Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB4268

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
105/2007
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie kind, vaststelling behoefte kind dat feitelijk 50% van de tijd bij een van de ouders woont. Hof past co-oudernorm toe en verhoogt de behoefte met 16% meer woonkosten. Die totale kosten worden verdeeld over de ouders naar draagkracht en van het gevonden deel van de vader worden afgetrokken 16% meer woonkosten en E 150 aan kosten voor voeding, die hij al in natura betaalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 3

Uitspraak

14 augustus 2007

Familiekamer

Rekestnummer 105/2007

G E R E C H T S H O F A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal beroep,

verweerder in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de man”,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal beroep,

verzoekster in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 november 2006, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 213603 / FA RK 06-2966.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 30 januari 2007, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en

- primair de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hierna nader te noemen [kind 1] en [kind 2] als vastgesteld bij de beschikking van de rechtbank Utrecht van 4 juli 2001 en het echtscheidingsconvenant van partijen van 5 juni 2006 met betrekking tot de kinderalimentatie te bekrachtigen en te bevelen dat de vrouw het sinds 1 november 2006 te veel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie onverwijld aan de man terug dient te betalen;

- subsidiair indien en voor zover het hof van oordeel is dat de bijdrage die de man aan de vrouw dient te verstrekken in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] zou moeten worden verhoogd, deze bijdrage vast te stellen op een bedrag van maximaal € 286,08 per kind per maand, waarbij de man het hof in dat geval verzoekt expliciet te bepalen dat de vrouw alle in de tabel op pagina 8 van het verzoekschrift in hoger beroep genoemde kosten met uitzondering van de voedingskosten als de kinderen bij de man zijn, dient te voldoen en het bedrag dat de vrouw sinds 1 november 2006 te veel heeft ontvangen onverwijld aan de man dient terug te betalen, althans het verzoek van de vrouw af te wijzen, althans een zodanige bijdrage vast te stellen en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 1 maart 2007, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans zijn grieven te verwerpen en, zowel in het principaal als in het incidenteel beroep, de bestreden beschikking te bekrachtigen, met verbetering van de gronden, kosten rechtens.

2.3 Daarop heeft de man in het incidenteel beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 26 maart 2007, waarin hij het hof verzoekt om de vrouw in haar verzoek in het incidenteel beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar grieven I, II en IV genoemd in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel beroep af te wijzen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2007 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. I.B.J.A. Schouten-Hoek, advocaat te DeBilt, en de man bijgestaan door mr. M. Vleesch du Bois, eveneens advo¬caat te De Bilt.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder twee brieven van mr. Vleesch du Bois van 15 en 18 juni 2007 met bijlagen, een brief van mr. Schouten-Hoek van 26 juni 2007 met bijlagen. Na de mondelinge behandeling zijn conform de tijdens de mondelinge behandeling gemaakte afspraak binnengekomen een brief van mr. Schouten-Hoek van 11 juli 2007 met bijlagen en een brief van mr. Vleesch du Bois van 11 juli 2007 met bijlagen. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling er van af gezien op de inhoud van de bijlagen, die met name bestaat uit inkomensinformatie, te reageren.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 23 augustus 1991 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 4 juli 2001 heeft de rechtbank Utrecht echtscheiding tussen hen uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op 13 juli 2001 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1995;

- [kind 2], op [geboortedatum] 1998,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3 Bij echtscheidingsconvenant van 5 juni 2001 zijn partijen in navolgende artikelen overeengekomen:

5.4 met ingang van 1 juni 2001 en zolang de kinderen minderjarig zijn betaalt de man

aan de vrouw een alimentatie voor de kinderen van ƒ 300,- per maand en per

kind. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als

bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2002.

5.5 Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt betaalt de man de in

artikel 5.4 genoemde alimentatie aan het kind zelve, op een door het kind aan te

wijzen bankrekening, tenzij het kind op dat moment nog bij de vrouw woont. In

dat geval wordt door de man, de vrouw, en het kind in onderling overleg bepaald

op welke wijze wordt betaald, zolang als die situatie voortduurt.

5.6 De man verplicht zich aan een meerderjarig kind van 18 jaar of ouder een

(studie)bijdrage te betalen zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg

met hem met een beroepsopleiding bezig is of studeert, doch uiterlijk tot het

tijdstip waarop het kind de 25-jarige leeftijd bereikt.

Dit beding ten behoeve van ieder der kinderen van de partijen is onherroepelijk,

zodat de kinderen het recht hebben om zonodig nakoming van dit beding te

vorderen. De ondertekening van dit convenant geldt eveneens als aanvaarding

van dit beding door de partijen als wettelijk vertegenwoordigers van hun

minderjarige kinderen.

5.7 Wanneer de vrouw substantiële eigen inkomsten gaat genieten uit arbeid en/of

vermogen zal zij eveneens een bijdrage betalen in de kosten van de studie of

beroepsopleiding kinderen, overeenkomstig het ten aanzien van de man

bepaalde in artikelen 5.5. en 5.6.

5.8 Voor de kinderen is een spaarplan aanwezig, Stock Purchase Plan, waarop

maandelijks ƒ 80,- per kind wordt gestort door de vader. Het huidige saldo is

volgens de bijlage van de kinderen. Daarbij komt jaarlijks zolang de man in dienst

blijft bij zijn huidige werkgever en in aanmerking blijft komen voor genoemd plan,

een bedrag dat per saldo voor een derde deel voor elk kind is en een derde deel

voor de man.”

3.4 In voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] met € 136,13 (ƒ 300,-) per maand. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2006 ingevolge de wettelijke indexering € 154,70 per kind per maand.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op of omstreeks 22 mei 2006, heeft de vrouw verzocht het tussen partijen gesloten convenant van 5 juni 2001 en de beschikking van de rechtbank Utrecht van 4 juli 2001 te wijzigen en te bepalen dat de man per datum indiening inleidend verzoekschrift als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] aan de vrouw voldoet € 423,- per kind per maand, waarbij hetgeen partijen in de artikelen 5.5 tot en met 5.8 van bedoeld convenant zijn overeengekomen ongewijzigd blijft.

3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank -uitvoerbaar bij voorraad- de beschikking van 4 juli 2001 en het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant van 5 juni 2001 gewijzigd en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 1 november 2006 op € 423,- per kind per maand vastgesteld en de beschikking van 4 juli 2001 en het echtscheidingsconvenant van 5 juni 2001 voor het overige gehandhaafd.

3.7 Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 25 april 2007 heeft die rechtbank op een daartoe strekkend verzoek van de man de beschikking van 4 juli 2001 met betrekking tot de omgangsregeling gewijzigd en met ingang van 25 april 2007 een omgangsregeling vastgesteld zoals tussen partijen is overeengekomen en ondertekend in de aan voormelde beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst van 6 november 2006 en de beschikking van 4 juli 2001 voor het overige gehandhaafd. In deze vaststellingsovereenkomst zijn partijen onder meer overeengekomen dat de kinderen iedere dinsdag vanaf 18.00 uur tot aanvang van de lessen op donderdag alsmede een weekeinde per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot aanvang van de lessen op maandag bij de man verblijven en dat de vakanties en overige feestdagen bij helfte worden gedeeld.

Ten aanzien van de man

3.8 De man, geboren op 30 december 1964, is na de echtscheiding gehuwd met [partner van de man] (verder te noemen “[partner van de man]”) die in eigen levensonderhoud voorziet. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2006 [A.] geboren. Het inkomen van de man bedroeg tot 1 april 2007, blijkens de salarisspecificatie van oktober 2006 en de door de man bij brief van mr. Schouten-Hoek van 11 juli 2007 overgelegde brief van zijn werkgever van 23 maart 2007, € 5.850,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Daarnaast ontving hij met ingang van 1 juli 2006 een werkgeversbijdrage premie levensloop van € 238,19 bruto per maand, een belaste en onbelaste vaste kostenvergoeding van respectievelijk € 60,91 per maand en € 32,09 per maand en een dertiende maand van € 5.850,- bruto per jaar. Het inkomen van de man bedraagt met ingang van 1 april 2007, blijkens de salarisspecificatie van april 2007, € 6.025,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Daarnaast ontvangt hij een werkgeversbijdrage premie levensloop van € 245,32 bruto per maand, een belaste en onbelaste vaste kostenvergoeding van respectievelijk € 60,91 per maand en € 32,09 per maand en een dertiende maand van € 6.025,- bruto per jaar. De man heeft recht op een extra heffingskorting: de combinatiekorting.

3.9 Het aandeel van de man in de woonlasten van hem en [partner van de man] bedraagt per maand:

- € 1.080,- aan hypotheekrente tot 1 december 2006;

- € 1.206,- aan hypotheekrente vanaf 1 december 2006;

- € 47,50 aan overige eigenaarslasten.

Het aandeel van de man in het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 1.568,- per jaar.

De premie ZVW van de man bedroeg in 2006 € 268,08 per maand:

- € 105,50 premie basisverzekering en aanvullende ZVW,

- € 162,58 door werkgever ingehouden belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

In 2007 bedraagt zijn premie ZVW € 299,71 per maand:

- € 133,84 premie basisverzekering en aanvullende ZVW,

- € 165,87 door werkgever ingehouden belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

Ten aanzien van de vrouw

3.10 De vrouw vormt met de kinderen van partijen en haar partner [partner van de vrouw] (verder te noemen "[partner van de vrouw]"), die in eigen levensonderhoud voorziet, een gezin. Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens de salarisspecificaties over de maand november 2006 en april 2007 € 2.487,94 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Daarnaast ontvangt zij een procentuele en een nominale eindejaarsuitkering van in totaal € 657,40 bruto per jaar. De vrouw heeft recht op extra heffingskortingen: de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting.

3.11 Het aandeel van de vrouw in de woonlasten van haar en [partner van de vrouw] bedraagt per maand:

- € 407,30 aan hypotheek;

- € 125,- aan aflossing;

- € 42,86 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 47,50 aan overige eigenaarslasten.

Het aandeel van de vrouw in het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 894,- per jaar.

De overige lasten van de vrouw per maand:

- € 263,28 aan premie ZVW in 2006:

- € 80,- premie basisverzekering ZVW,

- € 20,70 premie aanvullende verzekering,

- € 162,58 door werkgever ingehouden belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (= 6,5% van het belastbaar inkomen);

- € 243,33 aan premie ZVW in 2007:

- € 88,80 premie basisverzekering ZVW,

- € 21,32 premie aanvullende verzekering ZVW,

- € 165,87 door werkgever ingehouden belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (= 6,5% van het belastbaar inkomen);

- € 13,80 aan premie levensverzekering op het leven van de man, waarbij de kinderen begunstigden zijn.

4 De motivering van de beslissing

4.1 In geschil is de behoefte van de kinderen en de verdeling van deze kosten over de ouders.

4.2 Voor de bepaling van de behoefte van de kinderen zoekt het hof aansluiting bij de tabel “Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen” voor 2006 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de werkgroep Alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Partijen zijn het erover eens dat het inkomen van de man in 2006 het voormalige gezinsinkomen van partijen overschrijdt, zodat voor de bepaling van het totale eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen het huidige inkomen van de man maatgevend is. Uitgaande van de onder 3.8 genoemde inkomensgegevens van de man becijfert het hof het netto besteedbaar maandinkomen van de man in 2006, na aftrek van de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de premie ZVW, op € 4.376,-.

Hierbij heeft het hof de bijdrage van de werkgever in de premie levensloop van € 238,19 bruto per maand die de man sinds 1 juli 2006 ontvangt als inkomen in aanmerking genomen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat de man deze bijdrage tot voor kort niet heeft besteed aan een levensloopregeling. Uit de door de man bij brief van mr. Schouten-Hoek van 26 juni 2007 overgelegde brief van Nationale Nederlanden van 17 juni 2007 blijkt voorts niet of de man zijn levenslooprekening reeds heeft geactiveerd en zo ja welk bedrag maandelijks gestort wordt. Of de man nu wel of niet deelneemt is niet doorslaggevend omdat het hof van oordeel is dat de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn kinderen op dit moment een hogere prioriteit geniet dan een toekomstige voorziening. De belaste en onbelaste vaste kostenvergoeding heeft het hof niet als inkomen in aanmerking genomen, nu de man met de door hem bij verweerschrift naar aanleiding van het incidenteel beroep overgelegde “Regeling vaste kostenvergoeding” en zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit een kostendekkende vergoeding betreft waaraan hij niets overhoudt.

Aan de hand van voornoemd rapport en voormeld besteedbaar maandinkomen is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen (zonder bijtelling van de kinderbijslag) in ieder geval vast te stellen op € 1.049,- per maand voor beide kinderen. Zoals onder 3.7 overwogen heeft de rechtbank Utrecht bij beschikking van 25 april 2006 tussen de man en [kind 1] en [kind 2] een omgangsregeling vastgesteld die er in feite op neerkomt dat de kinderen 7 van de 14 dagen bij de man verblijven. Tussen partijen bestaat dus een regeling gelijk aan een co-ouderschapsregeling in die zin dat de ouders de verzorging en de opvoeding van de kinderen (in dit geval) gelijkelijk delen. De aanbeveling in voormeld rapport alimentatienormen is om ingeval van co-ouderschap het bedrag volgens de tabel eigen aandeel ouders in de kosten van kinderen met 16% te verhogen in verband met dubbele woonlasten. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen komt daarmee in dit geval op € 1.217,- per maand voor beide kinderen.

4.3 Ingeval van co-ouderschap kan men tot uitgangspunt nemen dat de beide verdienende ouders de kosten van wonen en voeding van de kinderen voor eigen rekening nemen en dat het restant van de kosten van de kinderen, die in ieder geval betreffen de kosten van kleding, (sport)schoenen, contributies, lessen zoals remedial teaching, schoolkosten, zakgeld, verzekeringen, sport, vakantie e.d., naar rato van ieders draagkracht verdeeld wordt en voorts dat de besteding van dit deel van de kosten plaatsvindt door beide ouders in goed overleg tussen de ouders. Dit vereist veel en goed overleg. In dit geval is uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat partijen daartoe niet in staat zijn en dat zij het niet eens kunnen worden over de vraag welke kosten zij noodzakelijk achten. Daarom dient in dit geval een andere benadering te worden gevolgd zoals hierna weergegeven. In beginsel dienen beide ouders naar draagkracht in deze behoefte te voorzien. Het hof zal daarom ieders draagkracht vaststellen.

4.4 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.8 en 3.9 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld. Omdat de normen, tarieven en de premie ZVW met ingang van 1 januari 2007 zijn gewijzigd en het inkomen van de man met ingang van 1 april 2007, ziet het hof aanleiding bij de berekening van de draagkracht van de man te rekenen in drie situaties, te weten de periode tot en met 31 december 2006 (situatie 1), de periode van 1 januari tot 1 april 2007 (situatie 2) en de periode daarna (situatie 3).

4.5 Omdat de man samenwoont met [partner van de man] en zij beiden onderhoudsplichtig zijn jegens [A.] houdt het hof, evenals partijen, rekening met het gemiddelde van de norm voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder van € 966,50 per maand (situatie 1) en van € 989,50 per maand (situatie 2 en 3) en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 52,50. Geen rekening houdt het hof daarnaast met kosten van kinderopvang van [A.], nu deze kosten reeds zijn verdisconteerd in de gehanteerde norm en het bijbehorende draagkrachtpercentage.

4.6 Ook bij de vaststelling van de draagkracht van de man neemt het hof de bijdrage van de werkgever van de man in de premie levensloop als inkomen in aanmerking, en de belaste en de onbelaste vaste kostenvergoeding van de man niet, op dezelfde grond als hiervoor onder 4.2 overwogen.

4.7 De man heeft, gelet op zijn toelichting ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, voldoende aannemelijk gemaakt dat een aantal van de polissen levensverzekering met een premie van in totaal € 474,81 per maand gekoppeld zijn aan de hypotheek. Nu [partner van de man] voor de helft bijdraagt in deze lasten houdt het hof rekening met een premie levensverzekering van € 237,41 per maand.

4.8 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander heeft de man draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] van respectievelijk € 1.204,- per maand (situatie 1), van € 1.196,- per maand (situatie 2) en van € 1.265,- per maand (situatie 3).

4.9 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit van de hiervoor onder 3.10 en 3.11 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld. Daarbij neemt het hof de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60 in aanmerking. Omdat de normen, tarieven en de premie ZVW met ingang van 1 januari 2007 zijn gewijzigd, ziet het hof aanleiding bij de berekening van de draagkracht van de vrouw te rekenen in twee situaties, te weten de periode tot en met 31 december 2006 (situatie 1) en de periode daarna (situatie 2).

4.10 Vaststaat dat de vrouw met ingang van 1 november 2006 is gestart met een opleiding, die naar verwachting in mei 2008 zal worden afgerond. De arbeidsduur van de vrouw is voor de duur van de opleiding vermeerderd van 32 tot 40 uur per week (inclusief 4 uur compensatieverlof). Weliswaar is door de vrouw gesteld dat haar arbeidsduur weer wordt teruggebracht naar 32 uur per week zodra zij voor een tentamen zakt, maar op dit moment zijn er geen signalen waaruit zou moeten blijken dat zij de opleiding niet succesvol zal afronden. Het hof houdt daarom met het onder 3.10 genoemde inkomen rekening.

4.11 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de vrouw draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] van € 354,- per maand in 2006 (situatie 1) en van € 360,- per maand in 2007 (situatie 2 en 3).

4.12 Verdeling van de behoefte van [kind 1] en [kind 2] van € 1.217,- per maand naar rato van ieders draagkracht betekent dat de man een bijdrage in de kosten van de kinderen dient te leveren van € 940,- per maand in situatie 1, van € 934,- per maand in situatie 2 en van € 947,- per maand in situatie 3. Hierop brengt het hof in mindering het eigen aandeel van de man in de extra kosten van wonen van de kinderen van € 168,- per maand (16% van het hiervoor berekende eigen aandeel in de kosten van de kinderen van € 1.049,- per maand) en de kosten van eten en drinken voor de kinderen bij de man, die de man zelf becijfert op € 150,- per maand, nu de man deze kosten feitelijk al in natura voldoet doordat de kinderen de helft van de tijd bij hem verblijven, zodat van zijn aandeel resteert € 311,- per kind per maand in periode 1, € 308,- per kind per maand in periode 2 en € 314,50 per kind per maand in periode 3, welk aandeel de man aan de vrouw dient te betalen.

Zoals onder 3.3 is weergegeven zijn partijen bij convenant overeengekomen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met € 136,13 (ƒ 300,-) per kind per maand. In zijn verweerschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op of omstreeks 18 juli 2006, stelt de man dat hij naast deze onderhoudsbijdrage nog andere lasten die voornamelijk te maken hebben met de sporten (contributies, lessen, kleding en attributen) die de kinderen beoefenen en het sparen voor de kinderen, voor zijn rekening neemt en dat partijen daarover afspraken hebben gemaakt. Hoewel de man stelt dat partijen bij het sluiten van het convenant met deze extra lasten reeds rekening hebben gehouden merkt het hof op dat uit het convenant van een dergelijke afspraak met uitzondering van het spaarplan voor de kinderen niet blijkt.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat zij met de overeenkomen onderhoudsbijdrage van € 136,13 (ƒ 300,-) per kind per maand niet uitkomt en dat er tussen partijen veel discussie is over de verdeling van de kosten van de kinderen. Voor haar is het niet mogelijk om hierover met de man te overleggen, reden waarom zij verhoging van de in het convenant vastgestelde bijdrage heeft verzocht.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er voldoende reden is de tussen partijen bij convenant overeengekomen onderhoudsbijdrage zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Utrecht van 4 juli 2001, te wijzigen en te bepalen dat de vrouw met het aandeel van de man in de kosten van de kinderen, haar eigen aandeel in die kosten alsmede met de door haar te ontvangen kinderbijslag alle kosten van de kinderen, waaronder kleding, (sport)schoenen, contributies, lessen zoals remedial teaching, schoolkosten, zakgeld, verzekeringen, sport waaronder turnen en tennis, vakantie e.d. dient te bestrijden.

Indien de man met de kinderen op bijvoorbeeld skivakantie wil, zal hij deze vakantie, inclusief de benodigdheden voor de kinderen, zelf moeten bekostigen.

4.13 De man verzoekt een latere ingangsdatum dan 1 november 2006 te bepalen en te bepalen dat de vrouw de teveel ontvangen alimentatie moet terugbetalen. Hij stelt dat hij in grote financiële problemen is gekomen. De vrouw stelt in haar verweerschrift in hoger beroep dat voorzover de man teveel zou hebben betaald de bijdrage dient te worden vastgesteld op hetgeen de man feitelijk heeft betaald omdat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt en ten goede is gekomen aan de kinderen. Het hof overweegt dat artikel 1:402 BW de rechter grote vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhouds-verplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Het hof hanteert met de rechtbank als ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdrage 1 november 2006, nu de man vanaf die datum rekening had kunnen en moeten houden met wijziging van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2]. Van de vrouw kan en mag worden verlangd dat zij de teveel ontvangen onderhoudsbijdrage aan de man terugbetaalt, nu zij ervan op de hoogte was dat de man hoger beroep had ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 november 2006, zodat zij er ook rekening mee had kunnen en moeten houden dat in hoger beroep anders beslist kan worden. Dat de vrouw tussen 1 november 2006 en maart 2007/heden maandelijks de gehele alimentatie heeft uitgegeven, acht het hof niet aannemelijk gemaakt. Dat de vrouw in financiële problemen zou komen, indien zij de teveel ontvangen kinderbijdrage dient terug te betalen is niet gesteld of gebleken. Het hof zal op basis van artikel 1:402 lid 3 BW bepalen dat de man de door hem over de periode van 1 november 2006 tot heden teveel betaalde onderhoudsbijdrage met de toekomstige termijnen mag verrekenen.

4.14 Gelet op het voorgaande heeft de man geen belang meer bij zijn grief omtrent de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking, zodat het hof dit onderdeel van zijn verzoek in hoger beroep zal afwijzen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 november 2006, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt het convenant van 5 juni 2001 en de daarop gebaseerde beschikking van de rechtbank Utrecht van 4 juli 2001 voorzover het betreft de bijdrage van de man in de kosten van verzorging van [kind 1] en [kind 2] en stelt die bijdrage van de man aan de vrouw als volgt vast:

- over de periode van 1 november 2006 tot 1 januari 2007 € 311,- per kind per maand;

- over de periode van 1 januari 2007 tot 1 april 2007 € 308,- per kind per maand;

- met ingang van 1 april 2007 € 314,50 per kind per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man de over de periode van 1 november 2006 tot heden teveel betaalde bijdrage in de kosten van verzorging van [kind 1] en [kind 2] kan verrekenen met de toekomstige termijnen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de beschikking van 4 juli 2001 en het echtscheidingsconvenant van 5 juni 2001 voor het overige gehandhaafd blijven;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mens, De Vries Robbé-De Roy Van Zuydewijn en Van Zutphen en is op 14 augustus 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.