaald zou worden, ondertekend en bovendien was door hem de goedkeuring van die overeenkomst (en daarmee ook de toestemming om die overeenkomst aldus uit te voeren) door de rechter-commissaris in het faillissement van [naam] (de moeder van [naam] BV) aan de notaris ter hand gesteld. Tezamen met de schriftelijke volmacht ten behoeve van de uitvoering van een deel van diezelfde overeenkomst (uit zowel de overeenkomst als uit de volmacht blijkt dat [de curator], kort gezegd, optrad als curator van het failliete [naam] én - vanuit die hoedanigheid - als bestuurder van [naam] BV) konden en mochten de notarissen er van uitgaan dat zij ook voor de uitvoering van het resterende deel van die overeenkomst (waarvoor geen schriftelijke volmacht vereist was) gemachtigd waren. Dit geldt temeer nu ten aanzien van de uitvoering van het resterende deel van de overeenkomst op geen enkele wijze een voorbehoud of een uitzondering is gemaakt door [de curator].

Klacht II

De notarissen hebben zich onvoldoende vergewist van de (on)bevoegdheid van een in een voor hem verleden akte optredende vertegenwoordiger van een der partijen, zijnde [de curator].

Uit de wet, jurisprudentie en literatuur volgt, en daarmee staat vast, dat [de curator] als curator van het failliete [naam] (bestuurster van [naam] BV) niet bevoegd was op te treden als bestuurder van (het niet failliete) [naam] BV. Daarmee staat naar het oordeel van de kamer tevens vast dat mr. [naam], aan wie door [de curator] namens [naam] BV een volmacht was verleend om uitvoering te geven aan de overeenkomst, bij de leveringsakte is opgetreden als onbevoegd gevolmachtigde van [naam] BV.

Door de notarissen is aangevoerd dat er onderzoek is verricht naar de bevoegdheid van [de curator] om [naam] BV te vertegenwoordigen in die zin, dat uit het uittreksel uit het Handelsregister bleek dat [naam] de enig zelfstandig bevoegd bestuurder was en dat in het uittreksel uit het Handelsregister met betrekking tot [naam] stond vermeld: "De bevoegdheid is komen te vervallen: de curator vertegenwoordigt de rechtspersoon in en buiten rechte.”. Daarenboven, aldus de notarissen, heeft de rechter-commissaris in het faillissement van [naam], toestemming verleend voor de overeenkomst. Volgens de notarissen heeft niemand van alle betrokkenen, waaronder advocaten en (een) rechter(s), vraagtekens geplaatst bij de bevoegdheid van [de curator].

Dit verweer kan de notarissen naar het oordeel van de kamer niet baten. Op grond van zijn taak heeft een notaris een geheel eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van kwesties als de onderhavige. Een notaris dient dan ook niet af te gaan op het standpunt van derden, maar op zijn eigen kennis en wetenschap (onder meer door het bijhouden van de vakliteratuur) en hij dient zonodig - zelfstandig - een onderzoek in te stellen. Dat de notarissen in het onderhavige geval hebben nagelaten zich van hun standpunt omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid te vergewissen aan de hand van jurisprudentie en literatuur is naar het oordeel van de kamer, hoezeer de handelwijze - gezien het uitzonderlijke feitencomplex - van de notarissen invoelbaar is, verwijtbaar. De klacht van [naam] is dan ook gegrond.

De kamer deelt echter niet het standpunt van [naam] dat de notarissen reeds hadden moeten twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [de curator] op grond van het feit dat hij zich in de vaststellingsovereenkomst ook als privé-persoon heeft gevrijwaard en gezien zijn wens om geen enkele garantie (dus ook niet de garantie dat hij bevoegd was om de zaak over te dragen) in de akte op te nemen: het is immers regel, althans niet ongebruikelijk, dat curatoren zich (mede met het oog op hun beroepsaansprakelijkheidsverzekering) in de uitoefening van hun functie waar mogelijk trachten te vrijwaren voor eventuele aansprakelijkheden van derden.

In de toelichting ter zitting is door [naam] nog aangevoerd dat niet gebleken is dat de notarissen stappen hebben ondernomen om de gemaakte fout te herstellen of adequaat af te handelen, hetgeen door het [naam] wordt aangemerkt als een schending van de zorgplicht die een notaris heeft ten aanzien van de belanghebbenden heeft te betrachten.

De kamer deelt dit standpunt niet. Afgezien daarvan dat de kamer het niet onbegrijpelijk acht dat de notarissen, hangende de onderhavige procedure en mede gelet op de complexiteit van de zaak, vooralsnog geen stappen hebben ondernomen, is het de vraag of de notarissen, gezien de wettelijke bepalingen inzake bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid, de fout kúnnen herstellen dan wel of het (uiteindelijk) aan de civiele rechter zal zijn om te oordelen over de eventuele gevolgen en herstel van de fout.

Klacht III:

De notarissen hebben een (onjuiste) verwijzing in de akte van 28 november 2000 naar een vaststellingsovereenkomst van juli 1999 opgenomen, dit terwijl is uitgegaan van de tweede vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000.

Nu in de akte van 28 november 2000 slechts de vaststellingsovereenkomst van juli 1999 wordt vermeld, terwijl de akte (grotendeels) haar grondslag vindt in de vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000, acht de kamer deze klacht gegrond. Dat een enkel onderdeel van laatstbedoelde overeenkomst een verwijzing bevat naar de eerste overeenkomst, dat de tweede overeenkomst (praktisch gezien) mogelijk moet worden beschouwd als een voortzetting van de eerste en dat in artikel 7 van de akte tenslotte wordt gesproken over “de overeenkomsten” die aan de levering ten grondslag liggen, doet aan het vorenstaande niets af.

Klacht IV:

De notarissen hebben geen dan wel zeer beperkt onderzoek gedaan naar de waarde in het economisch verkeer van het op 28 november 2000 verkochte onroerende goed.

Volgens [naam] was de waarde van de onroerende zaak in het economisch verkeer op 28 november 2000 veel hoger dan de prijs van f. 520.000,= waarvoor de zaak aan [naam] als koper werd overgedragen en hadden de notarissen daar onderzoek naar moeten doen. [naam] heeft ter onderbouwing van deze klacht onder meer aangevoerd dat de betreffende zaak kort na de levering op 28 november 2000 (in gedeelten) is overgedragen voor een totaalbedrag van f. 1.915.000,=.

Naar het oordeel van de kamer treft deze klacht geen doel.

De kamer verwijst daartoe vooreerst naar het taxatierapport van [naam] en naar de brief van de Belastingdienst van 21 oktober 1998. Uit eerstbedoeld stuk blijkt dat de waarde van de onroerende zaken f. 520.000,= beloopt, terwijl uit het tweede stuk blijkt dat de Belastingdienst met de verkoop van de zaken voor die prijs aan [naam] privé, zij het onder voorwaarden, kan instemmen.

Vervolgens blijkt uit de eerste door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst dat alle betrokkenen (waaronder ook [naam] BV in de persoon van de heer [naam]) zijn uitgegaan van een verkoopprijs van de onroerende zaak (waarvan een deel vervuild was) van f. 520.000,=. Deze prijs vond - zo begrijpt de kamer uit de stellingen en de stukken - afgezien van vorenbedoelde stukken haar grondslag tevens in het feit dat het de bedoeling van partijen was de naar alle waarschijnlijkheid als onrechtmatig te kenmerken transactie, waarbij de onroerende zaak in 1998 aan [naam] BV geleverd was (welke transactie, indien deze formeel ongedaan gemaakt had moeten worden, gezien het onrechtmatige karakter daarvan naar alle waarschijnlijkheid geleid zou hebben tot schadeplichtigheid van [naam] BV jegens de ondernemingen van [naam]) terug te draaien althans materieel gezien ongedaan te maken en de zaak weer in handen te brengen van [naam]. Door mr. [naam] (als curator van de dochterondernemingen van [naam] en zusterondernemingen van [naam] BV) is bij schrijven van 14 januari 2000 weliswaar betoogd dat die verkoopprijs te laag zou zijn, maar nadat door partijen onderhandelingen zijn gevoerd heeft mr. [naam] zijn aanvankelijke verweer tegen de koopprijs laten varen en alsnog ingestemd met de prijs onder de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de tweede vaststellingsovereenkomst.

Gezien vorenstaande aspecten, welke in onderling verband met elkaar beschouwd dienen te worden, is de kamer van oordeel dat er voor de notarissen geen aanleiding bestond te twijfelen aan de waarde van de onroerende zaak in relatie tot de koopprijs. Dat - nadien - is gebleken dat de totale verkoopprijs van de (in delen verkochte) onroerende zaak veel hoger was dan de koopprijs in november 2000 doet naar het oordeel van de kamer aan het vorenstaande niets af.

Ook de stelling van het [naam] dat [naam] in november 2000 naast de koopprijs van f. 520.000,= nog een bedrag van f. 260.000,= heeft betaald om de onroerende zaak in zijn bezit te krijgen doet aan het vorenstaande niets af, nu de overeenkomst meerdere aspecten betrof dan uitsluitend de overdracht van de onroerende zaak.

De klacht is gezien het vorenstaande naar het oordeel van de kamer ongegrond.

Klacht V:

De notarissen hebben de ontvangen gelden niet aan [naam] BV of aan de (veronderstelde) gesubrogeerden betaald, maar aan een derdengeldrekening van een advocatenkantoor (welke bovendien afwijkt van de in de tweede vaststellingsovereenkomst (koopovereenkomst) genoemde rekening).

In de toelichting op deze klacht is door het [naam] aangevoerd dat de beide door [naam] betaalde bedragen (f. 520.000,= en f. 260.000,=) zijn betaald aan de derdengeldrekening van mr. [naam] en dat de zogenoemde boedelbijdrage voor [naam] BV ad f. 49.400,= niet aan [naam] BV is betaald, maar aan [de curator].

Vooropgesteld dient te worden dat het aan de verkoper is om te bepalen aan wie en op welke rekening de notaris de koopsom van de verkochte zaak dient te storten. Uitgaande van de (achteraf onjuist gebleken) veronderstelling dat [de curator] bevoegd was om [naam] BV te vertegenwoordigen, stond het [de curator] dan ook vrij om aan te geven dat de koopsom van de door [naam] BV verkochte onroerende zaak niet aan [naam] BV zelf maar aan derden diende te worden voldaan. Van die mogelijkheid is in het onderhavige geval gebruik gemaakt: tussen mr. [naam] als curator van de failliete zusterondernemingen van [naam] BV en [de curator] als verondersteld bevoegd vertegenwoordiger van [naam] BV is overeengekomen dat de koopsom, die [naam] diende te voldoen aan [naam] BV, zou worden betaald aan vorenbedoelde zusterondernemingen en ten behoeve daarvan zou worden gestort op de derdengeldrekening van mr. [naam] als curator.

Door de notarissen is vervolgens ook uitvoering gegeven aan vorenbedoelde regeling tussen de beide curatoren. Dat de betaling van het geld uiteindelijk op een ander rekeningnummer is gestort dan het nummer dat in de overeenkomst staat vermeld doet naar het oordeel van de kamer aan het vorenstaande niets af, nu onweersproken vast staat dat ook die rekening een derdengeldrekening van het kantoor van mr. [naam] betreft.

Het vorenstaande geldt evenzeer voor de betaling aan [naam] BV: in de overeenkomst is onder artikel 7 lid 4 bepaald dat “de door [de curator] q.q. dan wel [naam] uit hoofde van deze overeenkomst te ontvangen gelden (...) daadwerkelijk door hem (dienen) te zijn ontvangen”. Met “hem” kan naar het oordeel van de kamer slechts [de curator] in zijn hoedanigheid van verondersteld bestuurder van [naam] BV zijn bedoeld, zodat de zogenoemde boedelbijdrage voor [naam] BV op de derdengeldrekening van [de curator] gestort kon worden. Ook hier geldt overigens, zoals ook reeds ten aanzien van klacht I overwogen, dat er sprake is van een samenhang tussen de volmacht zoals die door [de curator] aan de notaris was verleend en de overeenkomst die uitgevoerd diende te worden.

Ter onderbouwing van de klacht is door het [naam] verder gesteld dat er ten behoeve van [naam] BV geen nota van afrekening van de transactie is aangetroffen, hetgeen door de notarissen is erkend.

Gezien al het vorenstaande is deze klacht naar het oordeel van de kamer gegrond voor wat betreft het ontbreken van de nota van afrekening voor [naam] BV en voor het overige ongegrond.

Klacht VI:

De notarissen hebben in de akte van 28 november 2000 de koper kwijting verleend voor betaling van de koopsom, terwijl de daarop betrekking hebbende gelden op dat moment niet tot hun beschikking stonden.

Door het [naam] is aangevoerd dat de koopsom op 28 november 2000 nog niet daadwerkelijk was ontvangen door de notarissen.

Deze klacht is naar het oordeel van de kamer gegrond. De notarissen hadden weliswaar voorafgaand aan het passeren van de akte de beschikking over een onvoorwaardelijke toezegging van de [Bank] dat de gelden waren overgemaakt op de derdengeldrekening van de notarissen, maar de notarissen hadden zich desondanks, alvorens daadwerkelijk over te gaan tot het doen passeren van de akte, ervan dienen te vergewissen dat de betreffende gelden ook daadwerkelijk waren bijgeschreven op die rekening, hetgeen niet het geval was.

Klacht VII:

De notarissen hebben gelden doorbetaald die zij nog niet hadden ontvangen.

Ook deze klacht is naar het oordeel van de kamer gegrond. Hoewel de gelden zijn ontvangen én doorbetaald op 30 november 2000, staat als niet dan wel niet genoegzaam gemotiveerd weersproken vast dat de notarissen, die op die dag nog niet de beschikking kunnen hebben gehad over het desbetreffende bankafschrift, zich onvoldoende hebben vergewist omtrent de daadwerkelijke ontvangst van de door hen door te betalen gelden. Hierbij heeft de kamer er nota van genomen dat onweersproken is gesteld dat de telefonische opdracht tot betaling door de notaris is gegeven op 30 november 2000 om 09.35 uur, terwijl het desbetreffende bankafschrift, uit welk afschrift de ontvangst van de gelden bleek, van diezelfde datum is.

Klacht VIII:

De notarissen hebben niet, op grond van artikel 46 Wna, de gehele geldelijke tegenprestatie voor de levering vermeld in de akte.

Door het [naam] is gesteld dat het bedrag van f. 260.000,=, dat door [naam] naast de koopsom van f. 520.000,= is betaald, als geldelijke tegenprestatie voor de levering beschouwd dient te worden en dat het bedrag om die reden als zodanig in de akte vermeld had dienen te worden.

De kamer deelt deze stelling niet. Het is juist dat door [naam] naast de koopsom van f. 520.000,= een bedrag van f. 260.000,= is voldaan, maar dit bedrag is voldaan aan mr. [naam] als curator (niet zijnde de verkoper van de onroerende zaak) voor de medewerking die deze diende te verlenen aan de doorhaling van het hypotheek-recht. Het bedrag maakt aldus geen onderdeel uit van de koopsom van f. 520.000,= die [naam] diende te voldoen aan de verkoper van de onroerende zaak. Daar komt bij dat het bedrag van f. 260.000,= onder een voorwaarde is voldaan aan mr. [naam] als curator en dat [naam] zich contractueel het recht heeft voorbehouden het bedrag terug te vorderen.

Op grond van het vorenstaande acht de kamer deze klacht ongegrond.

Klacht IX:

De notarissen hebben in de akte in artikel 7 enkele onjuistheden/slordigheden opgenomen.

Deze klacht is door de notarissen erkend. Naar het oordeel van de kamer is de klacht dan ook gegrond, zij het dat de onjuistheden/slordigheden op zichzelf genomen van dien aard zijn dat zij deze in beginsel niet klachtwaardig acht.

Klacht X:

De notarissen hebben bij de levering van het woonhuis aan de gemeente begin 2001 de koopsom niet of nauwelijks geverifieerd, ondanks de grote afwijking met de voorafgaande verkrijging eind 2000.

Ook deze klacht is naar het oordeel van de kamer gegrond. Door [naam] is het woonhuis (zijnde een deel van het door hem in november 2000 verworven onroerende goed) begin 2001 verkocht aan de gemeente [naam]. Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris een signaalfunctie. In dat licht bezien had het naar het oordeel van de kamer op de weg van de notarissen gelegen in elk geval aan de gemeente als koper melding te maken van het grote verschil met de koopsom zoals die in november 2000 voor het geheel was betaald, zodat het prijsverschil onder ogen genomen had kunnen worden. Nu de notaris zulks heeft nagelaten is de klacht van [naam] naar het oordeel van de kamer gegrond.

Dat de gemeente [naam] een professionele partij is die de locatie zeer goed kent doet naar het oordeel van de kamer aan de signaalfunctie van de notaris en daarmee aan het vorenstaande niets af.

Klacht XI:

De notarissen hebben zich onvoldoende vergewist van de (on)bevoegdheid van een in een voor hen verleden akte optredende vertegenwoordiger van een der partijen, zijnde de heer [naam].

In beginsel is deze klacht gegrond nu immers de rechtsvoorganger van [naam], [naam] BV, onbevoegd is vertegenwoordigd door [de curator] en mr. [naam] daardoor bij de leveringsakte is opgetreden als onbevoegd gevolmachtigde van [naam] BV, maar naar het oordeel van de kamer mist deze klacht een zelfstandige grond.

De aanname dat [naam] bevoegd was om de onroerende zaak over te dragen berust immers geheel op de (achteraf onterechte) aanname dat zijn rechtsvoor-ganger, [de curator] als vertegenwoordiger van [naam] BV, bevoegd was om de zaak over te dragen. Nu door de notarissen (ten onrechte) is uitgegaan van de bevoegdheid van [de curator] om namens [naam] BV te handelen, zoals reeds bij de bespreking van klacht II overwogen, was er voor hen volgens de kamer geen grond om te veronderstellen of te vermoeden dat (ook) [naam] onbevoegd zou zijn en mr. [naam] als gevolg daarvan onbevoegd gevolmachtigde was. Er kan naar het oordeel van de kamer dan ook niet gesproken worden van “onvoldoende vergewissen” in die zin, dat dit een zelfstandig klachtwaardig nalaten zou betreffen naast hetgeen de notarissen reeds in klacht II verweten wordt.

Klacht XII:

De notarissen hebben een verklaring opgenomen in de akte (“verkoper garandeert dat hij bevoegd is tot verkoop en levering van het verkochte”) waarvan zij wisten dan wel moesten weten dat die onjuist was.

Deze klacht deelt naar het oordeel van de kamer het lot van klacht XI. Ook ten aanzien van deze klacht geldt dat deze volledig voortvloeit uit de onbekendheid van de notarissen met de literatuur en de jurisprudentie op het gebied van het overnemen van het bestuur van een niet-failliete dochter door de curator van een failliet verklaarde moeder. Door deze onwetendheid is er ten onrechte van uitgegaan dat de curator van de failliete moeder ([de curator]) bevoegd was dat bestuur over te nemen en namens de dochter ([naam] BV) rechtshandelingen te verrichten.

Zoals reeds ten aanzien van klacht II reeds overwogen behoefde het enkele feit dat er sprake was van een uitgebreide vrijwaring van de curatoren voor de notarissen geen aanleiding te vormen om extra aandacht aan de vertegenwoordigingsbevoegd-heid van beide curatoren te schenken.

Klacht XIII:

De notarissen hebben de koper onvoldoende voorgelicht en gewaarschuwd (“Belehrungspflicht”) voor de bijzondere artikelen (5 en 7) in de akte van de voorafgaande verkrijging en de hieraan verbonden risico’s.

Naar het oordeel van de kamer is deze laatste klacht ongegrond. Zoals hiervoor ten aanzien van de klachten II en XII overwogen is een uitgebreide vrijwaring door curatoren gebruikelijk. Op de notarissen rustte naar het oordeel van de kamer dan ook geen waarschuwingsplicht ten aanzien van de bijzonderheden van de artikelen 5 en 7 in de akte van voorafgaande verkrijging. Voor zover de klacht ziet op verkrijging van een beschikkingsonbevoegde geldt voor deze klacht evenzeer hetgeen hiervoor ten aanzien van de klachten XI en XII is overwogen.

Recapitulatie:

Op grond van al het vorenstaande is de kamer van oordeel dat de klachten II, III, V (deels), VI, VII, IX, X, XI en XII gegrond zijn, zij het dat, zoals overwogen, de laatste twee klachten geen zelfstandige grond kennen.

Klacht IX ziet op een fout en slordigheden die echter, hoewel de klacht gegrond is, van dien aard zijn dat deze op zichzelf genomen geen aanleiding zouden zijn voor een tuchtrechtelijke maatregel.

Klacht III ziet op een onjuistheid met betrekking tot de titel van de overdracht. Klacht V ziet op het ontbreken van de nota van afrekening voor [naam] BV en de klachten VI en VII op de geldstromen op de derdengeldrekening van de notarissen. De klachten II (en in navolging daarvan de klachten XI en XII) en X tenslotte zien op de uitvoering van de taak van de notarissen, de op hen rustende verplichting tot recherche en hun signaalfunctie.

Gezien het karakter van deze - gegronde - klachten is er volgens de kamer sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen als bedoeld in artikel 98 lid 1 Wna.

Dat vormt voor de kamer aanleiding te komen tot een tuchtrechtelijke maatregel. Zij vindt de aard en de ernst van overtreding van genoemde bepaling van dien aard dat een berisping op zijn plaats is.

Tenslotte merkt de kamer op dat - indien de laatste alinea van de pleitaantekeningen van het [naam] als een verzoek aan de kamer moet worden opgevat - dit verzoek niet steunt op de Wna en de kamer op grond daarvan aan dit verzoek zal voorbijgaan.

B E S L I S S I N G

De kamer van toezicht:

bepaalt dat de klachten II, III, V (deels), VI, VII, IX, X, XI en XII tegen mr. R.H.J.M. [naam] en[naam] gegrond zijn;

legt aan mr. R.H.J.M. [naam] en aan[naam] de tuchtmaatregel op van berisping.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E.J.M. Boogaard-Derix, M.P.F. van Dooren, R.T.J.M. Hetterschijt, I.M.W. Boerhof en J.J.G.M. Kuijpers, bijgestaan door M.H.P. van Asten-Berden als secretaris, en op 12 juni 2006 in het openbaar uitgesproken door mr. Boogaard-Derix voornoemd als voorzitter van de kamer in tegenwoordigheid van de secretaris.

B E S L I S S I N G

van de kamer van toezicht over

de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond

nummer: 4/2006

uitspraak: 12 juni 2006.

Door de voorzitter van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond is op basis van artikel 96 lid 2 van de Wet op het notarisambt een onderzoek gelast naar aanleiding van een klacht van het [naam]) jegens

[naam],

oud-notaris,

destijds gevestigd te [plaats],

en

mr. [naam],

notaris,

gevestigd te [plaats]

van welk onderzoek een proces-verbaal is opgemaakt. De resultaten daarvan zijn vervolgens door de voorzitter overeenkomstig het bepaalde in artikel 96, zesde lid van de Wet op het notarisambt voorgelegd aan de kamer van toezicht.

De behandeling door de kamer van toezicht in bepaald op 10 april 2006. Bij schrijven van 6 maart 2006 zijn mr. [naam] en mr. [naam] in kennis gesteld van de datum van behandeling en uitgenodigd bij de behandeling aanwezig te zijn.

Op 10 april 2006 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De secretaris heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij deze behandeling zijn verschenen:

-[naam] en mr. [naam], beiden bijgestaan door mr. Ph.N.M. Creijghton, advocaat te Amsterdam;

- het [naam] in de persoon van drs. M.J.V. Freijssen RA, vergezeld van D.S. Kolkman en F.J. Winkel.

Het onderzoek en het verdere verloop van de procedure

Het [naam] heeft zich bij brief van 6 december 2004 gericht tot de voorzitter van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond (verder: de kamer) met de mededeling dat zij op grond van haar toezichthoudende taak op een zaak was gestuit van (destijds kandidaat-)notaris [naam] en (inmiddels oud-)notaris[naam], beiden gevestigd te [plaats] (verder afzonderlijk:

mr. [naam] en mr. [naam]; gezamenlijk: de notarissen) waaromtrent vragen waren gerezen. Het [naam] heeft verzocht om een onderzoek in te stellen teneinde antwoorden te verkrijgen op de openstaande vragen met betrekking tot de betreffende kwestie (leveringen van een onroerende zaak en de afwikkeling daarvan).

Naar aanleiding van dat verzoek heeft de voorzitter van de kamer op basis van artikel 96 lid 2 van de Wet op het notarisambt (verder: Wna) een onderzoek gelast en de uitvoering van het onderzoek overgedragen aan de plaatsvervangend voorzitter van de kamer, mr. L.A. Gruiters.

Door mr. Gruiters en mr. L.G.H. Cox, secretaris van de kamer, is vervolgens een onderzoek ingesteld bij (het kantoor van) mr. [naam]. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 21 januari 2005. Van dit onderzoek is proces-verbaal opgemaakt.

Aan mr. [naam] is een concept van dat proces-verbaal toegezonden en door hem is gebruik gemaakt van de mogelijkheid op het concept te reageren. Vervolgens is het proces-verbaal - met de op- en aanmerkingen van mr. [naam] en andere bijlagen - op 25 februari 2005 toegezonden aan de voorzitter van de kamer, die het proces-verbaal vervolgens bij brief van 1 maart 2005 heeft toegezonden aan mr. [naam] en aan het [naam] met het verzoek aan te geven tot welke conclusie het proces-verbaal haar ([naam]) aanleiding geeft.

Bij schrijven van 11 april 2005 heeft het [naam] gereageerd op het proces-verbaal, haar conclusies weergegeven en aanvullende vragen geformuleerd. Naar aanleiding daarvan heeft de voorzitter van de kamer bij brief van 18 april 2005 mr. Gruiters verzocht een aanvullend onderzoek in te stellen.

Bij schrijven van 2 mei 2005 heeft mr. Gruiters de vragen schriftelijk aan mr. [naam] voorgelegd. Mr. [naam] heeft op 11 juli 2005 schriftelijk gereageerd. Het schrijven van mr. Gruiters en de reactie (met bijlagen) van mr. [naam] zijn op 2 september 2005 toegezonden aan het [naam] met het verzoek om, indien het [naam] (nog) klachten heeft ten aanzien van gedraging(en) van mr. [naam], die klacht(en) schriftelijk en gemotiveerd weer te geven.

Bij schrijven van 3 november 2005 heeft het [naam] aangegeven tegen welke gedragingen van (oud) notaris [naam] en (kandidaat) notaris [naam] zij een klacht indient. Mr. Gruiters heeft mr. [naam] op 21 november 2005 verzocht om een aantal ontbrekende bescheiden, welke bescheiden bij schrijven van 29 november 2005 door mr. [naam] alsnog ter beschikking zijn gesteld. Op 5 december 2005 is een kopie van de brief van het [naam] van 3 november 2005 aan mr. [naam] en aan mr. [naam] toegezonden met het verzoek om daarop te reageren. Van deze gelegenheid is op 3 februari 2006 gebruik gemaakt door de raadsman van de notarissen.

Op 6 februari 2006 heeft mr. Gruiters aan de voorzitter van de kamer bericht dat het onderzoek is voltooid en heeft hij het dossier overgedragen.

Bij schrijven van 17 februari 2006 heeft de voorzitter van de kamer aan het [naam] te kennen gegeven dat het onderzoek van mr. Gruiters haar aanleiding heeft gegeven om de zaak voor te leggen aan de kamer van toezicht teneinde haar als klacht te behandelen.

Het geschil en het oordeel van de kamer daarover.

Kern van het onderzoek is de vraag of door de notarissen is gehandeld in strijd met de tuchtnorm van artikel 98, eerste lid, Wna.

Het [naam] heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vraag, op grond van dertien door haar geformuleerde klachten bevestigend beantwoord dient te worden. De notarissen hebben zich tegen de klachten verweerd. De kamer zal de respectievelijke klachten en het verweer daartegen achtereenvolgens bespreken, waarna een recapitulatie zal volgen.

Daar waar gesproken wordt over “notarissen” wordt daarmee zowel mr. [naam] (die destijds als notaris is opgetreden) als mr. [naam] (die de werkzaamheden als kandidaat-notaris heeft verricht/voorbereid) bedoeld. Verder is mr. [naam] opgetreden als gevolmachtigde van [de curator] in diens hoedanigheid van curator van [naam] (en vanuit die hoedanigheid als verondersteld bestuurder van [naam] BV).

De klachten I tot en met IX zien op de transactie die heeft geleid tot de verleden akte van 28 november 2000 en de klachten X tot en met XIII op de transactie die heeft geleid tot de verleden akte van 19 maart 2001.

Klacht I:

De notarissen hebben het bestaan en met name de omvang van een volmachtverlening aan mr. [naam] door [naam] BV en/of [de curator] en/of de heer [naam] tot het opdracht geven aan de notaris (tot uitvoering van de gehele tweede vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000, op de wijze zoals deze is geschied) bij de opdrachtaanvaarding onvoldoende expliciet onderzocht.

Door het [naam] is aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt dat [de curator] (als curator van de failliete moeder van [naam] BV, daargelaten zijn (on)bevoegdheid om [naam] BV te vertegenwoordigen) direct dan wel indirect (middels een volmacht aan mr. [naam]) opdracht heeft gegeven aan de notaris om de koopsom van de aan [naam] BV in eigendom toebehorende onroerende zaak te storten op een derdengeldrekening van [naam]. Nu door [de curator] slechts een volmacht was verleend voor het transport van de onroerende zaak (en dus niet de uitvoering van de gehele (tweede) overeenkomst, waaronder de betaling aan een ander dan [naam] BV als eigenaar) heeft de notaris volgens het [naam] het risico genomen dat hij gelden onverschuldigd heeft betaald.

Deze klacht is naar het oordeel van de kamer ongegrond. Er is, zo blijkt uit de stukken, aanvankelijk opdracht gegeven tot het voorbereiden van de transactie door mr. [naam]. Dat een notaris vervolgens een aanvang maakt met de voorbereidingen is geenszins ongebruikelijk. Vervolgens is door [de curator] een schriftelijke volmacht aan mr. [naam] gegeven teneinde namens hem op te treden bij de overdracht van de onroerende zaak. Het is weliswaar juist dat die volmacht alleen de levering van de onroerende zaak noemt en niet op de betaling van de gelden aan een ander dan aan de eigenaar van de onroerende zaak ([naam] BV), maar naar het oordeel van de kamer was een schriftelijke volmacht voor die betaling, gegeven de omstandigheden, ook niet vereist. [de curator] had immers de overeenkomst, waarin was opgenomen dat aan de derdengeldrekening van het kantoor van mr. [naam] betaald zou worden, ondertekend en bovendien was door hem de goedkeuring van die overeenkomst (en daarmee ook de toestemming om die overeenkomst aldus uit te voeren) door de rechter-commissaris in het faillissement van [naam] (de moeder van [naam] BV) aan de notaris ter hand gesteld. Tezamen met de schriftelijke volmacht ten behoeve van de uitvoering van een deel van diezelfde overeenkomst (uit zowel de overeenkomst als uit de volmacht blijkt dat [de curator], kort gezegd, optrad als curator van het failliete [naam] én - vanuit die hoedanigheid - als bestuurder van [naam] BV) konden en mochten de notarissen er van uitgaan dat zij ook voor de uitvoering van het resterende deel van die overeenkomst (waarvoor geen schriftelijke volmacht vereist was) gemachtigd waren. Dit geldt temeer nu ten aanzien van de uitvoering van het resterende deel van de overeenkomst op geen enkele wijze een voorbehoud of een uitzondering is gemaakt door [de curator].

Klacht II

De notarissen hebben zich onvoldoende vergewist van de (on)bevoegdheid van een in een voor hem verleden akte optredende vertegenwoordiger van een der partijen, zijnde [de curator].

Uit de wet, jurisprudentie en literatuur volgt, en daarmee staat vast, dat [de curator] als curator van het failliete [naam] (bestuurster van [naam] BV) niet bevoegd was op te treden als bestuurder van (het niet failliete) [naam] BV. Daarmee staat naar het oordeel van de kamer tevens vast dat mr. [naam], aan wie door [de curator] namens [naam] BV een volmacht was verleend om uitvoering te geven aan de overeenkomst, bij de leveringsakte is opgetreden als onbevoegd gevolmachtigde van [naam] BV.

Door de notarissen is aangevoerd dat er onderzoek is verricht naar de bevoegdheid van [de curator] om [naam] BV te vertegenwoordigen in die zin, dat uit het uittreksel uit het Handelsregister bleek dat [naam] de enig zelfstandig bevoegd bestuurder was en dat in het uittreksel uit het Handelsregister met betrekking tot [naam] stond vermeld: "De bevoegdheid is komen te vervallen: de curator vertegenwoordigt de rechtspersoon in en buiten rechte.”. Daarenboven, aldus de notarissen, heeft de rechter-commissaris in het faillissement van [naam], toestemming verleend voor de overeenkomst. Volgens de notarissen heeft niemand van alle betrokkenen, waaronder advocaten en (een) rechter(s), vraagtekens geplaatst bij de bevoegdheid van [de curator].

Dit verweer kan de notarissen naar het oordeel van de kamer niet baten. Op grond van zijn taak heeft een notaris een geheel eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van kwesties als de onderhavige. Een notaris dient dan ook niet af te gaan op het standpunt van derden, maar op zijn eigen kennis en wetenschap (onder meer door het bijhouden van de vakliteratuur) en hij dient zonodig - zelfstandig - een onderzoek in te stellen. Dat de notarissen in het onderhavige geval hebben nagelaten zich van hun standpunt omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid te vergewissen aan de hand van jurisprudentie en literatuur is naar het oordeel van de kamer, hoezeer de handelwijze - gezien het uitzonderlijke feitencomplex - van de notarissen invoelbaar is, verwijtbaar. De klacht van [naam] is dan ook gegrond.

De kamer deelt echter niet het standpunt van [naam] dat de notarissen reeds hadden moeten twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [de curator] op grond van het feit dat hij zich in de vaststellingsovereenkomst ook als privé-persoon heeft gevrijwaard en gezien zijn wens om geen enkele garantie (dus ook niet de garantie dat hij bevoegd was om de zaak over te dragen) in de akte op te nemen: het is immers regel, althans niet ongebruikelijk, dat curatoren zich (mede met het oog op hun beroepsaansprakelijkheidsverzekering) in de uitoefening van hun functie waar mogelijk trachten te vrijwaren voor eventuele aansprakelijkheden van derden.

In de toelichting ter zitting is door [naam] nog aangevoerd dat niet gebleken is dat de notarissen stappen hebben ondernomen om de gemaakte fout te herstellen of adequaat af te handelen, hetgeen door het [naam] wordt aangemerkt als een schending van de zorgplicht die een notaris heeft ten aanzien van de belanghebbenden heeft te betrachten.

De kamer deelt dit standpunt niet. Afgezien daarvan dat de kamer het niet onbegrijpelijk acht dat de notarissen, hangende de onderhavige procedure en mede gelet op de complexiteit van de zaak, vooralsnog geen stappen hebben ondernomen, is het de vraag of de notarissen, gezien de wettelijke bepalingen inzake bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid, de fout kúnnen herstellen dan wel of het (uiteindelijk) aan de civiele rechter zal zijn om te oordelen over de eventuele gevolgen en herstel van de fout.

Klacht III:

De notarissen hebben een (onjuiste) verwijzing in de akte van 28 november 2000 naar een vaststellingsovereenkomst van juli 1999 opgenomen, dit terwijl is uitgegaan van de tweede vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000.

Nu in de akte van 28 november 2000 slechts de vaststellingsovereenkomst van juli 1999 wordt vermeld, terwijl de akte (grotendeels) haar grondslag vindt in de vaststellingsovereenkomst van 20/21 november 2000, acht de kamer deze klacht gegrond. Dat een enkel onderdeel van laatstbedoelde overeenkomst een verwijzing bevat naar de eerste overeenkomst, dat de tweede overeenkomst (praktisch gezien) mogelijk moet worden beschouwd als een voortzetting van de eerste en dat in artikel 7 van de akte tenslotte wordt gesproken over “de overeenkomsten” die aan de levering ten grondslag liggen, doet aan het vorenstaande niets af.

Klacht IV:

De notarissen hebben geen dan wel zeer beperkt onderzoek gedaan naar de waarde in het economisch verkeer van het op 28 november 2000 verkochte onroerende goed.

Volgens [naam] was de waarde van de onroerende zaak in het economisch verkeer op 28 november 2000 veel hoger dan de prijs van f. 520.000,= waarvoor de zaak aan [naam] als koper werd overgedragen en hadden de notarissen daar onderzoek naar moeten doen. [naam] heeft ter onderbouwing van deze klacht onder meer aangevoerd dat de betreffende zaak kort na de levering op 28 november 2000 (in gedeelten) is overgedragen voor een totaalbedrag van f. 1.915.000,=.

Naar het oordeel van de kamer treft deze klacht geen doel.

De kamer verwijst daartoe vooreerst naar het taxatierapport van Troostwijk en naar de brief van de Belastingdienst van 21 oktober 1998. Uit eerstbedoeld stuk blijkt dat de waarde van de onroerende zaken f. 520.000,= beloopt, terwijl uit het tweede stuk blijkt dat de Belastingdienst met de verkoop van de zaken voor die prijs aan [naam] privé, zij het onder voorwaarden, kan instemmen.

Vervolgens blijkt uit de eerste door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst dat alle betrokkenen (waaronder ook [naam] BV in de persoon van de heer [naam]) zijn uitgegaan van een verkoopprijs van de onroerende zaak (waarvan een deel vervuild was) van f. 520.000,=. Deze prijs vond - zo begrijpt de kamer uit de stellingen en de stukken - afgezien van vorenbedoelde stukken haar grondslag tevens in het feit dat het de bedoeling van partijen was de naar alle waarschijnlijkheid als onrechtmatig te kenmerken transactie, waarbij de onroerende zaak in 1998 aan [naam] BV geleverd was (welke transactie, indien deze formeel ongedaan gemaakt had moeten worden, gezien het onrechtmatige karakter daarvan naar alle waarschijnlijkheid geleid zou hebben tot schadeplichtigheid van [naam] BV jegens de ondernemingen van [naam]) terug te draaien althans materieel gezien ongedaan te maken en de zaak weer in handen te brengen van [naam]. Door mr. [naam] (als curator voor VIT Freight Service BV, Weys Logistics BV en Techno D Service BV, dochterondernemingen van [naam] en zusterondernemingen van [naam] BV) is bij schrijven van 14 januari 2000 weliswaar betoogd dat die verkoopprijs te laag zou zijn, maar nadat door partijen onderhandelingen zijn gevoerd heeft mr. [naam] zijn aanvankelijke verweer tegen de koopprijs laten varen en alsnog ingestemd met de prijs onder de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de tweede vaststellingsovereenkomst.

Gezien vorenstaande aspecten, welke in onderling verband met elkaar beschouwd dienen te worden, is de kamer van oordeel dat er voor de notarissen geen aanleiding bestond te twijfelen aan de waarde van de onroerende zaak in relatie tot de koopprijs. Dat - nadien - is gebleken dat de totale verkoopprijs van de (in delen verkochte) onroerende zaak veel hoger was dan de koopprijs in november 2000 doet naar het oordeel van de kamer aan het vorenstaande niets af.

Ook de stelling van het [naam] dat [naam] in november 2000 naast de koopprijs van f. 520.000,= nog een bedrag van f. 260.000,= heeft betaald om de onroerende zaak in zijn bezit te krijgen doet aan het vorenstaande niets af, nu de overeenkomst meerdere aspecten betrof dan uitsluitend de overdracht van de onroerende zaak.

De klacht is gezien het vorenstaande naar het oordeel van de kamer ongegrond.

Klacht V:

De notarissen hebben de ontvangen gelden niet aan [naam] BV of aan de (veronderstelde) gesubrogeerden betaald, maar aan een derdengeldrekening van een advocatenkantoor (welke bovendien afwijkt van de in de tweede vaststellingsovereenkomst (koopovereenkomst) genoemde rekening).

In de toelichting op deze klacht is door het [naam] aangevoerd dat de beide door [naam] betaalde bedragen (f. 520.000,= en f. 260.000,=) zijn betaald aan de derdengeldrekening van mr. [naam] en dat de zogenoemde boedelbijdrage voor [naam] BV ad f. 49.400,= niet aan [naam] BV is betaald, maar aan [de curator].

Vooropgesteld dient te worden dat het aan de verkoper is om te bepalen aan wie en op welke rekening de notaris de koopsom van de verkochte zaak dient te storten. Uitgaande van de (achteraf onjuist gebleken) veronderstelling dat [de curator] bevoegd was om [naam] BV te vertegenwoordigen, stond het [de curator] dan ook vrij om aan te geven dat de koopsom van de door [naam] BV verkochte onroerende zaak niet aan [naam] BV zelf maar aan derden diende te worden voldaan. Van die mogelijkheid is in het onderhavige geval gebruik gemaakt: tussen mr. [naam] als curator van de failliete zusterondernemingen van [naam] BV en [de curator] als verondersteld bevoegd vertegenwoordiger van [naam] BV is overeengekomen dat de koopsom, die [naam] diende te voldoen aan [naam] BV, zou worden betaald aan vorenbedoelde zusterondernemingen en ten behoeve daarvan zou worden gestort op de derdengeldrekening van mr. [naam] als curator.

Door de notarissen is vervolgens ook uitvoering gegeven aan vorenbedoelde regeling tussen de beide curatoren. Dat de betaling van het geld uiteindelijk op een ander rekeningnummer is gestort dan het nummer dat in de overeenkomst staat vermeld doet naar het oordeel van de kamer aan het vorenstaande niets af, nu onweersproken vast staat dat ook die rekening een derdengeldrekening van het kantoor van mr. [naam] betreft.

Het vorenstaande geldt evenzeer voor de betaling aan [naam] BV: in de overeenkomst is onder artikel 7 lid 4 bepaald dat “de door [de curator] q.q. dan wel [naam] uit hoofde van deze overeenkomst te ontvangen gelden (...) daadwerkelijk door hem (dienen) te zijn ontvangen”. Met “hem” kan naar het oordeel van de kamer slechts [de curator] in zijn hoedanigheid van verondersteld bestuurder van [naam] BV zijn bedoeld, zodat de zogenoemde boedelbijdrage voor [naam] BV op de derdengeldrekening van [de curator] gestort kon worden. Ook hier geldt overigens, zoals ook reeds ten aanzien van klacht I overwogen, dat er sprake is van een samenhang tussen de volmacht zoals die door [de curator] aan de notaris was verleend en de overeenkomst die uitgevoerd diende te worden.

Ter onderbouwing van de klacht is door het [naam] verder gesteld dat er ten behoeve van [naam] BV geen nota van afrekening van de transactie is aangetroffen, hetgeen door de notarissen is erkend.

Gezien al het vorenstaande is deze klacht naar het oordeel van de kamer gegrond voor wat betreft het ontbreken van de nota van afrekening voor [naam] BV en voor het overige ongegrond.

Klacht VI:

De notarissen hebben in de akte van 28 november 2000 de koper kwijting verleend voor betaling van de koopsom, terwijl de daarop betrekking hebbende gelden op dat moment niet tot hun beschikking stonden.

Door het [naam] is aangevoerd dat de koopsom op 28 november 2000 nog niet daadwerkelijk was ontvangen door de notarissen.

Deze klacht is naar het oordeel van de kamer gegrond. De notarissen hadden weliswaar voorafgaand aan het passeren van de akte de beschikking over een onvoorwaardelijke toezegging van de [Bank] dat de gelden waren overgemaakt op de derdengeldrekening van de notarissen, maar de notarissen hadden zich desondanks, alvorens daadwerkelijk over te gaan tot het doen passeren van de akte, ervan dienen te vergewissen dat de betreffende gelden ook daadwerkelijk waren bijgeschreven op die rekening, hetgeen niet het geval was.

Klacht VII:

De notarissen hebben gelden doorbetaald die zij nog niet hadden ontvangen.

Ook deze klacht is naar het oordeel van de kamer gegrond. Hoewel de gelden zijn ontvangen én doorbetaald op 30 november 2000, staat als niet dan wel niet genoegzaam gemotiveerd weersproken vast dat de notarissen, die op die dag nog niet de beschikking kunnen hebben gehad over het desbetreffende bankafschrift, zich onvoldoende hebben vergewist omtrent de daadwerkelijke ontvangst van de door hen door te betalen gelden. Hierbij heeft de kamer er nota van genomen dat onweersproken is gesteld dat de telefonische opdracht tot betaling door de notaris is gegeven op 30 november 2000 om 09.35 uur, terwijl het desbetreffende bankafschrift, uit welk afschrift de ontvangst van de gelden bleek, van diezelfde datum is.

Klacht VIII:

De notarissen hebben niet, op grond van artikel 46 Wna, de gehele geldelijke tegenprestatie voor de levering vermeld in de akte.

Door het [naam] is gesteld dat het bedrag van f. 260.000,=, dat door [naam] naast de koopsom van f. 520.000,= is betaald, als geldelijke tegenprestatie voor de levering beschouwd dient te worden en dat het bedrag om die reden als zodanig in de akte vermeld had dienen te worden.

De kamer deelt deze stelling niet. Het is juist dat door [naam] naast de koopsom van f. 520.000,= een bedrag van f. 260.000,= is voldaan, maar dit bedrag is voldaan aan mr. [naam] als curator (niet zijnde de verkoper van de onroerende zaak) voor de medewerking die deze diende te verlenen aan de doorhaling van het hypotheek-recht. Het bedrag maakt aldus geen onderdeel uit van de koopsom van f. 520.000,= die [naam] diende te voldoen aan de verkoper van de onroerende zaak. Daar komt bij dat het bedrag van f. 260.000,= onder een voorwaarde is voldaan aan mr. [naam] als curator en dat [naam] zich contractueel het recht heeft voorbehouden het bedrag terug te vorderen.

Op grond van het vorenstaande acht de kamer deze klacht ongegrond.

Klacht IX:

De notarissen hebben in de akte in artikel 7 enkele onjuistheden/slordigheden opgenomen.

Deze klacht is door de notarissen erkend. Naar het oordeel van de kamer is de klacht dan ook gegrond, zij het dat de onjuistheden/slordigheden op zichzelf genomen van dien aard zijn dat zij deze in beginsel niet klachtwaardig acht.

Klacht X:

De notarissen hebben bij de levering van het woonhuis aan de gemeente begin 2001 de koopsom niet of nauwelijks geverifieerd, ondanks de grote afwijking met de voorafgaande verkrijging eind 2000.

Ook deze klacht is naar het oordeel van de kamer gegrond. Door [naam] is het woonhuis (zijnde een deel van het door hem in november 2000 verworven onroerende goed) begin 2001 verkocht aan de gemeente [naam]. Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris een signaalfunctie. In dat licht bezien had het naar het oordeel van de kamer op de weg van de notarissen gelegen in elk geval aan de gemeente als koper melding te maken van het grote verschil met de koopsom zoals die in november 2000 voor het geheel was betaald, zodat het prijsverschil onder ogen genomen had kunnen worden. Nu de notaris zulks heeft nagelaten is de klacht van [naam] naar het oordeel van de kamer gegrond.

Dat de gemeente [naam] een professionele partij is die de locatie zeer goed kent doet naar het oordeel van de kamer aan de signaalfunctie van de notaris en daarmee aan het vorenstaande niets af.

Klacht XI:

De notarissen hebben zich onvoldoende vergewist van de (on)bevoegdheid van een in een voor hen verleden akte optredende vertegenwoordiger van een der partijen, zijnde de heer [naam].

In beginsel is deze klacht gegrond nu immers de rechtsvoorganger van [naam], [naam] BV, onbevoegd is vertegenwoordigd door [de curator] en mr. [naam] daardoor bij de leveringsakte is opgetreden als onbevoegd gevolmachtigde van [naam] BV, maar naar het oordeel van de kamer mist deze klacht een zelfstandige grond.

De aanname dat [naam] bevoegd was om de onroerende zaak over te dragen berust immers geheel op de (achteraf onterechte) aanname dat zijn rechtsvoor-ganger, [de curator] als vertegenwoordiger van [naam] BV, bevoegd was om de zaak over te dragen. Nu door de notarissen (ten onrechte) is uitgegaan van de bevoegdheid van [de curator] om namens [naam] BV te handelen, zoals reeds bij de bespreking van klacht II overwogen, was er voor hen volgens de kamer geen grond om te veronderstellen of te vermoeden dat (ook) [naam] onbevoegd zou zijn en mr. [naam] als gevolg daarvan onbevoegd gevolmachtigde was. Er kan naar het oordeel van de kamer dan ook niet gesproken worden van “onvoldoende vergewissen” in die zin, dat dit een zelfstandig klachtwaardig nalaten zou betreffen naast hetgeen de notarissen reeds in klacht II verweten wordt.

Klacht XII:

De notarissen hebben een verklaring opgenomen in de akte (“verkoper garandeert dat hij bevoegd is tot verkoop en levering van het verkochte”) waarvan zij wisten dan wel moesten weten dat die onjuist was.

Deze klacht deelt naar het oordeel van de kamer het lot van klacht XI. Ook ten aanzien van deze klacht geldt dat deze volledig voortvloeit uit de onbekendheid van de notarissen met de literatuur en de jurisprudentie op het gebied van het overnemen van het bestuur van een niet-failliete dochter door de curator van een failliet verklaarde moeder. Door deze onwetendheid is er ten onrechte van uitgegaan dat de curator van de failliete moeder ([de curator]) bevoegd was dat bestuur over te nemen en namens de dochter ([naam] BV) rechtshandelingen te verrichten.

Zoals reeds ten aanzien van klacht II reeds overwogen behoefde het enkele feit dat er sprake was van een uitgebreide vrijwaring van de curatoren voor de notarissen geen aanleiding te vormen om extra aandacht aan de vertegenwoordigingsbevoegd-heid van beide curatoren te schenken.

Klacht XIII:

De notarissen hebben de koper onvoldoende voorgelicht en gewaarschuwd (“Belehrungspflicht”) voor de bijzondere artikelen (5 en 7) in de akte van de voorafgaande verkrijging en de hieraan verbonden risico’s.

Naar het oordeel van de kamer is deze laatste klacht ongegrond. Zoals hiervoor ten aanzien van de klachten II en XII overwogen is een uitgebreide vrijwaring door curatoren gebruikelijk. Op de notarissen rustte naar het oordeel van de kamer dan ook geen waarschuwingsplicht ten aanzien van de bijzonderheden van de artikelen 5 en 7 in de akte van voorafgaande verkrijging. Voor zover de klacht ziet op verkrijging van een beschikkingsonbevoegde geldt voor deze klacht evenzeer hetgeen hiervoor ten aanzien van de klachten XI en XII is overwogen.

Recapitulatie:

Op grond van al het vorenstaande is de kamer van oordeel dat de klachten II, III, V (deels), VI, VII, IX, X, XI en XII gegrond zijn, zij het dat, zoals overwogen, de laatste twee klachten geen zelfstandige grond kennen.

Klacht IX ziet op een fout en slordigheden die echter, hoewel de klacht gegrond is, van dien aard zijn dat deze op zichzelf genomen geen aanleiding zouden zijn voor een tuchtrechtelijke maatregel.

Klacht III ziet op een onjuistheid met betrekking tot de titel van de overdracht. Klacht V ziet op het ontbreken van de nota van afrekening voor [naam] BV en de klachten VI en VII op de geldstromen op de derdengeldrekening van de notarissen. De klachten II (en in navolging daarvan de klachten XI en XII) en X tenslotte zien op de uitvoering van de taak van de notarissen, de op hen rustende verplichting tot recherche en hun signaalfunctie.

Gezien het karakter van deze - gegronde - klachten is er volgens de kamer sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen als bedoeld in artikel 98 lid 1 Wna.

Dat vormt voor de kamer aanleiding te komen tot een tuchtrechtelijke maatregel. Zij vindt de aard en de ernst van overtreding van genoemde bepaling van dien aard dat een berisping op zijn plaats is.

Tenslotte merkt de kamer op dat - indien de laatste alinea van de pleitaantekeningen van het [naam] als een verzoek aan de kamer moet worden opgevat - dit verzoek niet steunt op de Wna en de kamer op grond daarvan aan dit verzoek zal voorbijgaan.

B E S L I S S I N G

De kamer van toezicht:

bepaalt dat de klachten II, III, V (deels), VI, VII, IX, X, XI en XII tegen mr. R.H.J.M. [naam] en[naam] gegrond zijn;

legt aan mr. R.H.J.M. [naam] en aan[naam] de tuchtmaatregel op van berisping.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E.J.M. Boogaard-Derix, M.P.F. van Dooren, R.T.J.M. Hetterschijt, I.M.W. Boerhof en J.J.G.M. Kuijpers, bijgestaan door M.H.P. van Asten-Berden als secretaris, en op 12 juni 2006 in het openbaar uitgesproken door mr. Boogaard-Derix voornoemd als voorzitter van de kamer in tegenwoordigheid van de secretaris.