Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3703

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
439/06
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jager, met jachtvergunning, is niet verplicht omwonenden te waarschuwen voor jachtpartij. Volgt noch uit jachtregels, noch uit maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid. Schade voor exploitant van nabijgelegen stal door schrikreactie van paard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 413
Prg. 2007, 171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[EISER], wonend te Meijel,

APPELLANT,

procureur: mr. B.J.C. Pleiter,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

W.A. HIENFELD B.V., gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: eerst: mr. F.N. Jorritsma,

thans: mr. M. de Rijke.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna (ook) [eiser] en Hienfeld genoemd.

Bij dagvaarding van 28 februari 2006 is [eiser] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 30 november 2005, in deze zaak onder zaak/rolnummer 310414/H 05.0641 gewezen tussen hem als eiser en Hienfeld als gedaagde.

[Eiser] heeft van grieven gediend, daarbij bescheiden in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, alsnog, - uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen met veroordeling van Hienfield om terug te betalen al hetgeen door hem, [eiser], ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Hienfeld is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, met veroordeling van Hienfeld in de proceskosten van beide instanties.

Daarop heeft Hienfeld geantwoord en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen met veroordeling van [eiser] – uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van – naar het hof begrijpt - het hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

[Eiser] heeft vier grieven voorgesteld waarvoor wordt verwezen naar zijn memorie.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1, a. tot en met e. een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Het gaat in deze zaak – kort gezegd – om het volgende.

(i) [Eiser] was in december 2003 exploitant van een paardenstal, alwaar hij een dertigtal paarden hield waaronder het ruinpaard Chicago BZ, hierna: het paard. [Eiser] heeft het paard op 13 december 2003 rond omstreeks 15.00 uur vanuit de stal in de wei geplaatst in verband met het uitmesten van de stal.

(ii) [X], hierna: [jager], heeft een wettelijk verplichte jachtvergunning om in Nederland deel te mogen nemen aan de jacht. Hij is lid van de Wildbeheerseenheid Helden en als jager 35 jaar actief in dat gebied. De paardenstal van [eiser] ligt in dit gebied.

(iii) Op 13 december 2003 heeft [jager] samen met een medejager, een drijver en een hond gejaagd nabij de Helenavaart die parallel aan het Deurnese Kanaal loopt en zich bevindt op een afstand 70 à 100 meter vanaf het weiland waar het paard zich op dat moment sinds korte tijd bevond. Het paard was voor de jagers niet zichtbaar. [Jager] heeft daar toen met zijn hagelgeweer twee schoten gelost op een opvliegende eend (productie 6 pagina 2 bij conclusie van antwoord).

4.2 Volgens [eiser] is het paard van de schoten geschrokken en is het paard als gevolg van de schrikreactie ten val gekomen, waarbij het paard een blijvende blessure heeft opgelopen. Tengevolge daarvan is het paard volgens [eiser] sterk in waarde verminderd. Het paard is op 11 februari 2005 geslacht. [Eiser] heeft [jager] voor de waardevermindering van het paard aansprakelijk gesteld. [Jager] heeft aansprakelijkheid afgewezen en [eiser] doorverwezen naar zijn verzekeraar, Hienfeld, waarbij hij voor jachtongevallen was verzekerd.

4.3 Hienfeld heeft door een expert van Agrotax Expertisebureau onderzoek laten doen. Op 17 februari 2004 heeft de expert rapport uitgebracht (productie 6 bij conclusie van antwoord). Als conclusie staat in het rapport onder meer vermeld:

“Wij zijn van oordeel dat verzekerde geen verwijtbare handelingen heeft uitgevoerd. Hij heeft in ieder geval niet kunnen bevroeden dat het paard van tegenpartij in het weiland achter het Deurnesekanaal liep.

Vooralsnog achten wij het niet aannemelijk dat de geclaimde tekortkomingen veroorzaakt zijn door het voorval. Het weiland waarin het dier liep is modderig, nat en glad. Het is niet uit te sluiten dat het dier door zijn eigen energie onderuit is gegleden en hierbij licht letsel heeft opgelopen. (...)”

Naar aanleiding van het door de expert verrichte onderzoek heeft Hienfeld bij brief van 23 februari 2004 aan [eiser] meegedeeld dat zij geen aansprakelijkheid van haar verzekerde kan erkennen voor het letsel van het paard.

4.4 [Eiser] heeft vervolgens van Hienfeld in rechte vergoeding van zijn schade gevorderd. Hij heeft zijn vordering gebaseerd op onrechtmatig handelen van [jager] jegens hem omdat [jager] volgens hem heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die een jager bij het uitoefenen van de jacht in acht moet nemen door hem voorafgaand aan de jacht niet te waarschuwen. [Eiser] berekent de schade op het bedrag van de waardevermindering van het paard, de stallingkosten van het paard gedurende een jaar en de kosten van de dierenarts, in totaal EUR 18.532,40 plus wettelijke rente vanaf 1 februari 2005. Voorts heeft hij aan buitengerechtelijke kosten EUR 780,- gevorderd. Hienfeld heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

4.5 De rechtbank heeft de vordering in het bestreden vonnis afgewezen. Zij heeft geoordeeld dat uit de Gedrags- en weidelijkheidsregels van de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging waarop [eiser] de waarschuwingsplicht van [jager] in de eerste plaats baseert geen plicht voor [jager] voortvloeit om omwonenden van het jachtgebied – onder wie [eiser] – voorafgaand aan de jacht te waarschuwen. De bijzonder strenge zorgvuldigheid die een jager in acht moet nemen heeft volgens de rechtbank te maken met de risicoaansprakelijkheid van een jager voor jachtongevallen. Van een jachtongeval is hier geen sprake. Voorts kwam de rechtbank tot het oordeel dat er geen waarschuwingsplicht voortvloeit uit hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Daarvoor achtte zij redengevend dat [jager] niet heeft kunnen waarnemen dat er paarden in de wei van [eiser] stonden, dat de afstand tussen de plaats waar [jager] de schoten afvuurde en het weiland waar het paard stond tenminste 70 meter was, dat [jager] al 35 jaar eens in de drie weken in het bewuste gebied jaagt en [eiser] nooit aan [jager] heeft gevraagd hem voorafgaand aan de jacht te waarschuwen in verband met de paarden.

4.6 Het hof stelt voorop dat het in dit geval gaat om de vraag of [jager] als jager een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden door voordat hij ging jagen [eiser] niet te waarschuwen. Daarbij kan het gaan om een zorgvuldigheidsnorm die in een wettelijke regeling is vastgelegd, dan wel om een zorgvuldigheidsnorm die voortvloeit uit hetgeen een jager in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4.7 Met grief 1 bestrijdt [eiser] het oordeel van de rechtbank dat genoemde Gedrags- en weidelijkheidsregels geen plicht voor [jager] voortvloeit om omwonenden van het jachtgebied – onder wie [eiser] – voorafgaand aan de jacht te waarschuwen.

Het hof onderschrijft de uitleg die de rechtbank aan genoemde regels heeft gegeven. Uit de regels valt slechts op te maken dat de jager een bepaalde zorgvuldige houding ten opzichte van fauna en flora dient na te leven. Noch uit de tekst noch anderszins is gebleken dat deze regels mede een waarschuwingsplicht voor de omwonenden zoals [eiser] bepleit met zich brengen. De in die regels vermelde ‘kopjes’, te weten: ”Beheer van het jachtveld”, “Houding ten opzichte van dieren”, “Zelfbeheersing”, ”Veiligheid met het wapen”, “Houding tegenover derden” en “Houding ten opzichte van de samenleving” wijzen evenmin in de richting die [eiser] verdedigt. Die waarschuwingsplicht kan in het bijzonder ook niet worden afgeleid uit het onderdeel “Houding tegenover derden”, waaronder onder punt a staat vermeld dat de jager respect heeft voor de rechten en eigendommen van derden. Ook daaruit blijkt niet althans niet met voldoende bepaaldheid dat de jager omwonenden van het jachtgebied tevoren moet waarschuwen. Ook uit de gedragsregel dat de jager regelmatig contacten onderhoudt met grondgebruikers en betrokkenen vloeit niet voort dat [jager] in strijd met de gedragsregels heeft gehandeld. Die regel ziet – anders dan [eiser] betoogt – niet op het voorkomen van schade als de onderhavige, maar op het beheer van het jachtveld. Door niet de omwonenden te waarschuwen dat hij daar ging jagen, heeft [jager] derhalve niet gehandeld in strijd met deze voorschriften.

4.8 Daarnaast moet worden bezien of [jager] door tevoren niet te waarschuwen overigens in strijd heeft gehandeld met hetgeen hem in het maatschappelijk verkeer betaamt door na te laten [eiser] te waarschuwen dat hij ging jagen op nabij terrein. Daarover gaan grief 2 en grief 3 die gezamenlijk worden behandeld.

4.9 Vaststaat dat het hier niet gaat om een jachtongeval waarbij een mens of een dier door een schot is geraakt. Het gaat in dit geval om een ongeval dat volgens [eiser] is veroorzaakt door het geluid van de twee schoten met een hagelgeweer die op een eend zijn gelost. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de jager te betrachten zorgvuldigheid daarbij anders ligt.

Het gaat er hierbij om of van de jager gevergd kan worden dat hij gelet op de aard van het risico (blessures als gevolg van een val die wordt veroorzaakt door een schrikreactie ten gevolge van het schieten) de omwonenden zou waarschuwen dat hij van plan was te gaan jagen. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.

Bezwaarlijk kan worden aanvaard, zoals [eiser] verdedigt, dat een knal zonder meer op één lijn kan worden gesteld met een verwonding door een kogel of een schot hagel. De aard en omvang van de gevorderde schade zijn in vergelijking daarmee naar redelijke verwachting beperkter.

De jacht speelde zich verder af op een zodanige afstand, te weten ten minste 70 meter van het weiland waar het paard stond, dat [jager] geen rekening ermee hoefde te houden dat een paard dat in de weide stond daardoor ten val zou kunnen komen. Dit zou mogelijk anders zijn indien het schot in de directe nabijheid van het paard zou zijn gelost maar daarvan is hier geen sprake. In de stellingen van [eiser] ontbreekt een voldoende aanknopingspunt voor een hier relevante kans dat op deze wijze als gevolg van de jacht schade zou ontstaan. Daarop wijst met name ook dat [jager] tientallen jaren in die buurt heeft gejaagd zonder problemen, ook niet voor [eiser]. [Eiser] maakt daarvan in zijn brief van 18 juli 2004 ook geen gewag. Verder is van belang dat [jager] daar mocht jagen en dat, naar moet worden aangenomen, de voorzorgsmaatregelen die [eiser] van hem verlangt, de nodige voeten in de aarde hebben. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat niet valt uit te sluiten dat dan niet alleen [eiser] maar vele anderen in de omgeving zouden moeten worden gewaarschuwd.

Slotsom is op grond van bovenstaande overwegingen dat niet gesproken kan worden van een handelwijze die indruist tegen de zorgvuldigheid die [jager] had betaamd. De grieven falen mitsdien.

4.10 Grief 4 behoeft gezien het oordeel over de grieven 1 tot en met 3 geen bespreking meer. Schadevergoeding is niet aan de orde. Ook deze grief faalt.

5. Slotsom

De slotsom is dat alle grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep moeten worden veroordeeld.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Hienfeld gevallen, op EUR 580,- aan verschotten en op EUR 894,- aan salaris procureur;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, J.M.H. van Staveren en C.A. Joustra en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2007.