Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB2610

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
176/07 en 177/07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ5282, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsgeldigheid buiten Nederland gesloten huwelijk.

Wetsverwijzingen
Wet conflictenrecht huwelijk 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 24 mei 2007 in de zaak met rekestnummers 176/07 en 177/07 van:

[…],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

procureur: mr. A.C. Olivier,

t e g e n

[…],

wonende [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. S. Braspenning.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 20 februari 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 december 2006 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerk 124451/061632.

1.3. De vrouw heeft op 27 maart 2007 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 4 april 2007 ter terechtzitting behandeld.

1.5. In tegenstelling tot hetgeen bij de behandeling ter zitting is afgesproken heeft de man niet zijn jaaropgave over 2006 met betrekking tot zijn pensioeninkomsten aan het hof toegezonden.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn [in] 1991 te [plaatsnaam], Indonesië gehuwd naar Islamitisch recht. Uit hun huwelijk zijn geen kinderen geboren. Partijen hebben sinds mei 1991 hun gewone verblijfplaats in Nederland.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1937. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is alleenstaand.

Hij ontvangt een AOW-uitkering naar de norm van een gehuwde. Deze bedraagt € 646,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. Na de (eventuele) echtscheiding zal hij een AOW-uitkering ontvangen naar de norm van een ongehuwde. Deze bedraagt in 2007 € 970,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag van € 54,- bruto per maand.

Daarnaast ontvangt hij een pensioenuitkering van [...] Pensioenfonds van € 812,- bruto per vier weken.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem bewoonde woning betaalt hij € 200,- per maand aan rente. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlas¬ten. De WOZ-waarde is vastgesteld (in 2005) op € 143.394,-.

Hij betaalt aan premie voor een zorgverzekering € 132,- per maand. Hij ontvangt een zorgtoeslag van € 32,- per maand.

Op een flexibel krediet betaalt hij maandelijks € 38,-.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren op [in] 1951. Zij heeft de Indonesische nationaliteit. Zij staat sinds [datum] 1991 ingeschreven in de GBA van de gemeente [plaatsnaam].

Zij is parttime (66%) werkzaam in loondienst. Haar fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2006 € 16.885,-. Daarnaast is zij één uur per week werkzaam als aerobiclerares.

Aan kale huur betaalt zij € 408,- per maand. De servicekosten bedragen € 114,- per maand. Zij ontvangt een huurtoeslag van € 178,- per maand.

Zij betaalt aan premie voor een zorgverzekering € 131,- per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 33,- per maand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beslissing is gegeven op het primaire verzoek van de vrouw de echtscheiding uit te spreken naar Nederlands recht en het zelfstandige verzoek van de man de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans de echtscheiding uit te spreken. Voorts is, voorzover thans van belang, het verzoek van de vrouw partijen te bevelen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen en terzake een notaris te benoemen toegewezen. Ten slotte is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 460,- per maand. De vrouw had in eerste aanleg verzocht – na wijziging – een uitkering te bepalen van € 500,- per maand.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de inleidende verzoeken van de vrouw tot echtscheiding, verdeling en de vaststelling van een uitkering tot haar levensonderhoud alsnog af te wijzen.

3.3. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De man stelt dat geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, zodat de rechtbank daarin evenmin echtscheiding had mogen uitspreken. Hij voert hiertoe – kort gezegd – aan dat er sprake is van een huwelijk naar Islamitisch recht, dat niet door een juridische autoriteit in Indonesië is erkend. Daarnaast stelt hij dat de vereiste verklaring van de burgerlijke stand in Nederland ontbreekt. Naar zijn mening is het conflictenrecht daarom niet van toepassing. Indien echter het huwelijk in Nederland als rechtgeldig zou moeten worden aangemerkt, dienen de regels van het Islamitisch recht voor de beëindiging van het huwelijk te worden gevolgd. Voor wat betreft het toepasselijke huwelijksgoederenrecht hebben partijen volgens de man blijkens het huwelijksboekje een rechtskeuze gemaakt, te weten voor het Islamitisch recht. Voor zover hij alimentatieplichtig is jegens de vrouw stelt de man dat hij, indien de behoefte van de vrouw zou worden vastgesteld op 60% van het netto gezinsinkomen in de periode vóór het uiteengaan van partijen, in een slechtere financiële positie dan de vrouw zou terechtkomen. Daarnaast stelt hij dat de vrouw in eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien en dat hij onvoldoende draagkracht heeft om bij te dragen, zeker in het geval het gemeenschappelijk vermogen wordt verdeeld.

4.2. De vrouw stelt dat voor de rechtsgeldigheid van een buitenlands huwelijk in Nederland niet vereist is dat het huwelijk in Nederland is geregistreerd in de registers van de burgerlijke stand. Omdat het eerste huwelijksdomicilie van partijen Nederland is, is op het tussen partijen geldende huwelijksvermogensregime Nederlands recht van toepassing. Aangezien partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt, bestaat er een gemeenschap van goederen die bij helfte verdeeld moet worden. Zij betwist dat partijen een rechtskeuze voor Islamitisch recht hebben gemaakt. Met betrekking tot de door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud stelt zij dat zij hogere lasten heeft dan de man. Zij betwist dat de man in een slechtere financiële positie komt door aan zijn onderhoudsplicht te voldoen. Daarnaast stelt zij dat zij in de eerste negen jaar van het huwelijk van de man niet mocht werken, zodat haar nu niet kan worden tegengeworpen dat zij niet volledig in eigen levensonderhoud kan voorzien.

4.3. Het hof stelt voorop dat uit het afschrift van de huwelijksakte zoals opgenomen in het door partijen overgelegde trouwboekje blijkt dat zij op [in] 1991 te [plaatsnaam], Indonesië zijn gehuwd naar Islamitisch recht. Dat in de gemeente Bevolkingsadministratie (GBA) van de gemeente [plaatsnaam] staat vermeld dat hun huwelijk op [andere datum in] 1991 zou zijn voltrokken doet daaraan niet af. Het hof stelt derhalve, zulks in afwijking van de beschikking waarvan beroep, vast dat partijen [in] 1991 te [Indonesië] zijn gehuwd. Op grond van artikel 5 lid 1 van de Wet Conflictenrecht Huwelijk (WCH) wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk, dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig erkend.

Volgens artikel 5 lid 4 WCH wordt een in het buitenland gesloten huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. Uit de door de vrouw overgelegde stukken, in het bijzonder de verklaring van het Kantoor voor Godsdienstzaken (KUA) van [datum] 2004 dat het huwelijk [in] 1991 is geregistreerd onder nr. [nummer], blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat een huwelijksverklaring is afgegeven door de bevoegde autoriteit, zoals bedoeld in artikel 5 lid 4 WCH. Het huwelijk tussen partijen wordt dan ook vermoed rechtsgeldig te zijn. De stelling van de man dat het huwelijk niet in de registers van de burgerlijke stand is of kon worden ingeschreven c.q. dat het huwelijk door de gemeente […] op onjuiste gronden is ingeschreven in de GBA doet hier niet aan af, aangezien zodanige inschrijving geen vereiste is voor de rechtsgeldigheid van een in het buitenland gesloten huwelijk. Het hoger beroep van de man faalt dan ook in zoverre.

4.4. Naar het oordeel van het hof heeft de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat partijen voor wat betreft hun huwelijksvermogensregime een uitdrukkelijke rechtskeuze hebben gemaakt voor het Islamitisch recht. Het hof acht de gedrukte niet door partijen ondertekende uiteenzetting van het Indonesische interne recht op dat stuk in het trouwboekje daartoe niet voldoende. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de nevenvoorziening tot verdeling wordt beheerst door het Nederlands recht. Het hoger beroep van de man faalt derhalve ook in zoverre.

4.5. Met betrekking tot de door de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw, die eveneens wordt beheerst door het Nederlands rechtstelsel overweegt het hof als volgt.

De vrouw is in 1991 samen met de man naar Nederland gekomen. Zij is pas in 2000 bij haar huidige werkgever gaan werken en is thans 56 jaar oud. Het hof is van oordeel dat in die omstandigheden van de vrouw niet verwacht mag te worden dat zij haar werkzaamheden zal uitbreiden. Nu het netto gezinsinkomen van partijen op zichzelf door de man niet is betwist, gaat het hof aldus uit van de door de rechtbank berekende behoefte van de vrouw van € 460,- per maand.

Uitgaande van de onder 2.3. vermelde lasten van de man en rekening houdende met de aan de leeftijd van de man verbonden fiscale gevolgen, is de man in staat om met een bedrag van € 460,- per maand in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien. Het hof houdt geen rekening met de omstandigheid dat de man aan de vrouw een bedrag zal gaan uitkeren in het kader van de verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap, aangezien het een toekomstige, door de man nog onvoldoende geconcretiseerde, omstandigheid betreft.

Het hof is voorts van oordeel dat de vrouw met de hiervoor bedoelde door de man te betalen uitkering niet wordt bevoordeeld ten opzichte van de man. Het hof heeft daarbij het inkomen en de lasten van de vrouw, zoals vermeld in 2.4., in aanmerking genomen, met dien verstande dat in redelijkheid is rekening gehouden met een woonlast van € 434,- per maand, aangezien een deel van de servicekosten geacht worden te zijn begrepen in de in van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het hof is ervan uitgegaan dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking geen huurtoeslag en zorgtoeslag meer zal ontvangen, omdat deze toeslagen afhankelijk zijn van haar inkomen, wat mede bepaald wordt door het door haar te ontvangen bedrag aan alimentatie van de man. Voorts is het hof er van uitgegaan dat de vrouw haar woonlasten niet deelt met haar zoon, nu de man zijn stelling dat de vrouw samenwoont met haar zoon in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft naast het fiscaal inkomen van de vrouw over 2006 uit haar werkzaamheden in loondienst in redelijkheid rekening gehouden met een door de vrouw te genereren netto inkomen van € 100,- per maand uit de aerobiclessen. De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij dient af te lossen op leningen of schulden, althans dat die aflossingen mee dienen te wegen bij de berekening van de mate waarin de man in haar levensonderhoud dient bij te dragen.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 460,- per maand in over¬eenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan, als reeds in het voorgaande behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep met verbetering van gronden in die zin dat het huwelijk niet op [datum] 1991 maar op [andere datum] 1991 tussen partijen is gesloten.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, M. Gonggrijp-van Mourik en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van mr. T.E.D.M. Zijlmans als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2007 door de rolraadsheer.