Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB2991

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
04/3977 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verzoeken om teruggaaf op grond van artikel 236 CDW zijn ruimschoots na het verstrijken van de driejaarstermijn ingediend. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat zij door toeval of overmacht de verzoeken niet binnen de termijn heeft kunnen indienen. De verzoeken zijn derhalve terecht niet -ontvankelijk verklaard. Het beroepschrift is evenwel gegrond vanwege het feit dat de inspecteur het bezwaar bij de bestreden uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 04/3977 DK

de dato 28 augustus 2007

[belanghebbende], appellant

versus

De inspecteur van de Belastingdienst/Douane P

1. De procedure

1.1. Op 5 oktober 2004 is bij de douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van X B.V. te Z per 1 januari 2007 genaamd XX B.V.). Het beroepschrift, aangevuld bij brief van 4 november 2004, is ingediend namens de aangever, belanghebbende, en is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P (hierna: de inspecteur) van 27 augustus 2004, kenmerk …. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar, gericht tegen de beschikking van 19 september 2003, nummer…, waarbij de in een geschrift vervatte verzoeken om terugbetaling van een bedrag van € 63.924,96 niet-ontvankelijk zijn verklaard, afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht geheven van € 273.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 5 juni 2007. Namens belanghebbende zijn verschenen A als gemachtigde, alsmede B namens de importeur. Namens de inspecteur zijn verschenen C en D. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd. De Douanekamer rekent deze pleitnota ‘s tot de stukken van het geding.

1.5. Op verzoek van de Douanekamer heeft belanghebbende na de zitting alsnog een op naam van de heer A gestelde machtiging van de aangever overgelegd.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, heeft - voor zover hier van belang – gedurende de periode 1995 tot en met 1997 in opdracht van de importeur diverse aangiften voor het vrije verkeer gedaan van rollators. De goederen zijn daarbij telkens ingedeeld onder post 7316 90 97 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (hierna: GDT). De aangiften zijn door de douane aanvaard en ter zake zijn tussen 20 april 1995 (de eerste aangifte uit 1995) en 19 december 1997 (de laatste aangifte uit 1997) uitnodigingen tot betaling aan belanghebbende uitgereikt.

2.2. Op 10 maart 1995 is onder nummer NL19941231-944-0418-0, ten name van de importeur, een bindende tariefinlichting (hierna: BTI) afgegeven voor een goed met de handelsbenaming O- rollator. Het goed is daarbij ingedeeld onder post 7316 90 97 van het GDT.

2.3. Tegen de afgifte van voormelde BTI is door de aangever bij brief van 21 april 1995 een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is door de inspecteur van de Belastingdienst/ Douane district P, bij de uitspraak op bezwaar van 14 juli 1995, nummer …, afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen beroep ingesteld.

2.4. Op 1 februari 2000 heeft de aangever, een verzoek om afgifte van een nieuwe BTI dan wel om een herziening van de op 10 maart 1995 afgegeven BTI voor rollators gedaan. Bij brief van 29 februari is dit verzoek afgewezen met als redengeving dat de BTI uit 1995 nog geldig was en er geen reden was voor een herziening. Bij brief van 15 mei 2000 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat de problematiek rond de indeling van de rollator zeer actueel was en dat deze ook in Brussel aan de orde zou komen, hetgeen wellicht gronden voor een heroverweging zou opleveren.

2.5. Bij beslissing nummer…, heeft de inspecteur de BTI met het nummer NL19941231-944-0418-0 met ingang van 11 december 2000 ingetrokken. Vervolgens is op 13 december 2000 door de inspecteur, onder nummer NL RTD-2000-003869, ten name van de importeur een nieuwe BTI afgegeven voor de Provo rollator, waarbij het goed is ingedeeld onder post 9021 90 90 van het GDT.

2.6. Op verzoek van de aangever heeft de inspecteur haar op 12 juni 2001 drie in Duitsland in 1995 afgegeven BTI’s gezonden, te weten de BTI’s met nummers DEB/B/00206/95/01-01, DEB./B.00203/95/01-01 en DEB./B/00202/95/01-01. Deze BTI’s betreffen eveneens de indeling van rollators. In deze BTI’s zijn de desbetreffende rollators ingedeeld onder post 9021 19 10 van het GDT. Deze ‘Duitse’ BTI’s zijn geen van alle verstrekt aan belanghebbende of haar opdrachtgever.

2.7. Op 4 februari 2002 heeft de inspecteur op verzoek van belanghebbende terugbetaling verleend van de douanerechten, die zij heeft betaald op de aangiften gedaan in de jaren 1998, 1999 en 2000. In de hiertoe afgegeven beschikking is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“In dit bezwaarschrift is vermeld dat de indeling van betreffende goederen (rollators) een onderwerp van bespreking is te Brussel voor de indeling in het tarief. Voorlopig moet voor wat betreft de indeling van de rollators geconformeerd worden aan de in Duitsland afgegeven nog geldende Bindende Tariefinlichting (…).”

2.8. Op 15 juli 2003 heeft de gemachtigde, XX in één geschrift vervatte verzoeken om terugbetaling ingediend voor de douanerechten voldaan op aangiften voor het vrije verkeer van rollators in 1995, 1996, 1997, voor een bedrag van in totaal € 63.924. Bij beschikking, nummer …, van 19 september 2003 heeft de inspecteur de verzoeken niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. Daartegen is door belanghebbende bij brief van 17 oktober 2003, ingekomen bij de belastingdienst op 21 oktober 2003, bezwaar gemaakt. Op 15 juni 2004 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Op 7 juli 2004 heeft belanghebbende een aanvulling op het hoorgesprek ingezonden. Het bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om terugbetaling is bij de uitspraak op bezwaar, nummer…, van 27 augustus 2004 wederom niet-ontvankelijk verklaard. In het beroepschrift heeft belanghebbende het teruggevraagde bedrag verlaagd tot € 62.234,04.

2.9. Op 15 april 2004 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschap bij indelingsverordening (EG) nr.729/2004 bepaald dat rollators moeten worden ingedeeld onder post 8716 80 00 van het GDT.

3. Het geschil

3.1. In geding is of de inspecteur het verzoek om terugbetaling van 15 juli 2003 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zo deze vraag ontkennend wordt beantwoord is tussen partijen niet in geschil dat aan belanghebbende een teruggave van € 62.234,04 moet worden verleend.

3.2. Bij de beoordeling van het geschil heeft de Douanekamer artikel 236 van het CDW in aanmerking genomen, dat als volgt luidt:

1. Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt. Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt. Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.

2. Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend. Deze termijn wordt verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen. De douaneautoriteiten gaan ambtshalve tot terugbetaling of kwijtschelding over wanneer zij zelf gedurende deze termijn het bestaan van een der in lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde omstandigheden vaststellen.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en aan de overige voorwaarden is ook voldaan. De inspecteur heeft het bezwaar derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4.2. Een wettelijk recht op teruggave, ingevolge artikel 236, lid 1, van het CDW, bestaat slechts in het geval dat vaststaat dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was. De aangiften in 1995, 1996 en 1997 zijn conform de geldige BTI van 10 maart 1995 gedaan. Op 13 december 2000 is, een nieuwe BTI afgegeven. Deze BTI is slechts bindend volgens artikel 12, lid 2, alinea 2, van het CDW voor goederen waarvan de douaneformaliteiten worden vervuld na de datum waarop de BTI is verstrekt. Ten aanzien van de aangiften gedaan voor 13 december 2000 kan dus niet wettelijk worden vastgesteld dat op het tijdstip van betaling de rechten niet wettelijk verschuldigd waren. Met andere woorden de betalingen gedaan voor 13 december 2000 waren wettelijk verschuldigd.

4.3. Na 13 december 2000 is echter het volgende gebleken:

- medio 2001 werd bekend dat de BTI van 13 december 2000 niet het gevolg is geweest van een gewijzigd inzicht, maar dat in opdracht van Brussel dient te worden geconformeerd aan een in Duitsland geldende BTI, afgegeven op 29 mei 1995;

- de in 2001 ingediende verzoeken om teruggaaf, betreffende de in de jaren 1998 tot en met 2001 gedane aangiften, zijn ingewilligd over een deel van de periode 1995 tot en met 2000, te weten over de periode 1998 tot en met 2000;

- door die teruggave, kennelijk met stilzwijgende instemming van Brussel, is een precedent geschapen.

Door voormelde omstandigheden rijst de vraag op welk tijdstip geoordeeld dient te worden dat de betalingen over de periode 1995 tot en met 2000 niet wettelijk verschuldigd waren. Dat tijdstip kan, gelet op het vorenstaande, alleen 13 december 2000 zijn. Dat is de datum waarop formeel is komen vast te staan dat de douanerechten niet wettelijk verschuldigd waren. Een verzoek om terugbetaling dient te worden gedaan binnen drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de nieuwe, lagere, douaneschuld is ontstaan. Deze termijn eindigde derhalve op 13 december 2003.

Het onderhavige verzoek om terugbetaling is dus tijdig ingediend.

4.4. Op grond van het beginsel van rechtsgelijkheid, neergelegd in artikel 11 van de Uitvoeringsverordening van het Communautair douanewetboek (hierna de UCDW), binden de door douaneautoriteiten van een lidstaat verstrekte BTI’s onder dezelfde voorwaarden de douaneautoriteiten van alle lidstaten. Op grond van dit beginsel had, met inachtneming van de Duitse BTI uit 1995 voor rollators, over de periode van 1995 tot en met 2000 een lager bedrag aan douanerechten moeten worden geheven. De rollators hadden sinds 1995 onder post 9021 moeten worden ingedeeld.

4.5. Op grond van artikel 9 van de UCDW heeft de Commissie een actieve rol in het garanderen van de eenvormige toepassing van de nomenclatuur. De Commissie heeft, ondanks de verschillen in tarifering in de BTI’s afgegeven door Nederland en Duitsland, hier verzuimd in te grijpen.

4.6. In de pleitnota is gesteld dat tegen de gehele beschikking, dus zowel tegen de niet-ontvankelijkverklaring als tegen de inhoud, bezwaar is gemaakt. Het beroep betreft de afwijzing van het verzoek alsmede de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om teruggaaf en van het bezwaarschrift. Het fiscale procesrecht biedt de mogelijkheid tot en met de zitting nieuwe rechtsgronden aan te voeren.

4.7. Ter zitting heeft A verklaard dat eerst het verzoek om teruggaaf is ingediend voor de aangiften die duidelijk binnen de drie jaarstermijn vielen. Toen dat verzoek werd toegewezen, is vervolgens het onderhavige verzoek om teruggaaf ingediend.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. In deze zaak is met betrekking tot de indeling van de goederen in de nomenclatuur sprake van een gewijzigd inzicht.

Een wijziging van inzicht is op zich geen reden voor het verlenen van teruggaaf op grond van artikel 236 van het CDW.

5.2. Maar mocht de Douanekamer menen dat de wijziging van inzicht is veroorzaakt door een vergissing, dan kan terugbetaling ambtshalve of op verzoek worden verleend. Een verzoek daartoe moet worden ingediend binnen een termijn van drie jaar nadat de rechten aan de schuldenaar zijn meegedeeld. De tijdigheid van een verzoek om terugbetaling moet conform artikel 236 van het CDW worden getoetst aan de datum waarop aan belanghebbende is meegedeeld dat zij voor de douaneschuld als schuldenaar wordt aangemerkt. Die data lagen in 1995, 1996 en 1997. Voor het standpunt van belanghebbende dat als begindatum moet worden genomen de datum waarop belanghebbende kennis heeft gekregen van de onjuiste indeling, is geen wettelijke basis. Het verzoek om terugbetaling van de in 1995, 1996 en 1997 betaalde douanerechten is op 15 juli 2003 ingediend. Het verzoek is dus te laat. Ook ambtshalve teruggaaf kan alleen plaatsvinden binnen voormelde termijn van drie jaar. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat zij ten gevolge van toeval of overmacht niet in staat was het verzoek tijdig in te dienen. Zij heeft niet aangetoond dat er sprake was van een uitzonderingsgeval.

5.3. Ook indien belanghebbende heeft beoogd een verzoek op grond van artikel 239 van het CDW te doen, is dit verzoek buiten de in voormeld artikel genoemde termijn van een jaar ingediend. Van een uitzonderingsgeval waardoor de termijnoverschrijding kan worden gepardonneerd, is niets gebleken.

5.4. Belanghebbende heeft in 1995, 1996 en 1997 geen rechtsmiddelen aangewend tegen de uitnodigingen tot betaling. De wettelijke verschuldigdheid van de bedragen is derhalve komen vast te staan. De BTI van 13 december 2000 is pas rechtgeldig voor goederen waarvan de douaneformaliteiten na die datum worden gedaan. Voor aangiften die daarvoor zijn gedaan, kan op deze BTI geen beroep worden gedaan.

5.5. Het beroep op het beginsel van rechtsgelijkheid is ongegrond. Belanghebbende kan zich niet beroepen op de Duitse BTI omdat zij geen rechthebbende is. De Duitse rechthebbende zou zich hier te lande wel kunnen beroepen op de BTI, hetgeen is bepaald in artikel 11 van de UCDW. Het feit dat andere douaneautoriteiten deze goederen anders indelen, wettigt niet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Deze BTI geldt slechts als aanwijzing.

De in 1995 afgegeven BTI was rechtsgeldig. Belanghebbende heeft destijds wel bezwaar maar geen beroep ingediend.

5.6. Het bezwaarschrift van belanghebbende is terecht niet ontvangen omdat zij daarin bezwaar maakt tegen de afwijzing - in plaats van tegen de niet-ontvankelijkverklaring- van het verzoek om teruggaaf. Had zij bezwaar ingediend tegen de niet-ontvankelijkverklaring, dan zou het bezwaar zijn afgewezen. Indien de Douanekamer anders oordeelt, wordt subsidiair verzocht om de uitspraak op bezwaar te vernietigen, de rechtsgevolgen in stand te houden en in de uitspraak te bepalen dat het besluit op bezwaar dient te worden aangemerkt als een afwijzend besluit. Een proceskostenveroordeling wordt in deze niet redelijk geacht.

5.7. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat, indien het verzoek tijdig was ingediend, de teruggaaf zou zijn verleend.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Als weergegeven onder 2.8. heeft belanghebbende bij brief van 17 oktober 2003 een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking van 19 september 2003, inhoudende de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om terugbetaling. Dit bezwaar is - gelet op het bepaalde in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - tijdig ingediend. Het voldoet naar het oordeel van de Douanekamer ook aan de overige gestelde wettelijke gestelde eisen ten aanzien van de ontvankelijkheid. Gelet op de strekking van het bezwaarschrift moet er van worden uitgegaan dat het mede is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om terugbetaling. Nu de inspecteur, gelet op de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, van mening is dat hij destijds het verzoek terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, had hij het daartegen gerichte bezwaarschrift moeten afwijzen. De inspecteur heeft derhalve het bezwaar bij de bestreden uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep dient reeds hierom gegrond te worden verklaard.

6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat aan belanghebbende de gevraagde terugbetaling zou zijn verleend, indien het verzoek daartoe zou zijn ingediend binnen de in artikel 236 van het CDW bedoelde termijn van drie jaren, te rekenen vanaf de datum waarop de verschuldigdheid van de douanerechten over de aangiften van 1995, 1996 en 1997 aan belanghebbende is meegedeeld.

6.3. In aanmerking nemende de data waarop aan belanghebbende de uitnodigingen tot betaling zijn uitgereikt met betrekking tot de aangiften in de jaren 1995, 1996 en 1997, moet worden geoordeeld dat de termijn voor het indienen van een verzoek om terugbetaling voor de laatst ingediende aangifte verstreek op 19 december 2000. De termijn voor de overige verzoeken verstreek eerder. Het onderhavige geschrift, waarin alle verzoeken om terugbetaling zijn vervat, is ingediend op 15 juli 2003. Deze datum ligt ruimschoots na het verstrijken van de in deze zaak geldende driejaarstermijn.

De stelling van belanghebbende dat de termijn van drie jaar eerst met ingang van 13 december 2000 is aangevangen, vindt geen steun in het recht. Deze stelling wordt derhalve verworpen.

6.4. Verlenging van de termijn van artikel 236 van het CDW wordt verleend indien belanghebbende het bewijs levert dat zij ten gevolge van toeval of overmacht het verzoek niet binnen de termijn heeft kunnen indienen. Naar het oordeel van de Douanekamer heeft belanghebbende het van haar gevergde bewijs niet geleverd. Tot dit bewijs is onvoldoende de stelling dat de inspecteur en de Europese Commissie niet adequaat hebben gereageerd op de binnen de Europese Gemeenschap afgegeven BTI’s voor rollators met verschillende tariefindelingen. Immers, deze omstandigheid is niet van dien aard dat belanghebbende daardoor zou zijn belet om tijdig een verzoek om terugbetaling in te dienen.

6.5. Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur de onderhavige verzoeken om terugbetaling terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nu het dictum van de uitspraak op bezwaar onjuist is, kan deze evenwel niet in stand blijven.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt worden vastgesteld: 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x 1,5 (wegingsfactor) x € 322 = € 966.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

- handhaaft de bestreden beschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat de Nederlanden aan deze kosten, groot € 966, aan belanghebbende te voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan het griffierecht ad € 273 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 28 augustus 2007 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr.

M.E. van Hilten en mr. K. Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van mr.

R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar

uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden

ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den

Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.