Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB2447

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
23-001835-04
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH2195, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BH2195
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn medeverdachten hebben tezamen met het investeringsvehikel Oxbridge gedurende een aantal jaren deelgenomen aan een samenwerkingsverband gericht op het systematisch en uiterst professioneel plegen van (fiscale) delicten en niet-ambtelijke omkoping. Door deelnemers aan dit samenwerkingsverband werden transacties verricht in winstvennootschappen en immateriële activa vanwege de beoogde fiscale consequenties, die gunstig waren indien de materiële belastingschuld van de winstvennootschappen zou wegvallen en de gereserveerde liquide middelen zouden vrijkomen. De fiscale verplichtingen van vennootschappen binnen de Oxbridge-groep werden gereduceerd middels het in de onderscheidene Vpb-aangiften opvoeren van substantiële lasten betreffende immateriële activa waarvan de omvang geheel of grotendeels was gefingeerd. De onjuiste Vpb-aangifte was een noodzakelijk middel tot het bereiken van het doel: het repeterend verkrijgen van de liquide middelen van een winstvennootschap. De aldus verkregen gelden werden verdeeld over de deelnemers die dientengevolge aanmerkelijk financieel voordeel hebben genoten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 140
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1644
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-001835-04

datum uitspraak: 13 juli 2007

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 24 februari 2004 in de strafzaak onder parketnummer 13-120028-00 van het openbaar ministerie

tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[adres].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 2 en 4 tenlastegelegde (vrijspraak).

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, evenmin gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 2 en 4 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 15 september 2003, 5, 8, 9, 12, 22, 26, 28, en 29 januari en 10 februari 2004 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 4 oktober 2005, 14 en 22 maart, 18, 21, 24, 25 en 28 april, 15, 16, 19, 23 en 29 mei, 6, 7, 9, 13, 20, 23, 26 en 27 juni, 26 september, 3 oktober en 19 december 2006, 19 januari, 20 maart, 25 en 29 juni 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 september 2003 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging, voorzover in hoger beroep nog aan de orde, wordt hier overgenomen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de feitelijke omschrijving van de deelneming aan het verboden samenwerkingsverband onder 1, voor zover bevattende de woorden “het leggen en/of onderhouden van contacten” onvoldoende is om de verdachte in staat te stellen zich daartegen te verweren. Dit dient te leiden tot partiële nietigheid van de dagvaarding.

Het hof oordeelt anders.

Deze passage uit de tenlastelegging moet worden begrepen in de context van de tenlastelegging als geheel en kan dan ook niet anders worden verstaan dan als ‘het leggen en/of onderhouden van contacten van dien aard dat zij als zodanig hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de verboden organisatie’. Aldus begrepen acht het hof de in de tenlastelegging gestelde bijdrage niet onvoldoende feitelijk. Niet is vereist dat in de tenlastelegging in concreto is opgenomen welke contacten [naam verdachte] heeft gelegd of onderhouden die als zodanig hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van het samenwerkingsverband waaraan hij volgens die tenlastelegging zou hebben deelgenomen. Ook overigens is tijdens het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat [naam verdachte] niet zou hebben begrepen wat hem hier specifiek wordt verweten.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd.

Toelichting

Anders dan te doen gebruikelijk zal het hof in dit arrest de verdachte, alsmede zijn medeverdachten in de ‘American Energy’-zaken, F.L. [naam medeverdachte 3], G.J. [naam medeverdachte 6], B. [naam medeverdachte 5], J. [naam medeverdachte 4], S.M.M.A.J. [naam medeverdachte 2], en J.J.P. [naam medeverdachte 1], ten behoeve van de leesbaarheid ervan niet in alle gevallen aanduiden als ‘verdachte’ of ‘de verdachte’, c.q. (de) medeverdachte(n), maar verwijzen naar zijn/hun achternaam, en daarbij zo nodig tevens zijn, (mede)verdachtes, voorletters of voornaam vermelden.

Wat betreft de dossiervorming heeft het hof erop toegezien dat in de strafdossiers van elke strafzaak, behalve onder meer het gehele Fiod-dossier en de processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank en het hof, tevens zijn gevoegd:

- alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in enige strafzaak tegen de bovengenoemde verdachten zijn opgemaakt,

- alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank te Amsterdam en van dit hof tegen enige van de hierboven genoemde verdachten, waaronder begrepen de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof waarin zijn neergelegd de verklaringen die de verdachte en zijn medeverdachten ieder in hun eigen strafzaak hebben afgelegd,

- alle documenten en bescheiden die door of namens enige van bovengenoemde verdachten in zijn zaak door de verdediging – in eerste en tweede aanleg - zijn overgelegd of die het hof op verzoek van enige verdachte dan wel ambtshalve heeft doen voegen in het dossier behorende bij enige van de hier bedoelde strafzaken.

Het hof heeft hiermee beoogd te bewerkstelligen dat iedere verdachte toegang heeft tot alle documenten en bescheiden, zowel belastend als ontlastend, die ter zitting ter sprake zijn gekomen dan wel die het hof in dit arrest aan de orde zal stellen. Alle verdachten en hun raadslieden zijn op verscheidene momenten in de gelegenheid gesteld om te reageren op aldus ingebrachte documenten, en zij hebben ermee ingestemd dat deze documenten geacht worden te zijn voorgehouden ter zitting.

Van een en ander heeft het hof evenwel uitgezonderd de pleitnota’s van de raadslieden (zij zijn slechts gevoegd in het strafdossier behorende bij de strafzaak van hun cliënten), alsmede de documenten die specifiek betrekking hebben op de fraude in de sfeer van de inkomstenbelasting die de verdachten [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] telkens onder 3 is tenlastegelegd.

Voorts heeft het hof van deze ‘transparantie’ van het dossier uitgezonderd een verklaring die [naam medeverdachte 5] als verdachte heeft afgelegd ter zitting van 26 juni 2006. Weliswaar had het hof op deze dag gelijktijdig zitting in de zaken tegen [naam verdachte], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 6], maar de verdediging (uitgezonderd die van [naam medeverdachte 6], voor wie mr. Pen ook optrad) was door het hof niet vooraf geïnformeerd dat in de andere strafzaken dan die van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] inhoudelijke behandeling zou plaatsvinden, en zij hebben dan ook – niet onbegrijpelijk - verstek laten gaan.

Het hof heeft (vanzelfsprekend) kennis genomen van alle verweren en argumenten die in de hier bedoelde strafzaken zijn gevoerd c.q. te berde zijn gebracht, en het hof heeft zich telkens beraden of een bepaald verweer of argument niet alleen (rechts)gevolgen zou moeten hebben in de strafzaak tegen de verdachte ten behoeve van wie het verweer of het argument is (aan)gevoerd, doch ook of het verweer en/of argument effect zou dienen te sorteren in enige van de andere hier bedoelde strafzaken. Het hof heeft toegestaan dat raadslieden hebben verwezen naar specifieke punten uit de pleitnota’s van hun confrères en zij worden geacht daarvan de essentie te hebben herhaald en ingelast in hun eigen pleidooien. Het hof heeft in dit arrest getracht blijk te geven van zijn daarop gebaseerde beraadslagingen. In dit arrest wordt dan ook op diverse plaatsen melding gemaakt van door de raadslieden van medeverdachten gevoerde verweren en aangevoerde argumenten.

Indien een door of namens een medeverdachte gevoerd verweer of een door of namens een medeverdachte ingenomen - uitdrukkelijk onderbouwd - standpunt in dit arrest onbesproken is gebleven, heeft de verdediging daarnaar niet verwezen, noch de essentie ervan herhaald en ingelast in het eigen pleidooi, behoudens indien de pleitnota van het tegendeel blijk geeft, en heeft het hof dit verweer of standpunt in de onderhavige strafzaak niet relevant geacht.

Tot niet-ontvankelijkheid c.q. bewijsuitsluiting strekkende verweren

I. Het gelijkheidsbeginsel en de rol van de ABN AMRO Bank

Namens de verdachten in de American Energy-zaak is meer of minder uitvoerig betoogd dat de omstandigheid dat ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de Bank) zich niet strafrechtelijk heeft hoeven verantwoorden voor haar rol in deze affaire mee had moeten brengen dat vervolging van (de) verdachte(n) in deze zaak eveneens achterwege had moeten blijven. De verdediging van de verdachte(n) heeft in dit verband geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie c.q. tot strafvermindering.

Het hof zal de verdediging hierin niet volgen.

Aan het strafdossier zijn diverse malen al dan niet op verzoek van de verdediging bescheiden en documenten toegevoegd naar aanleiding van vragen die betrekking hadden op deze door de verdediging aangesneden kwestie. Op basis van dit aldus uitgebreide dossier is aannemelijk geworden dat (i) (het bestuur van) de Bank op uiteenlopende momenten door tussenkomst van de afdeling concernveiligheidszaken (vanaf 1994) was gewaarschuwd over (de achtergronden van) Oxbridge Ltd. en F. [naam medeverdachte 3], en (ii) door tussenkomst van de concern accountantsdienst (vanaf 1995) kritische kanttekeningen waren geplaatst bij het handelen van één van haar directeuren, S. [naam medeverdachte 2], en meer in het bijzonder het functioneren van de dochtervennootschap Van Doyer en Kalff B.V.. Desalniettemin heeft het hof aan het dossier onvoldoende tot geen aanwijzingen ontleend voor het bestaan van aan de Bank toe te rekenen wetenschap in onvoorwaardelijke zin van het criminele oogmerk van een samenwerkingsverband inzake de handel in winstvennootschappen waarbij de Bank partij was, en evenmin voor deelneming van de zijde van de Bank aan dit hiervoor bedoelde samenwerkingsverband. Daardoor is de rol die de Bank in deze affaire heeft gehad essentieel anders dan die van de verdachte(n) en gaat een vergelijking tussen beiden in zoverre mank.

II. De verklaringen van [naam medeverdachte 3]

De raadsman heeft aangevoerd dat aan andere verklaringen van [naam medeverdachte 3] dan die door hem zijn afgelegd (als getuige) ten overstaan van het hof en voor zover zij niet zijn verbeterd middels het commentaar dat [naam medeverdachte 3] op 28 mei 2006 per e-mail aan het hof heeft doen toekomen (hierna de ‘clarifications’) geen geloof moet worden gehecht vanwege de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, vanwege de strategie waaraan [naam medeverdachte 3] zich naar zijn zeggen bij het afleggen van die verklaringen heeft gehouden en waarbinnen hij medeverdachten heeft belast en zichzelf heeft getracht te vrijwaren, voorts vanwege de hieronder te bespreken voorwaarde die de officier van justitie heeft gesteld, en vanwege het feit dat [naam medeverdachte 3] van die eerdere verklaringen inmiddels afstand heeft genomen bij zijn onder ede afgelegde verklaring als getuige in hoger beroep.

In de eerste plaats verwijst het hof naar een verweer dat door de raadsman van [naam medeverdachte 3] is gevoerd en door het hof verworpen. Bij de bespreking van dat verweer komt een aantal aspecten aan de orde dat tevens relevant is voor het door de verdachte in de voorliggende zaak aan de orde gestelde probleem.

Dat verweer van [naam medeverdachte 3] en de verwerping ervan wordt hieronder integraal weergegeven.

Het verweer van [naam medeverdachte 3]

De raadsman van [naam medeverdachte 3] heeft in hoger beroep gewezen op de omstandigheid dat [naam medeverdachte 3] in de ‘American Energy’-zaak - als enige verdachte - in voorlopige hechtenis verbleef en emotionele en financiële schade ondervond op het moment dat hij ten overstaan van de Fiod inhoudelijke verklaringen heeft afgelegd.

Bovendien heeft de officier van justitie bij brief van 31 januari 2003 te kennen gegeven dat de invrijheidstelling van [naam medeverdachte 3] wat het openbaar ministerie betreft afhankelijk is van zijn “beoordeling van de verklaringen” van [naam medeverdachte 3]. Aangezien deze beoordeling voor [naam medeverdachte 3] ook negatief kon uitvallen en [naam medeverdachte 3] er veel aan gelegen was om op vrije voeten te worden gesteld, heeft hij zich gedwongen gevoeld tot het afleggen van zodanige verklaringen dat het openbaar ministerie “in bewijsrechtelijke zin” in vergaande mate zou worden “behaagd”. Ook na zijn invrijheidstelling heeft [naam medeverdachte 3] zich gedwongen gevoeld te verklaren op dezelfde voet als zijn eerdere verklaringen. Deze handelwijze van het openbaar ministerie is in strijd met artikel 29 Sv, met artikel 1 van het - kort gezegd – Folterverdrag en met artikel 6 EVRM, en zulks moet primair leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van [naam medeverdachte 3], subsidiair tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [naam medeverdachte 3] voor zover die afwijken van de verklaring die [naam medeverdachte 3] in hoger beroep heeft afgelegd en van hetgeen hij in een eigen commentaar op zijn eerdere verklaringen (de hierna te bespreken ‘clarifications’) heeft opgenomen, aldus de raadsman.

Het verweer noopt het hof ertoe te beoordelen of [naam medeverdachte 3] voorafgaande of ten tijde van zijn verhoren genummerd V1/06, V1/07, V1/08 en V1/09 ten overstaan van de Fiod op en na 6 februari 2003, en/of ten overstaan van de rechter-commissaris op 26 juni en 4 augustus 2003 en/of ter gelegenheid van de zittingen van de rechtbank op 10 maart 2003, en op 22, 23, 25 en 26 september 2003 verkeerde onder zodanige omstandigheden dat middels deze verhoren verklaringen zijn verkregen die door hem zijn afgelegd in strijd met de in artikel 29, eerste lid Sv tot uitdrukking gebrachte en in artikel 6, eerste lid EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid van de verdachte. Voorts heeft het hof te beoordelen of de hieronder nader weer te geven gang van zaken foltering oplevert als bedoeld in artikel 1 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Trb. 1985/69). In dit artikel wordt voor de toepassing van dat verdrag voor zover relevant onder foltering verstaan:

“iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig leed, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt toegebracht aan een persoon met zulke oogmerken als om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, (…), wanneer zulke pijn of zulk leed wordt toegebracht door of op aanstichten van dan wel met de instemming of gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt. Foltering omvat niet pijn of leed slechts voortvloeiend uit, inherent aan of samenhangend met wettige straffen.”

De feiten en de procesgang.

[naam medeverdachte 3] is op 8 mei 2002 voorlopig aangehouden ter fine van uitlevering aan Nederland op de luchthaven Zaventem te België. [naam medeverdachte 3] is (in Nederland) in verzekering gesteld op 24 juni 2002. Zijn daarop aansluitende voorlopige hechtenis is geschorst op 17 maart 2003. [naam medeverdachte 3] is vanaf de inverzekeringstelling bijgestaan door zijn raadsman in eerste aanleg, mr. D.V.A. Brouwer, die bij verschillende gelegenheden waarop de rechter werd geroepen de noodzaak van voortzetting van de voorlopige hechtenis te beoordelen namens zijn cliënt heeft verzocht om opheffing of schorsing ervan. Het detentieregime waarin [naam medeverdachte 3] verkeerde week niet af van dat van andere voorlopig gehechten.

In hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd over de toenmalige gemoedsgesteldheid van [naam medeverdachte 3]:

“Kern van de zaak, onder meer blijkend uit de vele zich in het dossier bevindende pleitnotities in eerste aanleg met betrekking tot de voorlopige hechtenis, is dat [naam medeverdachte 3] de voorlopige hechtenis als bijzonder zwaar heeft ervaren. De toepassing van de voorlopige hechtenis bracht schade, zowel emotioneel als financieel, met zich en was in strijd met ieder bij [naam medeverdachte 3] levend rechtsgevoel. Feit is dat hij, als Amerikaans staatsburger, zich, naar mijn smaak terecht, heeft verbaasd over de lichtvaardige wijze waarop de voorlopige hechtenis in Nederland wordt toegepast. In de VS zou hij, hangende zijn proces, zo goed als zeker op borgtocht zijn vrijgekomen. Voorts gold dat hij als enige van de verdachten in deze zaak in voorlopige hechtenis verbleef. Deze omstandigheden brachten met zich dat hij na verloop van tijd bereid was om welhaast alles te doen om in vrijheid te worden gesteld.”

Op enig moment is door mr. Brouwer over de voortzetting van de voorlopige hechtenis van [naam medeverdachte 3] gesproken met de Fiod-rechercheur Van Leusden. Ambtshandeling AH/129 vermeldt daaromtrent het volgende:

“Op donderdag 19 en vrijdag 20 december 2002 heb ik telefonisch contact gehad met Dr. Mr. D.V.A. Brouwer werkzaam bij Sjöcrona Van Stigt Advocaten. Mr. Brouwer treedt op als raadsman van F.L. [naam medeverdachte 3].

Brouwer vertelde mij dat zijn cliënt [naam medeverdachte 3] een verklaring tegenover medewerkers van de FIOD-ECD wenst af te leggen.”

AH/129-A meldt aansluitend:

“Wij benadrukken dat het initiatief tot het vrijwillig afleggen van een verklaring afkomstig is van de raadsman van [naam medeverdachte 3]. Ik, eerste verbalisant , heb dit verzoek doorgegeven aan de officier van justitie, mr. H.J.T. Biemond.”

Van de daarop volgende schriftelijke communicatie tussen mr. Brouwer en de officier van Justitie, mr. Biemond, getuigen de bijlagen D/671, D/672 en D/673.

De brief van mr. Biemond aan mr. Brouwer van 31 januari 2003 houdt onder meer in:

“In vervolg op uw initiële contact met de heer Van Leusden van de Fiod kan ik u inmiddels als volgt berichten. Ik heb begrepen dat uw cliënt bereid is een verklaring af te leggen, onder de voorwaarde dat het openbaar ministerie zich niet zal verzetten tegen een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, dat u bij gelegenheid van de volgende pro forma zitting op 10 maart aanstaande zal doen. Ik kan u bevestigen dat ik deze voorwaarde accepteer en stel in dat verband het volgende voor. Uw cliënt zal in uw aanwezigheid door de FIOD worden gehoord op […] februari 2003, en indien nodig op de daaropvolgende dagen. Na afronding van de verhoren zal ik de bruikbaarheid van de verklaringen van uw cliënt beoordelen. De verklaringen zullen niet worden gebruikt, noch aan enig strafdossier worden toegevoegd, voorafgaand aan de pro forma zitting op 10 maart a.s.

Afhankelijk van mijn beoordeling van de verklaringen van uw cliënt zal de rechtbank op 10 maart a.s. vanwege het openbaar ministerie het volgende worden medegedeeld:

(i) dat de verdachte inmiddels een inhoudelijke verklaring heeft afgelegd, waarvan de processen-verbaal ter zitting zullen worden overgelegd, en

(ii) het openbaar ministerie zich – mede om die reden – niet langer verzet tegen het schorsingsverzoek, mits de verdachte naast de algemene schorsingsvoorwaarden instemt met de volgende bijzondere schorsingsvoorwaarden:

- dat verdachte een (vaste) woon- of verblijfplaats heeft in Nederland

- dat verdachte zijn paspoort(en) ter beschikking stelt aan de officier van justitie

- dat de verdachte een borgsom groot EUR 100.000 zal (doen) storten;

(…).”

Bij brief van 5 februari 2003 heeft mr. Brouwer aan de officier van justitie meegedeeld dat hij namens [naam medeverdachte 3] met enkele (hier niet relevante) kanttekeningen akkoord gaat met de door de officier van justitie voorgestelde gang van zaken. Daarop heeft de officier van justitie bij brief van 6 februari 2003 laten weten te kunnen instemmen met de wijzigingsvoorstellen van mr. Brouwer.

Vervolgens is [naam medeverdachte 3] door de Fiod verhoord op 6 februari 2003 , 13 februari 2003 en op 17 februari 2003 , telkens met bijstand van een tolk in de Engelse taal en in aanwezigheid van de raadsman van [naam medeverdachte 3], mr. Brouwer.

Op de zitting van de rechtbank van 10 maart 2003 heeft de officier van justitie zich niet verzet tegen inwilliging van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, zulks onder voorwaarden. De rechtbank heeft het verzoek tot schorsing toegewezen. Daarbij is onder meer het betalen van een borgsom als bijzondere voorwaarde gesteld.

Op 18 juni 2003 is [naam medeverdachte 3] opnieuw gehoord door de Fiod, dit keer in aanwezigheid van twee raadslieden, mrs. Brouwer en Duker.

Blijkens het proces-verbaal van dat verhoor heeft [naam medeverdachte 3] onder meer het volgende verklaard op (tussen haakjes geplaatste) vragen van de Fiod:

(Nadat hem is gevraagd heeft u iets toe te voegen aan uw eerdere verklaringen afgelegd tegenover ons?)

“Ja dat wil ik, ik heb samen met mijn raadsman de afgelegde verklaringen door genomen, met name de laatste drie verklaringen. Achteraf heb ik een aantal op- en aanmerkingen. Er zijn een aantal futiliteiten, maar er zijn ook een aantal zaken waarin ik me gewoon heb vergist tegenover u. Ik heb niet gelogen. Ook zijn er misverstanden.

Ik wil die punten graag nader uitleggen en vervangen door een juiste verklaring. Het betreft een lijst van 15 punten. Ik stel voor om deze punten schriftelijk nader uit te werken. Indien u dan nog vragen heeft ben ik bereid deze vragen nader toe te lichten tijdens een verhoor. Dat is vermoedelijk een praktische manier van werken.”

(Nadat hem is gevraagd heeft u steeds de waarheid verklaard tegenover de FIOD in uw verklaringen van februari 2003? Bent u onder druk gezet om deze verklaringen af te leggen?)

“Ja ik heb de waarheid verteld tijdens de verhoren. Dat speelt geen rol bij het corrigeren ervan. Ik wil er nog wat aan toevoegen. Toen we de verhoren deden kwam ik uit de gevangenis, het was een gespannen dag. Aan het eind van de dag was ik moe toen de tolk het verhoor aan me voorlas, ze deed het erg goed, maar het was moeilijk te volgen. Toen ik de Engelse verklaringen ontving was ik me nog aan het aanpassen aan mijn vrijheid. Dat duurde vrij lang voor ik me kon aanpassen, ik heb de verklaringen vaak gelezen. En ik denk dat er nu wat verheldering nodig is.

U vraagt mij of ik onder druk stond, maar dat vind ik geen eerlijke vraag. Natuurlijk zit er druk op als je niet op borgtocht vrij komt. Niemand heeft een pistool tegen mijn hoofd gehouden. U heeft mij niet gedwongen bepaalde dingen of op een bepaalde manier te zeggen.

Mijn druk was dat ik gevangen werd gehouden. Ik ondervond absoluut geen druk van de manier waarop ik door u of door andere medewerkers van de FIOD-ECD ben behandeld.

(…).

Ik wil nu nog eens aangeven dat ik bereid ben volledig mee te werken. Maar ik wil ook aangeven dat ik enige druk ondervind van mijn Amerikaanse raadslieden. Die Amerikaanse raadslieden hebben mij aangeraden om me op mijn zwijgrecht te beroepen. Maar ik zal altijd de waarheid spreken. Ik begrijp heel goed dat ik het recht heb om mij op mijn zwijgrecht te beroepen.

(…)

Ik kan niet meer zeggen dan dat u de door mij ondertekende verklaringen in bezit heeft. Ik heb niet gelogen tegenover de FIOD. De verklaringen waren volledig de waarheid.

(…).

Ik sta nog steeds achter de verklaringen die ik bij de FIOD heb afgelegd. En ik sta achter mijn verklaring die ik als getuige onder ede bij de rechter heb afgelegd op 10 maart 2003. U las mij een gedeelte voor uit dat zittingsverslag.

Ik heb alleen geklaagd dat ik 11 maanden gevangen werd gehouden, dat zie ik als een schending van mijn rechten als mens. Dat is het enige dat druk op mij veroorzaakte.”

Bij e-mail van 28 mei 2006 heeft [naam medeverdachte 3] aan de voorzitter van het gerechtshof een drietal bestanden doen toekomen, inhoudende Engelse vertalingen van de processen-verbaal van verhoor bij de Fiod, V1/06, V1/07 en V1/08, voorzien van wijzigingen en commentaar van de hand van [naam medeverdachte 3], eveneens in de Engelse taal. Het hof zal de wijzigingen en het commentaar hierna de ‘clarifications’ noemen. Deze (Engelstalige) teksten, alsmede de Engelse vertaling van het proces-verbaal waarop de ‘clarifications’ betrekking hebben, zullen op diverse plaatsen in dit arrest worden aangehaald, zulks in de Engelse taal die door alle verdachten in deze ‘American Energy’-strafzaken blijkens het dossier in voldoende mate wordt beheerst.

Ter zitting van het gerechtshof is [naam medeverdachte 3] op 7 en 9 juni 2006 gehoord als getuige in de strafzaken tegen zijn medeverdachten. [naam medeverdachte 3] heeft als verdachte in zijn eigen zaak geen gebruik gemaakt van zijn recht om aanwezig te zijn en als verdachte een verklaring af te leggen. Namens hem heeft de raadsman in hoger beroep volstaan met te verwijzen naar [naam medeverdachte 3]s verklaring als getuige ter zitting van dit hof, en naar zijn ‘clarifications’.

Het proces-verbaal van de zitting van 9 juni 2006 vermeldt onder meer het volgende als de verklaring van [naam medeverdachte 3] naar aanleiding van een vraag over de door [naam medeverdachte 3] ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 september 2003 voorgelezen ‘statement’ :

“Mijn raadsman (hof: mr. Brouwer) zei dat ik met een geloofwaardig verhaal moest komen. We zijn toen naar mijn huis gegaan en samen hebben we die ‘statement’ opgesteld. Ik heb deze vervolgens voorgelezen bij de rechtbank. Ik heb tijdens de behandeling in eerste aanleg en het vooronderzoek zeer slechte rechtsbijstand gehad. Mijn raadsman vertelde mij dat als ik geen verklaring zou afleggen en zou blijven zwijgen, ik in detentie zou moeten blijven, terwijl alle anderen al vrijgelaten waren. Ik werd al elf maanden vastgehouden, alleen omdat ik mij beriep op mijn recht om te zwijgen. Het was een zeer confronterende situatie. De rechter die mij voor de rechtbank verhoorde was dezelfde rechter die me bij herhaling voor geen enkele reden telkens naar de gevangenis stuurde voor een periode van in totaal maar liefst elf maanden!

(…)

Mijn toenmalige raadsman heeft bij de verhoren bij de Fiod en de rechter-commissaris heel uitdrukkelijk de strategie ontwikkeld mij niet belangrijker te maken dan de anderen in de groep; iedereen moest als even belangrijk uit de verf komen!

(…).”

Voorts heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal op vragen van de raadsman van [naam verdachte] het volgende verklaard over de totstandkoming van deze overeenkomst met het openbaar ministerie:

“Ik had een overeenkomst met de officier van justitie waarin stond geschreven dat ik tegen €100.000 in contanten zou worden vrijgelaten. De officier van justitie gebruikte de bewuste enveloppe om dat borgbedrag te verhogen van 100.000 naar 300.000.”

Mr. Wladimiroff: Wie had het initiatief genomen voor het sluiten van deze overeenkomst?

“Mijn raadsman.”

Mr. Wladimiroff: Was dat op basis van uw wens?

“Ja. De voorwaarden waren het betalen van $100.000 en het afleggen van een verklaring bij de Fiod.”

Mr. Wladimiroff: Ik stel nu een vraag waarop u geen antwoord hoeft te geven omdat de vraag het verkeer tussen uw toenmalige raadsman en uzelf betreft. Het is niet verboden om een antwoord te geven, maar u moet uw eigen belangen in deze afwegen. Is in het kader van de afspraken met de officier van justitie besproken dat de schuld zou worden verbreed naar anderen in het dossier?

“De overeenkomst was in elkaar gezet door mijn raadsman en de officier van justitie. De voorwaarden van de overeenkomst waren dat ik afstand zou doen van mijn recht om te zwijgen en dat ik zou meewerken aan ieder verhoor. De officier van justitie zou dan mijn verzoek om vrijlating onder de voorwaarde van betaling van 100.000 euro steunen. (…). Er werd in die geschreven overeenkomst geen strategie genoemd. De strategie die mijn raadsman mij adviseerde te gebruiken was om mij zelf een rol toe te schrijven als onderdeel van een groep, maar die strategie creëerde een groep die helemaal niet bestond. Het verhogen van de borgtocht van 100.000 naar 300.000 euro was vernietigend voor mij en mijn familie. Toen het borgbedrag werd vrijgegeven door de rechter heeft de officier van justitie er meteen beslag op gelegd en dat beslag duurt nog steeds voort.”

Mr. Wladimiroff: Op welk moment kwam de overeenkomst tot stand?

“Als ik mij goed herinner kwam die overeenkomst tot stand vlak voor het vertrek van de rechter-commissaris naar de Verenigde Staten in het kader van het rogatoir horen van getuigen aldaar.”

Mr. Wladimiroff: Vervolgens heeft u verklaringen afgelegd in februari 2003 bij de Fiod?

“Ja.”

Mr. Wladimiroff: Is u na het afleggen van uw verklaringen duidelijk geworden dat de officier van justitie tevreden was?

“Ik was helemaal ondersteboven van het verhogen van de borg. Ik had simpelweg geen 300.000 euro. Het verhogen van en het na afloop van de procedure in beslag nemen van de borgsom zie ik als enorme intimidatie van de kant van de officier van justitie.

(…).”

Mr. Wladimiroff: Vervolgens bent u verhoord op 26 juni 2003 bij de rechter-commissaris. Was u toen al vrij?

“Ik stond onder huisarrest en mijn paspoort was in beslag genomen.”

Mr. Wladimiroff: Om interpretatie problemen te voorkomen: u was vrijgelaten, maar u kon het land niet verlaten omdat uw paspoort was ingenomen? Ik begrijp u aldus dat u werd vrijgelaten onder de voorwaarde dat u het land niet mocht verlaten en dat u uw paspoort heeft moeten inleveren.

“Ze hadden mijn paspoort al en ze hebben het gehouden!”

Mr. Wladimiroff: Op 4 augustus 2003 bent u opnieuw gehoord bij de rechter-commissaris. Gold toen ook dat u het land niet mocht verlaten?

“Dat is juist.”

Mr. Wladimiroff: Voelde u ten tijde van deze twee verklaringen bij de rechter-commissaris nog steeds de in de overeenkomst met de officier van justitie opgenomen verplichting dat u een verklaring moest afleggen?

“Ja.”

Rechtsoverwegingen

Het hof begrijpt het verweer van [naam medeverdachte 3] aldus dat de officier van justitie [naam medeverdachte 3] in strijd met diens verklaringsvrijheid heeft gedwongen (belastend) te verklaren, en wel door zijn medewerking aan een schorsing van de voorlopige hechtenis afhankelijk te maken van het afleggen van “bewijsrechtelijk behagende” verklaringen.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien brengt het hof tot de volgende overwegingen.

(i). Als in de artikelen 5 EVRM en 67a Sv. besloten liggend uitgangspunt heeft te gelden dat de voorlopige hechtenis en de voortzetting ervan niet - en ook niet mede - mag zijn gegrond op c.q. strekken tot het verkrijgen van verklaringen van een verdachte.

(ii). De voorlopige hechtenis die [naam medeverdachte 3] gedurende ongeveer 11 maanden heeft ondergaan is door de onafhankelijke rechter bevolen en met de wettelijk voorgeschreven regelmaat getoetst. Het detentieregime van [naam medeverdachte 3] was niet afwijkend van dat van anderen. Het hof beseft dat het afleggen van verklaringen tijdens een periode van detentie onvermijdelijk gepaard gaat met een zekere druk die invloed kan hebben op de inhoud van het verklaarde. Daargelaten de kwestie die met het hier besproken verweer wordt aangesneden, zijn er geen aanwijzingen dat de verhorende ambtenaren en de (het hof voorgaande) rechters van deze met detentie gepaard gaande druk misbruik hebben gemaakt of op welke wijze dan ook een zodanige additionele druk op [naam medeverdachte 3] hebben gelegd dat daardoor de grenzen van het oorbare zijn overschreden.

(iii). Het initiatief tot het overleg met het openbaar ministerie is uitgegaan van [naam medeverdachte 3] en zijn (toenmalige) raadsman, mr. Brouwer. Daarbij is door mr. Brouwer namens [naam medeverdachte 3] te kennen gegeven dat hij, [naam medeverdachte 3], ten overstaan van de Fiod een verklaring wenste af te leggen. De officier van justitie heeft in zijn brief van 31 januari 2003 aan mr. Brouwer te kennen gegeven akkoord te gaan met het voorstel om zich niet te verzetten tegen een schorsing – onder bepaalde bijzondere voorwaarden – van [naam medeverdachte 3]s voorlopige hechtenis, en wel zodra door hem verklaringen zouden zijn afgelegd waarvan ‘de bruikbaarheid’ door de officier van justitie was ‘beoordeeld’.

(iv). Anders dan door de (huidige) raadsman namens [naam medeverdachte 3] naar voren is gebracht valt uit het door de officier van justitie ‘beoordelen van de bruikbaarheid’ van de door [naam medeverdachte 3] afgelegde verklaringen niet zonder meer af te leiden dat deze verklaringen naar de tot uitdrukking gebrachte wens van het openbaar ministerie per se belastend zouden moeten zijn en – eventueel – in strijd met de waarheid. Het hof begrijpt deze passage aldus dat de officier van justitie heeft willen vermijden terecht te komen in de situatie waarin [naam medeverdachte 3] meende aan het overeengekomen afleggen van een verklaring te hebben voldaan met verklaringen die volstrekt ongeloofwaardig zouden zijn en niet serieus konden worden genomen. [naam medeverdachte 3] heeft zich in deze kwestie laten bijstaan door een rechtsgeleerd raadsman die in de gewraakte passages geen onverkwikkelijke hindernissen heeft gezien en die hierin geen bron van mogelijke misverstanden heeft weten te ontwaren. De door hem, mr. Brouwer, geplaatste kanttekeningen bij de bewuste brief van de officier van justitie hadden immers betrekking op andere onderwerpen. Die kanttekeningen heeft de officier van justitie overgenomen, waarna [naam medeverdachte 3] metterdaad tot het afleggen van verklaringen is overgegaan.

De voor deze kwestie relevante brieven zijn vervolgens door de officier van justitie op eigen initiatief in het strafdossier gevoegd, waarmee hij de totstandkoming van de overeenkomst voor alle procesdeelnemers in alle zaken inzichtelijk heeft gemaakt. Aldus bezien is niet aannemelijk geworden dat [naam medeverdachte 3] door bepaalde passages uit deze brief gedurende zijn detentie is gedwongen tot het afleggen van een verklaring in strijd met zijn verklaringsvrijheid.

(v). Dat [naam medeverdachte 3] zich na schorsing van zijn voorlopige hechtenis nog immer gedwongen voelde om verklaringen af te leggen van dezelfde strekking als zijn verklaringen – kort gezegd – genummerd V1/06, V1/07 en V1/08, doet aan het voorgaande uiteraard niet af. Tot de bijzondere voorwaarden die de rechtbank had gesteld aan de schorsing van de voorlopige hechtenis behoorde niet het onverminderd afleggen van (getuigen)verklaringen, hetgeen de verdachte, aan wiens intellectuele vaardigheden het hof niet is gaan twijfelen en die – het zij met nadruk herhaald - werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman, volkomen duidelijk moet zijn geweest.

(vi). Het waarheidsgehalte van de stelling van [naam medeverdachte 3] dat hij zich bij het afleggen van zijn verklaringen enkel heeft gehouden aan de strategie die zou zijn ontwikkeld door zijn toenmalige raadsman, namelijk het betrekken van anderen binnen een (al dan niet criminele) organisatie, laat het hof thans in het midden. Het blijft de verantwoordelijkheid van een verdachte zelf om zich al dan niet iets gelegen te laten liggen aan de adviezen van zijn raadsman. Hierin ziet het hof dus geen van overheidsinstanties afkomstige dwang tot het afleggen van een verklaring.

Dat [naam medeverdachte 3] in strijd met artikel 29 Sv, artikel 1 van het – kort gezegd – Folterverdrag en artikel 6 EVRM is gedwongen tot het afleggen van een verklaring is kortom naar ’s hofs oordeel niet aannemelijk geworden. Om die reden wordt het tot niet-ontvankelijkheid c.q. tot bewijsuitsluiting strekkende verweer verworpen.

(Einde bespreking verweer van [naam medeverdachte 3])

Het verweer van [naam verdachte]

Wat betreft de medeverdachten van [naam medeverdachte 3] brengt deze verwerping van het verweer [naam medeverdachte 3] mee dat de verklaringen van [naam medeverdachte 3] zoals afgelegd in het jaar 2003 ook in de zaken van de medeverdachten van [naam medeverdachte 3] in beginsel voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Het hof heeft, zoals hieronder zal blijken, de verklaringen van [naam medeverdachte 3] niet tot uitgangspunt genomen doch gebezigd tot het bewijs indien voor de juistheid van het door hem gestelde in voldoende mate ander meer objectief bewijsmateriaal voorhanden is. Het hof zal hieronder zonodig telkens die andere bewijsmiddelen specificeren en in bewijsoverwegingen vastleggen om welke reden aan bepaalde verklaringen wel of geen geloof is gehecht. De enkele reden dat [naam medeverdachte 3] van bepaalde verklaringen afstand heeft genomen brengt op zichzelf niet mee dat aan die verklaringen geen geloof kan worden gehecht. Gelijke overwegingen gelden ten aanzien van de door de raadsman van [naam verdachte] gestelde tegenstrijdigheden. De betrouwbaarheid van een bepaalde verklaring hangt mede af van de aanwezigheid van ander – op zichzelf geloofwaardig – bewijsmateriaal, zoals verklaringen van verdachten en/of getuigen, en de inhoud van documenten.

III. Naar aanleiding van de rechtshulpverlening door Guernsey gevoerde verweren

Mede naar aanleiding van de gang van zaken rond de verlening van rechtshulp door de bevoegde autoriteiten van Guernsey heeft de verdediging van [naam verdachte] verweren gevoerd die het hof als volgt heeft gecategoriseerd:

A. Het te laat indienen van een aanvullende vordering gvo;

B. De reikwijdte van de gebruiksbeperkingen die de Guernsey-autoriteiten hebben gesteld aan de verlening van rechtshulp;

C. De schending van de ‘Undertaking’ door of vanwege het openbaar ministerie, en de misleiding door de officier van justitie en de Fiod van zowel de bevoegde autoriteiten op Guernsey als van de verdachte en zijn verdediging.

Een en ander, zowel afzonderlijk als in onderling verband en samenhang bezien, dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging van [naam verdachte], aldus de verdediging.

A. De aanvullende vordering gvo

De raadsman heeft aangevoerd dat reeds sinds juni 2001 jegens [naam verdachte] sprake was van de verdenking dat hij, [naam verdachte], zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk doen van een onjuiste en/of onvolledige aangifte voor de inkomstenbelasting en dat hij kort nadien “daadwerkelijk als verdachte werd aangemerkt.” Op het tripartiete-overleg van 11 juli 2001 heeft de verdenking al bestaan. Echter werd pas op 22 maart 2002 een nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek gedaan waarbij deze verdenking binnen het gerechtelijk vooronderzoek werd gebracht. Mr. Siekman heeft bij brief om opheldering gevraagd en hem is door de officier van justitie bij brief van 2 april 2002 meegedeeld dat

“eerst na uitvoering van de rechtshulpverzoeken op Guernsey en de analyse van de geldstromen als vermeld in de ambtshandelingen 98 en 104 (…) zijn stukken boven tafel gekomen die duidelijk maken dat Uw cliënt [naam verdachte] ook financieel bij de omschreven verdenkingen betrokken is. Die uitkomsten hebben mij aanleiding gegeven te denken dat Uw cliënt [naam verdachte] zich persoonlijk heeft verrijkt. Dat is de reden dat in de nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek van 22 maart 2002 thans melding wordt gemaakt van verdenking van het onjuist doen van inkomstenbelastingaangifte.”

De raadsman stelt dat deze mededelingen onwaar en misleidend zijn, aangezien, zoals gezegd, deze verdenking reeds eerder bestond.

Het misleidende karakter van deze mededelingen komt aan de orde in onderdeel C van de bespreking van deze verweren.

Het hof overweegt allereerst het volgende omtrent de vraag of deze verdenking – aangenomen dat zij acht maanden eerder was gerezen – zo snel mogelijk had moeten worden neergelegd in een nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek en dat zulks in strijd met artikel 182 Sv en artikel 6, lid 3, aanhef en onder a EVRM is nagelaten aangezien pas na verloop van acht maanden de bedoelde verdenking in de nadere vordering van 22 maart 2002 is gesubstantieerd.

Artikel 149 Sv luidt:

Wanneer de officier van justitie kennis heeft gekregen van een strafbaar feit met welks vervolging hij is belast, stelt hij het noodige opsporingsonderzoek in en vordert, zoo daartoe termen zijn, dat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek worde overgegaan.

Artikel 181, eerste lid Sv luidt voor zover relevant:

Indien de officier van justitie overeenkomstig de bepaling van artikel 149 ten aanzien van een strafbaar feit een gerechtelijk vooronderzoek noodig acht, vordert hij dat door den rechter-commissaris onverwijld daartoe zal worden overgegaan.

Artikel 182 Sv luidt voor zover relevant als volgt:

[1.] De officier van justitie dient ook eene nadere vordering in, zoodra het gerechtelijk vooronderzoek tot andere strafbare feiten moet worden uitgebreid, (…).

[2.] Zoodra de rechter-commissaris, al of niet na verzoek van den verdachte, oordeelt dat eene nadere vordering noodig is, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan den officier van justitie.

Uit deze bepalingen moet worden opgemaakt dat de officier van justitie die kennis heeft gekregen van een strafbaar feit het nodige opsporingsonderzoek instelt. Indien daartoe aanleiding is c.q. indien hij dit nodig oordeelt kan de officier van justitie bovendien vorderen dat de rechter-commissaris overgaat tot een gerechtelijk vooronderzoek. De officier van justitie dient een – nadere – vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek in zodra het gerechtelijk vooronderzoek tot andere strafbare feiten ‘moet’ worden uitgebreid, aldus de wettelijke bepalingen.

Er is geen reden om te oordelen dat de officier van justitie reeds zodra een verdenking te dier zake is gerezen (jegens de verdachte) gehouden is om een nader gerechtelijk vooronderzoek te vorderen naar andere strafbare feiten dan die het onderwerp zijn van een eerder ingesteld gerechtelijk vooronderzoek. De officier van justitie kan dit nadere gerechtelijk onderzoek vorderen op het moment dat hij het nodig acht dat de rechter-commissaris daartoe overgaat. De grondslag voor het vorderen van een nader gerechtelijk vooronderzoek naar andere feiten dan die reeds onderwerp van een gerechtelijk vooronderzoek zijn, is dus naar ’s hofs oordeel geen andere dan de grondslag voor het vorderen van een – eerste – gerechtelijk vooronderzoek als bedoeld in artikel 181 Sv.

De omstandigheid dat waarheidsvinding naar een bepaald strafbaar feit nodig is noopt op zichzelf echter niet tot het vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek, aangezien de officier van justitie bevoegd is en - ook na het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek – bevoegd blijft om opsporingsonderzoek te initiëren al dan niet met gebruik van de hem ten dienste staande dwangmiddelen en overige bevoegdheden.

De verdachte die een nader gerechtelijk vooronderzoek nodig acht, kan zich wenden tot de rechter-commissaris met een daartoe strekkend verzoek op de voet van artikel 182, lid 2 Sv. Voorts kan de verdachte ex artikel 36a Sv onder de daar vermelde voorwaarden verzoeken om ter zake van bepaalde strafbare feiten enig onderzoek in te stellen. Beide bepalingen veronderstellen dat de verdachte weet heeft van een jegens hem gerezen verdenking.

Artikelen 200 en 207 Sv. schrijven in onderling verband en samenhang bezien (kort samengevat) voor dat de verdachte zo spoedig mogelijk na het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek – door de rechter-commissaris - wordt gehoord en dat hij bij die gelegenheid op de hoogte wordt gesteld van de inhoud van de (nadere) vordering, tenzij het onderzoeksbelang zich tegen een zodanig spoedige openheid verzet. De wet schrijft evenwel niet voor dat de verdachte onmiddellijk of binnen korte tijd na het ontstaan van een verdenking daarvan op de hoogte wordt gesteld.

Een dergelijke verplichting vloeit evenmin voort uit het bepaalde in artikel 6, lid 3, aanhef en onder a, EVRM. Uit deze bepaling (en meer in het algemeen ook uit het eerste lid van artikel 6 EVRM) vloeit voort dat de verdachte - gelet op de eisen van een eerlijk proces - tijdig op de hoogte moet worden gebracht van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan een verdenking, alsmede de aard van die verdenking. De verdachte moet worden voorzien van voldoende informatie met het oog op de voorbereiding van zijn verdediging. De genoegzaamheid van die informatie moet onder meer worden beoordeeld in het licht van het in artikel 6, lid 3, aanhef en onder b, EVRM neergelegde recht van eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld op voldoende tijd en gelegenheid om in een strafzaak zijn verdediging voor te bereiden.

Of de hier genoemde voorschriften van artikel 6 EVRM en artikel 182 Sv zijn nageleefd en, zo niet, welke gevolgen aan de niet-naleving moeten worden verbonden, moet worden bezien tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval. Meer algemene regels laten zich bezwaarlijk formuleren.

Wat artikel 6 EVRM betreft wil het hof de beantwoording van deze vraag niet afdoen met de (enkele) overweging dat van de ‘criminal charge’ ter zake van fraude in de sfeer van de inkomstenbelasting niet eerder sprake zou kunnen zijn dan vanaf het moment van de hier besproken nadere vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek naar de IB-fraude van [naam verdachte], en dat voorafgaande aan dat moment dus nog niet vanwege de Nederlandse Staat jegens hem, [naam verdachte], een handeling kan zijn verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend en redelijkerwijze heeft kunnen ontlenen dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen ter zake van de IB-fraude. Onder omstandigheden moet door de justitiële autoriteiten aan het recht op informatie eventueel op een eerder moment dan dat van de ‘official notification’ invulling worden gegeven. In casu moet in de beschouwingen worden betrokken dat jegens [naam verdachte] reeds een opsporingsonderzoek en een gerechtelijk vooronderzoek gaande waren naar diens (eventuele) deelnemen aan een criminele organisatie. Daarvan was [naam verdachte] op de hoogte gebracht; hij had om die reden niet alleen een Nederlandse advocaat maar ook een op Guernsey gevestigde advocaat in de arm genomen. In het kader van die justitiële onderzoeken werd (op Guernsey) mede gezocht naar aanwijzingen van persoonlijke verrijking voortspruitend uit de werkzaamheid van die criminele organisatie. De vaststelling van dat persoonlijke gewin kan immers relevant zijn voor de vaststelling van het onderwerpelijke deelnemen aan een criminele organisatie. De aldus rechtmatig verkregen informatie kan zo mogelijk eveneens betekenis krijgen binnen de kaders van een al dan niet reeds bestaande verdenking dat deze persoonlijke verrijking niet aan de fiscale autoriteiten is opgegeven. Om die reden kan de verdachte een rechtens te respecteren belang hebben bij het stellen van vragen aan bepaalde getuigen of het doen van (nader) onderzoek op momenten waarop zulks nog zinvol kan worden geacht. Hij zal daartoe op een tijdig moment op de hoogte moeten worden gesteld van de lopende verdenking jegens hem en – hoewel het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek in de regel met name gericht is op de inzet van de rechter-commissaris en het eventuele gebruik van de deze functionaris toekomende onderzoeksbevoegdheden – kan het vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek onder bepaalde omstandigheden ‘nodig’ zijn om de effectuering van verdedigingsrechten te faciliteren.

Tegen het licht van voorgaande overwegingen oordeelt het hof echter dat de hier genoemde voorschriften van artikel 182 Sv en artikel 6 EVRM niet zijn geschonden.

Dat in de zaak tegen [naam verdachte] de nadere vordering gvo van 22 maart 2002 is gedaan op een moment waarop de verdenking van fraude in de IB-sfeer zich al enige maanden had uitgekristalliseerd, levert op zichzelf – zoals overwogen – geen strijd op met het bepaalde in artikel 182 Sv. Bovendien acht het hof het niet onbegrijpelijk dat de beslissing om concrete stappen te zetten in het kader van een strafvervolging wegens IB-fraude door de officier van justitie pas is genomen na kennisneming van de analyse van de ‘geldstromen’ op basis van bescheiden en getuigenverklaringen die door de autoriteiten van Guernsey zijn uitgeleverd. Deze analyse heeft zijn beslag gekregen in de ambtshandelingen AH/104 en AH/104A van onderscheidenlijk 19 en 28 november 2001, en het overzichtsproces-verbaal van 21 december 2001, nr. 21631. Gegeven de geldende gebruiksbeperkingen heeft de officier van justitie voorts moeten overwegen of bewijsmateriaal uit andere bron dan – kort gezegd – Guernsey (en eventueel Luxemburg) voldoende voedingsbodem gaven voor een strafvervolging ter zake van IB-fraude.

Ook is naar ’s hofs oordeel geen inbreuk gemaakt op de informatieplichten die vanwege de justitiële autoriteiten voortvloeien uit het bepaalde in artikel 6 EVRM.

Wat betreft de periode voorafgaande aan de datum van de nadere vordering gvo valt op te merken dat de raadsman van [naam verdachte] op enig moment in juli 2000 de beschikking heeft gekregen over een proces-verbaal van de Fiod waarin – naar het hof begrijpt - de verdenking ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie en de Vpb-fraude van de dochtervennootschappen van Oxbridge was verwoord. De gedachte dat de deelnemers aan een dergelijke criminele organisatie van de door deze organisatie gepleegde Vpb-fraude ook persoonlijk hadden geprofiteerd, ontstijgt naar ’s hofs oordeel het niveau van louter speculatie. Het onderzoek op Guernsey strekte er bij uitstek toe om de geldstromen te volgen die werden gevoed uit de liquiditeiten van de door Oxbridge aangekochte winstvennootschappen en zodoende te achterhalen wie de begunstigden waren van de door de organisatie gepleegde Vpb-fraude. Vaststelling daarvan levert niet alleen aanwijzingen op voor deelneming aan het criminele samenwerkingsverband; verwacht mag worden dat met dergelijke onderzoeksresultaten eveneens een fraude op het terrein van de inkomstenbelasting kan worden aangetoond, nu de deelnemers aan de organisatie – indien in Nederland belastingplichtig – hun aldus illegaal verworven inkomen niet licht aan de fiscus bekend zullen hebben gemaakt.

Dat de raadsman ervan op de hoogte was gesteld dat IB-fraude binnen het bereik van het justitiële onderzoek zou kunnen komen te vallen, blijkt reeds uit de brief van de officier van justitie mr. Van der Werff aan de raadsman van [naam verdachte], mr. Siekman, van 25 april 2001:

“(…)

Centraal in elk van de rechtshulpverzoeken staat de verdenking dat ook uw cliënt heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waaronder valsheid in geschrifte en het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van belastingaangiften. De valsheid in geschrifte en de onjuiste belastingaangiften zien in dit verband op de geproduceerde stukken door de verschillende vennootschappen die nagenoeg alle de naam dragen van American Energy. In deze rechtshulpverzoeken wordt geen melding gemaakt van individuele belastingaangiften van natuurlijke personen. Daarop ziet het onderzoek immers niet. Ik kan evenwel niet uitsluiten de situatie dat uitkomsten van het onderzoek kunnen uitwijzen dat natuurlijke personen, waaronder ook uw cliënt, zichzelf hebben verrijkt uit het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

(…)

Daarnaast zeg ik u dat ik u niet de garantie geef dat geen der onderzoeken in het buitenland zal leiden tot gebruik van aldaar vergaard bewijsmateriaal voor zover deze een Nederlands heffingsbelang zouden kunnen dienen, om reden zoals hierboven weergegeven.”

Van de justitiële belangstelling voor eventuele IB-fraude is dan ook in de correspondentie tussen het openbaar ministerie en de namens [naam verdachte] optredende raadsman geen geheim gemaakt.

Vervolgens heeft de officier van justitie op 3 september 2001, dus ruimschoots voor de nadere vordering gvo, telefonisch aan mr. Siekman medegedeeld dat aan [naam verdachte] bij het eerstvolgende verhoor vragen zouden worden gesteld niet alleen over de feiten en omstandigheden die ten grondslag lagen aan de verdenking van het deelnemen aan de criminele organisatie, maar ook “over een verdenking artikel 68 AWR te hebben overtreden betrekking hebbende op de eigen aangiften inkomstenbelasting.”

Wat betreft de periode na uitbreiding van het gerechtelijk vooronderzoek met onderzoek naar de IB-fraude heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad verzoeken te doen tot het (doen) horen van getuigen, tot het verrichten van (nader) onderzoek en ook anderszins volop gelegenheid heeft gehad zijn verdediging voor te bereiden en van zijn rechten gebruik te maken. In het bijzonder vond het inventariseren van de onderzoekswensen door de rechter-commissaris en de daarop volgende getuigenverhoren naar aanleiding van die onderzoekswensen plaats nadat het gerechtelijk vooronderzoek naar aanleiding van de nadere vordering van 22 maart 2002 was uitgebreid met de IB-fraude.

Bovendien is in casu niet aannemelijk geworden dat het horen van getuigen of het (laten) verrichten van bepaald onderzoek door het gewraakte tijdsverloop voorafgaande aan het doen van de nadere vordering gvo weinig of minder zinvol is geworden. De verdachte heeft van een dergelijke benadeling in de uitoefening van zijn verdedigingsrechten ook geen voorbeelden aangedragen die nadere bespreking behoeven.

Het verweer zoals door het hof gecategoriseerd onder A wordt derhalve verworpen.

B. De reikwijdte van de gebruiksbeperkingen

Een tweede aspect dat door de verweren wordt aangesneden betreft de reikwijdte van de beperkingen die de bevoegde autoriteiten te Guernsey hebben gesteld aan het gebruik van de door hen uitgeleverde documenten, gegevens en processen-verbaal van verhoren.

De verdediging van [naam verdachte] heeft ingang willen doen vinden dat de resultaten van rechtshulpverlening door Guernsey enkel en alleen mogen worden gebruikt ten behoeve van de vervolging van en het bewijs voor (i) de in het rechtshulpverzoek genoemde periode waarop de feiten betrekking zouden hebben (1992 – 1997), (ii) de in het rechtshulpverzoek expliciet genoemde strafbare feiten: fraude in de sfeer van de vennootschapsbelasting en valsheid in geschrift voor zover begaan door een criminele organisatie en (iii) de in het rechtshulpverzoek genoemde (rechts)personen.

In dit verband overweegt het hof als volgt:

Bij rogatoire commissie van 6 juni 2000 zijn de bevoegde justitiële autoriteiten van Guernsey voor de eerste maal benaderd met een verzoek tot het verlenen van (internationale) wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: rechtshulp). Dit rechtshulpverzoek bevat een inleiding over de werkwijze van Oxbridge c.q. [naam medeverdachte 3], te weten het aanschaffen van zogeheten winstvennootschappen, merendeels via de ABN AMRO Bank of een dochtervennootschap van die bank, het inbrengen van op het oog zeer waardevolle immateriële activa die in werkelijkheid slechts een zeer geringe waarde hebben, waarop vervolgens versneld wordt afgeschreven, een en ander slechts met de bedoeling langs illegale weg belastingvoordeel te behalen. Daarna volgt onder meer de volgende passage:

“Naar aanleiding van dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat er in casu sprake is van een organisatie. Deze organisatie, waaraan meerdere personen deelnemen, heeft tot doel het plegen van misdrijven. Deze misdrijven zijn ondermeer het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften en het plegen van valsheid in geschrifte. (…). Het betreft personen uit diverse landen die gedurende meerdere jaren samen werken volgens een van te voren uitgewerkt plan, met als enig doel het wederrechtelijk geld verdienen ten koste van de Belastingdienst in diverse landen waaronder Nederland. (…).

Probable cause

Uit nader onderzoek in de in beslag genomen stukken en diverse verhoren in Nederland is het vermoeden ontstaan dat de criminele organisatie, zoals hiervoor beschreven, geldbedragen via diverse schakels probeert door te boeken met het doel de uiteindelijke genieter van de geldsommen anoniem te houden. De geldsom is van criminele activiteiten afkomstig. Daartoe maakt de criminele organisatie gebruik van diverse schakels in onder meer Nederland, Engeland en Guernsey. Het vermoeden bestaat dat er in een aantal situaties gebruik wordt gemaakt van een bank en/of vennootschappen op Guernsey. De zeer omvangrijke fraude (ca $ 61 miljoen) wordt onder meer gepleegd in daartoe aangekochte Nederlandse vennootschappen. Na aankoop van deze vennootschappen worden door middel van diverse commissiebetalingen gelden overgeboekt. De reden voor deze doorbetalingen is in diverse gevallen onduidelijk.”

In het rechtshulpverzoek volgt hierna nog ter adstructie een beschrijving van het reeds bekend geworden deel van het traject van enkele zogeheten ‘geldstromen’.

Als bijlage bij dit rechtshulpverzoek is gevoegd een door de bevoegde autoriteiten van Guernsey geëiste ‘Form of Undertaking’ , die als volgt luidt:

“I, Mr. J.H. van der Werff, Public Prosecutor at the District Court of Amsterdam, the Netherlands, hereby undertake that any information or material obtained in pursuance of an Order under the Criminal Justice (Fraud Investigation) (Bailiwick of Guernsey) Law, 1991 in respect of Fay Lee [naam medeverdachte 3], Bjorn [naam medeverdachte 5], Gareth [naam medeverdachte 6], Douglas Shook, Joseph [naam medeverdachte 4], Paul [naam verdachte], Hans [naam medeverdachte 1] and Serge [naam medeverdachte 2] shall only be used for the purposes of the investigation into the affairs of the above persons or any prosecution arising therefrom, and shall not be disclosed, directly of indirectly, to any other agency or person without the consent of Her Majesty’s Attorney-General for Guernsey.”

De redactie van deze belofte van de zijde van de officier van justitie jegens de bevoegde autoriteiten van Guernsey roept naar ’s hofs oordeel nog wel interpretatievragen op. Zo is het bereik van de woorden “any prosecution arising therefrom” niet helder.

Om die reden heeft het hof meer uitvoerig stilgestaan bij hetgeen in de betrekkingen tussen de bevoegde justitiële autoriteiten van Guernsey en de Amsterdamse justitie naar voren is gekomen, teneinde meer inzicht te krijgen in de beperkingen die de Guernsey-autoriteiten wat betreft het gebruik van het door hen aangeboden materiaal voor ogen stonden en de betekenis van de ‘Undertaking’. Voorts zal het hof meer uitgebreid de communicatie tussen de justitiële autoriteiten van Guernsey en de Amsterdamse justitie weergeven, zodat bij de bespreking van de overige verweren daarop kan worden teruggegrepen.

Uit het ‘petitum’ van het genoemde rechtshulpverzoek blijkt dat de Nederlandse justitie wat betreft de op Guernsey aanwezige gegevens met name geïnteresseerd was in de weg waarlangs de organisatie de door de Vpb-fraude verkregen gelden overhevelde naar de uiteindelijke begunstigden van de fraude, en de identiteit van deze begunstigden.

Gaandeweg het onderzoek werden klaarblijkelijk hierover meer inlichtingen verkregen. Zo vermeldt de tweede rogatoire commissie van 13 februari 2001 :

“Based on ongoing investigations in this case there is reason to believe that [naam verdachte] is one of the beneficial owners of Oxbridge, that money has been transferred through Nerine and Havelet Trust (now Insinger Trust), via accounts Minerva and Camrose and probably also account Babel.”

Een aanvullende rogatoire commissie van 13 maart 2001 vermeldt het volgende:

“Further examination of the seized documents and/or business records and the different interviews additional information has been obtained about the beneficial owners of Oxbridge. The interviews and documents showed that among others the following natural persons and legal entities have a beneficial interest in Oxbridge and therefore probably participated in the profits that Oxbridge made with the deals: Paul [naam verdachte], Hans [naam medeverdachte 1] and Serge [naam medeverdachte 2].”

Op 25 april 2001 schrijft de officier van justitie aan de raadsman van [naam verdachte] de hiervoor in subonderdeel A geciteerde brief.

Dat de autoriteiten te Guernsey scherp het oog hielden op de strekking van het opsporingsonderzoek moge blijken uit de brief van Paul Wilkins, als ‘crown attorney’ werkzaam voor de justitiële autoriteiten te Guernsey, aan R. Perrot, de raadsman van [naam verdachte] op Guernsey, van 21 mei 2001. Deze vermeldt het volgende:

“I note your concern about the possibility of there being a fishing expedition to trawl through all files held in Guernsey relating to Mr. [naam verdachte] with a view to checking on his tax liability in the Netherlands. I can assure that I would certainly not wish to be party to such an exercise. Our responses to requests for assistance from overseas authorities must be relevant to the investigation which is being undertaken. Indeed, Mr van der Werff made it quite clear to me that he is not interested in obtaining information about Mr [naam verdachte]’s general tax liability. He is only interested in obtaining evidence relevant to the alleged frauds surrounding the transactions connected with the companies bought by Oxbridge Investments Limited. (…)

I hope from the foregoing that you will realise that we are trying to be as focused as possible as to what information Insinger and Nerine are required to produce. The proposed scope of the requests to the institutions should ensure that only information relevant to the Dutch enquiry is produced and that other information which relates to Mr [naam verdachte]’s general business and financial affairs remain private.”

De brief van genoemde Wilkins aan de Fiod-verbalisanten (Monique) Hovenkamp en Van Leusden van 3 september 2001 vermeldt de volgende gebruiksbeperking.

“Further to my telephone conversation with Monique last week I confirm that all the information provided by us is only for use in connection with the inquiry into the American Energy Company funds and the involvement of the named suspects in the frauds. If you at any stage wish to use the information for any other purpose for example, to investigate any alleged tax fraud committed individually by one of the suspects, Mr Van der Werff should write to our Attorney General to ask permission to extend the use of the material.”

Op 13 september 2001 volgt inderdaad een brief van mr. Van der Werff aan ‘Attorney General’ Rowland, waarin onder meer het volgende is te lezen:

“Nadere analyse van de betreffende stukken geeft aan dat in het opsporingsonderzoek betrokken personen, waaronder de Nederlandse verdachten de heren [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2], over geldsommen hebben kunnen beschikken die rechtstreeks verband houden met de feiten waarvan zij in eerste instantie worden verdacht. De beschikkingsmacht over deze geldsommen geeft mij tevens aanleiding de hiervoor genoemde natuurlijke personen [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] te verdenken van het feit dat zij deze gelden niet hebben verantwoord in hun aangiften voor de Inkomstenbelasting, derhalve dat zij over meerdere jaren inkomsten hebben verzwegen ten opzichte van de Nederlandse Belastingdienst. Dit is strafbaar gesteld (…).

Ik verzoek uw toestemming om de gegevens en bescheiden, die naar aanleiding van de uitvoering van het rechtshulpverzoek te mijner beschikking zijn gekomen, tevens te mogen gebruiken in het kader van de verdenking dat de natuurlijke personen [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] opzettelijk onjuiste belastingaangiften hebben gedaan. Tevens verzoek ik uw toestemming om de betreffende gegevens en bescheiden te mogen gebruiken in het kader van de heffing van belasting van genoemde personen.”

De brief van genoemde ‘crown attorney’ Wilkins aan mr. Van der Werff van 16 november 2001 vermeldt het volgende:

“Please forgive me for the length of time it has taken for me to write on the subject of the use of the evidence gathered so far against Mr. [naam verdachte] for purposes other than the possible prosecution of offences connected to the American Energy Companies fraud. I have now had the opportunity of discussing this matter with our Attorney General.

The Attorney General has told me that he would not wish any of the information which has been made available by various trust companies and banks to be used by the tax authorities on a simple civil tax collection exercise. This is because the information has been obtained under a law which solely deals with the collection of evidence for criminal proceedings.

You have also asked whether it would be possible to use the information which has been collected in a possible prosecution of Mr [naam verdachte] on criminal charges relating to false declarations made in his tax returns. The Attorney general has told me that in principle he would have no objection to providing assistance to another jurisdiction in such circumstances. However, he does not believe that in this case he can simply consent to the use of the documents obtained so far under the Fraud Investigation Law for the proposed investigation into the possible falsification of tax returns. His reasons are as follows.

First, it was quite clear that the American Energy conspiracy was a serious or complex fraud. It therefore easily met the requirements of our Fraud Investigation Law. On the information we have it is not possible for the Attorney General to ascertain whether the alleged personal tax fraud committed by [naam verdachte] is serious or complex. A simple falsification of a tax return would not be classified as complex but a large loss to the tax authorities would be considered serious. I don’t believe we have ever received an indication of the tax lost by [naam verdachte]’s false personal declarations. This problem could of course be simply overcome by you giving us an estimate of the tax lost as a result of [naam verdachte]’s false statements.

Secondly and more importantly, you will recall that at the beginning of our enquiry [naam verdachte]’s Guernsey lawyer intervened. It was only by proceeding with great care that we avoided a challenge to our production orders on the grounds that the real reason for the investigation was to establish [naam verdachte]’s personal tax liability rather that to obtain evidence in connection with a fraud by a complex criminal organisation. Given the Guernsey lawyer’s interest we would have to inform him of any proposed new use of the evidence so far provided to you and I am sure that an attempt would be made in our courts to stop the Attorney General giving his consent to the use of the evidence against [naam verdachte] on his own. It could take a very long time to process any challenge through our Royal Court and Appeal Court.

In view of what I have outlined so far the Attorney General is of the opinion that if you wish to use the evidence obtained so far against [naam verdachte] in connection with the falsification of tax returns you should consider making a request under our Criminal Justice (International Co-operation) Law, 2001. Under this Law evidence is taken before the Royal Court under oath.

The great advantage of the International Co-operation Law is that it can be used to obtain evidence regardless of the type of crime under investigation. In view of this [naam verdachte]’s lawyer would not be able to challenge the taking of evidence on the ground that the real reason for the application was to obtain information to collect tax which is owed to the Dutch authorities rather than to investigate a serious fraud.

If you want to apply for help under our International Co-operation Law then we will require a further Letter of Request which should provide enough detail for a judge to understand the belief that [naam verdachte] has falsified his tax returns. (…).”

Op 13 februari 2002 volgt naar aanleiding hiervan een meer uitgebreide rogatoire commissie van de hand van mr. Van der Werff, waarin naast algemene informatie over het onderzoek ook meer specifiek informatie wordt gegeven over het nadeel dat de fiscus zou hebben geleden als gevolg van de IB-fraude door de Nederlandse verdachten. Het rechtshulpverzoek vermeldt onder meer het volgende:

“I respectfully suggest that you provide us with assistance in connection with the investigation into the personal revenue offences believed to have been committed by [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] and [naam medeverdachte 2] and arrange for the making of statements before Royal Court of Guernsey by (…). This applies in particular to the documents described above which were retrieved from Guernsey and which may serve as evidence in relation to the incorrect declarations submitted by the three persons [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] and [naam medeverdachte 2]. (…).

The reason that this request has not been submitted at an earlier date is that the prosecution assumed that it would be possible to use the evidence given as part of the earlier request also for a criminal charge relating to the false declarations in the tax returns made by the individuals mentioned, [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] and [naam medeverdachte 2]. Given that the persons mentioned had participated in the criminal organisation of American Energy and given that the earlier requests had already mentioned that they were suspected of having participated in this organisation and of having received money/income from this complex and serious fraud, a further request seemed unnecessary.

Only recently has it come to my attention that it would not be possible to use the evidence for a criminal charge relating to the false declarations the individuals mentioned had made in their tax returns.”

Van belang is voorts nog de brief van 24 maart 2003 van HM Comptroller H.E. Roberts, QC, waarin onder veel meer valt te lezen:

“It was made clear to your office that the assistance to be provided pursuant to the Criminal Justice (Fraud Investigation) (Bailiwick of Guernsey) Law, 1991 would only cover matters strictly relevant to the alleged tax fraud surrounding the purchase of the companies and would not extend to blanket notices requiring the production of information concerning Mr [naam verdachte]’s personal tax affairs. Your office gave the usual undertaking and, I understand, were reminded both orally and in writing that the material provided was only to be used for the purpose of the American Energy inquiry, unless your office subsequently sought and obtained our consent to its further use in connection with other criminal investigations or prosecutions. As a result of that careful approach, and the service of several notices, information was obtained and provided to your office, on the basis of the undertaking referred to above, which I understand has proved of great assistance for the purpose of which it was originally sought.

(…).

Although, given the scope of the original request, your office had been required to restrict the use of the material provided to in the investigation into the allegations concerning the American Energy companies, it had by then become clear that there were good grounds for suspecting that some of those under investigation in that connection, including Mr [naam verdachte], may have committed serious offences in connection with their personal tax affairs. Like the then Attorney General, I should have taken the view at that time that it is not unusual for the scope of a criminal inquiry to expand during the course of an investigation, and it would not normally be appropriate to refuse use of evidence obtained towards establishing the commission of further serious criminal offences, solely on the ground that such use would be beyond the scope of the original request.

(...).

The American Energy fraud

It was for the purpose of this investigation and prosecution that the request was originally made and granted, there being no doubt as to the seriousness or complexity of the fraud alleged to be involved, under the Criminal Justice (Fraud Investigation) (Bailiwick of Guernsey) Law, 1991. At our meeting on 9 December 2002 you opined that the defence might object to the use of the information obtained pursuant to the 1991 Law even in those proceedings themselves. I obviously cannot comment on the validity or strengh of any such objection as a matter of Dutch law; but so far as the Law Officers in Guernsey are concerned it was for the very purpose of this matter that the information was required to be provided; and its use for that purpose, far from involving any breach of undertaking, is exactly what has always has been envisaged. For our part, the Law Officers here have no objection whatsoever to the use of the Guernsey information for the purpose for which it was obtained.

The personal tax fraud

As indicated above, it is not unusual for the scope of a criminal inquiry to alter and expand during the course of an investigation and, prior to the disclosure about the breach (inadvertent though I accept it was) of your predecessor’s undertaking I would have been minded to agree to the extended use of the information obtained pursuant to the 1991 Law in criminal proceedings on the alleged personal tax fraud, having established that the alleged fraud would, if proved, be serious by virtue of the magnitude of the sums involved.

I would be very reluctant indeed to risk damage to the chances of successfully prosecuting a serious fraudster (and fiscal fraud is no different from any other fraud) on the basis of an advertent failure to comply with requirements imposed when acceding to a request under the 1991 Law. Having said that, it was emphasised on numerous occasions that the information obtained pursuant to that request could only be used for the purpose of prosecuting Mr [naam verdachte] and others in connection with the American Energy fraud, and your office were fully aware that without our permission it could not be used to prosecute any of the defendants for falsifying their own tax forms. Even if it was with a view to making a calculation of the tax that would be due, the information obtained pursuant to the 1991 Law simply should not have been handed to the Dutch Tax Office. We always ask for such undertakings, and the fact that we do so is very well known throughout the Guernsey finance industry. (…).

In all the circumstances, and not without a great deal of anxious thought, I have come to the view that it would not be appropriate to consent to the use of the information obtained in Guernsey pursuant to the 1991 Law in connection with the American Energy fraud for the purpose of criminal proceedings based upon a defendant’s personal tax returns. (…).”

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien brengt het hof tot de volgende oordelen.

Gelet op de voorwaarden waaronder het op Guernsey verzamelde bewijsmateriaal door de autoriteiten te Guernsey is verstrekt volgt dat dit materiaal in elk geval niet mag dienen tot de navordering van inkomstenbelasting en tot gebruik in enige daarmee samenhangende fiscale procedure. Evenmin mag het door deze rechtshulp verkregen materiaal strekken tot gebruik ten behoeve van (de bewijslevering in) de strafvervolging van de Nederlandse verdachten wegens fraude in de sfeer van de inkomstenbelasting, en de niet ambtelijke omkoping van [naam medeverdachte 2], welk verwijt is neergelegd in het hem onder 5 tenlastegelegde.

Wat betreft het onder 1 tenlastegelegde oordeelt het hof dat op basis van het hiervoor weergegevene geen reden is om aan te nemen dat de autoriteiten op Guernsey verdergaande beperkingen hebben willen aanbrengen binnen de strafvervolging wegens het deelnemen aan een criminele organisatie. Zo is er geen reden het bewijsmateriaal dat van Guernsey afkomstig is uit te sluiten voor het bewijs van gedragingen die betrekking hebben op de periode ná 1997, welke zijn verricht door of ten behoeve van diezelfde criminele organisatie waarvan het bestaan en de werkzaamheid is beschreven in de onderscheidene rechtshulpverzoeken. Het hof ziet geen reden voor een verdergaand onderscheid naar gelang het criminele oogmerk van de organisatie, te weten tussen enerzijds de Vpb-fraude en de valsheid in geschrift (die als zodanig uitdrukkelijk in het eerste rechtshulpverzoek zijn genoemd) en anderzijds IB-fraude en de niet-ambtelijke omkoping (die niet uitdrukkelijk in de rechtshulpverzoeken zijn genoemd). Een en ander geldt evenwel uitsluitend voor zover de tenlastelegging onder 1 het oog heeft op dezelfde criminele organisatie en dezelfde deelnemingshandelingen van de onderscheidene deelnemers als welke het onderwerp waren van de diverse rechtshulpverzoeken. Wat betreft het laatste, de rechtshulpverzoeken laten er geen misverstand over bestaan dat daarmee werd beoogd gegevens te vergaren die betrekking hadden op de girale trajecten waarlangs de opbrengsten van de door de organisatie gepleegde Vpb-fraude op versluierde wijze toevloeiden aan (de) deelnemers van de organisatie. De verantwoordelijken voor het inrichten en in stand houden van deze girale trajecten hebben zodoende een essentiële bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van precies die organisatie waarvan het vermoedelijke bestaan in de rechtshulpverzoeken uiteen werd gezet.

In dit verband moet worden benadrukt dat het ‘deelnemen aan een criminele organisatie’ niet betreft een bijzondere vorm van deelnemen aan c.q. medeplegen van enig misdrijf waarop het oogmerk van de organisatie zou zijn gericht. Artikel 140 Sr bevat de omschrijving van een zelfstandig misdrijf. Op de grondslag van de tenlastelegging zal moeten worden beoordeeld (i) of de rechtsorde door het bestaan van de organisatie aan gevaar is blootgesteld en (ii) of de verdachte te verwijten valt dat hij het streven van de organisatie op de in de tenlastelegging omschreven wijze heeft bevorderd.

Een door de verdediging voorgestane uitsluiting tot het bewijs van specifieke door de organisatie beoogde misdrijven die niet uitdrukkelijk zijn vermeld in de rechtshulpverzoeken (a) doet afbreuk aan de hiervoor beschreven eigenschappen van het de verdachte(n) gemaakte verwijt,

(b) gaat voorbij aan de vermelding van de woorden “onder meer” bij de omschrijving van het criminele oogmerk van de organisatie zoals dat in het eerste rechtshulpverzoek is weergegeven, en

(c) wordt naar het hof oordeelt op basis van de hiervoor besproken schriftelijke communicatie ook niet door de rechtshulpverlenende autoriteiten verlangd.

Het voorgaande leidt er dus toe dat het van Guernsey afkomstige bewijsmateriaal niet kan dienen tot het bewijs van al hetgeen dat anders dan onder 1 is tenlastegelegd, doch dat het van Guernsey afkomstige materiaal – indien door het hof betrouwbaar geacht - ten volle kan worden gebezigd ten behoeve van het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde deelnemen aan de criminele organisatie zoals omschreven in de respectieve rechtshulpverzoeken. De in subonderdeel B beschreven kwesties die door [naam verdachte] zijn opgeworpen hebben niet geleid tot de vaststelling van enig vormverzuim. Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van enig onderdeel van de tenlastelegging ziet het hof in het voorgaande geen grond.

Terzijde zij opgemerkt dat het de officier van justitie vrij heeft gestaan om aan de bevoegde autoriteiten van Guernsey te verzoeken hem te ontslaan van de verplichtingen die volgens deze autoriteiten voortvloeiden uit de bedoelde ‘Undertaking’ en zodoende toestemming te krijgen het rechtshulpmateriaal dat door hen was verstrekt aan te wenden voor andere doeleinden dan waarvoor het was overgedragen, zoals strafvervolging wegens het opzettelijk onjuist aangifte doen voor de inkomstenbelasting. Anders dan de raadsman van [naam verdachte] in eerste aanleg heeft betoogd vormt het enkele verzoek van de officier van justitie tot toestemming voor meer uitgebreid bewijsgebruik geen inbreuk op de door hem gegeven ‘Undertaking’ en wordt daardoor evenmin op die belofte ‘teruggekomen’, zoals de hierboven weergegeven briefwisselingen ook zonder meer duidelijk maken.

C. de inbreuk op de ‘Undertaking’ en misleiding

Ten aanzien van uiteenlopende handelingen van of vanwege de Nederlandse justitie voert de verdediging van [naam verdachte] aan dat zij een inbreuk vormen op de ‘Undertaking’ die de officier van justitie op zich heeft genomen jegens de autoriteiten van Guernsey. Hieronder zal het hof vaststellen dat er inderdaad op enig moment inbreuk is gemaakt op de hiervoor reeds geciteerde ‘Undertaking’, doch dat in de meeste gevallen waaromtrent de verdediging richting het openbaar ministerie een verwijt maakt zich een inbreuk op de ‘Undertaking’ naar ’s hofs oordeel niet heeft voorgedaan.

Een aantal veronderstellingen van juridische aard die de verdediging ten gronde heeft gelegd aan haar preliminaire verweren verdienen bespreking in enkele algemene overwegingen.

Indien de officier van justitie zich met een rechtshulpverzoek heeft gewend tot de bevoegde autoriteiten van een ander land, verzet geen rechtsregel zich ertegen dat de officier van justitie tegelijkertijd onderzoek laat verrichten naar andere dan de in dat verzoek omschreven misdrijven (zoals IB-fraude) die zouden zijn begaan door dezelfde verdachte als die waarop het rechtshulpverzoek het oog heeft. Zulks geldt ook in het geval de rechtshulp-verlenende autoriteiten een gebruiksbeperking hebben opgelegd ten aanzien van het door hun rechtshulp verkregen materiaal en er bovendien een samenhang bestaat tussen enerzijds de misdrijven die in het rechtshulpverzoek zijn omschreven en anderzijds de daarin niet omschreven misdrijven waarnaar de officier van justitie eveneens onderzoek doet verrichten. De officier hoeft de rechtshulpverlenende autoriteiten niet te verwittigen van dit onderzoek naar andere strafbare feiten. De officier zal zich – uiteraard - wel hebben te houden aan de overeengekomen gebruiksbeperkingen dan wel de beperkingen die de rechtshulpverlenende autoriteiten als voorwaarde hebben gesteld aan de overdracht van het materiaal dat is vergaard naar aanleiding van het rechtshulpverzoek.

Op basis van het door rechtshulp verkregen materiaal kan een verdenking ontstaan dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten (zoals i.c. IB-fraude of niet-ambtelijke omkoping) dan die in het rechtshulpverzoek zijn uiteengezet en op basis waarvan de rechtshulp is verleend. Zoals overwogen mag de officier van justitie naar aanleiding daarvan de rechtshulpverlenende autoriteiten toestemming vragen om het door hen uitgeleverde materiaal te benutten voor een strafvervolging te dier zake.

Indien die toestemming niet wordt verleend heeft dat tot gevolg dat het van rechtshulpverlening afkomstige materiaal niet mag worden gebruikt ten behoeve van de strafvordering en strafvervolging van deze niet in het rechtshulpverzoek uiteengezette strafbare feiten. Dit brengt echter niet mee dat de strafvordering en de strafvervolging ter zake van die andere feiten (IB-fraude en niet-ambtelijke omkoping) is uitgesloten. Indien een verdenking ter zake kan worden onderbouwd door materiaal uit andere bron dan de rechtshulpverlening (door Guernsey) is er geen bezwaar om daarop de verdere opsporing, die strafvervolging en zo mogelijk het strafrechtelijk bewijs te baseren. Dat klemt in deze zaak te meer nu naar ’s hofs oordeel ook voorafgaande aan de verwerving en uitlevering van het rechtshulpmateriaal afkomstig van Guernsey voldoende aanwijzingen bestonden voor een verdenking van IB-fraude. Daaraan doet niet af dat pas in juli 2001 de IB-fraude als zodanig is ingebracht in het zogeheten tripartiete-overleg tussen fiscus, Fiod en openbaar ministerie.

Hierna volgen in vetgedrukte letters en in de woorden van het hof verkorte weergaven van de stellingen van de verdediging, die op uiteenlopende plaatsen in de in eerste en tweede aanleg overgelegde schrifturen zijn te vinden. ’s Hofs daarop aansluitende bespreking daarvan is vervolgens in normaal schrift.

Op 6 september 2001 wordt [naam verdachte] door de Fiod verhoord en worden hem stukken voorgehouden die afkomstig zijn van Guernsey.

Hoewel feitelijk juist is daarmee naar ’s hofs oordeel niet gezegd dat een inbreuk is gemaakt op de ‘Undertaking’. Documenten en verklaringen waaraan aanwijzingen kunnen worden ontleend (i) dat de verdachte zich persoonlijk heeft verrijkt door mee te delen in de opbrengst van de door de criminele organisatie gepleegde Vpb-fraude, en (ii) dat hij regelingen heeft getroffen voor het diverse malen overhevelen van de gelden naar rekeningen waarvan de tenaamgestelde niet zonder meer kan worden geassocieerd met de verdachte of zijn medeverdachten, kunnen dienen ter onderbouwing van de verdenking dat de verdachte zelf heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat hij in dat verband heeft bijgedragen aan de instelling en instandhouding van een versluieringstraject. Het confronteren van de verdachte met die documenten en verklaringen duidt er dus geenszins op dat met de gebruiksbeperking van de Guernsey-autoriteiten de hand is gelicht. Dit geldt eveneens voor de enkele mededeling dat de verdachte vragen zullen worden gesteld die betrekking hebben op hem persoonlijk betreffende IB-fraude, aangezien die vragen kunnen worden gevoed door materiaal uit andere bron dan de rechtshulp. Lezing van het bedoelde zevende verhoor van [naam verdachte] leert dat zulks ook inderdaad is geschied. Een en ander neemt niet weg dat deze wijze van optreden licht verwarring kan wekken. Desalniettemin brengt de feitelijke juistheid van het argument niet mee dat de officier van justitie zijn ‘Undertaking’ heeft verbroken.

De processen-verbaal AH/104 en AH/104A vermelden gegevens afkomstig van Guernsey, mede met het oog op de vervolging van IB-fraude, hetgeen strijdig is met de ‘Undertaking’.

De processen-verbaal AH/104 en AH/104A van respectievelijk 19 en 28 november 2001 betreffen de analyse van geldstromen waar het blijkens de rechtshulpverzoeken aan Guernsey (en Luxemburg) van begin af aan om te doen was. AH/104A eindigt met een recapitulatie en opsomming van geldbedragen die – naar de mening van verbalisanten – door de verdachten [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] uit de opbrengsten van Vpb-fraude zijn genoten. De bewijsbestemming voor deze processen-verbaal is naar ’s hofs oordeel evident gelegen in een onderbouwing van de verdenking dat genoemde personen hebben deelgenomen aan een criminele organisatie, het onder 1 tenlastegelegde. Op zichzelf vormt het opmaken van deze processen-verbaal dus geen inbreuk op de ‘Undertaking’.

Dit neemt niet weg dat deze processen-verbaal tevens zouden kunnen worden gebezigd tot het bewijs ter zake van IB-fraude, gepleegd door de genoemde verdachten persoonlijk, doch alleen indien daarvoor vanwege de Guernsey-autoriteiten toestemming zou zijn verkregen.

Het zogeheten overzichtsproces-verbaal nr. 21631 van 21 december 2001 maakt melding van gegevens die van Guernsey afkomstig zijn.

Deze mededeling is feitelijk juist.

Het enkele opstellen van een overzichtsproces-verbaal waarin van Guernsey afkomstige gegevens zijn verwerkt waarmee de verdenking van IB-fraude wordt onderbouwd, brengt echter – anders dan de verdediging ingang wil doen vinden - geen schending van de ‘Undertaking’ teweeg. Op zichzelf vormt het opstellen van een dergelijk proces-verbaal geen strafvervolging. Evenwel kan dit overzichtsproces-verbaal de aanzet vormen voor strafvervolging of voor nader opsporingsonderzoek naar IB-fraude op basis van het door Guernsey overgedragen feitenmateriaal. Gebruik van het Guernsey-materiaal vereist in die gevallen alsnog toestemming van de bevoegde autoriteiten op Guernsey.

Blijkens de hierboven reeds geciteerde brief van ‘crown attorney’ Wilkins aan officier van justitie Van der Werff van 16 november 2001 stonden de autoriteiten op Guernsey op het moment van opstellen van dit overzichtsproces-verbaal niet afwijzend tegenover het alsnog verlenen van die toestemming voor verderreikend bewijsgebruik. Mr. Van der Werff werd in die brief uit de doeken gedaan hoe een daartoe strekkend verzoek om toestemming zijn beslag zou moeten krijgen en wat de praktische problemen zouden kunnen zijn indien Van der Werff tot het indienen van een dergelijk verzoek zou overgaan. Vervolgens heeft mr. Van der Werff metterdaad een tot toestemming strekkend rechtshulpverzoek gedaan op 13 februari 2002 . Het overzichtsproces-verbaal van 21 december 2001 is gelet op de chronologie en de betekenis van het voorvoegsel ‘overzicht’ klaarblijkelijk opgemaakt om als basis te dienen voor de besluitvorming van de officier van justitie inzake vervolging van de IB-fraude en, indien tot verdere stappen zou worden besloten, het opstellen van een rechtshulpverzoek gericht op het verkrijgen van de bedoelde toestemming van Guernsey. Het behoort zonder meer tot de taak van de Fiod om in zaken als deze de officier van justitie bij proces-verbaal te voorzien van het voor zijn besluitvorming noodzakelijke materiaal. Onder deze omstandigheden is de ‘Undertaking’ dus niet verbroken.

Opmerking verdient voorts nog dat niet aannemelijk is geworden dat dit overzichtsproces-verbaal zelf aan de Belastingdienst ter beschikking is gesteld. De op bladzijde 21 van dit proces-verbaal schematisch weergegeven opsomming van ‘te weinig aangegeven’ bedragen betreft schattingen die voortvloeien uit de in dit overzichtsproces-verbaal verwerkte gegevens die van Guernsey afkomstig zijn. Het hof zal hieronder nog nader toelichten zijn oordeel dat deze schattingen (“bijtellingsgegevens”) de Belastingdienst hebben gebracht tot de verbeterde nadeelberekening van 11 januari 2002 , waaraan vervolgens de in het schema op bladzijde 21 weergeven bedragen in de kolommen ‘vastgesteld belastbaar inkomen’, ‘gecorrigeerd belastbaar inkomen’ en ‘ontdoken inkomstenbelasting’ zijn ontleend . Dat deze bedragen exact overeenkomen met de bedragen aan ‘ontdoken inkomstenbelasting’ die zijn vermeld in de navorderingsaanslagen van 15 mei 2002, zoals verwoord in de brief van mr. Wladimiroff van 1 juli 2002, laat zich verklaren doordat niet alleen bij het hier besproken overzichtsproces-verbaal maar eveneens bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen gebruik is gemaakt van de verbeterde nadeelberekening van 11 januari 2002, hetgeen door belastinginspecteur mw. Y. Th. Rietveld is bevestigd. Deze kwestie komt thans aan de orde.

Het overzichtsproces-verbaal van 21 december 2001 is van eerder datum dan de verbeterde nadeelberekening van 11 januari 2002 waarnaar het overzichtsproces-verbaal vreemd genoeg verwijst. Dus (i) kunnen de Fiod-ambtenaren (anders dan zijzelf hebben verklaard) wel degelijk een nadeelberekening maken en is dat ook daadwerkelijk gebeurd, (ii) is bovendien de verbeterde nadeelberekening slechts een formaliteit waarbij de bedragen uit het overzichtsproces-verbaal zijn overgenomen en (iii) is het overzichtsproces-verbaal aan belastingambtenaar G. Bakker gegeven om (navorderings)aanslagen op te leggen.

Feitelijk juist is dat het overzichtsproces-verbaal een eerdere datum (21 december 2001) vermeldt als datum waarop het zou zijn opgemaakt en gesloten dan de datum van de verbeterde nadeelberekening (11 januari 2002) waarnaar datzelfde overzichtsproces-verbaal verwijst. Desalniettemin volgt het hof de verdediging niet in haar conclusies dat er van misleiding en een verdergaande inbreuk op de ‘Undertaking’ sprake is dan de inbreuk die hieronder aan de orde zal komen.

Waar het in de kern om gaat zijn de vragen (i) of de Fiod in deze kwestie méér informatie (bijvoorbeeld het gehele overzichtsproces-verbaal) aan de Belastingdienst heeft verstrekt dan alleen schattingen van de omvang van de verzwegen inkomsten (van [naam verdachte]) en (ii) of de Fiod aan de Belastingdienst heeft verzocht om op die basis navorderingsaanslagen op te leggen (dan wel dat zulks om een andere reden is gebeurd).

De verklaring die G. Bakker op 13 augustus 2003 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd is op deze punten helder. Hem is door Van Leusden gevraagd een nadeelberekening op te stellen op de grondslag van niets anders dan ‘bijtellingsgegevens’ en de basisgegevens uit de legger van [naam verdachte]. Hij had voor zijn berekening geen enkel onderliggend stuk tot zijn beschikking en kon dus naar zijn zeggen ook niet beoordelen of de bijtellingsgegevens juist waren. Om die reden heeft hij de nadeelberekening geclausuleerd opgesteld, onder het voorbehoud dat de aangeleverde bijtellingsgegevens juist waren, aldus Bakker. Inderdaad valt op bladzijde 1 van de betreffende nadeelberekening van 11 januari 2002 te lezen dat hij, Bakker,

“op verzoek van de Belastingdienst/FIOD Haarlem het nadeel heeft berekend, dat de Belastingdienst zou leiden indien het inkomen van onderstaande belastingplichtige aangepast wordt overeenkomstig de van de Belastingdienst/FIOD Haarlem ontvangen gegevens inzake niet aangegeven inkomsten.”

Bovendien verklaart G. Bakker bij de rechter-commissaris dat hij evenmin op de hoogte was gesteld van de herkomst van de hem overhandigde gegevens. Een en ander was voor hem ongewoon en opvallend, aldus G. Bakker.

De verklaring die Van Leusden op 14 augustus 2003 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd is op deze punten in overeenstemming met die van G. Bakker. Van Leusden heeft in zijn verklaring toegelicht waarom hij niet zelf een nadeelberekening heeft opgesteld, en welke informatie hij wel aan G. Bakker heeft verstrekt (de bijtellingsgegevens), en vooral: welke informatie niet.

De verklaringen van Van Leusden en Bakker lopen evenwel uiteen wat betreft de vraag of Van Leusden aan Bakker heeft meegedeeld dat er (vanwege de Guernsey-autoriteiten) een gebruiksbeperking was aangebracht op de aan de schattingen onderliggende gegevens. Van Leusden kan zich zulks wel herinneren. Bakker verklaart daarentegen dat Van Leusden hem dit niet heeft meegedeeld. Bakker heeft vervolgens – kennelijk onwetend van de gebruiksbeperking – de administratie opdracht gegeven aan de hand van een tweede nadeelberekening navorderingsaanslagen te maken. Hij heeft niet verklaard dat hierom was verzocht van de zijde van Van Leusden of een andere medewerker van de Fiod. Van Leusden ontkent dienovereenkomstig dat hij dit verzoek aan de Belastingdienst heeft gedaan en hij heeft evenmin weet van een dergelijk verzoek afkomstig van enige andere Fiod-medewerker.

Uiteindelijk zijn de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting overigens vastgesteld door inspecteur mw. Y.Th. Rietveld en niet door G. Bakker.

Het hof heeft in deze kwestie bovendien acht geslagen op de verklaringen van J. Gerritsma , genoemde mw. Rietveld en Heijkoop . Deze verklaringen sporen in de hier besproken essentie volledig met de verklaringen van Van Leusden en G. Bakker.

Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de Fiod in verband met de nadeelberekening meer informatie heeft overgedragen aan de Belastingdienst dan louter de schattingen van de omvang van de verzwegen inkomsten van [naam verdachte]. Bovendien heeft de Fiod niet verzocht om aan de hand van deze nadeelberekening een navorderingsaanslag vast te stellen.

Het hof concludeert dat van misleiding of inbreuk op de ‘Undertaking’, anders dan hieronder vastgesteld in navolging van de autoriteiten te Guernsey, geen sprake is. Voor de stellingen van de verdediging is onvoldoende basis.

De verdediging heeft gewezen op de chronologische tegenstrijdigheid tussen de datumvermelding van het overzichtsproces-verbaal en de – latere - datum van de verbeterde nadeelberekening waarnaar in het overzichtsproces-verbaal wordt verwezen. Het hof acht deze tegenstrijdigheid evenwel in het licht van diverse in essentie consistente verklaringen van rechtstreeks betrokkenen geen aanwijzing van zodanig gewicht dat moet worden aangenomen dat ’s hofs hiervoor getrokken conclusie onjuist en/of onhoudbaar is. De anomalie in datering is zeer wel mogelijk het gevolg van een andere gang van zaken dan die door de verdediging van [naam verdachte] voor de werkelijke wordt gehouden en zij laat zich eenvoudig verklaren. Wellicht beschikten de opstellers van het overzichtsproces-verbaal (Hovenkamp en Van Leusden) reeds over de cijfers – in concept - die de opsteller van de verbeterde nadeelberekening nog moest verwerken in een definitief exemplaar van zijn verbeterde nadeelberekening. Gelet op de verklaring van genoemde G. Bakker dat hij in januari 2002 het nadeel (voor de tweede keer) heeft berekend, is nog waarschijnlijker dat het overzichtsproces-verbaal inclusief de schattingen van de omvang van verzwegen inkomsten op 21 december 2001 gereed was en dat de cijfers in de kolommen ‘vastgesteld belastbaar inkomen’, ‘gecorrigeerd belastbaar inkomen’ en ‘ontdoken inkomstenbelasting’ nadien daaraan zijn toegevoegd. Hoewel het laatste – indien dat de werkelijke gang van zaken zou zijn - niet getuigt van de vereiste zorgvuldigheid is een dergelijke onzorgvuldigheid van geheel andere orde dan die van de misleiding en de inbreuk op de ‘Undertaking’ die de verdediging in gedachten heeft als zij haar conclusies trekt.

De door de verdediging ontvouwde redenering faalt dus.

De Belastingdienst heeft op verzoek van de Fiod een nadeelberekening opgesteld waarbij gebruik is gemaakt van informatie die van Guernsey afkomstig is.

Zoals hiervoor al beknopt naar voren is gekomen, is dit verwijt terecht.

Eerst de feitelijke gang van zaken.

Gegevens die kunnen worden onttrokken aan van Guernsey afkomstig rechtshulpmateriaal maakten het de Fiod mogelijk om een schatting te maken van de omvang van de inkomsten die [naam verdachte] vermoedelijk niet aan de fiscus had opgegeven. In een ongedateerd memo met dossiernummer D/664 heeft Fiod-verbalisant Van Leusden de Belastingdienst verzocht het belastingnadeel te berekenen aan de hand van deze schatting van de omvang van verzwegen inkomsten (bijtellingsgegevens), alsmede de bij de Belastingdienst bekende overige gegevens over de IB-aangiftes van [naam verdachte]. Het memo zelf behelst geen andere relevante gegevens dan de hiervoor bedoelde schattingen van de omvang van verzwegen inkomsten, dat wil zeggen louter de opsomming van geldbedragen.

Het verzoek hing blijkens de tekst van het memo samen met een ‘voornemen’ tot strafvervolging ter zake van IB-fraude. Het hof leidt hieruit, uit het proces-verbaal van Van Leusden van 11 september 2002 en uit de verklaringen van accountant en belastingambtenaar P. Heijkoop ter zitting van dit hof af dat het niet de bedoeling was dat deze gegevens hun weg zouden vinden naar de persoonlijke belastingdossiers met het oog op de navordering van inkomstenbelasting. Terzijde zij opgemerkt dat het enkele voornemen tot strafrechtelijke vervolging ter zake van IB-fraude niet in strijd is met de ‘Undertaking’.

Naar aanleiding van dit bij memo D/664 neergelegde verzoek heeft de Belastingdienst een ‘nota van nadeel’ opgesteld , welke overigens daarna nog is verbeterd aan de hand van nadere schattingen van de omvang van de verzwegen inkomsten, resulterend in de reeds genoemde verbeterde nadeelberekening van 11 januari 2002 .

Bij brief van 5 februari 2002 heeft Fiod-verbalisant Van Leusden de Belastingdienst in het bezit gesteld van een drietal fiscale rapporten van 4 februari 2002 , opgemaakt door genoemde Heijkoop, waarin gegevens zijn verwerkt die voor de heffing van inkomstenbelasting relevant zijn en die afkomstig zijn uit andere bron dan de rechtshulpverlening door Guernsey en Luxemburg. Deze gegevens zijn blijkens het begeleidend schrijven door justitie voor fiscaal gebruik vrijgegeven.

Anders dan de bedoeling die door Van Leusden tot uitdrukking werd gebracht in zijn brief van 5 februari 2002, stond niet het fiscale rapport van 4 februari 2002 maar de verbeterde nadeelberekening aan de basis van de navorderingsaanslagen IB. Mw. Y.Th. Rietveld, die deze aanslagen heeft vastgesteld, bevestigt dit ook in haar verklaring van 5 september 2002 .

Daarmee staat vast (i) dat informatie die kan worden teruggevoerd tot de door Guernsey verleende rechtshulp door de Fiod is gebruikt voor het schatten van de omvang van verzwegen inkomsten, (ii) dat deze schattingen aan de Belastingdienst ter beschikking zijn gesteld om voor justitiële doeleinden een nadeelberekening op te stellen, en (iii) dat de schattingen vervolgens op de wijze als beschreven door mw. Rietveld – naar het hof bij gebrek aan aanwijzingen van het tegendeel wil aannemen – door tekortschietende communicatie tussen de Fiod en de Belastingdienst zijn gebruikt als basis voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen. Hoewel er geen tot onvoldoende aanwijzingen zijn dat van Guernsey afkomstige (afschriften van) documenten, getuigenverklaringen of een verkorte weergave van de inhoud daarvan aan de Belastingdienst als zodanig zijn ontsloten, is in elk geval enige informatie, al is het in de vorm van een schatting van de omvang van verzwegen inkomsten, “disclosed (..) to any other agency or person without the consent of Her Majesty’s Attorney-General for Guernsey”, en zijn op basis daarvan navorderingsaanslagen vastgesteld. Hierdoor is gehandeld in strijd met de ‘Undertaking’.

Uiteindelijk heeft deze kwestie geresulteerd in de al eerder besproken brief van Roberts QC, van 24 maart 2003, waarin hij onder meer schrijft aan de opvolgend officier van justitie, mr. Biemond:

“You subsequently attended here with Ms Hovenkamp and explained (...) the relationships between the relevant Dutch Agencies; the nature of a “fiscal report” (which, you advised, did not include any figures from Luxemburg or Guernsey); that the complexity of Dutch tax legislation precluded you from making a loss calculation as requested by Crown Advocate Wilkins without input from the tax office; the limited information which was provided by your office to the tax office to enable the latter to assist with that calculation; and the circumstances in which a mistake had apparently been made concerning the purposes for which the tax office were authorised to use that limited information.

I entirely accept your good faith and that of your predecessor. You have since our meeting kindly provided me with a copy of the fiscal report in translation, containing certain information about the Guernsey accounts which, if I have correctly interpreted matters, derives from other sources – notably the evidence of one David Williams – than that obtained pursuant to the notices issued under the Fraud Investigation Law. In those circumstances, I am prepared to accept that neither your office nor the Dutch Tax Office deliberately set out to breach the undertaking given by your predecessor; and, further, that the inadvertent misuse by the tax office of the limited information from the Guernsey investigation provided to them for other purposes has resulted, paradoxically, in a lower additional assessment being made than might otherwise have been the case. Good faith and inadvertence notwithstanding, however, it remains the case, in my opinion, that the disclosure and subsequent use of the figures obtained from the Guernsey information did constitute a breach of your predecessor’s undertaking.”

Over het gebruik van rechtshulpmateriaal ten behoeve van een strafvervolging voor IB-fraude schrijft Roberts:

“I would be very reluctant indeed to risk damage to the chances of successfully prosecuting a serious fraudster (and fiscal fraud is no different from any other fraud) on the basis of an advertent failure to comply with requirements imposed when acceding to a request under the 1991 Law. Having said that, it was emphasised on numerous occasions that the information obtained pursuant to that request could only be used for the purpose of prosecuting Mr [naam verdachte] and others in connection with the American Energy fraud, and your office were fully aware that without our permission it could not be used to prosecute any of the defendants for falsifying their own tax forms. Even if it was with a view to making a calculation of the tax that would be due, the information obtained pursuant to the 1991 Law simply should not have been handed to the Dutch Tax Office. We always ask for such undertakings, and the fact that we do so is very well known throughout the Guernsey finance industry. (…).

In all the circumstances, and not without a great deal of anxious thought, I have come to the view that it would not be appropriate to consent to the use of the information obtained in Guernsey pursuant to the 1991 Law in connection with the American Energy fraud for the purpose of criminal proceedings based upon a defendant’s personal tax returns. (…).”

De bevoegde autoriteit te Guernsey, hier in de persoon van Roberts QC, oordeelt dus op basis van de informatie die hem door mr. Biemond in persoon is verstrekt, en welke informatie naar ’s hofs hierboven weergegeven oordeel een juiste weergave is van de gewraakte gang van zaken, dat de ‘Undertaking’ door de Nederlandse justitie onopzettelijk is geschonden en dat mede om die reden géén toestemming wordt gegeven voor het gebruik van de door Guernsey uitgeleverde documenten en verklaringen ten behoeve van een strafvervolging wegens het opzettelijk onjuist doen van aangifte voor de inkomstenbelasting door [naam verdachte] en anderen.

Het hof ziet feitelijke noch juridische gronden om af te wijken van het standpunt van de autoriteiten te Guernsey, te meer daar het hier een schending betreft van de belofte die jegens diezelfde autoriteiten is gedaan.

Het hof vermag in dit verband niet in te zien op welke wijze de verdachte door deze schending van de ‘Undertaking’ jegens de bevoegde autoriteiten te Guernsey “onherstelbaar is benadeeld”. Overeenkomstig de ‘Undertaking’ zoals die in het licht van de latere correspondentie tussen de Guernsey- en de Nederlandse justitiële autoriteiten moet worden begrepen, zal het hof geen gegevens die enkel en alleen herleidbaar zijn tot materiaal dat van Guernsey afkomstig is bezigen voor het bewijs van andere misdrijven dan het onder 1 tenlastegelegde misdrijf. Een eventuele schending van de ‘Undertaking’ in een fiscale procedure kan ten overstaan van de fiscale rechter aan de orde worden gesteld. In zoverre is [naam verdachte] dus niet benadeeld, laat staan onherstelbaar.

Vergelijking van enerzijds de bedragen waarop verzwegen inkomsten worden geschat zoals opgesomd in het ten behoeve van de Belastingdienst door justitie vrijgegeven fiscale rapport van 4 februari 2002 met anderzijds de aan de hand van het Guernsey-materiaal gegenereerde bijtellingsgegevens die de basis vormden voor de verbeterde nadeelberekening van 11 januari 2002, leert dat het gebruik van de van Guernsey afkomstige gegevens heeft geleid tot aanzienlijk lagere schattingen van de omvang van de inkomsten die door [naam verdachte] zouden zijn verzwegen. Kortom, de stelling dat [naam verdachte] “onherstelbaar is benadeeld” verdient nadere – in casu ontbrekende - onderbouwing. Aangezien het hof in dit kader evenmin ambtshalve op onherstelbare benadeling van [naam verdachte] is gestuit, zal het hof in navolging van Roberts Q.C. constateren dat de ‘Undertaking’ onopzettelijk – dat wil zeggen: door miscommunicatie - is geschonden, en het daarbij laten. Met de omstandigheid dat Roberts Q.C. heeft geweigerd om aanvullende toestemming te geven voor verdergaand bewijsgebruik van het Guernsey-materiaal is [naam verdachte] meer dan voldoende tegemoetgekomen.

Anders dan gesteld door de Fiod lag aan het verzoek van Van Leusden om door de Belastingdienst een nadeelberekening op te laten maken geen verzoek van de autoriteiten van Guernsey ten grondslag.

In het dossier bevindt zich inderdaad géén bescheid dat blijk geeft van een schriftelijk verzoek van de autoriteiten van Guernsey om in het bezit te worden gesteld van een schatting van het nadeel dat de Nederlandse Belastingdienst zou hebben geleden door de IB-fraude van de zijde van [naam verdachte], voorafgaande aan het ongedateerde memo van Van Leusden, D/664, en voorafgaande aan de op zijn verzoek opgestelde nadeelberekening van 30 oktober 2001 . Het eerste document waaruit een dergelijk verzoek naar voren komt is de hiervoor geciteerde brief van Wilkins aan Van der Werff van 16 november 2001:

“I don’t believe we have ever received an indication of the tax lost by [naam verdachte]’s false personal declarations. This problem could of course be simply overcome by you giving us an estimate of the tax lost as a result of [naam verdachte]’s false statements.”

Het proces-verbaal van Van Leusden van 11 september 2002 (AH/126) vermeldt dat in dit citaat door de autoriteiten schriftelijk werd verwoord hetgeen eerder mondeling was aangegeven aan de opsporingsambtenaren Hovenkamp en Van Leusden tijdens de uitvoering van het rechtshulpverzoek.

Anders dan de verdediging van [naam verdachte] acht het hof dit proces-verbaal geen “maskerade”.

Feit is dat ‘crown attorney’ Wilkins Fiod-verbalisant Hovenkamp telefonisch en vervolgens bij hierboven geciteerde brief van 3 september 2001 schriftelijk heeft gewezen op de door Guernsey gestelde gebruiksbeperkingen aan het rechtshulpmateriaal en dat de officier van justitie Van der Werff vervolgens bij hierboven geciteerde brief van 13 september 2001 aan ‘Attorney General’ Rowland heeft verzocht de gebruiksbeperking op te heffen. De gebruiksbeperking en het verzoek tot opheffing waren dus op dat moment onderwerp van bespreking tussen de autoriteiten op Guernsey en de Nederlandse justitie. In aanmerking genomen de betrekkelijk informele relatie die inmiddels na een drietal bezoeken aan Guernsey was ontstaan tussen enerzijds op Guernsey “Paul” Wilkins en “Andy” Domaille, en anderzijds in Nederland “Monique and Peter”, respectievelijk Hovenkamp en Van Leusden, mag het niet verwonderlijk heten dat deze kwestie ook tussen hen onderwerp van mondeling beraad is geweest tijdens het vierde bezoek van Hovenkamp en Van Leusden aan Guernsey in de periode van 8 tot en met 12 oktober 2001. Dat Wilkins zijn gedachten hierover reeds eerder dan de brief van 16 november 2001 mondeling aan Hovenkamp en Van Leusden kenbaar had gemaakt acht het hof derhalve bepaald niet onaannemelijk. Vervolgens zal in die lezing Van Leusden zich tot taak hebben gesteld de Belastingdienst te verzoeken een nadeelberekening op te maken, welk verzoek vervolgens op 30 oktober 2001 werd gehonoreerd.

Eenmaal gehoord als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaart Van Leusden anders, namelijk dat - pas - zijn tweede verzoek om een nadeelberekening (hof: die resulteerde in de verbeterde nadeelberekening van 11 januari 2002) aanleiding vond in een concreet verzoek daartoe afkomstig van de bevoegde autoriteiten op Guernsey.

Aangezien Van Leusden in diezelfde passage als waarin hij melding maakt van de hiervoor beschreven toedracht, twee vergissingen maakt over de dossiervorming in het opsporingsonderzoek houdt het hof het zeer wel voor mogelijk dat hij eveneens ten aanzien van het in AH/126 gerelateerde mondelinge verzoek blijk geeft van een enigszins vervaagd herinneringsbeeld.

Al met al ziet het hof in het voorgaande onvoldoende grond om het proces-verbaal AH/126 voor - opzettelijk - onjuist te houden wat betreft de mededeling dat door de autoriteiten op Guernsey reeds eerder mondeling was aangegeven (in de woorden van het hof) dat het verzoek om opheffing van de gebruiksbeperking vergezeld diende te gaan van een nadeelberekening teneinde de mate van ernst van de IB-fraude te onderbouwen.

Misleiding is in dit verband onvoldoende komen vast te staan.

Ook indien zou moeten worden aangenomen dat er géén mondeling verzoek van de zijde van de Guernsey-autoriteiten ten grondslag heeft gelegen aan het opmaken van de eerste nadeelberekening zou het hof daaraan overigens geen andere consequenties hebben verbonden in de strafvervolging van [naam verdachte]. Met of zonder (mondeling) verzoek vanuit Guernsey, in beide gevallen is informatie die werd onttrokken aan het van Guernsey afkomstige rechtshulpmateriaal in de vorm van schattingen van de omvang van verzwegen inkomsten aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld. De bevoegde autoriteiten op Guernsey hebben zulks als een inbreuk op de hun gegeven ‘Undertaking’ aangemerkt, en naar het hof begrijpt is in dat oordeel niet relevant of door de Guernsey-autoriteiten al dan niet is verzocht om een berekening van het door de fiscus geleden nadeel.

P. Heijkoop, ambtenaar van de Belastingdienst, heeft binnen de kaders van het American Energy-onderzoek tezamen met de Fiod-ambtenaren Van Leusden en Hovenkamp van 25 tot en met 29 juni 2001 verbleven op Guernsey. Hij heeft niet alleen aldaar maar bij diverse gelegenheden documenten aanschouwd die niet aan de Belastingdienst mochten worden geopenbaard. Zijn fiscale rapporten van 4 februari 2002 zijn ‘besmet’ met kennis die niet aan de Belastingdienst mocht worden vrijgegeven.

Heijkoop heeft inderdaad eind juni 2001 deel uitgemaakt van het gezelschap dat in vervolg op een rogatoire commissie van de officier van justitie op Guernsey heeft verbleven. Uit het proces-verbaal van Fiod-ambtenaar Hovenkamp van 12 december 2003 volgt dat Andy Domaille, als rechercheur werkzaam bij de Guernsey-police, vooraf op de hoogte was gesteld van de achtergrond en functie van Heijkoop en dat deze heeft ingestemd met de aanwezigheid van Heijkoop teneinde documenten te bestuderen en de Fiod-ambtenaren aldus in hun onderzoek bij te staan. In de praktijk is Heijkoop noch aanwezig geweest bij het horen van getuigen (daarvoor was géén toestemming), noch heeft hij aldaar documenten bestudeerd. Een inbreuk op de ‘Undertaking’ levert een en ander dus niet op.

In Nederland is Heijkoop in de gelegenheid geweest alle documenten en processen-verbaal die hem relevant voorkwamen te bestuderen. Naar het hof heeft begrepen was hij weliswaar werkzaam als accountant en (controlerend) ambtenaar bij de Belastingdienst, maar is hij gedurende de loop van het strafrechtelijk onderzoek, en wel vanaf april 2000, ter ondersteuning toegevoegd aan het rechercheteam van de Fiod. Voor informatie-overdracht van de Fiod aan de Belastingdienst heeft hij gezorgd door het opmaken van de zogeheten fiscale rapporten van 4 februari 2002, dat hem was opgedragen door zijn toenmalige functioneel teamleider bij de Fiod, Van Leusden.

Onder de (hier globaal) geschetste omstandigheden oordeelt het hof dat Heijkoop toegang heeft gekregen tot materiaal dat van Guernsey afkomstig was, niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar van de Belastingdienst doch in zijn hoedanigheid van analist en accountant wiens deskundigheid door het rechercheteam van de Fiod was ingeroepen en van welk team hij indertijd als zodanig deel uitmaakte. Een en ander levert geen strijd op met de ‘Undertaking’.

Dat de fiscale rapporten zijn ‘besmet’ met Heijkoops kennis van het van Guernsey afkomstige materiaal is het hof bij lezing van die rapporten niet gebleken. Nadere onderbouwing voor deze stelling van de verdediging ontbreekt.

Uit de brief van Van der Werff van 19 oktober 2001 aan mr. Italianer, de advocaat van ABN AMRO Bank N.V., blijkt dat Van der Werff heeft toegestaan dat het Guernsey-materiaal werd ontsloten aan de Belastingdienst.

De gewraakte passage luidt:

“Medewerkers van het opsporingsteam hebben gaandeweg het opsporingsonderzoek documenten geselecteerd waarvan het hen dienstig leek mij voor te stellen deze geselecteerde documenten ter beschikking te stellen van de Belastingdienst. Vervolgens heeft de heer De Haan dit samengestelde dossier met documenten bij de FIOD mogen inzien. Bij inzage bleek dat hij het onderliggende stuk, dan wel het volledige stuk ook wilde aanschouwen. Vervolgens is hem toegestaan ook deze stukken in te zien en aan te geven of dat voor de Belastingdienst belangrijk was. Als laatste hebben medewerkers van het opsporingsteam met de heer De Haan het totale dossier kort doorgenomen op de aanwezigheid van nog andere relevante bescheiden. De geselecteerde stukken zijn vervolgens aan mij voorgelegd. (…).”

Genoemde De Haan is werkzaam als ontvanger van de Belastingdienst en was als zodanig betrokken bij de onderhandelingen tussen enerzijds de Belastingdienst en anderzijds ABN AMRO Bank N.V. (de Bank) over de (gedeeltelijke) aansprakelijkheid van de Bank voor de belastingschulden van de dochtervennootschappen van Oxbridge Investments Ltd. Daartoe wensten zowel de ontvanger als de advocaat van de Bank, mr. Italianer, te beschikken over de voor hen relevante delen van het strafdossier.

De vraag rijst of uit de hier geciteerde passage voortvloeit dat door de Fiod (het opsporingsteam) is gehandeld in strijd met de ‘Undertaking’. Het ‘samengestelde dossier’ dat De Haan bij de Fiod heeft mogen inzien betreft documenten die door de Fiod zijn geselecteerd ten behoeve van de Belastingdienst. Daarvan moet worden aangenomen dat het een selectie betreft waarmee de door de Guernsey-autoriteiten gestelde gebruiksbeperking niet werd verbroken. Zoals hiervoor al veelvuldig overwogen ontbreken de aanwijzingen van het tegendeel. De uiteindelijk geselecteerde stukken zijn vervolgens voorgelegd aan de officier van justitie, die – naar het hof begrijpt – heeft beoordeeld of de afgifte van de betreffende documenten toelaatbaar was.

Dat daarenboven de medewerkers van het opsporingsteam met de heer De Haan “het totale dossier kort (hebben) doorgenomen op de aanwezigheid van nog andere relevante bescheiden” noopt evenmin tot het oordeel dat (ernstig) is verzaakt in het respecteren van de ‘Undertaking’, in aanmerking genomen de aanzienlijke omvang van het dossier (reeds medio 2001) en het korte tijdsbestek waarin het doornemen van het dossier klaarblijkelijk heeft plaatsgehad. Bovendien is ook niet anderszins aannemelijk geworden dat zich onder de uiteindelijke selectie bescheiden bevonden die door de Guernsey-autoriteiten waren uitgeleverd. Gelet op de taak van De Haan, te weten het beoordelen van de aansprakelijkheid van de Bank jegens de fiscus, ligt het ook niet zonder meer voor de hand dat het Guernsey-materiaal zijn primaire belangstelling had. Wat daar ook van zij, naar mag worden aangenomen zou een eventuele selectie van Guernsey-materiaal niet de instemming van de officier van justitie hebben gekregen.

De brief van 17 juni 2002 van officier van justitie Van der Werff aan mr. Siekman, raadsman van [naam verdachte], bevat een mededeling waaruit kan worden afgeleid dat Van der Werff bewust de ‘Undertaking’ heeft geschonden, en bevat bovendien een onjuiste mededeling over het verstrekken van Guernsey-informatie aan de Belastingdienst.

De hier bedoelde brief van officier van justitie mr. Van der Werff is een reactie op een brief van mr. Siekman van 12 juni 2002, waarin Siekman Van der Werff om opheldering vraagt en hem als bijlage doet toekomen het fiscaal rapport van Heijkoop van 4 februari 2002 dat mr. Siekman in afschrift heeft ontvangen van de belastinginspecteur, mw. Rietveld, die verantwoordelijk was voor de navorderingsaanslagen IB van 15 mei 2002.

De gewraakte passage uit de brief van mr. Van der Werff luidt:

“In antwoord hierop bericht ik u dat het betreffende fiscale rapport mij reeds bekend was. Ik heb persoonlijk toestemming gegeven dit rapport toe te sturen aan de belastingdienst ten behoeve van een eventuele aanslagregeling. Ik heb er evenwel nadrukkelijk op toegezien dat in de rapportage aan de belastingdienst geen informatie is verwerkt die afkomstig is uit de op Guernsey verzamelde informatie in het kader van de uitvoering van de verleende rechtshulp.”

Naar hetgeen kan worden opgemaakt op basis van het dossier houdt het hof deze passage geheel voor juist. In gedachten moet worden gehouden dat Van der Werff hier onmiskenbaar het hem als bijlage toegezonden fiscale rapport van 4 februari 2002 voor ogen stond, alsmede de gegevensoverdracht aan de Belastingdienst die met dit rapport en de daaraan onderliggende stukken werd bewerkstelligd. Blijkens het begeleidend schrijven van 5 februari 2002 , waarmee Van Leusden de fiscale rapporten van 4 februari 2002 aan de Belastingdienst had doen toekomen, waren deze rapporten door justitie ‘vrijgegeven’ voor fiscaalrechtelijk gebruik. Ongetwijfeld zal Van der Werff daarvoor persoonlijk toestemming hebben gegeven, zo volgt eveneens uit zijn ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring. Die toestemming is niet in strijd met de ‘Undertaking’, zolang in die fiscale rapportage geen aan Guernsey-materiaal ontleende gegevens zijn opgenomen. In de bewuste fiscale rapportage, zo leert lezing ervan en van de ambtshandelingen waarnaar in de rapportage wordt verwezen, is informatie verwerkt die afkomstig is uit andere bron dan de door Guernsey en Luxemburg verleende rechtshulp en niet (ook) informatie uit Guernsey of Luxemburg. Van misleiding is dus geen sprake. Van schending van de ‘Undertaking’ evenmin.

Niettemin zijn op 15 mei 2002 navorderingsaanslagen vastgesteld waarbij gebruik was gemaakt van een (verbeterde) nadeelberekening, waarin op Guernsey-materiaal gebaseerde schattingen van door [naam verdachte] verzwegen inkomsten waren verwerkt. Niet aannemelijk is geworden dat Van der Werff bij het redigeren van de brief van 17 juni 2002 persoonlijk weet had van die omstandigheid. In elk geval wordt hem eerst bij brief van Wilkins van 4 juli 2002 om uitleg gevraagd onder verwijzing naar omstandigheden die tot geen andere conclusie konden leiden dan dat in strijd met de ‘Undertaking’ aan Guernsey-materiaal ontleende informatie is overgedragen aan de Belastingdienst en is gebruikt ten behoeve van de vaststelling van de navorderingsaanslagen. Deze kwestie is hierboven reeds uitgebreid besproken.

Misleiding is wederom niet aannemelijk geworden.

De hiervoor bedoelde brief van Van der Werff van 17 juni 2002 bevat een andere onjuiste passage.

Deze stelling is juist. De gewraakte passage uit de brief van Van der Werff aan mr. Siekman van 17 juni 2002 luidt:

“Overigens heb ik de autoriteiten van Guernsey alleen (onderstreping hof) verzocht de informatie voor de verdenking van individuele belastingdelicten te mogen gebruiken.”

In werkelijkheid had Van der Werff bij brief van 13 september 2001 aan ‘Attorney General’ Rowland méér verzocht:

“Tevens verzoek ik uw toestemming om de betreffende gegevens en bescheiden te mogen gebruiken in het kader van de heffing van belasting van genoemde personen.”

Het hof houdt de gewraakte mededeling uit de brief van 17 juni 2002 voor een vergissing. Deze slordigheid behoeft in deze strafzaak naar ’s hofs oordeel niet tot andere rechtsgevolgen te leiden dan de enkele constatering ervan.

De verdenking ter zake het onjuist doen van aangiften IB is uitsluitend het gevolg van de kennisneming van de Guernsey-gegevens. De gegevens uit Guernsey zijn besproken in het TPO, zulks in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Belastingdienst.

Het hof deelt dit standpunt niet. Op basis van de al eerder tegen [naam verdachte] gerezen verdenking ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie is op 11 april 2000 op zijn werk- en huisadres huiszoeking verricht. Met name in een attachékoffer en in de auto van [naam verdachte] zijn documenten aangetroffen die blijkens onder meer de ambtshandelingen AH/57 van 14 mei 2001, AH/59 van 24 mei 2000, AH/65 van 7 juni 2000, AH/67 van 11 juli 2000, AH/70 van 15 mei 2001, AH/71 van 26 februari 2001 aan onderzoek zijn onderworpen. Voorts is op 22 juni 2000 van bepaalde documenten de uitlevering gevorderd aan F. Deijs, welke documenten eveneens zijn onderzocht. Bij ambtshandeling AH/61 van 26 mei 2000 is verslag gedaan van onderzoek naar de geldstromen van en naar Cititrading. Op 31 januari en 1 februari 2001 werd David Williams als getuige gehoord.

Tegen de achtergrond van de overweging dat Nederlands belastingplichtigen die deelnemen aan een samenwerkingsverband dat zich structureel en op grote schaal te buiten gaat aan een fiscale fraude in de sfeer van de vennootschapsbelasting (ter zake waarvan al eerder verdenking was gerezen) niet licht de Belastingdienst zullen informeren over hun aldus verworven inkomsten, rechtvaardig(d)en de analyses van de documenten en overige inbeslaggenomen voorwerpen (agenda’s e.d.), alsmede de verklaring van Williams een redelijk vermoeden van schuld aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte voor de inkomstenbelasting, zonder dat daaraan enig van Guernsey afkomstig gegeven heeft bijgedragen. Hiervan getuigen voorts het fiscale rapport van 4 februari 2002, D/667, dat vrijwel alleen gegevens behelst die vóór juni 2001 bekend waren geworden, en de toelichting van 7 mei 2001 bij de aanmelding voor het tripartiete-oveleg, die eveneens duidelijk maakt dat er destijds al goede redenen waren om de strafrechtelijke weg te kiezen waarbinnen het opsporingsonderzoek naar deze vorm van fraude nader moest worden ingevuld zonder dat daarin overwegingen omtrent de resultaten van rechtshulpverlening door Guernsey werden betrokken. Ook indien de van Guernsey afkomstige gegevens buiten beschouwing worden gelaten is deze keuze dus zonder meer inzichtelijk.

Met andere woorden, het verwijt van de raadsman van [naam verdachte] aan het adres van het openbaar ministerie dat de autoriteiten op Guernsey ten onrechte niet werd meegedeeld dat de verdenking ter zake van IB-fraude “uitsluitend” was gerezen naar aanleiding van gegevens die van Guernsey afkomstig waren is eenvoudigweg gebaseerd op een onjuiste veronderstelling.

Dat de gegevens uit Guernsey in het tripartiete-overleg ter tafel zijn gekomen is een stelling die niet nader is onderbouwd en waarvoor het dossier geen aanwijzingen bevat.

De brief van Van der Werff van 2 april 2002 is misleidend omtrent het tijdstip waarop de verdenking ter zake van IB-fraude jegens [naam verdachte] is gerezen.

De gewraakte brief luidt voor zover relevant als volgt:

“In mijn brief van 25 april 2001 heb ik u hierover geantwoord en aangegeven dat in de rechtshulpverzoeken de verdenking wordt omschreven dat uw cliënt heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waaronder valsheid in geschrift en het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van belastingaangiften. De valsheid in geschrift en de onjuiste belastingaangiften zien in dat verband op de geproduceerde stukken door de verschillende vennootschappen.

Uitdrukkelijk is vermeld dat het onderzoek zich niet richt op individuele belastingaangiften, maar dat de uitkomsten van onderzoek kunnen uitwijzen dat natuurlijke personen, waaronder uw cliënt, zichzelf hebben verrijkt en dat daaruit een mogelijke verdenking kan ontstaan van een onjuiste aangifte voor de inkomstenbelasting.

De betrokkenheid van uw cliënt in de vorm van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is in en vroegtijdig stadium van het onderzoek naar de mening van het Openbaar Ministerie reeds naar voren gekomen.

Eerst pas na uitvoering van de rechtshulpverzoeken op Guernsey en de analyse van de geldstromen, als vermeld in ambtshandeling 98 en 104 van het proces-verbaal van de Fiod van respectievelijk 6 december 2001 en 19 november 2001 zijn stukken boven tafel gekomen die duidelijk maken dat uw cliënt ook financieel bij de omschreven verdenking betrokken is.

Die uitkomsten hebben mij aanleiding gegeven te denken dat uw cliënt zich persoonlijk heeft verrijkt. Dat is de reden dat in de nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek van 22 maart 2002 thans melding wordt gemaakt van verdenking van het onjuist doen van inkomstenbelastingaangiften.

De vrijgave van de aangetroffen stukken op Guernsey ten behoeve van het gebruik van deze stukken voor de onjuiste aangiften inkomstenbelasting vormt een belangrijk punt in de overweging uw cliënt voor deze feiten te gaan dagvaarden. Daarmee zij overigens niet gezegd dat ik mij zal onthouden van een dergelijke tenlastelegging als voornoemde vrijgave niet plaatsvindt.”

De mededeling in deze brief (en in die van 25 april 2001) dat het onderzoek zich (in april 2001) niet richtte op de individuele belastingaangiften (hof: van de Nederlandse verdachten) is in zoverre juist en begrijpelijk dat in april 2001 nog geen aanmelding bij het tripartiete-overleg had plaatsgevonden en dus nog moest worden besloten òf een vervolg zou worden gegeven aan de aanwijzingen voor IB-fraude die zich concretiseerden in het onderzoek naar de criminele organisatie, en zo ja, langs welke weg, de administratieve of de strafrechtelijke.

De mededelingen dat “eerst pas na” uitvoering van de rechtshulpverzoeken en analyse van de geldstromen “duidelijk” is geworden dat [naam verdachte] “financieel bij de omschreven verdenking betrokken is” en dat “die uitkomsten (…) aanleiding (hebben) gegeven te denken dat uw cliënt zich persoonlijk heeft verrijkt” doen vermoeden dat de officier van justitie zeer hoge (naar ’s hofs oordeel: te hoge) eisen stelt aan het ontstaan van een ‘verdenking’. De officier heeft zijn mededelingen echter niet gegoten in de vorm van “verdenking”, maar in die van “duidelijk maken” en “geven mij aanleiding te denken”. De betekenis van deze woorden is in dit juridische verband vatbaar voor discussie, en de woorden zijn in dit verband minst genomen verwarrend.

Het hof acht het in elk geval aannemelijk dat de officier van justitie zijn besluitvorming over strafvervolging van [naam verdachte] ter zake van IB-fraude heeft laten afhangen van een analyse van de geldstromen (AH/104 en AH/104A) van november 2001, van het overzichtsproces-verbaal van 21 december 2001 en van de eventuele mogelijkheden om het van Guernsey afkomstige materiaal aan te wenden voor een strafvervolging wegens IB-fraude, waartoe hij op 13 februari 2002 een rechtshulpverzoek had doen uitgaan. Zijn schriftelijke mededeling kan dan ook worden begrepen als een uiting met de strekking dat op het punt van IB-fraude pas na kennisneming van de hiervoor genoemde processen-verbaal naar het oordeel van de officier van justitie zodanig sterke aanwijzingen zijn ontstaan dat een strafvervolging in de vorm van een uitbreiding van het gerechtelijk vooronderzoek nodig is geworden. Aldus begrepen is van misleiding geen sprake.

Evenmin is aannemelijk geworden dat de officier van justitie op dit punt feiten of omstandigheden heeft willen versluieren. Het tijdstip waarop de verdenking inzake IB-fraude binnen de periode van mei 2001 tot april 2002 is ontstaan heeft het hof voor de bepaling van het moment waarop een nadere vordering gvo behoorde te worden ingediend reeds niet relevant geoordeeld .

Conclusie inzake de verweren gecategoriseerd onder A, B en C van [naam verdachte]

Voor zover het hof is gestuit op mogelijke onzorgvuldigheden van de zijde van of onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie kan het hof daaraan geen consequenties verbinden, aangezien daarvoor slechts ruimte is indien de bewuste onzorgvuldigheid aannemelijk is geworden en in die mate van waarschijnlijkheid in rechte is kunnen worden vastgesteld.

Resteert ’s hofs oordeel – in navolging van de bevoegde autoriteiten op Guernsey – dat de jegens hen gedane ‘Undertaking’ op enig moment onopzettelijk is verzaakt. Daaraan verbindt het hof geen verdergaande rechtsgevolgen dan de bevoegde autoriteiten reeds hebben willen doen. Misleiding is ook overigens niet aannemelijk geworden. Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd brengt het hof tot het oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte en dat er bovendien geen reden is voor bewijsuitsluiting als sanctie op vormverzuimen, noch - in dit kader - voor strafvermindering.

IV. Gebruiksbeperkingen aan het Luxemburgse rechtshulpmateriaal

De raadsman van [naam verdachte] heeft niet uitdrukkelijk verwezen naar de verweren die namens [naam medeverdachte 1] zijn gevoerd strekkende tot uitsluiting van het van Luxemburg afkomstige rechtshulpmateriaal voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover daarin melding is gemaakt van een ander oogmerk dan het uitdrukkelijk in het rechtshulpverzoek aan Luxemburg vermelde oogmerk: Vpb-fraude en valsheid in geschrift.

Aangezien voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde ook het Luxemburgse rechtshulpmateriaal relevant zal blijken te zijn, heeft het hof de bespreking van de verweren van [naam medeverdachte 1] als bijlage aan dit arrest gehecht. Voor zover relevant moet die bijlage als hier ingelast worden beschouwd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof komt hierop terug in hoofdstuk 4.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

in de periode vanaf 1 januari 1992 tot en met 11 april 2000 te Amsterdam

heeft deelgenomen aan een organisatie,

zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en American Energy B.V. (voorheen Anterra Beheer B.V.) en Oxbridge Investments Limited en F.L. [naam medeverdachte 3] en B. [naam medeverdachte 5] en J. [naam medeverdachte 4] en J.J.P. [naam medeverdachte 1] en S.M.M.A.J. [naam medeverdachte 2] en G. [naam medeverdachte 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het doen van onjuiste aangifte Vennootschapsbelasting en

- omkoping van anderen dan ambtenaren,

welke deelneming bestond uit

het verrichten van handelingen en het bijwonen van besprekingen betreffende de aankoop en/of verkoop van winstvennootschappen en/of

het verrichten van (voorbereidende) handelingen betreffende het overboeken en/of het ontvangen van het kasgeld van voormelde winstvennootschappen naar en/of op buitenlandse bankrekeningen

en/of het leggen en/of onderhouden van contacten.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Index

Toelichting:

De nummers waarnaar de hoofdstukken, onderdelen en paragrafen verwijzen zijn niet de paginanummers van het arrest maar tellen vanaf het paginanummer van de eerste bladzijde van de bewijsoverwegingen. De lezer zal dus telkens het paginanummer van de aan de bewijsoverwegingen voorafgaande bladzijde moeten optellen bij de hieronder vermelde nummers.

De hoofdstukken 1, 2 en 3 zijn voor alle verdachten gelijkluidend

Hoofdstuk 1 – Algemene bewijsoverwegingen 1

Onderdeel 1 – Inleiding 1

Handel in winstvennootschappen 1

Oxbridge 2

Oxbridge en de aanschaf van winstvennootschappen 4

Oxbridge en de aanschaf van vermogensrechten 5

Rechtsoverwegingen 7

Oxbridge en de exploitatie van vermogensrechten 9

Onjuiste en/of onvolledige aangiften Vpb 11

Onderdeel 2 13

A. De winstvennootschappen 13

A1. Anterra 13

A2. Penn 14

A3. Interbaros 15

A4. Rentafixe 16

A5. Egg 17

A6. Egg II 18

A7. Kip en Ei / Egg III 19

B. Vpb-aangiften 21

B1. Aangifte Penn over 1992 (D/129) 22

B2. Aangifte Anterra over 1993 (D/130) 23

B3. Aangifte Anterra over 1994 (D/131) 23

B4. Aangifte f.e. Anterra over 1995 (D/132) 24

B5. Aangifte Rentafixe over 1994 (D/135) 25

B6. Aangifte Egg over 1994/1995 (D/136) 26

C. Immateriële activa 27

C1. Hard Paper 27

C2. Oil Leases 35

C3. Coals Production Payments I en II 39

C4. Zeoliet 51

C5. Mexican Coal Claim 57

C6. Colorado Mining Claims 61

C7. Samenvatting en conclusies immateriële activa 67

Algemene conclusies aangaande de werkwijze van Oxbridge 69

Onderdeel 3 – de tenlastegelegde misdrijven 71

Onjuist doen van Vpb-aangifte 71

Aandeel van hulppersonen en toerekening aan rechtspersonen 71

Zijstap: VRIJSPRAAK van de Vpb-aangifte Interbaros 76

Vervolg onjuist doen van Vpb-aangifte – opzet 77

Rechtsdwaling 79

Vervolg onjuist doen van Vpb-aangifte – nadeelberekening 85

Bespreking van verweren mbt gevolgen belastingheffing in Nederland 86

Algemene overwegingen over deelnemen aan een criminele organisatie 88

Bespreking van verweren – oogmerk organisatie/economisch eigendom 88

Hoofdstuk 2 – De buitenlandse verdachten 90

Onderdeel 1: meer in het bijzonder [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] 90

Vergoeding voor werkzaamheden 90

De klusjes van [naam medeverdachte 6] 96

Nogmaals Hard Paper 101

D/569 105

Voorfinanciering 105

Kanaken Beheer BV, de ‘Prism’-rechten en Micondale 110

D/693 120

Tussenconclusie inzake [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] 124

Onderdeel 2 – Meer in het bijzonder [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] 126

Letters of goodstanding 126

Fiscale memoranda 128

Briefwisselingen en documenten 132 Verdeellijsten 138 Vervolg voorfinanciering aanschaf winstvennootschappen 139 Tussenconclusie [naam medeverdachte 4]/tweede tussenconclusie [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5]

en [naam medeverdachte 6] 140

Onderdeel 3 - Verklaringen 143

[naam medeverdachte 3] over de essentie van de handel in winstvennootschappen 143

[naam medeverdachte 3] 144

[naam medeverdachte 6] 156

Williams 160

Shook 161

[naam medeverdachte 5] 161

Onderdeel 4 – Conclusie inzake [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] 163

Hoofdstuk 3 – De Nederlandse verdachten 164

Onderdeel 1 164

De functie en rol van [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] 164

Geldstromen 166

D. de betaaladressen 167

D1. Cititrading 167

D2. Hubbard en Schaap / Jason / Case / Morgan Adler / BMC 167

D3. Havelet Trust / Minerva / Barbizon 173

D4. Subaccount Epsilon 188

D5. Banque Scandinave, rekeningnummer 179.116 189

D6. Bankrekeningen bij Crédit Européen 193

E. De geldstromen 199

E1. Anterra/Penn 200

E2. Interbaros 206

E3. Rentafixe 210

E4. Rentafixe – nagekomen gelden 214

E5. Rentafixe – uitgevoerde betalingen nagekomen gelden 217

E6. Egg 220

E7. Egg II 224

Conclusies inzake de geldstromen 226

Verklaringen over de geldstromen 227

[naam medeverdachte 3] 227

[naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] 233

Williams 234

Onderdeel 2 235

F. Bespreking aandeel [naam verdachte], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] 235

F1. Functie en bevoegdheden [naam medeverdachte 2] / rol van de Bank 235

F2. Bijdrage [naam verdachte] 239

F3. Voorafgaande aan Anterra/Penn en de ‘fixed fee’ 247

F4. Het vertrouwen in Oxbridge 252 F5. De hoogte van de ‘upcount’ en omvang van investeringen 259

F6. De melding van Van der Bogt 262

F7. De Rentafixe-nabetaling 264

F8. Aanwijzingen van ongebruikelijk/onzakelijk handelen 266

F9. De Egg III-lunch 268

F10. De brief van [naam medeverdachte 5] (D/693) 272

F11. De rol van [naam medeverdachte 1] nader beschouwd 275

F12. De verklaringen van [naam medeverdachte 3] en Williams 277

Conclusies 287

Niet-ambtelijke omkoping [naam medeverdachte 2] 288

Het samenwerkingsverband en de samenwerkingsverbanden 290

Hoofdstuk 4 – nadere toelichting vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde 293

Hoofdstuk 1

ALGEMENE BEWIJSOVERWEGINGEN

Onderdeel 1: Inleiding

Handel in winstvennootschappen

De strafzaken tegen [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 4], [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben betrekking op de fiscale fraude waarmee de handel in de aandelen van zogeheten ‘winstvennootschappen’ door de vennootschap Oxbridge Investments Limited – deels via door haar beheerste (klein)dochtervennootschappen - in de periode van 1992 tot en met 1997 gepaard is gegaan.

Onder een winstvennootschap verstaat het hof een vennootschap

- die op het moment van de overdracht van haar aandelen geen activiteiten ontplooit,

- die in het (boek)jaar van overdracht en/of voorgaande (boek)jaren winst heeft genoten waarover vennootschapsbelasting (Vpb) verschuldigd is, en

- waarvan de balans dientengevolge een materiële - dat wil zeggen: een nog niet bij aanslag geformaliseerde - belastingschuld vermeldt.

Indien de winstvennootschap op het moment van overdracht de beschikking heeft over een bedrag aan liquide middelen dat ten minste gelijk is aan de hoogte van de materiële belastingschuld, kan de aan- en verkoop van aandelen in het kapitaal van deze winstvennootschap voordelen opleveren voor zowel verkoper als koper.

In zijn verklaring van 6 augustus 2003 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft mr. E. Bos RA de handel in winstvennootschappen als volgt toegelicht:

"Iedereen kan uiteraard te allen tijde een vennootschap oprichten, die fiscaal dan vanaf nul begint. Er zijn echter ook bestaande vennootschappen waarvan de aanschaf voor de koper fiscaal voordeel oplevert. De wetgeving heeft in de loop der jaren wel beperkingen daaraan gesteld, maar ook thans kan met dergelijke handel nog steeds groot voordeel worden behaald. Daar is op zichzelf niets onoorbaars aan. (…).

In de zaken die u thans onderzoekt is het kenmerk van de verhandelde vennootschappen (..) dat zij een fiscaal winstverleden hadden. In die zin is de in de processtukken veelal gebruikte term kasgeldvennootschappen ongelukkig, want irrelevant.

Het aantrekkelijke van een vennootschap met winstverleden is, dat indien deze vanaf de aankoop door de nieuwe eigenaar verliesgevend geëxploiteerd worden, de belasting die is geheven over de winsten in de drie eraan voorafgaande jaren kan worden teruggevraagd . Het verlies dat de vennootschap maakt kan naar de drie voorafgaande jaren worden teruggewenteld. Dat kan bijvoorbeeld van belang zijn als er grote financieringskosten worden gemaakt voordat een investering uiteindelijk gaat renderen. Dan is het aantrekkelijker deze investeringen te verrichten in een dergelijke vennootschap, dan in een nieuw op te richten vennootschap. (…).

Uitgangspunt is dat de prijs van de verhandelde vennootschap zodanig wordt vastgesteld dat de koper bij de afwikkeling van de aanwezige belastinglatentie een voordeel kan behalen. Er moet voor de koper dus een resultaat te behalen zijn in de verhouding tussen de nominale waarde van de vennootschapsbelastingclaim (in de regel 35%) en de contante waarde van die claim. Zolang de waardering van de latentie in een redelijke verhouding staat tot het feit dat de koper in wezen een renteloos en ongedekt krediet verkrijgt, kan niet worden gesteld dat een eventuele vooropgezette bedoeling van misbruik voor derden kenbaar is. Hoe langer de termijn van dit "gratis krediet” is, hoe hoger de winstpotentie voor de (koper van de) vennootschap is.”

Ter terechtzitting van het hof van 21 april 2006 heeft mr. R. Bakker (geen familie van de verdachte S. [naam medeverdachte 2]), als deskundige gehoord, hierover het volgende verklaard:

"De huidige situatie wijkt op onderdelen iets af van de situatie in het verleden, maar in de kern is het heel simpel. De winstvennootschap heeft een belastbare winst behaald en heeft een belastingverplichting. Wij (het hof begrijpt: de bank waarvoor R. Bakker werkzaam is) nemen zo’n vennootschap aan als een lege B.V. met alleen cash en daartegenover een belastingclaim. Voor de koper is het aantrekkelijk - en dat moet hem fiscaal zijn geadviseerd - dat hij een eigen verlies dat er nog aan komt kan afzetten tegen de gekochte winst, mits de verliescompensatie plaatsvindt in het jaar waarin de aandelen van de vennootschap worden overgedragen . Dat geeft de koper op korte termijn een liquiditeitsvoordeel.

Als wij deze transacties doen, is de cash het enige vermogensbestanddeel aan de actiefzijde en staat dat (hof: op de balans van die vennootschap) tegenover de belastingclaim en het eigen vermogen. Ik heb ook wel eens gezien dat als actief vermogensbestanddeel tegenover het eigen vermogen slechts een vordering op de aandeelhouder stond. Wij doen het in ieder geval niet zo. Wij willen namelijk te allen tijde voorkomen in een situatie te geraken dat de aangeleverde vennootschap zijn belastingclaim niet meer kan voldoen."

Oxbridge

Oxbridge Investments Limited (hierna: Oxbridge) is door World Wide Trust op 3 april 1991 als vennootschap op de Bahama’s ingeschreven. Uit een akte van 22 september 1992 moet worden opgemaakt dat Fay Lee [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3], of: F. [naam medeverdachte 3]) krachtens een "Power of Attorney" van de president van Oxbridge (John King) volledig bevoegd is om namens Oxbridge op te treden. [naam medeverdachte 3] is formeel aangesteld als "attorney-in-fact" . Naar ’s hofs oordeel kan [naam medeverdachte 3] als volledig bevoegd bestuurder van Oxbridge worden aangemerkt.

[naam medeverdachte 3] heeft over Oxbridge onder meer het volgende verklaard :

"Aanvankelijk was Oxbridge opgericht in 1991 of 1992. Het is opgericht nadat ik [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] had ontmoet, we hebben gezamenlijk besloten Oxbridge op te richten. Het aanvankelijke doel van Oxbridge was gewoon om zakelijke mogelijkheden te onderzoeken. De Bahamas was gekozen als domicilie omdat het een belastingparadijs is. Gelden die daar waren, waren voor [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] niet belastbaar zolang die gelden daar bleven, althans, voor zover ik het begreep. Het was in eerste instantie een slapend bedrijf op de Bahamas. Ik kende de trust eigenaar op de Bahamas, dus ik was vermoedelijk degene die feitelijk die onderneming heeft laten oprichten. Ik denk dat ik gebeld heb met John King, dat was de eigenaar van World Wide Trust op de Bahamas, ik denk dat ik hem gebeld heb met het verzoek Oxbridge voor mij te reserveren. Er was niets geheimzinnigs of illegaals aan, het was gewoon mijn werk, ik had daar gewerkt.

De naam van het bedrijf Oxbridge lag feitelijk op de plank en het opgerichte bedrijf Oxbridge was nog slapend, niet actief. De naam Oxbridge sprak ons aan, het was een slimme naam."

[naam medeverdachte 3] heeft op 4 augustus 2003 ten overstaan van de rechter-commissaris bovendien nog het volgende over Oxbridge medegedeeld:

"We besloten Oxbridge aan te kopen. Wij werden daar niet de formele eigenaar van. Omdat het hier ging om een offshorebedrijf geloof ik dat de trustmaatschappij op de Bahamas eigenaar bleef. Wij kochten in feite vertrouwen. Ik ben door de trustmaatschappij aangesteld als gevolmachtigde. (...).

Het komt erop neer dat ik een verse administratie begonnen ben. Dat wil niet zeggen dat ik zelf de boekhoudkundige taken binnen het bedrijf deed. Ik wist niet hoe dat moest, dat was de taak van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6]. Ik was gevolmachtigde en trad na verloop van tijd op als betaalmeester. Aanvankelijk deden [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] de accounting. Met ons drieën beheerden we de onderneming."

Zoals [naam medeverdachte 3] al te kennen gaf is Oxbridge een zogeheten offshore-vennootschap. Dat houdt in dat zij op de Bahama’s geen activiteiten mag ontplooien, met uitzondering van het houden van een bankrekening. Gegevens van aandeelhouders en bestuurders hoeven niet te worden gedeponeerd. Oxbridge hield onder meer een "representative office" aan in het pand in Houston (USA) waar [naam medeverdachte 3] werkte.

[naam medeverdachte 3] was als enige tekeningsbevoegd over de bankrekeningen van Oxbridge. Als getuige ter zitting van het hof van 9 juni 2006 heeft hij verklaard:

“Het punt is, ik was als enige betalingsbevoegd. Er is toch documentatie dat ik als enige tekeningsbevoegd was en de enige die tot betaling mocht overgaan.”

Oxbridge en de aanschaf van winstvennootschappen

Op uiteenlopende tijdstippen in de periode van 9 december 1992 tot en met 11 september 1996 heeft Oxbridge, dan wel een (klein)dochtervennootschap van Oxbridge, het gehele aandelenkapitaal van in totaal acht Nederlandse winstvennootschappen gekocht en geleverd gekregen. Na de aankoop werd telkens de naam van de gekochte vennootschap gewijzigd. Oxbridge was in alle gevallen de uiteindelijke aandeelhouder. [naam medeverdachte 3] werd in alle gevallen benoemd tot directeur (‘managing director’ of gewoon ‘director’) van de nieuw verworven winstvennootschap . Het betreft de navolgende vennootschappen, door het hof weergegeven in het volgende overzicht:

Datum aankoop Oude naam Nieuwe naam Verkoper Koper

9 december 1992 Anterra Beheer Amsterdam B.V. American Energy B.V. VDK Oxbridge

9 december 1992 Penn (Iberica) B.V. Censor Investments B.V. VDK Oxbridge

23 december 1992 Kanaken Beheer B.V. Computer Integration B.V. Tropeda B.V. Oxbridge

11 maart 1993 Boertien & Partners Adviesburo voor training en organisatie B.V. Computer Integration IV B.V. Boertien Beheer B.V. Oxbridge

27 oktober 1993 Interbaros International Holdings B.V. American Energy Trading B.V. VDK Oxbridge/American Energy BV

15 november 1994 Rentafixe N.V. American Energy Resources N.V. VDK American Energy Trading BV

31 augustus 1995 Egg B.V. American Energy Mining B.V. VDK American Energy Trading BV

11 september 1996 Egg II B.V. American Energy Exploration B.V. VDK American Energy Trading BV

In deze zaak hebben de genoemde winstvennootschappen in ieder geval de volgende kenmerken gemeen:

- de activa bestaan slechts uit (i) een zeer omvangrijke vordering (lening) op de aandeelhouder en (ii) het saldo van een bankrekening ter hoogte van een bedrag dat (nagenoeg) gelijk is aan het bedrag dat materieel aan vennootschapsbelasting is verschuldigd (hierna: de Vpb-schuld) ;

- de belastbare winst bestaat slechts uit de rente die is genoten op de vordering op de aandeelhouder.

De prijs die Oxbridge als koper voor de aandelen betaalde was gelijk aan het eigen vermogen van de desbetreffende winstvennootschap, verhoogd met een zogeheten "upcount". Doordat Oxbridge de schuld van de oude aandeelhouder aan de vennootschap overnam, betaalde Oxbridge per saldo slechts de ‘upcount’. Oxbridge betaalde daarnaast provisie ("fees") aan adviseurs en bemiddelaars.

De aandelen van zes van de acht winstvennootschappen heeft Oxbridge gekocht van beleggingsmaatschappij Van Doyer en Kalff B.V. (hierna: VDK), een 100%-dochtervennootschap van ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de Bank), bij welke bank S. [naam medeverdachte 2] van 1 mei 1987 tot 1 januari 1999 werkzaam is geweest als hoofd fiscale zaken. Tijdens dit dienstverband was hij tevens (mede)directeur van VDK.

Kort na de overdracht aan Oxbridge of een dochter van Oxbridge zijn aan de winstvennootschappen vrijwel alle liquide middelen onttrokken. Hierop en op de betreffende winstvennootschappen komt het hof voor zover relevant meer uitgebreid terug in subonderdeel A van deze bewijsoverwegingen.

Oxbridge en de aanschaf van vermogensrechten

Na aankoop van de winstvennootschappen zijn telkens contracten opgesteld, waarbij de nieuw verworven winstvennootschap met ingang van een bepaalde dag ('effective per') voor een zeer hoog bedrag vermogensrechten (immateriële activa) verkreeg van Oxbridge, dan wel van een aan Oxbridge gelieerde vennootschap. De vermogensrechten betroffen rechten op distributie van bepaalde computersoftware, een karton-applicatie genaamd "Hard Paper", "Oil Leases", een deel van de verkoopopbrengst van nog te winnen steenkool in Mexico en Kentucky, zeoliet in Arizona en goud- en zilvererts in Colorado.

De aankoopprijs van de vermogensrechten bleef de kopende winstvennootschap veelal schuldig aan de (gelieerde) verkoper. Deze schuld werd vastgelegd in zogeheten 'promissory notes', oftewel schuldbekentenissen. In andere gevallen vond verrekening plaats met een vordering op de aandeelhouder van wie de betreffende winstvennootschap de vermogensrechten geleverd kreeg.

Oxbridge had deze vermogensrechten - en in bepaalde gevallen (ook) de aandelen van de vennootschap die de rechthebbende op de vermogensrechten was - meestal kort daarvoor gekocht voor een niet eenvoudig te achterhalen bedrag. De verkregen vermogensrechten hebben alle een korte looptijd (circa 5 à 10 jaar), met uitzondering van de rechten op "Hard Paper", waarvan het contract een onbepaalde looptijd kende.

Op de diverse vermogensrechten komt het hof meer uitgebreid terug in subonderdeel C van deze bewijsoverwegingen, onder verwijzing naar de bewijsmiddelen die voorgaande globale beschouwingen staven.

De inbreng van deze vermogensrechten had consequenties voor de vaststelling van de belastbare winst voor de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) van de desbetreffende winstvennootschappen. Als gevolg van de ten laste van de winst gebrachte bedragen aan kosten ter verkrijging van de rechten, afschrijvingen, boekverlies en in rekening gebrachte (financierings)rente werd de ten tijde van de aankoop van de winstvennootschappen berekende interim-(belastbare)winst omgezet in een verlies. Daardoor verdween de Vpb-schuld die bij aankoop van de winstvennootschappen - latent - aanwezig was.

Vrijwel alle door de winstvennootschappen ingediende aangiften voor de Vpb maken dan ook melding van een negatieve belastbare winst. Het hof zal bij de onderscheidene aangiften voor zover relevant meer uitgebreid stilstaan in subonderdeel B van deze bewijsoverwegingen.

Rechtsoverwegingen omtrent activering van verworven vermogensrechten, fiscaal in aanmerking te nemen kosten en verliescompensatie in het algemeen

Indien bepaalde vermogensrechten (immateriële activa) als bedrijfsmiddel zijn aan te merken, moet hierop bij de bepaling van de belastbare winst voor de Vpb worden afgeschreven indien deze vermogensrechten in de onderneming worden gebruikt en de afschrijving strekt tot goedmaking van het verlies dat is geleden door de vermindering van de bedrijfswaarde van de desbetreffende vermogensrechten ten gevolge van het gebruik daarvan in de onderneming . Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) worden de in dit voorschrift bedoelde lichamen (waaronder besloten en naamloze vennootschappen en derhalve ook de in dit verband bedoelde winstvennootschappen) geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen. Gelet op vaste jurisprudentie houdt dit derhalve in dat een winstvennootschap bij het bepalen van haar belastbare winst voor de Vpb (met inachtneming van de hiervoor beschreven jurisprudentie) mag afschrijven op geactiveerde vermogensrechten, mits deze niet zijn bestemd voor de omzet.

Op grond van artikel 8 Wet Vpb juncto het in de tenlastegelegde jaren van kracht zijnde artikel 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), alsmede de op grond van deze voorschriften gewezen jurisprudentie inzake de bepaling van de zogenoemde totaalwinst, dienen op de balans opgenomen vermogensbestanddelen (en dus ook immateriële activa) te worden gewaardeerd op het bedrag dat door de ondernemer is opgeofferd of had moeten worden opgeofferd voor de verkrijging daarvan volgens een normale overeenkomst, waarbij de waarde langs geheel zakelijke weg is bepaald. Indien bij de verkrijging van een vermogensbestanddeel onzakelijk is gehandeld, mag bij de balanswaardering niet worden uitgegaan van de daadwerkelijk betaalde prijs, maar van de prijs die voor het vermogensbestanddeel had moeten worden betaald indien het van een onafhankelijke derde zou zijn gekocht (de waarde in het economische verkeer). Indien bijvoorbeeld een vennootschap op onzakelijke gronden voor een hogere waarde dan de werkelijke waarde (de waarde in het economische verkeer) vermogensrechten heeft verworven van haar (middellijk) aandeelhouder, mogen deze vermogensrechten slechts voor de lagere waarde in het economische verkeer op de balans van deze vennootschap worden geactiveerd en kan ten laste van de winst slechts worden afgeschreven over deze (lagere) waarde in het economische verkeer.

Kosten die rechtstreeks samenhangen met de verwerving van vermogensrechten en de financiering ervan mogen (eveneens) ten laste van de belastbare winst worden gebracht. Gelijke overwegingen gelden voor een boekverlies, zijnde het geval waarin een bedrijfsmiddel voor een lager bedrag is vervreemd dan de (met inachtneming van de hiervoor beschreven beginselen vastgestelde) boekwaarde ervan op het tijdstip van vervreemding. Ook voor deze kostenposten en boekverliezen geldt dat sprake moet zijn geweest van transacties die op zakelijke voorwaarden zijn geschied en dat tevens sprake moet zijn van kosten die voor de desbetreffende vennootschap ondernemingskosten zijn (en niet bijvoorbeeld kosten die ten laste van het vermogen van de aandeelhouder behoren te komen). Meer algemeen gesteld: kostenposten die zijn gebaseerd op door de vennootschap aangegane verplichtingen waarvan de hoogte niet zakelijk is bepaald, kunnen voor het niet-zakelijke deel ervan niet in aftrek worden gebracht op de belastbare winst van deze vennootschap.

Indien, zoals in casu, een winstvennootschap vóór de overdracht van haar aandelen niet (in de zin van het indertijd vigerende artikel 20, vijfde lid, van de Wet Vpb) een onderneming “dreef”, had zij evenmin een onderneming “gestaakt”, zodat de antimisbruikbepaling van artikel 20 (oud), vijfde lid, Wet Vpb ten aanzien van deze vennootschap geen toepassing vond .

Daardoor was voor zover relevant bij een dergelijke winstvennootschap toelaatbaar:

(i). de verrekening van de na de overdracht van de aandelen in de vennootschap geleden verliezen van deze vennootschap met winsten die zijn gegenereerd in de drie jaren voorafgaande aan het (boek)jaar van overdracht (‘buitenjaarlijkse’ verliescompensatie),

(ii). de verrekening van (vóór de aandelenoverdracht opgekomen) winst met (ná overdracht geleden) verlies die allebei zijn gevallen binnen het gehele (boek)jaar van overdracht (‘binnenjaarlijkse’ verliescompensatie ).

Afhankelijk van de omvang van de opgevoerde (zakelijke) aanschaf- en financieringskosten, afschrijvingen en/of boekverliezen kan de positieve belastbare winst die door de winstvennootschap in het (boek)jaar van overdracht is behaald voorafgaande aan de aandelenoverdracht in de periode ná de aandelenoverdracht omslaan in een negatieve belastbare winst. Daardoor komt de materiële Vpb-schuld te vervallen. Deze fiscale consequentie van de inbreng van vermogensrechten voor het resultaat van de winstvennootschap brengt dus op zichzelf niet mee dat de betreffende winstvennootschap een onjuiste en/of onvolledige aangifte voor de Vpb heeft gedaan.

Oxbridge en de exploitatie van de vermogensrechten

De vermogensrechten die door de Oxbridge-vennootschappen zijn verworven hebben nimmer opbrengsten gegenereerd. [naam medeverdachte 3] verklaart in antwoord op de vraag of er ten aanzien van de immateriële rechten bij de American Energy vennootschappen na eventuele voorbereidende activiteiten ooit enige feitelijke exploitatie heeft plaatsgevonden:

“Nee, er heeft nooit exploitatie van rechten plaats gevonden"

Op bladzijde 5 van datzelfde proces-verbaal van verhoor verklaart [naam medeverdachte 3]:

"We spraken onderling niet over ondernemers risico’s want er waren helemaal geen ondernemers risico’s. Het ondernemers risico zou pas ontstaan als je de activa ging exploiteren, maar zover is het nooit gekomen."

Voorafgaand aan zijn verhoor als getuige door het gerechtshof heeft [naam medeverdachte 3] bij e-mailbericht van 28 mei 2006 aan de voorzitter van het hof drie bestanden doen toekomen, inhoudende Engelse vertalingen van de processen-verbaal van verhoor bij de Fiod (V1/06 tot en met V1/08), voorzien van in de Engelse taal gestelde wijzigingen en commentaar van [naam medeverdachte 3], door hem ‘clarifications’genoemd (hierna: de ‘clarifications’). De ‘clarifications’ zijn in de procesdossiers gevoegd van alle zeven verdachten van de onderhavige strafzaken. Bij het hiervoor als eerste geciteerde antwoord heeft [naam medeverdachte 3] als ‘clarification’ onder andere het volgende gesteld:

“The question asks about the exploitation of the tangible rights. It was always the intent to exploit or develop the assets at the appropriate time. At the time of the sale by ABN and the purchase by Oxbridge both parties understood that it would take some time to complete the preparatory stages for exploitation to begin. In the case of Prism the development stage was complete Prism’s main functions was to allow computers that could not talk to each to be able to do so. For example, Apple and IBM were not compatible. Soon after the Prism’s technology was introduced, all the major companies dropped the isolationist idea and made everything compatible. As regards the coal assets, they were going through the process of being put in a position to be developed. The silver assets had been mined several years before and that mine could have been reopened after the re-permitting process.”

In zijn ‘clarification’ bij het hierboven als tweede geciteerde oorpronkelijke antwoord heeft [naam medeverdachte 3] commentaar opgenomen dat culmineert in een vergelijkbare conclusie:

“Again, the business plan of Oxbridge was to own and hold the assets through Dutch subsidiaries until such time as exploitation was feasible.”

[naam medeverdachte 3] handhaaft in hoger beroep dus zijn eerdere mededelingen dat exploitatie van de in de winstvennootschappen ingebrachte immateriële activa nooit heeft plaatsgevonden, maar voegt daaraan toe dat de intentie tot exploitatie “at the appropriate time” wel aanwezig was.

Het hof laat in het midden of de enkele intentie tot exploitatie “at the appropriate time” de rechtvaardiging kan zijn voor het in het jaar van aanschaf (in volle omvang) in aanmerking nemen van de afschrijvingskosten die door de winstvennootschappen in de tenlastegelegde belastingjaren in mindering zijn gebracht op de door hen aangegeven belastbare winst (zoals beschreven in onderdeel B). Het hof acht het evenwel volstrekt onaannemelijk dat bij [naam medeverdachte 3], Oxbridge en/of een van de gekochte winstvennootschappen op enig tijdstip in de tenlastegelegde periode een reëel voornemen heeft bestaan tot het exploiteren van de immateriële activa. In onderdeel C wordt – gespecificeerd per activum – dit oordeel nader toegelicht.

Overigens acht het hof in dit verband tevens veelzeggend de door [naam medeverdachte 3] gegeven antwoorden (en zijn ‘clarifications’ daarbij) op de hem gestelde vervolgvragen over de beperkte periode waarvoor de immateriële activa waren gekocht en het ontbreken van feitelijke exploitatie gedurende die periode:

(Nadat hem is gevraagd: Hoe kan het gebeuren dat er immateriële rechten voor een bepaalde, kortlopende periode worden aangekocht, doch dat het nooit tot feitelijke exploitatie van die rechten in die korte periode is gekomen? Is dat uit ondernemers oogpunt gezien niet voor oneconomisch, je koopt een recht maar laat de exploitatie periode verlopen?)

“Dat gebeurde volledig onder leiding van [naam medeverdachte 4], hij zette alle schema’s op hoelang de rechten iets waard zouden zijn. Maar niemand maakte ook maar enige haast, niemand, ik bedoel ook niet de “Rien van Dieren’s”, niemand reageerde, tot de belastinginspecteur aan de bel trok.

U zegt mij dat het vreemd is dat je een recht koopt om een korte periode te kunnen delven van een mijn die maar een paar maanden per jaar toegankelijk is en dat het vreemd is dat je dan nooit een activiteit opzet. Ja dat is vreemd, ik kan moeilijk zeggen dat er een schema lag om te gaan delven. Dat schema lag er niet. We hebben ook nooit een schema gemaakt om te gaan graven. Ook bij de zilvermijnen zijn slechts voorbereidende handelingen gepleegd. (…)”

(Nadat hem is gevraagd nu er tijdelijke rechten van de zilver en goud mijnen waren aangekocht. Is er ooit spoed betracht bij het delven van grondstoffen?)

“Nee, dat klopt, we hadden niet de financiële middelen voor die aankoopprijzen en exploitatiekosten om te gaan mijnen. En we hebben ook nooit banken of andere investeerders benaderd voor de financiering van de exploitatie van deze mijnen. Ook hebben we de buitenlandse verkopers van de rechten nooit in rechte aangesproken op spoed.”

Bij deze antwoorden heeft [naam medeverdachte 3], voor zover hier relevant, de volgende ‘clarification’ verstrekt:

“The answer doesn’t really seem to fit the question. I have no idea what is meant by “nor have we every legally pressed the foreign sellers for the rights for speed.” The business plan was to own the assets, take the depreciation and develop them at the appropriate time.”

Het valt het hof (opnieuw) op dat [naam medeverdachte 3] niet specificeert welk tijdstip of periode hij op het oog heeft met zijn omschrijving “at the appropriate time”. Kennelijk liggen dat tijdstip of die periode in ieder geval niet gedurende de looptijd van de aangekochte immateriële activa. Zoals nader zal worden uiteengezet onder C.1 tot en met C.7, is het hof van oordeel dat van een reëel voornemen tot exploitatie van de immateriële activa geen sprake is geweest.

Onjuiste en/of onvolledige aangiften voor de vennootschapsbelasting

Ter toelichting dient nog het volgende.

De in de telastelegging opgesomde winstvennootschappen die verweten wordt een opzettelijk onjuiste Vpb-aangifte te hebben gedaan, zijn de volgende (klein)dochter-vennootschappen van Oxbridge:

1. Anterra Beheer Amsterdam B.V. / American Energy B.V.,

2. Penn (Iberica) B.V. / Censor Investments B.V.,

3. Interbaros International Holdings B.V. / American Energy Trading B.V.,

4. Rentafixe N.V. / American Energy Resources N.V., en

5. Egg B.V. / American Energy Mining B.V.

De belastinginspecteur heeft aan vier van de vijf genoemde vennootschappen (navorderings)aanslagen Vpb opgelegd. Tegen de uitspraken op het daartegen gemaakte bezwaren hebben deze vennootschappen beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Bij onherroepelijke uitspraken van 25 september 2001 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage de (navorderings)aanslag in alle gevallen gehandhaafd.

Deze uitspraken betroffen de beroepen van de volgende vennootschappen (verwezen wordt naar de hiervoor vermelde nummering van de vennootschappen):

1. American Energy B.V.: de navorderingsaanslag Vpb 92, nummer BK-98/05340,

3. American Energy Trading B.V.: de navorderingsaanslag Vpb 93, nummer BK-98/05338,

4. American Energy Resources N.V.: de aanslag Vpb 94, nummer BK-98/05339,

5. American Energy Mining B.V.: de aanslag Vpb 95, nummer BK-98/053337.

De uitspraken van het gerechtshof te 's-Gravenhage bevatten vrijwel gelijkluidend de volgende passage:

"Het hof is van oordeel dat de Inspecteur uit de feiten en omstandigheden vermeld onder (..) het gerechtvaardigde vermoeden heeft kunnen putten dat de transacties die aanleiding hebben gegeven tot de in de aangifte in aanmerking genomen kosten, lasten en afschrijvingen van in totaal (...), elk realiteitsgehalte misten, dan wel voortvloeiden uit onzakelijk handelen met gelieerde partijen, met het oog op het onttrekken van middelen aan belanghebbende. De bij de (...) bedoelde brief van (...) door de Inspecteur gestelde vragen dienden naar 's Hofs oordeel redelijkerwijs het doel dit vermoeden te ontzenuwen dan wel te bevestigen. Voorts is, naar aannemelijk is, in eerste instantie, in alle gevallen sprake van transacties met gelieerde partijen, die in zogenaamde belastingparadijzen gevestigd waren (dat geldt niet voor alle "vervolgtransacties").

Het hof is van oordeel dat belanghebbende zodanig te kort is geschoten in haar beantwoording van de door de Inspecteur gestelde vragen, dat niet aannemelijk is geworden laat staan is gebleken (…):

1. dat de in de contracten vermelde hoeveelheden grondstof (grotendeels) aanwezig en daadwerkelijk, feitelijk en rechtens winbaar waren;

2. dat zij daartoe gerechtigd was;

3. dat zij voornemens en in staat was om daadwerkelijk de door haar 'gekochte' hoeveelheden grondstof te (laten) winnen binnen de daarvoor beschikbare tijd;

4. dat de overeengekomen prijzen, afgezet tegenover de geschatte opbrengsten en kosten, gegeven de risico's zakelijk verantwoord waren;

5. dat aan de verworven rechten objectief bezien enige waarde toekwam.

Het hof ziet bevestiging voor zijn oordeel in de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende dan wel één van de met haar gelieerde (...) rechtspersonen tot (...), de dag der mondelinge behandeling, enige opbrengst heeft genoten uit de na de aandelenoverdracht opgevoerde activa noch dat een zodanige opbrengst, hoe gering ook, op korte termijn te verwachten is".

Het hof heeft in de thans voorliggende strafzaak zelfstandig en dus onafhankelijk van het oordeel van de belastingrechter vast te stellen of de aangiften voor de Vpb onjuist dan wel onvolledig zijn gedaan en, zo ja, of zulks opzettelijk is gedaan.

Onderdeel 2

A. De winstvennootschappen

Over deze vennootschappen voor zover relevant voor de bewijsoverwegingen wordt het volgende overwogen.

A1. Anterra Beheer Amsterdam B.V., na naamswijziging geheten: American Energy B.V. (hierna: Anterra)

Anterra was in 1992 een dochtervennootschap van NORO (Nederland) B.V. (hierna: Noro).

Op 8 december 1992 heeft VDK de aandelen in het kapitaal van Anterra van Noro gekocht. De koopsom bedroeg ƒ 140.711.000 en deze is voldaan door overname van de schuld (ad ƒ 139.711.000) van Noro aan Anterra en door betaling aan Noro van een upcount ter hoogte van ƒ 1.000.000.

VDK heeft vervolgens de aandelen in Anterra op 9 december 1992 verkocht aan Oxbridge. De koopsom bedroeg ƒ 150.000.000 en is voldaan door overname van de schuld (ad ƒ 148.164.133) van VDK aan Anterra en door betaling aan VDK van een upcount van ƒ 1.835.867.

In overleg met de Belastingdienst is kort voor de laatstgenoemde aandelenoverdracht de renteloze vordering die Anterra op haar aandeelhoudster had met ingang van 1 januari 1992 (met terugwerkende kracht) rentedragend gemaakt, hetgeen in deze ook wel bekend staat als 'rente-imputatie'. De belastbare winst van Anterra bestond over de periode 1 januari tot en met 9 december 1992 louter uit rente-inkomsten en bedroeg ƒ 13.024.050. De Belastingdienst heeft toegestaan dat deze rente, die afkomstig was van VDK, voor de Vpb ten laste van de belastbare winst van de fiscale eenheid ABN AMRO zou komen.

Op 9 december 1992 zag de balans van Anterra er in guldens als volgt uit :

Lening aandeelhouder 139.711.000 eigen vermogen 148.164.133

Te ontvangen rente 8.453.133

Bankrekening 4.598.917 vpb-schuld 4.598.917

152.763.050 152.763.050

Kort na 9 december 1992 is het tegoed op de bankrekening als gevolg van diverse overboekingen naar het buitenland nagenoeg geheel verdwenen .

A2. Penn (Iberica) B.V., na naamswijziging geheten: Censor Investments B.V. (hierna: Penn)

De aandelen in het kapitaal van Penn waren in 1992 in handen van Noro . Deze aandelen zijn op 8 december 1992 door Noro verkocht aan VDK. Feitelijk betaalde VDK aan Noro voor de aandelen een upcount van ƒ 1.500.000. De aandelen zijn vervolgens op 9 december 1992 verkocht aan Oxbridge. In overleg met de Belastingdienst is ná de eerste en vóór de tweede aandelenoverdracht de renteloze vordering die Penn op haar aandeelhoudster had met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1992 rentedragend gemaakt (ook nu weer: rente-imputatie).

Oxbridge heeft de koopprijs voor de aandelen ter grootte van ƒ 354.250.000 voldaan door overname van de schuld (ad ƒ 349.998.156) van VDK aan Penn en door betaling aan VDK van een upcount ter hoogte van ƒ 4.251.844.

Op 9 december 1992 bestonden de activa van Penn slechts uit een vordering op haar aandeelhoudster ter grootte van ƒ 349.998.156 en een bankrekening met een saldo van ƒ 10.610.854. De winst van Penn bestond over de periode van 1 januari tot en met 9 december 1992 louter uit rente-inkomsten en bedroeg ƒ 30.281.010.

Het op 9 december 1992 aanwezige saldo op de bankrekening ter grootte van ƒ 10.610.854 is als gevolg van diverse overboekingen naar het buitenland nagenoeg geheel verdwenen.

Op de bankrekeningen van Anterra en Penn stond op het moment van aankoop een bedrag van in totaal ƒ 15.181.711.

Dit bedrag is onder meer aangewend voor:

- ƒ 5.326.810 naar Micondale, namelijk $ 3.000.000 aanbetaling in verband met ‘Hard Paper’;

- ƒ 6.400.000 naar Hauck Banquiers, gevestigd te Luxemburg;

- ƒ 1.062.151 naar Tropeda BV, wegens aankoop door Oxbridge van Kanaken Beheer BV, en

- ca ƒ 1.550.000 is als commissies aan Bayard, Credo (Kjellberg) en FNF betaald.

Penn is korte tijd later verkocht.

A. van der Bogt heeft hierover op 11 april 2000 verklaard :

“Ik ben nog even met Penn doorgegaan onder de nieuwe eigenaren. Penn is, geloof ik, verkocht aan twee Zweden of twee companies, (...). Er is een grote financiële transactie gedaan voordat Penn is verkocht aan de twee Zweden, want de kas was nagenoeg leeg. Met financiële transactie bedoel ik overboekingen. Het kan zijn dat Penn en Anterra samen iets wilden ondernemen. Die onderneming betrof iets met papier.”

A3. Interbaros International Holdings B.V., na naamswijziging geheten: American Energy Trading B.V. (hierna: Interbaros)

Op 27 oktober 1993 heeft Beheer- en Beleggingsmaatschappij Bevanel B.V. (hierna: Bevanel) haar aandelen in het kapitaal van Interbaros verkocht aan de Bank . De koopsom bedroeg ƒ 643.824.255 en is betaald door overname van de schuld (ad ƒ 643.824.255) van Bevanel aan Interbaros.

Eveneens op 27 oktober 1993 heeft de Bank de aandelen in het kapitaal van Interbaros op haar beurt verkocht aan VDK . De koopprijs bedroeg ƒ 646.524.255 en is voldaan door overname van de schuld (ter hoogte van ƒ 643.824.255) van de Bank aan Interbaros en door betaling aan Bevanel van een upcount van ƒ 2.700.000.

Vervolgens heeft Oxbridge op 27 oktober 1993 de aandelen Interbaros van VDK gekocht. De koopsom bedroeg thans ƒ 681.380.670 en is voldaan door overname van de schuld (van ƒ 674.326.342) van VDK aan Interbaros en door betaling aan VDK van een upcount ter hoogte van ƒ 7.054.328.

De belastbare winst van Interbaros bestond over de periode 1 januari tot en met 27 oktober 1993 slechts uit rente-inkomsten en bedroeg ƒ 46.945.519 .

Op 27 oktober 1993 zag de balans van Interbaros er in guldens als volgt uit :

Vordering op aandeelhouder 674.326.342 eigen vermogen 674.326.342

Bankrekening 16.443.432 vpb-schuld 16.443.432

690.769.774 690.769.774

Direct na 27 oktober 1993 heeft Interbaros ƒ 16.208.432 overgemaakt naar een bankrekening van Oxbridge. Op of omstreeks dezelfde datum heeft Oxbridge de volgende bedragen overgeboekt respectievelijk ontvangen :

naar UK Securities PLC, wegens ‘consulting services’

ƒ 704.000

naar een rekening van Oxbridge Ltd. bij een bank in Liechtenstein, wegens ‘downpayment Production Payment’ ƒ 6.000.000

naar Hauck Banquiers te Luxemburg, wegens ‘downpayment production payment’ ƒ 7.961.000

aan VDK (tbv VDK, BƒT , Bevanel, Bayard) ƒ 7.054.328

een betaling van Hauck Banquiers aan Oxbridge -/- ƒ 7.100.000

naar BƒT in verband met aandelenoverdracht Interbaros ƒ 1.408.365

Totaal ƒ 16.027.693

Op 31 december 1993 resteerde in kas slechts een bedrag van ƒ 178.470 .

A4. Rentafixe N.V., na naamswijziging geheten: American Energy Resources N.V. (hierna: Rentafixe)

Op 15 november 1994 zijn de aandelen in Rentafixe door VDK verkocht aan Interbaros, op dat moment geheten: American Energy Trading B.V.. De koopsom bedroeg ƒ 822.500.000 en is voldaan door overname van de schuld (ad ƒ 820.000.000) van VDK aan Rentafixe en door betaling van een upcount van ƒ 2.500.000 .

De winst van Rentafixe bestond over de periode 1 januari tot en met 15 november 1994 louter uit rente-inkomsten en bedroeg (netto, vóór belastingen) ƒ 42.000.370 .

Op 15 november 1994 zag de balans van Rentafixe er in guldens als volgt uit

Lening aan aandeelhouder 820.000.000 eigen vermogen 820.000.000

Bankrekening 9.105.352 vpb-schuld 9.105.352

829.105.352 829.105.352

De Belastingdienst had vóór 15 november 1994 reeds een voorlopige aanslag Vpb 1994 opgelegd. Op deze aanslag was vóór die datum een aantal termijnen betaald. De balanspost betreft de na betaling van deze termijnen resterende Vpb-schuld van ƒ 9.105.352.

Binnen enkele dagen na 15 november 1994 heeft Rentafixe circa ƒ 9.000.000 overgemaakt naar bankrekeningen van :

BƒT Nederland B.V. ƒ 300.000

Havelet Trust International Ltd. ƒ 1.490.000

Oxbridge bij ABN AMRO ƒ 2.629.000

R.P. Dangoor £ 15.000

Chamberlain, Hrdlicka, White, Williams & Martin $ 40.000

Oxbridge, inzake Mineral Rights ƒ 3.332.352

Oxbridge, call account guldens ƒ 1.058.000

Totaal circa ƒ 9.000.000

Nadat in september 1995 de aangifte Vpb 1994 was ingediend, heeft de Belastingdienst de hiervoor genoemde voorlopige aanslag Vpb 1994 tot nihil verminderd en op 11 december 1995 een bedrag ad ƒ 5.608.499 aan Rentafixe terugbetaald . Binnen een week werd dit ontvangen bedrag gebruikt voor betalingen aan :

Kentucky Land & Exploration Company, Inc. "legal fees" ƒ 250.000

BƒT Nederland B.V. ƒ 340.000

Oxbridge Investments Ltd. Bahama’s "coal acquisition" ƒ 2.610.000

Oxbridge Investments Ltd. Bahama’s en vervolgens doorgeboekt naar Havelet Trust ƒ 2.300.000

A5. Egg B.V., na naamswijziging geheten: American Energy Mining B.V. (hierna: Egg)

VDK heeft de aandelen in Egg op 31 augustus 1995 verkocht aan Interbaros, op dat moment geheten: American Energy Trading B.V.. De koopsom bedroeg ƒ 1.174.066.679 en is voldaan door overname van de schuld (ad ƒ 1.171.066.679) van VDK aan Egg en door betaling van een upcount aan VDK van ƒ 3.000.000 .

Vanaf de oprichting bestond de winst van Egg louter uit rente-inkomsten en zij bedroeg ƒ 38.440.220 (vanaf 4 juli 1994 tot en met 31 december 1994) respectievelijk ƒ 57.046.979 (vanaf 1 januari 1995 tot en met 31 augustus 1995).

Op 31 augustus 1995 zag de balans van Egg er in guldens als volgt uit :

Lening aan aandeelhouder 1.171.066.679 eigen vermogen 1.171.066.679

Bankrekening 33.430.520 vpb-schuld 33.430.520

1.204.497.199 1.204.497.199

Vanaf 31 augustus 1995 heeft Egg binnen enkele maanden de volgende bedragen overgeboekt naar:

een rekening van Oxbridge bij een bank in Liechtenstein ƒ 26.845.520

een rekening van Oxbridge bij een bank in Liechtenstein ƒ 3.210.000

een rekening van Oxbridge bij een bank in Nederland ƒ 500.000

BƒT Nederland B.V. wegens “intermediary fee sharetransaction Egg BV" ƒ 1.000.000

Chamberlain, Hrdlicka etc. ($ 56.437) ƒ 92.712

Kentucky Land & Exploration ($ 225.000) ƒ 371.359

Boekel de Neree wegens aankoop Egg ƒ 22.221

Totaal ƒ 32.041.812

Van het aanwezige banksaldo per 31 augustus 1995 van ƒ 33.430.520 resteerde per 31 december 1995 een bedrag van ƒ 1.158.804 en per 15 augustus 1996 nog slechts een bedrag van ƒ 58.723 .

A6. Egg II B.V., na naamswijziging geheten: American Energy Exploration B.V. (hierna: Egg II)

Egg II is op 31 augustus 1995 opgericht door Egg , die de aandelen van Egg II heeft verkocht aan VDK. Deze laatste heeft de aandelen in het kapitaal van Egg II vervolgens op 11 september 1996 verkocht aan Interbaros, op dat moment geheten: American Energy Trading B.V.. Oxbridge heeft de koopprijs voldaan door overname van de schuld van VDK aan Egg II en door betaling van een zogenoemde upcount van ƒ 3.000.000 .

Oxbridge had de intentie om immateriële activa met een zeer hoge waarde in Egg II in te brengen teneinde door afschrijvingskosten de op 11 september 1996 aanwezige materiële Vpb-schuld te laten vrijvallen. In een 'Credit Proposal' van J.C.G. Boot aan J.M. de Jong van de Bank staat namelijk vermeld:

"The Oxbridge group is interested in buying Egg 2 exactly because of the taxable interest income it has generated. According to information received by Fiscale Zaken (Mr. S.M.M.A.J. [naam medeverdachte 2]) they have extensive investment programmes in natural resources exploitation (both Coal and Oil & Gas). Due to these large investment(s) Oxbridge has large write-offs, that it can not fully utilise. The group is therefore looking for “profits” to off-set their write-offs with. Buying Egg 2, with its profit of 74 mln will lead to tax benefit for Oxbridge. Instead of carrying forward their write-offs, they can offset the write-offs immediately. (…). Similar transactions of the same size have been conducted with Oxbridge in 1992, 1993, 1993 1994 and 1995."

Ten tijde van de overdracht aan Interbaros zag de balans van Egg II er in guldens als volgt uit :

Lening aan aandeelhouder 1.059.603.348 Eigen vermogen 1.059.603.348

Bankrekening 25.888.866 Vpb-schuld 25.888.866

1.085.492.214 1.085.492.214

De (bruto)winst van Egg II over de periode van 31 augustus 1995 tot 11 september 1996 bestond slechts uit rente-inkomsten en bedroeg ƒ 73.948.189 .

De liquiditeiten ter grootte van ƒ 25.888.866 zijn er kort na 11 september 1996 uitgevloeid, hoofdzakelijk door de betaling van een bedrag van ƒ 24.500.000 aan de uiteindelijke aandeelhouder Oxbridge. Activa zijn nimmer in deze vennootschap ingebracht, althans zulks is niet aannemelijk geworden. Door deze vennootschap is geen aangifte voor de Vpb gedaan.

A7. Kip en Ei N.V. / “Schneider B.V.” dan wel Egg III

Oxbridge had ook in 1997 weer de intentie om van VDK een winstvennootschap te kopen. VDK had een vennootschap 'op de plank liggen', zijnde Kip en Ei N.V. (voorheen: Schneider International N.V.) . [naam medeverdachte 2], in zijn hoedanigheid van directeur van VDK, heeft ofwel op 4 oktober 1996 bij gelegenheid van een verblijf op de Bahama’s op kosten van Oxbridge, dan wel op een later moment een optieovereenkomst getekend die Oxbridge het recht gaf op de koop van de aandelen van Kip en Ei N.V. en/of “Schneider B.V.”.

Van de verkoop van deze vennootschap dan wel (indien daarmee niet dezelfde vennootschap wordt aangeduid:) van een andere vennootschap, Egg III B.V., door VDK aan Oxbridge, is op het laatste moment afgezien naar aanleiding van telefonische en schriftelijke waarschuwingen van de kant van belastinginspecteur W. Bruins Slot. Zijn brief d.d. 27 juni 1997 aan de Bank, die [naam medeverdachte 2] ertoe bracht zijn medewerking te discontinueren, houdt het volgende in:

"Hierbij bevestig ik u ons telefoongesprek van hedenmiddag waarin ik inging op transacties met de aandelen van dochtermaatschappijen van de door u bestuurde vennootschap Van Doyer en Kalff BV.

De laatste jaren heeft de verkoop van een aantal kasgeld-BV's van Van Doyer en Kalff BV ertoe geleid dat belangrijke bedragen aan vennootschapsbelasting niet de juiste bestemming hebben gekregen. Naar mijn inschatting zal blijken dat de Nederlandse fiscus bij transacties met de Amerikaan Fay L. [naam medeverdachte 3] zonder uitzondering het nakijken heeft. Het is mij in dit stadium niet duidelijk welke partijen hieraan schuld hebben.

Ik wijs u er slechts op dat uw toekomstige betrokkenheid bij transacties met de heer [naam medeverdachte 3] - gelet ook op de u thans bijgebrachte wetenschap - ertoe zal leiden dat de bank bij het bestrijden van de mogelijk onwenselijke fiscale gevolgen zeker niet buiten schot zal kunnen blijven."

De (lunch)bijeenkomst van 1 of 2 juli 1997 waarop de zogeheten 'closing' van deze transactie was voorzien, zal hieronder nog nader worden besproken. Daarna heeft Oxbridge in Nederland geen winstvennootschappen meer aangekocht en zijn geen activa meer ingebracht in enige Nederlandse winstvennootschap binnen het Oxbridge concern. Kort nadien, namelijk op 1 augustus 1997 zijn nog twee Vpb-aangiften ingediend. Op de verschillende Vpb-aangiftes wordt thans ingegaan.

B. De aangiften voor de Vennootschapsbelasting (Vpb)

Over de periode van 1992 tot en met 1996 zijn de volgende aangiften voor de Vpb ingediend .

Nummer van de bijlage

Vpb-aangifte

Vennootschap (vetgedrukt betreft de naam waaronder aangifte is gedaan)

Immateriële rechten

(boekwaarde aanvang jaar)

Ten laste van de winst

D/128

Vpb 1992

Kanaken/Computer Integration

Prism Navigation System

(ƒ 140.000.000)

Diverse ‘operating expenses’

D/129

Vpb 1992

Penn Iberica/Censor Investments

Hard Paper ƒ 33.588.924

(2/3e van $ 28.000.000)

afkoopsom voor "failed acquisition"

D/130

Vpb 1993

Anterra/American Energy

Oil Leases (ƒ 65.240.334)

ƒ 9.397.286 aan afschrijving

D/131

Vpb 1994

Anterra/American Energy

Oil Leases (ƒ 55.843.048)

ƒ 9.397.286 aan afschrijving

D/132

Vpb 1995

Anterra/American Energy

Fiscale eenheid met

AET/AER 1. Oil Leases (ƒ 46.445.762);

2. Coal Production Payment I

(ƒ 1.907.804.878)

3. Coal Production Payment II

(ƒ 2.535.512.194)

4. goodwill (ƒ 2.437.500);

5. leaserechten

(ƒ 195.864.814). 1. ƒ 9.397.286 afschrijving;

2 en 3: ƒ 888.663.415 aan afschrijving;

4. ƒ 500.000 afschrijving

5. ƒ 45.701.794

afschrijving

D/133

Vpb 1993

Interbaros/AE Trading

Coal Production Payment I

(ƒ 1.955.500.000)

ƒ 50.924.479

aan afschrijving

ƒ 16.208.432

kosten consultancy

D/134

Vpb 1994

Interbaros/AE Trading

Coal Production Payment I

(ƒ 1.955.500.000 ) ƒ 84.077.021

rentekosten op PromNote tzv aanschaf Coal production payment I

D/135

Vpb 1994

Rentafixe/AE Resources

1. Coal Production Payment I (ƒ 1.955.500.000)

2. Coal Production Payment II (ƒ 2.598.900.000) 1. ƒ 47.695.122 afschrijvingen;

2. ƒ 63.387.806 afschrijvingen;

ƒ 8.974.855 consultancykosten

ƒ 37.138.000 rente

D/136

Vpb 1994/1995

Egg/AE Mining 1. Mexican Coal Property (ƒ1.045.478.306)

2. Mining Claim Colorado

(ƒ 139.937.107)

3. Arizona Zeolite

(ƒ 69.698.553).

4. Goodwill (ƒ 3.000.000) 1. ƒ 58.082.128afschrijvingen;

2. ƒ 5.808.212 afschrijvingen;

3. ƒ 4.646.570 afschrijvingen;

4.ƒ 200.000 afschrijving goodwill;

ƒ 23.023.228 andere kosten (w.o. consulting fee ad ƒ 1.000.000 en service fees Oxbridge ad ƒ 21.955.043

B1. De aangifte van Penn over het tijdvak 1992 (D/129)

De ambtsedige verklaring van mr. A.A. Neijtzell de Wilde, boetefraudecoördinator van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Amsterdam, d.d. 9 juni 2000 behelst voor zover relevant dat het aangiftebiljet inhoudende de aangifte van Penn (Censor Investments B.V.) over het tijdvak 1992, fiscaal nummer: 8755875, is uitgereikt te Amsterdam op 28 februari 1993, en retour is ontvangen op 9 november 1995 . Het aangiftebiljet D/129 inhoudende de bedoelde aangifte van Penn vermeldt als datum van uitreiking echter 12 april 1994 en als datum van ontvangst 9 januari 1995. Desgevraagd heeft ambtenaar van de Belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar P. van Leusden bij proces-verbaal van 8 januari 2007 verslag gedaan van zijn onderzoek naar de gang van zaken met betrekking tot de uitreiking en ontvangst van het aangiftebiljet D/129.

Hieruit kan het volgende worden opgemaakt.

Op 28 februari 1993 is een origineel aangiftebiljet uitgereikt aan - naar het hof begrijpt - Penn (Censor Investments B.V.). Omdat dit origineel in het ongerede is geraakt heeft de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Amsterdam, daarmee gevolg gevend aan een namens Penn gedaan verzoek van 17 februari 1994 , op 12 april 1994 een duplicaat aangiftebiljet uitgereikt. Dit duplicaat aangiftebiljet, het hof begrijpt: D/129, is blijkens een op dit biljet geplaatste dagstempel alsmede volgens het elektronisch systeem van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Amsterdam ontvangen op 9 januari 1995, waarna de aangifte voor de Vpb over het jaar 1992 van Penn in behandeling is genomen, en op 31 mei 1995 een nihil-aanslag is opgelegd.

Het hof gaat uit van de juistheid van hetgeen is gerelateerd in dit proces-verbaal van 8 januari 2007. De in de ambtsedige verklaring van mr. A.A. Neijtzell de Wilde vermelde datum van 9 november 1995 berust mitsdien op een vergissing.

Het hof concludeert dat er geen ambtshalve aanslag Vpb over het jaar 1992 voor Penn is opgelegd . De aangifte is door Penn niet gedurende de bezwaarfase gedaan.

Terzijde merkt het hof voorts nog op dat het inleveren van een duplicaat van het aangiftebiljet oplevert het 'doen van een bij de Belastingwet voorziene aangifte' als bedoeld in art. 68 (oud) AWR.

Het (duplicaat) aangiftebiljet is gericht aan Censor Investments B.V. en is zonder dagtekening ondertekend met een handtekening die sterke gelijkenis vertoont met die van F.R. [naam medeverdachte 3]. Het hof gaat er dan ook van uit dat [naam medeverdachte 3] de aangifte heeft ondertekend, waarbij het hof mede in aanmerking neemt de verklaring van [naam medeverdachte 3] dat hij alle tenlastegelegde aangiften heeft ondertekend.

De bij dit (duplicaat) aangiftebiljet gevoegde winst-en-verliesrekening over 1992 en 1991 vermeldt als lasten onder meer: "Verlies op activiteit Hard Paper": ƒ 33.588.924, welk bedrag in rubriek 14.8 (overige resultaten) op bladzijde 7 van de aangifte (als verliespost) is verwerkt in de fiscale winstberekening.

Als het saldo van de fiscale winstberekening over 1992 staat in deze aangifte op bladzijde 7 vermeld: -/- ƒ 23.082.061 . In overeenstemming hiermee is op bladzijde 9 van de aangifte een belastbare winst vermeld van -/- ƒ 23.082.061.

B2. De aangifte van Anterra over het tijdvak 1993 (D/130)

De ambtsedige verklaring van P.G. Dekker RA, hoofd van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Amsterdam, d.d. 20 december 2000 houdt onder meer in dat het aangiftebiljet behelzende de aangifte van Anterra (American Energy B.V.) over het tijdvak 1993, fiscaal nummer 8477334 (het hof begrijpt: D/130), is uitgereikt te Amsterdam op 1 maart 1994 en retour is ontvangen op 15 september 1995. Deze data komen overeen met de op het bewuste biljet vermelde data.

Het aangiftebiljet is gericht aan Perfect partners V.O.F. en heeft betrekking op American Energy B.V. (Anterra). De aangifte is ondertekend op 1 september 1995 met een handtekening die sterke gelijkenis vertoont met die van F.R. [naam medeverdachte 3]. Het hof gaat er dan ook van uit dat [naam medeverdachte 3] de aangifte heeft ondertekend.

De bij dit aangiftebiljet gevoegde winst-en-verliesrekening vermeldt over het fiscale jaar 1993 aan afschrijving ('depreciation') een bedrag van ƒ 9.397.286. Uit de Balance sheet die is gevoegd bij dit aangiftebiljet kan worden afgeleid dat dit bedrag ziet op de afschrijving voor "Intangible Assets", te weten ’Oil Leases’, waarvan de waarde op 31 december 1992 is gesteld op ƒ 65.240.334 en op 31 december 1993 op ƒ 55.843.048. Deze afschrijving is verwerkt in de fiscale winstberekening, en wel in rubriek 13.6 (afschrijvingen) onder c (concessies en vergunningen) op bladzijde 6 van de aangifte.

Als het saldo van de fiscale winstberekening over 1993 wordt in deze aangifte op bladzijde 7 vermeld: -/- ƒ 74.508.434 . Op bladzijde 9 van de aangifte is dan ook een belastbare winst vermeld van -/- ƒ 74.508.434.

B3. De aangifte van Anterra over het tijdvak 1994 (D/131)

De ambtsedige verklaring van P.G. Dekker RA, hoofd van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Amsterdam, d.d. 20 december 2000 behelst onder meer dat het aangiftebiljet inhoudende de aangifte van Anterra (American Energy B.V.) over het tijdvak 1994, fiscaal nummer 8477334 (het hof begrijpt: D/131) is uitgereikt te Amsterdam op 1 maart 1995 en retour is ontvangen op 15 september 1995 . Deze data komen overeen met de op het bewuste biljet vermelde data.

Het aangiftebiljet is gericht aan American Energy B.V. en is op 1 september 1995 ondertekend door F.L. [naam medeverdachte 3], managing director. De hierbij gevoegde winst-en-verliesrekening vermeldt over het fiscale jaar 1994 afschrijvingen ter hoogte van ƒ 9.397.286. Uit de bij dit aangiftebiljet gevoegde Balancesheet kan worden afgeleid dat deze afschrijvingen betrekking hebben op "Intangible Assets", te weten ‘Oil Leases’, waarvan de waarde op 31 december 1993 is gesteld op ƒ 55.843.048 en op 31 december 1994 op ƒ 46.445.762. Deze afschrijvingen zijn verwerkt in de fiscale winstberekening, en wel op bladzijde 5 van de aangifte onder rubriek 19 g (overige afschrijvingen).

Als het saldo van de fiscale winstberekening over 1994 wordt in deze aangifte op bladzijde 7 vermeld: -/- ƒ 26.059.389 . Dienovereenkomstig is op bladzijde 3 van de aangifte een belastbare winst ingevuld van -/- ƒ 26.059.389.

B4. De aangifte van (de fiscale eenheid van) Anterra over het tijdvak 1995 (D/132)

De ambtsedige verklaring van mr. J.J.B. Hulst, hoofd van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Den Haag, d.d. 29 mei 2000 houdt voor zover relevant in dat het aangiftebiljet bevattende de aangifte van Anterra (American Energy B.V.) over het tijdvak 1995, fiscaal nummer 84.77.334 (het hof begrijpt: D/132) is uitgereikt te Den Haag op 1 maart 1996 en retour is ontvangen op 1 augustus 1997 . Deze data komen overeen met de data die op het bewuste biljet zijn vermeld.

Het aangiftebiljet is gericht aan American Energy B.V. en is ondertekend door F. [naam medeverdachte 3], director, op 1 juli 1997 te Amsterdam. Door middel van dit aangiftebiljet heeft Anterra (American Energy B.V.) aangifte Vpb voor het jaar 1995 gedaan van de belastbare winst van de fiscale eenheid American Energy B.V. Tot deze fiscale eenheid (met American Energy B.V. als moedermaatschappij) behoorde per einde boekjaar als gevoegde dochtermaatschappij onder andere Rentafixe / American Energy Resources N.V. (zie specificatie 2 bij het aangiftebiljet).

De geconsolideerde winst-en-verliesrekening van de fiscale eenheid die als bijlage hierbij is gevoegd vermeldt onder afschrijvingen ('depreciation') ten aanzien van "AE BV" (het hof begrijpt: Anterra / American Energy B.V.) een bedrag van ƒ 9.397.286. Op de geconsolideerde balans die als bijlage is gevoegd bij dit aangiftebiljet staat vermeld als waarde van de "Intangible Fixed Assets" een bedrag van ƒ 37.048.476. Hieruit leidt het hof af dat deze immateriële activa de 'Oil Leases' betreffen en de hiervoor gemelde afschrijvingen op deze immateriële activa betrekking hebben .

De geconsolideerde winst-en-verliesrekening die als bijlage bij dit aangiftebiljet is gevoegd vermeldt voorts onder afschrijvingen ('depreciation') ten aanzien van "AER BV" (het hof begrijpt: Rentafixe / American Energy Resources N.V.) een bedrag van ƒ 934.865.209. Dat dit bedrag is samengesteld uit de posten ƒ 888.663.415 (afschrijving ‘Coal Production Payment I’ en II), ƒ 500.000 (afschrijving goodwill) en ƒ 45.701.794 (afschrijving op leaserechten) leidt het hof af uit de hierna nog te bespreken bedragen die betrekking hebben op de ‘Coal Production Payment I’ en II.

Het totaalbedrag van de door de fiscale eenheid ten laste van haar winst gebrachte afschrijvingskosten (ƒ 944.262.495) is verwerkt in de fiscale winstberekening onder rubriek 19 g op bladzijde 5 van de aangifte.

Als het saldo van de fiscale winstberekening van de fiscale eenheid over 1995 staat vermeld op bladzijde 7 van de aangifte: -/- ƒ 1.371.384.421 . In overeenstemming hiermee is op bladzijde 3 van de aangifte een belastbare winst aangegeven van -/- ƒ 1.371.384.421.

B5. De aangifte van Rentafixe over het tijdvak 1994 (D/135)

De ambtsedige verklaring van P.G. Dekker RA, hoofd van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Amsterdam, d.d. 20 december 2000 behelst dat het aangiftebiljet inhoudende de aangifte van Rentafixe (American Energy Resources B.V.) over het tijdvak 1994, fiscaal nummer 9604170 (het hof begrijpt: D/135), is uitgereikt te Amsterdam op 1 maart 1995 en retour is ontvangen op 15 september 1995. Deze data komen overeen met de data die op het bewuste biljet zijn vermeld.

Dit aangiftebiljet is gericht aan Rentafixe N.V. en is op 1 september 1995 ondertekend door F.L. [naam medeverdachte 3], als managing director.

De winst-en-verliesrekening die hierbij is gevoegd vermeldt onder afschrijvingen ('depreciation') over het fiscale jaar 1994 een bedrag van ƒ 111.082.928, welk bedrag blijkens het vermelde onder "Intangible Assets" op 31 december 1994 op de eveneens bijgevoegde Balance Sheet is samengesteld uit de bedragen ƒ 47.695.122 (afschrijvingen ‘Coal Production Payment I’) en ƒ 63.387.806 (afschrijvingen ‘Coal Production Payment II’), welke 'assets' voorafgaande aan de afschrijving waren gewaardeerd op ƒ 1.955.500.000, respectievelijk ƒ 2.598.900.000.

Het totaalbedrag van de ten laste van de winst van het jaar 1994 gebrachte afschrijvingskosten ad ƒ 111.082.928 is verwerkt in de fiscale winstberekening op bladzijde 5 van de aangifte onder rubriek 19a (afschrijvingen op goodwill en productierechten).

Als het saldo van de fiscale winstberekening over 1994 is in deze aangifte op bladzijde 7 een bedrag van -/- ƒ 112.739.522 vermeld. Op bladzijde 3 van de aangifte is een belastbare winst aangegeven van -/- ƒ 112.739.522.

B6. De aangifte van Egg over het tijdvak 1 juli 1994 - 31 december 1995 (D/136)

De ambtsedige verklaring van mr. J.J.B. Hulst, hoofd van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Den Haag, d.d. 29 mei 2000 houdt in dat het aangiftebiljet bevattende de aangifte Vpb van Egg (na naamswijziging: American Energy Mining B.V.) over het verlengde boekjaar vanaf 1 juli 1994 tot en met 31 december 1995, fiscaal nummer 803764261 (het hof begrijpt: D/136), is uitgereikt te Den Haag op 5 juli 1996 en retour is ontvangen op 1 augustus 1997. Deze data komen overeen met de data die op het bewuste biljet zijn vermeld.

Dit aangiftebiljet is gericht aan American Energy Mining B.V. en is op 1 juli 1997 te Amsterdam ondertekend door F. [naam medeverdachte 3], als director.

De uitgebreide verdichte winst-en-verliesrekening die hierbij is gevoegd vermeldt als afschrijvingen van (naar het hof begrijpt) “Intangible Fixed Assets” een bedrag van ƒ 68.736.910, welk bedrag blijkens de eveneens bijgevoegde uitgebreide verdichte balans is samengesteld uit ƒ 58.082.128 (afschrijving op Mexico Project), ƒ 5.808.212 (afschrijving op Colorado project) en ƒ 4.646.570 (afschrijving op Arizona Project), alsmede ƒ 200.000 voor afschrijving op goodwill.

Het totaalbedrag aan ten laste van de winst van het verlengde boekjaar 1 juli 1994 tot en met 31 december 1995 gebrachte afschrijvingen is verwerkt in de fiscale winstberekening op bladzijde 5 van de aangifte, onder rubriek 19a (afschrijvingen op goodwill en productierechten).

Als het saldo van de fiscale winstberekening is in deze aangifte op bladzijde 7 een bedrag van ƒ 306.196 vermeld. Op bladzijde 3 van de aangifte is dienovereenkomstig een belastbare winst aangegeven van ƒ 306.196.

C. De immateriële activa

C1. Hard Paper

In de Vpb-aangifte van Penn over 1992 is een verliespost opgenomen die verband houdt met een "failed acquisition". Deze post bedraagt ƒ 33.588.924, zijnde - naar hieronder zal blijken - 2/3e van $ 28 miljoen. Uit de hierna te bespreken bescheiden en verklaringen valt op te maken dat die verliespost een afkoopsom betreft ter zake van licentierechten op een kartonapplicatie genaamd ‘Hard Paper’. Dit uit Zweden afkomstige procedé zou het mogelijk maken om van bewerkt karton huizen, buizen, kisten, vliegtuigen en dergelijke te fabriceren.

[naam medeverdachte 5] heeft hierover verklaard:

"Ik heb [naam medeverdachte 3] en Raoul Kjellqvist aan elkaar voorgesteld. Ik ken Raoul sinds 1985. (...). Ik kende de uitvinder, dat was al in 1980. De uitvinder heette Holmsted. Ik regelde een verkoop aan een Zweeds bedrijf in 1981. Het bedrijf werd later geliquideerd. Daarna verkocht ik de Hard Paper-rechten opnieuw aan een bedrijf dat ook geliquideerd werd. Maar geen van die bedrijven werd geliquideerd vanwege Hard Paper, dat gebeurde om andere redenen.

Omstreeks 1988 regelde ik voor de derde keer de verkoop van het Hard Paper-project aan Chablis, een bedrijf dat werd vertegenwoordigd door Kjellqvist.

Ik wist dat Chablis de rechten van Hard Paper had en ik stelde Kjellqvist voor aan [naam medeverdachte 3] in Londen. Dat moet in oktober/november 1992 zijn geweest. Ik was aanwezig bij de eerste ontmoeting met [naam medeverdachte 3] en Kjellqvist. Daarna was er nog een aantal bijeenkomsten, waarbij ik niet aanwezig was. Ik dacht dat het een goede deal was voor [naam medeverdachte 3] en Oxbridge, dus stelde ik Kjellqvist voor aan [naam medeverdachte 3]. (...)."

Inbeslaggenomen documenten

Uit bescheiden die zijn aangetroffen bij Perfect Partners en A.P. van der Bogt komt het volgende beeld naar voren.

Oxbridge was voornemens de "marketing rights" van ‘Hard Paper’ voor Zuid- en Noord-Amerika te kopen . Chablis Holdings Limited (hierna: Chablis), en Oxbridge, naar later zou blijken ten behoeve van Anterra en Penn , kwamen een koopsom overeen van $ 93.000.000, zulks te betalen in drie tranches. De eerste betaling zou $ 3.000.000 bedragen, uiterlijk 15 december 1992 te voldoen. Daarna zou de uitgifte van een tweetal 'promissory notes' volgen: voor 31 december 1992 een 'note' ter hoogte van $ 40.000.000, en voor 30 juni 1993 een 'note' van $ 50.000.000 , waardoor Anterra en Penn dus per saldo het grootste deel van de koopsom verschuldigd zouden blijven .

Penn en Anterra zouden metterdaad $ 3.000.000 voor deze rechten hebben betaald . Nadat Oxbridge op 9 december 1992 Anterra en Penn had verworven, zouden - aldus begrijpt het hof de documenten - de rechten en verplichtingen uit hoofde van het aankoopcontract van de 'Hard Paper'-licentierechten in de verhouding 1 : 2 worden gedragen door Anterra, respectievelijk Penn .

Oxbridge was bovendien voornemens een deel van de aankoopprijs te financieren door de rechten voor Zuid-Amerika voor $ 40.000.000 door te verkopen aan Complejo Industrial Balvanera, gevestigd te Mexico . De conceptovereenkomst waarbij de licentie aan Complejo Industrial Balvanera zou worden verschaft geeft het exclusieve recht om binnen het daarin omschreven territorium “de methode” te gebruiken. Onder 'de methode' zou zijn begrepen het gebruik van niet nader omschreven machinerieën, formules en ontwerpen, alsmede een internationaal patent, waarvan - naar het hof overigens constateert - het nummer enigszins afwijkt van het internationale patent waarover Oxbridge blijkens twee (concept)-optieovereenkomsten zelf zou komen te beschikken.

De inbeslaggenomen documenten schetsen voorts het beeld dat reeds korte tijd na 9 december 1992 problemen zouden zijn gerezen.

Bij brief van 11 december 1992 laat José de Alba namens Complejo Industrial Balvanera aan [naam medeverdachte 3] (Oxbridge) weten:

"Due to unforseen circumstances we are not able to attend the completion meeting scheduled for 15 December 1992. Unforseen financing difficulties now make it impossible for us to proceed possibly until later next year."

Vervolgens deelt [naam medeverdachte 3] namens Oxbridge bij brief van 18 december 1992 aan Arnander (Chablis) het volgende mee:

"Today, it has become clear to us that Complejo Industrial Balvanera does not have the ability, at present, to fulfil the Hard Paper License Agreement as promised.

Unfortunately, this means that the funds we already had in our budget will not arrive in time for our payment of the promissory note of US dollars 40.000.000, in your favour, due on 31/12/92. I would therefore like to meet you urgently in London or Amsterdam to discuss the possibilities of an extension of time for payment of above promissory note. (...)."

Arnander reageert bij brief van 18 december 1992 :

"I am indeed sorry to learn that you have problems with Complejo Industrial."

Op 23 december 1992 vindt een buitengewone vergadering van aandeelhouders van Anterra plaats , waarin door [naam medeverdachte 3] en Dangoor akkoord wordt gegaan met een "Final Settlement and Release". Uit een brief van 24 december 1992 van Arnander aan Anterra en Penn blijkt wat deze "Final Settlement and Release" inhoudt: de betaling van $ 25.000.000, waarna Anterra en Penn volledig zouden zijn bevrijd van hun verplichtingen op basis van de licentieovereenkomst met Chablis.

Aldus laat het bedrag dat door Penn in haar Vpb-aangifte over 1992 is opgevoerd onder "failed acquisition" zich verklaren: de som van $ 25.000.000 (afkoopsom) en de eerste betaling van $ 3.000.000, verdeeld in de verhouding 1 : 2 over Anterra en Penn.

Naar valt op te maken uit een brief van 1 maart 1995 op briefpapier van First Nordic Finance Ltd. (hierna: FNF), gevestigd te London, van G. [naam medeverdachte 6] aan Joling van Perfect Partners (die administratieve werkzaamheden ten behoeve van Oxbridge verrichtte), is met Joling gesproken over de onderbouwing van dit bedrag. [naam medeverdachte 6] schrijft:

"With regard to the Chablis calamity, as promised I will send you an overview of this disastrous deal with as much back up paper work as I can get together."

Terzijde merkt het hof nog op dat het bedrag van $ 25.000.000 niet naar men zou verwachten (rechtstreeks) moest worden overgemaakt aan Chablis, maar op een rekening bij Bank in Liechtenstein ten name van FNF . Het hof komt op deze (vermeende) betaling terug onder de noemer ‘het betalingstraject nader beschouwd’.

Informatie uit Zweden en het Verenigd Koninkrijk

Naast de bij Perfect Partners en Van der Bogt inbeslaggenomen bescheiden zijn de volgende onderzoeksresultaten van belang.

In antwoord op een ambtshulpverzoek aan de Zweedse belastingautoriteiten heeft de Zweedse National Tax Board bij brief van 18 september 1998 onder meer het volgende meegedeeld:

"The patent applications concerning 'a process for treating fibours cellulosic webs and liquids for use therein' that is stated in the licences in question refer to an invention by the Swedish citizen Jan Walter Homstedt who died in May 1995. The "method" has also been called Well-metall, Paperford, Cellucomp and Hard Paper. (...). The first patent application was filed by Mr. Holmstedt on May 3, 1985 to the Swedish National Patent Office. (...).

According to Carl Johan Arnander (...). who up to April 20, 1989 was the sole shareholder of the Swedish company Oil Safe AB (Oil). Oil acquired in 1998 28 licences concerning the right to use Hard Paper. (...). These licences were used to eliminate profits in a number of Swedish companies. (...).

Patent applications concerning Hard Paper have been filed in a number of countries. As far as we know, no application has yet been approved. In 1992 a couple of experiments with Hard Paper took place in Sweden. These attempts failed. None of the above mentioned licence agreements have resulted in a product of any kind."

In vervolg op een ambtshulpverzoek aan Engelse belastingautoriteiten van 20 oktober 1997 heeft de Britse 'Inland Revenue' onder meer geantwoord bij brief van 6 juli 1998, waarin omtrent 'Hard Paper' is vermeld:

"The papers at the Patent Office in London have been inspected (...). The Patent office have informed me that the application no GB8827617.5 was never granted and the application was withdrawn on 10 May 1991 as no fee for substantive examination was paid.

I have now been informed that a European Application No EP90900224.8 was made on 24/11/89 by Cellulosa Composite Products Ltd (BVI) and Chablis Holdings Ltd which was withdrawn on 21/6/94. (...)."

Conclusies omtrent ‘Hard Paper’

De bij Perfect Partners en Van der Bogt inbeslaggenomen documenten moeten doen geloven dat de joint venture van Penn en Anterra voor het aanzienlijke bedrag van $ 93.000.000 rechten heeft verworven op een nog in productie te nemen uitvinding, te weten 'Hard Paper'. Op het onderliggende procedé is indertijd meermalen patent gevraagd, en daarvan was reeds op het moment van verwerving van de licentierechten door Oxbridge c.q. de joint venture van Anterra en Penn ten minste één aanvraag ingetrokken en nog niet één aanvraag gehonoreerd. Ook later is geen van de patentaanvragen gehonoreerd. In 1992 zijn experimenten gedaan, die niet tot succes hebben geleid. Er zijn geen aanwijzingen dat het 'Hard Paper' daadwerkelijk op enig moment ergens op de wereld (grootschalig) in productie is genomen en dat het procedé producten heeft voortgebracht die de eigenschappen bezitten die daaraan in de folder van CelluComp worden toegeschreven. Dat het concept 'Hard Paper' het in zich heeft een commercieel succes te worden, is derhalve een stelling die - ook indertijd - als louter speculatief moet worden afgedaan. Evenmin is gesteld of aannemelijk geworden dat Oxbridge serieus onderzoek heeft gedaan naar de economische haalbaarheid van 'Hard Paper'.

Dat een zakelijk handelende onderneming onder de hier geschetste omstandigheden bereid is om voor licentierechten op 'Hard Paper' een bedrag van maar liefst $ 93.000.000 te betalen acht het hof dan ook hoogst onaannemelijk. De waarde in het economisch verkeer van deze licentierechten bedraagt namelijk naar alle waarschijnlijkheid - ten hoogste - slechts een fractie van het bedrag waarvoor Oxbridge c.q. haar dochtervennootschappen de rechten op 'Hard Paper' zou(den) hebben aangeschaft.

Die grote twijfels omtrent het werkelijkheidsgehalte van de handelwijze van Oxbridge c.s. worden nog eens versterkt door de gang van zaken nadat Oxbridge van het Mexicaanse Complejo Industrial Balvanera had of zou hebben vernomen dat het niet (tijdig) in staat zou zijn om de sublicentie te financieren. Deze enkele mededeling van Complejo Industrial Balvanera zo kort na de aanschaf door Oxbridge c.s. van een ogenschijnlijk zeer waardevol activum zou Oxbridge c.s. er vervolgens toe hebben gebracht het 'Hard Paper' zonder slag of stoot te laten voor wat het is en akkoord te gaan met het annuleren van een succesvol ogend project tegen een afkoopsom van $ 25 miljoen, nadat reeds een tranche van $ 3 miljoen was betaald. Dat er juridische procedures zijn geëntameerd om Complejo Industrial Balvanera tot nakoming te bewegen is gesteld noch gebleken. Klaarblijkelijk zijn er richting Chablis evenmin financieringsvoorbehouden gemaakt. De gestelde gang van zaken getuigt van dermate veel amateurisme van de zijde van ervaren ondernemers en van een zodanige financiële onverschilligheid dat het hof het ervoor houdt dat deze gang van zaken niet de werkelijkheid weerspiegelt.

Het hof is van oordeel dat de 'Hard Paper'-licentie in het economisch verkeer bij lange na niet $ 93.000.000 waard was en dat het eveneens volstrekt onaannemelijk is dat de "Final Settlement and Release" voor Penn een reële verplichting ter grootte van 2/3e van $ 28.000.000 heeft gecreëerd.

Gelet op het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat is bewezen dat Penn, door in haar aangifte Vpb 1992 ter zake van de “Final Settlement and Release” een “Verlies op activiteit Hard Paper” ten laste van haar winst te brengen ter grootte van ƒ 33.588.924 (2/3 van $ 28.000.000), voor een (veel) te hoog bedrag een verliespost ten laste van haar belastbare winst heeft gebracht. Daar komt overigens bij dat het niet aannemelijk is, zoals hieronder nader zal worden overwogen, dat dit bedrag van ƒ 33.588.924 op enig moment daadwerkelijk ten laste van Penn of enige andere vennootschap van het Oxbridge-concern is gekomen, zodat ook om die reden in ieder geval sprake is van een voor een aanzienlijk te hoog bedrag ten laste van de belastbare winst gebracht boekverlies.

Het betalingstraject nader beschouwd

Hierboven heeft het hof overwogen dat uit de mede door Oxbridge geproduceerde stukken zou blijken dat Penn en Anterra metterdaad $ 3.000.000 voor deze rechten zouden hebben betaald. Het hof benadrukt dat het hier slechts een ‘beeld’ betreft dat uit deze bescheiden opkomt. Onaannemelijk is dat er door Oxbridge c.s. daadwerkelijk $ 3 miljoen of – sterker - ook maar één dollar is betaald dan wel anderszins ten laste van het Oxbridge concern is gekomen.

Bijlage D/228, bevestigt dit oordeel. Het document op pagina 3 is een overschrijvings-formulier van de hand van [naam medeverdachte 3] d.d. 9 december 1992, waarbij opdracht wordt gegeven om, overeenkomstig de gegevens op een factuur van Universal Asset Holdings Ltd. d.d. 9 december 1992 betreffende “the Hard Paper Manufacturing Process”, $ 3 miljoen over te maken van een bankrekening van Penn naar een bankrekening van Universal Asset Holdings Ltd. bij Barclays Bank. Uit een brief van [naam medeverdachte 3] van twee dagen later aan Bert Korfage van ABN AMRO Bank N.V. volgt in de woorden van [naam medeverdachte 3] echter dat hij eerder onjuiste betalingsinstructies zou hebben verstrekt en dat dit bedrag van $ 3 miljoen weer zal worden geretourneerd. Nieuwe instructies zouden nog volgen, aldus [naam medeverdachte 3], maar daarvan blijkt in elk geval niets uit het dossier.

Evenmin is aannemelijk geworden dat de door Anterra en Penn op te brengen afkoopsom van $ 28.000.000 c.q. van $ 25.000.000 werkelijk ten laste van het Oxbridge concern is gekomen. Het hof houdt het tegendeel voor juist.

Het hof baseert deze conclusie op hetgeen is vermeld op thans te bespreken bankafschriften van de Bank in Liechtenstein. Het hof acht deze vermeldingen een betrouwbare weergave van de werkelijkheid.

Een bankafschrift van 31 december 1992 , behorend bij een bankrekening die Oxbridge aanhoudt bij de ‘Bank in Liechtenstein’, vermeldt de afschrijving van een drietal bedragen van in totaal $ 28 miljoen naar rekeningen van Kanaken Beheer B.V. ($ 3 miljoen), van Anterra ($ 8 miljoen) en Penn ($ 17 miljoen), tegen de ontvangst van een bedrag van $ 28 miljoen afkomstig van First Nordic Finance Ltd., waarvan [naam medeverdachte 5] directeur is. Op een ander bankafschrift van de Bank in Liechtenstein, betreffende een rekening ten name van First Nordic Finance Ltd. van eveneens 31 december 1992 , is een drietal transacties onzichtbaar gemaakt, maar is ongemoeid gelaten de melding van de ontvangst van een bedrag van $ 3 miljoen van Kanaken Beheer B.V.. Bovendien kan uit dit afschrift worden afgeleid dat de in totaal vier overschrijvingen geen wijziging in het banksaldo hebben gebracht.

Uit het gegeven (i) dat Anterra en Penn de door hen ‘verschuldigde’ afkoopsom op de ‘Hard Paper’-rechten van in totaal $ 25 miljoen (in de onderlinge verhouding van 1 : 2) niet zoals in de lijn der verwachting zou liggen naar een bankrekening van Chablis maar conform de betalingsinstructies van Arnander en/of Kjellqvist naar de hier genoemde rekening van First Nordic Finance Ltd. bij de Bank in Liechtenstein dienden over te maken, en (ii) dat het bankafschrift van Oxbridge van 31 december 1992 de ontvangst van een bedrag van $ 28 miljoen afkomstig van First Nordic Finance Ltd. bevestigt, volgt dat het saldoneutrale afschrift van de bankrekening van First Nordic Finance Ltd. naast de ontvangst van de naar die rekening overgemaakte bedragen van Kanaken Beheer B.V., Anterra en Penn van in totaal $ 28 miljoen tevens melding maakt van de afschrijving van $ 28 miljoen naar de rekening van Oxbridge bij de Bank in Liechtenstein.

Daarmee is een volmaakt ‘kasrondje’ zichtbaar geworden, waarin enkele bedragen – tegen een kostprijs van 1 % van de $ 28 miljoen – tussen bankrekeningen van vennootschappen binnen het Oxbridge concern en First Nordic Finance Ltd. in één dag zijn rondgeleid .

Er blijft dus naar ’s hofs oordeel niets over van de opgewekte schijn als zou door Oxbridge c.s. een zeer hoge afkoopsom zijn betaald en zou daartoe een bedrag zijn geleend door Oxbridge van de Bank in Liechtenstein , en vervolgens door Oxbridge aan Anterra en Penn. Dat er in werkelijkheid géén afkoopsom is betaald ligt ook in de rede, want voor een vrijwel waardeloos activum als ‘Hard Paper’, in elk geval een activum waarvan de hoge waarde enkel op speculatie berust, is geen redelijk handelend ondernemer bereid een afkoopsom van $ 25 miljoen te betalen.

Kern van de zaak is dat het [naam medeverdachte 3] er kennelijk veel aan gelegen is om de indruk te wekken dat de rechten op ‘Hard Paper’ uiterst waardevol zijn en dat het concern van Oxbridge ‘helaas’ op transacties met deze vermogensrechten – zonder slag of stoot - een groot verlies heeft moeten incasseren.

Dat van zo’n belangwekkend document als de “Final Settlement and Release” van 23 december 1992, de overeenkomst waarop de betaling van de afkoopsom berust, blijkens een brief van Gareth [naam medeverdachte 6] van 22 september 1995 aan Joling van Perfect Partners bijna drie jaar later nog geen “final copies” beschikbaar zijn, onderschrijft ’s hofs conclusie zonder meer.

Zonder de volle medewerking van [naam medeverdachte 5], de zelfverklaard directeur en economisch eigenaar van First Nordic Finance, had de beschreven kasronde niet kunnen plaatsvinden.

Het hof komt hieronder nog terug op de verklaring van [naam medeverdachte 5] over deze gang van zaken.

De bespreking van een verweer

De verdediging van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] heeft bij pleidooi ter zitting van 26 juni 2006 aangevoerd dat 'Hard Paper' wel degelijk een commercieel succes had kunnen worden en dus - naar het hof begrijpt - althans in potentie de waarde had waarvoor de licentierechten door de Oxbridge-dochters Anterra en Penn zijn verworven. Dit verweer is door de verdediging in de andere strafzaken overgenomen en daarnaar is verwezen.

Mr. Pen heeft ter terechtzitting een artikel uit het blad Cobouw van 12 januari 2006 en een boekje genaamd "Cardboard Architecture" overgelegd, waaruit zou blijken dat "nog steeds" onderzoek wordt gedaan naar de ontwikkeling en de toepassingsmogelijkheden van verhard karton. De verdediging heeft betoogd:

"Het toont aan dat het onderzoek naar hard paper doorgaat, en dat voorshands de aanvangsstelling, namelijk dat het karton veel toepassingsmogelijkheden heeft, en, indien bewerkt, goedkoop, sterk en voor veel doeleinden bruikbaar is, juist is. (....). Voor het succesvol ontwikkelen zijn een aantal factoren nodig, met betrekking tot de kartonverpakking van melk hebben die factoren zich voorgedaan. Bij hard paper is dat tot nu toe niet gelukt. Dat er grote vorderingen zijn gemaakt blijkt uit het boekje, karton als toepassing om huizen te bouwen, kantoren in te richten enzovoort."

Naar 's hofs oordeel volgt uit de stelling dat karton veel toepassingsmogelijkheden heeft en, indien bewerkt, goedkoop, sterk en voor veel doeleinden bruikbaar is, geenszins dat 'Hard Paper' (meer dan) een in potentie succesvol product is en dat de handelswaarde van de rechten op het procedé in 1992 vele tientallen miljoenen dollars bedroeg. Desgevraagd heeft de verdediging verklaard niet te weten of het procedé dat aan 'Hard Paper' ten grondslag ligt gelijk is aan de bewerking die de Delftse technische universiteit, faculteit bouwkunde, kennelijk voor ogen staat. Daar ziet het hof overigens geen aanwijzingen voor. In het boekje 'Cardboard Architecture' wordt de historische ontwikkeling van karton geschetst en een beschrijving gegeven van het werk van Japanse architecten, maar naar 'Hard Paper' en de uitvinder ervan, Holmstedt, wordt niet verwezen. Uit het boekje en het overgelegde artikel blijkt dat het de TU Delft gaat om het gebruik van karton in de bouw en dat er nog veel moet worden onderzocht. Uit de belangstelling die technici heden ten dage uitdragen voor de toepassingsmogelijkheden van karton kan niet worden afgeleid dat het procedé 'Hard Paper' met tot 14 jaar terugwerkende kracht uiterst waardevol zou zijn (geweest). De enkele (overigens nog immer niet verwezenlijkte) 'potentie' dat een product waardevol blijkt te zijn is daartoe in elk geval niet voldoende. Het hof blijft dus bij zijn eerdere conclusies.

C2. Oil Leases

Afschrijvingen op ‘Oil Leases’ zijn als aftrekpost vermeld in de Vpb-aangiften van (de fiscale eenheid van) Anterra over het tijdvak 1993, 1994 en 1995, telkens voor een bedrag van ƒ 9.397.286. Anterra heeft kort na de overdracht van haar aandelen aan Oxbridge op 9 december 1992 ‘Oil Leases’ verworven voor een bedrag van ƒ 65.781.000. De vordering die Anterra op Oxbridge had is met dit bedrag verminderd.

Inbeslaggenomen bescheiden

Met betrekking tot de onderbouwing van de aanschaf van de ‘Oil Leases’ is tijdens het boekenonderzoek van de Belastingdienst uitsluitend aangetroffen de hierboven reeds besproken brief op briefpapier van FNF van Gareth [naam medeverdachte 6], gericht aan "Shaak Joling" van Perfect Partners, d.d. 1 maart 1995. Die brief verwijst naar een bespreking tussen [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 6] en Joling de dag daarvoor, bij gelegenheid waarvan kennelijk onder meer over 'Oil Leases' is gesproken.

Die brief houdt in dit verband in:

"On the oil leases, I have asked Fay (het hof begrijpt: [naam medeverdachte 3]) for a typical lease for you to have on file. (Don't worry, I won't send you a copy of every lease.) I confirm the book entry calculation as follows:

FIELD BBLS at $5 VALUE

Salem 2,480,000 12,400,000

Martinsville 1,008,000 5,040,000

Crawford 969,492 4,847,462

Loudon 3,782,508 18,912,540

8,240,000 41,200,002

Less 10% 4,120,000

37,080,000

Say $ 37,000,000 or DFL 65,781,000 Book Valuation. $5 a barrel1 is a conservative price and a further 10% has been deducted so there would be no room for dispute. I have also informed Fay that you may need a letter of confirmation as to overall value at sometime in the future but that it is not absolutely necessary right now. I hope this is correct and how you see it."

Verhoren in de Verenigde Staten

Voorts bevat het dossier verslagen van vraaggesprekken die twee 'special agents' (Kevin L. Martens en Scott W. Lindauer) c.q. één van hen (Lindauer) heeft gehad met John F. Homeier van Bi-Petro, Inc., gevestigd te Illinois, alsmede met Larry Sweat, boekhouder van Bi-Petro, Inc. Deze verslagen zijn opgesteld in het kader van een onderzoek van de 'Grand Jury' naar Douglas Shook , en zij houden onder meer het volgende in:

"(...). Hij (hof: Homeier) heeft deze onderneming (hof: Pace Petroleum) aan Shook (hof: Douglas Shook) verkocht. ‘Pace Petroleum’ bezat leases voor oliehoudende percelen in zuid Illinois. Shook kocht ‘Pace Petroleum’ en de leases, om de leases aan buitenlandse investeerders te verkopen voor een soort belasting ‘shelter’. De lease percelen hadden bronnen met een geringe productie, ongeveer 5 -6 vaten (1 barrel = 42 US gallons = bijna 159 liter) per dag.

Na verloop van tijd moest Shook nog meer leases bij kopen voor zijn buitenlandse investeerders. ‘Bi-Petro’ verkocht Shook leases voor percelen die in de provincie McDonough gelegen zijn. Deze percelen waren bestemd voor een olieveld met een voorraad van ongeveer 9 miljoen vaten. In werkelijkheid zou het winnen van olie op deze percelen kostbaar zijn en weinig productief.

Het laatste persoonlijke contact dat hij met Shook heeft gehad was in het voorjaar van 1997, en het laatste telefoongesprek was drie maanden geleden. Het telefoongesprek ging over de oliebron waarin Audrey Shook een belang heeft van 10%. Deze bron is eigendom van ‘Bi-Petro’, Audrey Shook, en twee andere advocaten."

"Na een paar stukken te hebben bekeken (hiaat in brontekst), ‘Oxbridge Investments’ is een bedrijf waarmee ‘Bi-Petro’ een paar maal zaken heeft gedaan. ‘Bi-Petro’ verkocht wel oliebronnen aan ‘Oxbridge Investments’. Hij herinnert zich dat hij oliebronnen heeft verkocht aan Shook (hof: Douglas Shook), maar na de stukken over ‘Bi-Petro’ uit het archief te hebben bekeken (hiaat in brontekst) werden de bronnen feitelijk verkocht aan ‘Oxbridge’."

"‘Pace Petroleum, Inc.’ heeft olie leases gekocht van ‘Bi-Petro’. Deze percelen liggen in McDonough County in Illinois. De lease percelen behoren bij een olieveld met voorraden van 9 miljoen vaten.

Het veld werd voor het eerst aangeboord in 1911, er werden ongeveer 3 miljoen vaten uit het veld gewonnen, de overblijvende 9 miljoen vaten staan geclassificeerd als reserve. ‘Bi-Petro’ gaf een bedrijf opdracht om het veld te onderzoeken en te bepalen wat de beste methode zou zijn om de olie uit het veld te winnen. ‘Bi-Petro’ probeerde om de olie te winnen, maar alle methoden die ‘Bi-Petro’ probeerde waren onproductief. ‘Bi-Petro’ verkocht de leases voor dit veld aan ‘Pace Petroleum’. Zowel Sweat als Homeier zei dat er olie in dit veld aanwezig is, maar dat het naar boven brengen van de olie veel tijd en geld zou kosten. Op grond hiervan gaven ze beiden aan dat de waarde van het veld zeer gering is. Sweat gelooft dat Shook de leases heeft gekocht voor een soort belasting ‘shelter’ voor buitenlandse investeerders."

In weerwil van de verklaring van Shook dat Pace Petroleum geen zaken heeft gedaan met Oxbridge neemt het hof tot uitgangspunt de verklaring van Homeier dat hij, Homeier, 'Oil Leases' met betrekking tot in zuid Illinois gelegen oliebronnen uiteindelijk heeft verkocht aan Oxbridge. Hoewel het hof bewijswaarde toekent aan essentiële - andere - onderdelen van de verklaringen van Shook en zijn verklaringen uit 1999 en 2000 als gedetailleerd, consistent en onderbouwd kunnen worden aangemerkt, hecht het hof in dit geval meer geloof aan de verklaring van Homeier, aangezien zijn mededeling dat hij bepaalde ‘Oil Leases’ rechtstreeks heeft verkocht aan Oxbridge berust op zijn, Homeiers, bestudering van archiefstukken.

Bovendien houdt het hof het ervoor dat het deze ‘Leases’ zijn die hebben geleid tot de afschrijvingen waarvan de Vpb-aangiften van (de fiscale eenheid van) Anterra opgave doen. Andere 'Oil Leases' zijn door de in deze zaak figurerende winstvennootschappen niet verworven, althans zulks is niet uit enig bescheid aannemelijk geworden. Het aantal van de ruim acht miljoen vaten waarnaar in de brief van 1 maart 1995 wordt verwezen is van dezelfde orde van grootte als de 'ongeveer negen miljoen vaten' waarvan Homeier en Sweat melding maken.

Op basis van het voorgaande ziet het hof in de aldus opgetekende verklaringen van Homeier en Sweat ondersteuning voor de volgende overwegingen, waartoe de inhoud van de brief van 1 maart 1995 het hof brengt.

Conclusie inzake 'Oil Leases'

Uit de wijze waarop in de besproken brief van G. [naam medeverdachte 6] cijfermateriaal wordt gepresenteerd ten behoeve van de fiscale boekhouding van Anterra, en met name de zinsnede "On the oil leases, I have asked Fay for a typical lease for you to have on file", leidt het hof af dat de brief geen melding maakt van prijzen die werkelijk zijn gehanteerd, maar dat het in deze handelt om hypothetische prijzen louter erop gericht om bepaalde afschrijvingen te verantwoorden . Deze hypothetische prijzen weerspiegelen dus op geen enkele wijze de zakelijk bepaalde kostprijs van deze ‘Oil Leases’. Van werkelijke winning of exploitatie van olie blijkt in het geheel niet en daarvan is ook overigens in deze strafprocedure en in de fiscale procedure ten overstaan van het gerechtshof te 's-Gravenhage niets aannemelijk geworden. In elk geval hebben ‘Oil Leases’ tot op heden niets opgebracht en zijn er geen aanwijzingen voor enige activiteit van Anterra om tot exploitatie van deze ‘Leases’ te komen. Het hof is daarom van oordeel dat het volstrekt onaannemelijk is dat ten tijde van de aanschaf van de 'Oil Leases' er van de zijde van Oxbridge of Anterra een serieus voornemen was om gedurende de looptijd van het contract olie te winnen.

Naar algemeen bekend mag worden verondersteld is de waarde in het economische verkeer van een olieveld niet alleen afhankelijk van de prijs van ruwe olie op de wereldmarkt, maar ook afhankelijk van de toegankelijkheid en kwaliteit van de olie, en van de kosten die moeten worden gemaakt om de betreffende olie te winnen. Homeier was over de waarde van de (naar 's hofs oordeel: deze) 'Oil Leases' vrij duidelijk:

"In werkelijkheid zou het winnen van olie op deze percelen kostbaar zijn en weinig productief."

Gelet op het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel (i) dat het realiteitsgehalte en/of de zakelijkheid van de (gepretendeerde) aankoopprijs van ƒ 65.781.000 van de ‘Oil Leases’ niet aannemelijk is geworden, (ii) dat de waarde in het economische verkeer van deze ‘Leases’ vermoedelijk niet meer dan een fractie bedroeg van deze (gepretendeerde) aanschafwaarde, en (iii) dat deze ‘Leases’, gelet op de hiervoor besproken brief van [naam medeverdachte 6], niet tegen de feitelijke (zakelijk bepaalde) kostprijs zijn geactiveerd, maar tegen een hypothetische kostprijs van $ 4,50 per barrel. Hieruit volgt dat het hof in ieder geval bewezen acht dat de waarde in het economische verkeer van de in de aangiften Vpb 1993 en 1994 van Anterra alsmede in de aangifte Vpb 1995 van de fiscale eenheid van Anterra op de balans geactiveerde ‘Oil Leases’ een fractie bedraagt van de boekwaarde waarvoor zij door (de fiscale eenheid van) Anterra zijn geactiveerd, dat deze activering derhalve voor een veel te hoog bedrag is geschied en dat mitsdien in de genoemde aangiften voor een (veel) te hoog bedrag afschrijvingskosten ten laste van de belastbare winst zijn gebracht. Deze afschrijvingen zijn immers gebaseerd op de hiervoor vermelde (aanzienlijk te hoge) boekwaarde waarvoor de ‘Oil Leases’ zijn geactiveerd; zij kunnen derhalve in zoverre op grond van het bepaalde in artikel 8 Wet Vpb juncto artikel 7 Wet IB 1964 niet ten laste van de belastbare winst komen, omdat de hoogte ervan niet zakelijk is bepaald.

C3. Coal Production Payments I en II

Kosten die samenhangen met rechten op de netto-opbrengst van 400 miljoen ton kolen (Coal Production Payments I) zijn voor zover in hoger beroep aan de orde verwerkt in de Vpb-aangiften van Interbaros over het tijdvak van 1993 (D/133), van Rentafixe over het tijdvak 1994 (D/135), en van (de fiscale eenheid van) Anterra over het tijdvak 1995 (D/132). Voorts zijn kosten die samenhangen met de netto-opbrengst van 600 miljoen ton kolen (Coal Production Payments II) verwerkt in de Vpb-aangiften van Rentafixe over het tijdvak 1994 (D/135), en van (de fiscale eenheid van) Anterra over het tijdvak 1995 (D/132).

Kentucky kolen in documenten

Mijnrechten behorend bij de zogeheten "Graham Lease" op land gelegen in Kentucky, ook wel bekend als 119 van de "W.H. DeGroot" patenten, zijn op 25 januari 1992 door Hugh Rakes namens Kentucky Coal Resources Inc. overgedragen aan International Coal Access Resource Inc. (ICAR) . Op 18 maart 1992 zijn de mijnrechten met betrekking tot 43 van de 119 patenten door ICAR overgedragen aan International Coal Access Group Inc. (ICAG) en vervolgens op 7 april 1992 de mijnrechten met betrekking tot nog eens 34 patenten door ICAR aan ICAG.

Documenten die kennelijk (mede) zijn opgemaakt namens Oxbridge c.q. aan Oxbridge gelieerde bedrijven geven vervolgens het volgende beeld.

'Per' ("dated as of") 1 augustus 1993 heeft Anterra (onder de naam American Energy B.V.) bepaalde verkooprechten of rechten op de opbrengsten met betrekking tot 400 miljoen ton kolen uit de hierboven genoemde (43 + 34 =) 77 patenten gekocht van ICAG, de zogenoemde ‘Coal Production Payments I’. De rechten hebben een looptijd van 1 augustus 1993 tot 31 december 1999. De desbetreffende akte vermeldt geen aankoopprijs. In een 'settlement agreement' van 31 december 1996 wordt evenwel vermeld dat Anterra (onder de naam American Energy B.V.) een 'promissory note' heeft afgegeven aan Oxbridge ten bedrage van ƒ 1.955.500.000 , en Oxbridge ter betaling van de 'Coal Production Payments I' voor hetzelfde bedrag een 'promissory note' aan ICAG .

Blijkens een akte, "dated effective" 28 oktober 1993 , heeft Anterra (onder de naam American Energy B.V.) de ‘Coal Production Payments I’ doorverkocht aan Interbaros. Voor deze rechten heeft Interbaros volgens deze akte betaald door middel van overdracht aan Anterra van een vordering van Interbaros op Oxbridge van ƒ 674.326.342, en door de afgifte aan Anterra van een ‘promissory note’ (schuldbekentenis) ten bedrage van ƒ 1.281.173.658, in totaal derhalve (opnieuw): ƒ 1.955.500.000. Namens Anterra is de akte getekend door G. [naam medeverdachte 6] en namens Oxbridge door F. [naam medeverdachte 3].

“Dated effective” 15 november 1994 heeft Interbaros (onder de naam American Energy Trading B.V.) de 'Coal Production Payments I' voor (hetzelfde) bedrag van ƒ 1.955.500.000 doorverkocht aan Rentafixe. Hiervoor heeft Rentafixe betaald door middel van de afgifte van een 'promissory note' van ƒ 674.326.342 aan Interbaros, en door overname van de schuld van Interbaros aan Anterra die is belichaamd in de genoemde ‘promissory note’ ten bedrage van ƒ 1.281.173.658 .

Bovendien heeft Rentafixe - eveneens "dated effective" 15 november 1994 - van ICAR en ICAG bepaalde verkooprechten c.q. rechten op de opbrengst van een additionele 600 miljoen ton kolen (‘Coal Production Payments II’) gekocht voor een bedrag van ƒ 2.598.900.000. Hiervoor heeft Rentafixe betaald door middel van de afgifte van een 'promissory note' aan ICAR/ICAG ten belope van ƒ 1.769.900.000. Voorts heeft Interbaros (de aandeelhouder van Rentafixe) ter betaling van de 'Coal Production Payments II' een 'promissory note' afgegeven aan ICAR/ICAG ten bedrage van ƒ 829.000.000, waartegenover Rentafixe een schuld van Interbaros (moeder) aan haar, Rentafixe (dochter), heeft laten vervallen, alsmede een relatief gering bedrag heeft betaald aan Interbaros .

Rentafixe heeft dus vermogensrechten met betrekking tot in totaal één miljard ton kolen aangekocht voor een bedrag van in totaal bijna ƒ 4,6 miljard. Aankoopbedragen zijn zij en de voorgaande kopers binnen het concern van Oxbridge, zo blijkt uit het voorgaande, telkens schuldig gebleven aan uiteindelijk ICAR en ICAG.

ICAR en ICAG zijn vennootschappen die per ("effective date") 15 november 1994 door Oxbridge zijn verworven voor bedragen van $ 225.000 en $ 100.000, aldus leidt het hof af uit een brief d.d. 3 maart 1995 van Douglas Shook namens Oxbridge aan John Gain (namens ICAG) en Armen Showalter (namens ICAR). Uit deze brief volgt dat de laatstgenoemde bedragen niet zijn betaald aan Gain en Showalter, zulks overeenkomstig de hieronder weergegeven verklaring van Gain.

Op 31 oktober 1996 zijn de overeenkomsten betreffende de ‘Coal Production Payments I’ en II “effective” 15 november 1994 geannuleerd .

Op 6 november 1996 hebben ICAR en ICAG de verkooprechten doorverkocht aan Kentucky Land and Exploration Inc. (KLE) , op dat moment een dochtervennootschap van Oxbridge . De koopprijs voor de verkooprechten bedroeg volgens de desbetreffende akte $ 100.000 per jaar gedurende een periode van 18 jaar. Volgens de accountant van KLE, James Luety, was de contante waarde hiervan $ 947.104.

Verhoren in de Verenigde Staten

Naast dit door documenten geschetste beeld is het volgende van belang.

John Gain heeft op 17 september 1999 aan 'special agent' Scott Lindauer het volgende verklaard :

“Verscheidene jaren geleden waren hij en Showalter betrokken bij ‘ICAG’. Showalter was de voornaamste partij in ‘ICAG’ en weet het meest van de onderneming af. (...).

Hij kreeg voor het eerst te maken met Showalter en Hugh Rakes bij het ontwikkelen van onroerend goed in de mijnbouw. Rakes is ongeveer 5 jaar geleden overleden. Hij en Showalter zijn bezig geweest met de aankoop van mijnbouw grond van Rakes. (...).

De ondernemingen werden gesticht en beheerd in verband met steenkool bezit gelegen in oostelijk Kentucky. Over het algemeen in het gebied van Hazard in Kentucky.

‘ICAG’ en ‘ICAR’ (International Coal Access Resources) waren bedrijven die activa in steenkool bevatten. Het is algemeen bekend dat de staat Kentucky grotendeels uit steenkool bestaat. De grote vraag is, hoe de steenkool te winnen, en de kosten tegenover de marktwaarde van de steenkool.

Hij en Showalter trachtten ‘ICAG’ en ‘ICAR’ aan [naam medeverdachte 3] te verkopen, er werd echter nooit geld overhandigd. Hij heeft nooit enig inkomen of enige compensatie ontvangen voor zijn bemoeienis met ‘ICAG’ of ‘ICAR’. Beide ondernemingen kwamen aan hun eind toen de transactie met [naam medeverdachte 3] niet doorging. Hij en Showalter gingen ieder hun eigen weg.

Hij reisde vier of vijf verschillende malen naar Texas om over een transactie met [naam medeverdachte 3] te onderhandelen.

De voornaamste kwestie bij alle mijnbouw ondernemingen is de titel, en hoe vaag het eigendom van het delfstof belang is. De belangrijkste partijen in de steenkool industrie in Kentucky zijn de grote oliemaatschappijen. Al de grote oliemaatschappijen hebben of het delfstoffen belang in hun bezit, of de mijnbouw onderneming die de steenkool zou delven.

(...).

Showalter en Rakes richtten een onderneming op die ‘Kentucky Coal Resources’ heette, die een meerderheidsbelang in de delfstoffen belangen van Rakes had. Hij had met dit bedrijf niets te maken. (...).

[naam medeverdachte 3] zou de steenkool activa kopen die in de bedrijven zaten. [naam medeverdachte 3] heeft de activa niet gekocht en de bedrijven hielden uiteindelijk op te bestaan."

Over de waarde van de kolenvelden waarop de Coal Production Payments I en II betrekking hadden is nog meer te doen geweest. John Sabo, indertijd werkzaam voor Weir International Mining Consultants, heeft hierover het volgende verklaard :

"‘Weir International’ stelde hem aan in mei 1996 om het kantoor van ‘Weir International’ in Lexington, Kentucky te beheren. (...).

Toen hij de leiding kreeg over het kantoor in Lexington had KLE een openstaande schuld wegens uitgevoerde werkzaamheden bij een onderzoek naar voorraden steenkool. Het onderzoek betrof in oost Kentucky aanwezige voorraden steenkool.

De enige contactpersoon voor KLE was Doug Shook. Het kantoor had geen adres of zakelijk telefoon nummer om Doug Shook te bereiken. De enige manier om Shook te bereiken was via de vorige bureau chef Daniel Kaiser. (...).

Tijdens de eerste bespreking met Shook op 9 mei 1996 vertelde Shook hem dat de bedoeling van het project was het te gebruiken voor belasting ‘shelters’ in Europa. Shook lichtte de belasting ‘shelter’ niet helemaal toe, (...).

Tijdens het eerste gesprek verzocht Shook ‘Weir’ de waarden voor de voorraden opnieuw te berekenen, zodat ze tevens de steenkool zouden weergeven die aanwezig was in aders die dunner waren dan de industrie norm. Het door ‘Weir’ uitgevoerde onderzoek gebruikte industrie normen om de hoeveelheid steenkool te schatten die aanwezig was in de geleaste percelen van KLE. Shook verzocht om bij het onderzoek de minimum dikte te verlagen, waardoor de hoeveelheid van de voorraden steenkool zou stijgen. Hij zei tegen Shook dat de minimum waarde verlaagd kon worden onder de 30 inch (plm 75 cm), maar dat het onmogelijk was om een waarde toe te kennen aan de extra voorraden, omdat de steenkool geen waarde zou hebben wegens de kosten van het winnen van de steenkool.

Shook besprak de mogelijkheid dat ‘Weir’ een taxatie zou geven van de voorraden. Er werd verder niets gedaan wat een taxatie betreft.

Het tweede gesprek werd op 14 mei 1996 gevoerd, ook dit gesprek was met Doug Shook. Bij dit gesprek vroeg Shook opnieuw om de “hypothetische” voorraden te voegen bij de geïmpliceerde categorie van het onderzoek. Shook kreeg opnieuw te horen dat de “hypothetische” steenkool niet bij het onderzoekrapport zou worden inbegrepen om de waarde van de voorraad te verhogen. "

Het rapport van Weir International Mining Consultants waarop Sabo doelt is, naar het hof begrijpt, het rapport d.d. 20 mei 1996 , te weten de 'Reserve study of Kentucky Land and Eploration Properties', waarin verslag is gedaan van onderzoek naar de 'reserve potential' van de bedoelde 119 "W.H. DeGroot"-patenten. De 'executive summary' vermeldt op bladzijde 3:

"Total in-place reserves on the Kentucky Land and Exploration property are 93,023,200 tons, of which just under half are in the demonstrated category. Additional investigation is needed to verify public domain information and move inferred reserves into the demonstrated category."

Douglas Shook heeft over het opnieuw berekenen van de hoeveelheden steenkool door Weir International Mining Consultants als volgt verklaard :

"‘Weir’ maakte een rapport over de steenkool voorraden en gebruikte daarbij de industrie normen van 30 inch (76 cm) dikke lagen om de hoeveelheid steenkool te berekenen. [naam medeverdachte 4] droeg hem op opnieuw contact op te nemen met ‘Weir’ en het rapport te laten maken met 15 inch dikke lagen om de kolen-voorraden te berekenen. ‘Weir’ weigerde een rapport op te stellen met de minimum waarde van 15 inch omdat de bedrijfstak die waarden niet erkent. Dan Kaiser van ‘Weir’ zei dat het rapport kon worden gemaakt, maar dat de waarden erin niet geldig zouden zijn.

Kaiser, [naam medeverdachte 4] en hij maakten gebruik van een telefoon met luidsprekers om het verlaagde minimum te bespreken, hij raadde [naam medeverdachte 4] aan het verlaagde minimum van 15 inch niet te gebruiken. Het eindrapport van ‘Weir’ gaf het minimum van 30 inch weer."

Alan Stagg, van Stagg Engineering Services Inc., heeft desgevraagd verklaard over de bedoelde steenkolenvelden :

"Op grond van de gegevens uit voorgaande verslagen en afgaand op het door zijn bedrijf uitgevoerde werk gelooft hij dat er steenkool aanwezig is in het gebied waar KLE eigendomsaanspraak op maakt. Er is steenkool aanwezig, er zijn echter geen onderzoeken of taxaties voltooid om de economische haalbaarheid te bepalen van het winnen van de steenkool. Het meeste land in oost Kentucky is tot op zekere hoogte door mijnbouw ontgonnen, er is zeer weinig ongeroerde grond over, als die er al is. Dat wil niet zeggen dat er niet meer steenkool aanwezig is, de vraag is hoeveel steenkool er nog is en (hoe hoog ) de kosten (zijn) van het winnen van de steenkool.

KLE heeft tot dusver niet deelgenomen in welke mijnbouw activiteiten ook."

Het hof neemt in dit verband voorts nog in ogenschouw de verklaring van John Lester, die hieronder in het kader van de zilvermijnen in Colorado meer uitvoerig aan de orde zal komen, en die onder meer heeft verklaard :

"Alle gegevens die hij heeft over KLE kwamen van [naam medeverdachte 3] of Shook. KLE heeft steenkool bezittingen in Kentucky. Momenteel is KLE verwikkeld in een soort rechtszaak over de vraag wie in feite de steenkool bezit, of de rechten (patenten) op de steenkool. (...).

[naam medeverdachte 3] legde uit hoe ‘KLE/Oxbridge’ werkt; [naam medeverdachte 3] spoort een Europese sluimerende onderneming op met een belasting krediet in de boeken. [naam medeverdachte 3] gebruikt dan voor afschrijving geschikte activa in de Verenigde Staten om aangepaste belasting aangiften te doen, die een belasting teruggaaf teweegbrengen die wordt uitbetaald aan [naam medeverdachte 3] of zijn bedrijven.

(...). “Productie was nooit aan de orde” wat betreft KLE en het bezit aan steenkool. Naar hij begrepen had zou het belang in steenkool gebruikt gaan worden als activa waar op afgeschreven zou worden bij een belastingaangifte in Europa."

Over hetgeen met deze transacties werd beoogd vermeldt het verslag van verhoor van Douglas Shook het volgende :

"Toen [naam medeverdachte 4] hem (hof: Douglas Shook) vroeg te ondertekenen als president van ICAG/ICAR vroeg hij (hof: Shook) om een volledige uitleg over wat er gaande was. [naam medeverdachte 4] vertelde hem dat Oxbridge de aankopen van activa gebruikte in belasting-shelters in Europa.

[naam medeverdachte 4] ging verder met de uitleg over de belasting-shelters door hem te vertellen dat de huidige Europese shelters bijna gelijk zijn aan die in de VS in de beginjaren ‘80. Als je onderneming inkomsten heeft dient de transactie om activa te verkrijgen die snel moet worden afgeschreven, waarmee een verlies wordt gevormd in plaats van inkomen.

Hij (hof: Shook) stemde erin toe te ondertekenen als het hoofd van ICAG/ICAR nadat hij contact had gehad met de ‘Secretary of State’, Delaware en hij liet de onderneming in de oude staat herstellen. Nadat hij meer onderzoek verricht had stelde Crymer vast dat ICAG/ICAR misschien werkelijk rechten had op een delfstoffen belang.

Het doel van het nastreven van het delfstoffen belang was om KLE in staat te stellen deel te nemen in een proces tegen ‘Cyprus Amax’. Deze rechtszaak diende om de waarde terug krijgen van de steenkool die door ‘Cyprus’ gedolven was, maar die eigenlijk eigendom was van de werkelijke eigenaar van de ‘DeGroot’ patenten.(...).

S/A Lindauer vroeg waarom men de steenkool-belangen wilde bezitten, welk voordeel zal Oxbridge of wie dan ook er van hebben al dit geld uit te geven? Shook meldde het volgende:

Er werden drie redenen opgegeven ter ondersteuning van het uitgeven van geld om de steenkool delfstoffen activa te financieren. Van die drie was de eerste de belangrijkste, de overige twee waren van ondergeschikt belang en speculatief:

1) Het hoofddoel - EUROPESE BELASTING-SHELTER

2) ‘Cyprus Amax’ zou tot een schikking komen in het proces en Oxbridge zou winst maken op de 12 tot 15 miljoen ton steenkool die ‘Cyprus’ bij vergissing had gedolven.

3) Een mijnbouw-aannemer vinden om de mijn feitelijk te openen.

Van de drie opties is de laatste (mijnbouw) de minst wenselijke en deze wordt geheel niet nagestreefd. De belangrijkste reden voor de aankoop van het delfstoffen-belang was het gebruik van het belang in de Europese belasting-shelters."

Conclusies inzake de Kentucky kolen

Uit het bovenstaande blijkt dat achtereenvolgens Anterra, Interbaros en Rentafixe voor een zeer hoog bedrag rechten op nog op te winnen steenkolen (‘Coal Production Payments I’ en ‘Coal Production Payments II’) van een met de betreffende vennootschap gelieerde vennootschap verworven heeft. De rechten zijn telkens geactiveerd voor een bedrag van in totaal bijna ƒ 4,6 miljard.

Ter beoordeling van de vraag naar de waarde in het economisch verkeer van deze rechten moet het volgende in ogenschouw worden genomen.

Uit het rapport van Weir International Mining Consultants d.d. 20 mei 1996 volgt in de eerste plaats dat het totaal van de 'demonstrated' en 'inferred' hoeveelheden steenkolen nog geen 10% uitmaakt van de hoeveelheid van 1 miljard ton aan steenkolen waarop de in de Vpb-aangiften opgegeven waarde van het activum en de hoogte van de daarmee samenhangende afschrijvingen zijn gebaseerd. Klaarblijkelijk zag Douglas Shook dat ook wel in, want hij heeft nog getracht Weir te bewegen de conclusies inzake de waarschijnlijk aanwezige hoeveelheden steenkool in opwaartse zin bij te stellen.

In de tweede plaats blijkt uit dit rapport dat bijna drie jaren na aanschaf van deze patenten door Anterra nog immer geen duidelijkheid is verkregen over de hoeveelheid van de aanwezige steenkool en over de exploitatiekosten ervan. Nader onderzoek daarnaar is nog nodig. Er zijn bovendien geen nadien opgemaakte rapporten of bedrijfsplannen met betrekking tot de winbaarheid en kwaliteit van de steenkolen, en waarin is voorzien in een serieuze raming van de kosten van het delven ervan. Niet alle steenkool waarvan de aanwezigheid in een bepaalde mate van waarschijnlijkheid is vastgesteld kan immers economisch verantwoord worden gewonnen. De waarde van verkooprechten hangt met een en ander nauw samen. De verklaring van Alan Stagg bevestigt deze conclusie zonder meer.

Wat betreft het bedrag dat Oxbridge en/of haar dochtervennootschappen werkelijk hebben betaald voor de verwerving van de vermogensrechten op de kolenvelden, dan wel de kolenvelden zelf of de aandelen van de vennootschap(pen) die de kolenvelden bezat(en), trekt het hof uit de verklaring van John Gain en de brief van 3 maart 1995 van Douglas Shook namens Oxbridge de conclusie dat Oxbridge c.s. per saldo niets hebben betaald en in elk geval niet voornemens waren om aan de oorspronkelijke eigenaren van de steenkool meer te betalen dan een bedrag van in totaal $ 325.000. Bij verkoop van de vermogensrechten aan KLE (inmiddels gelieerd met Oxbridge) zien we bedragen in dezelfde orde van grootte: $ 100.000 op jaarbasis over 18 jaren; contant gemaakt nog geen $ 950.000. Deze bedragen staan in geen verhouding tot het bedrag waarvoor de vermogensrechten op de onderscheidene balansen zijn geactiveerd.

Het hof is uiteraard bekend met de mogelijkheid dat een ondernemer zo nu en dan geluk heeft en goederen in handen krijgt voor een aanmerkelijk geringer bedrag dan (eventueel naar later blijkt) de waarde ervan in het economisch verkeer. Bovenstaande opsomming van verklaringen geven echter geen aanleiding te veronderstellen dat zich hier een dergelijke situatie heeft voorgedaan. [naam medeverdachte 3] beriep zich in zijn verhoor als getuige ter zitting van het hof onder meer in dit verband op ondernemersgeluk in verband met de aanschaf door Oxbridge van de Kentucky-kolenrechten. De kans dat de niet aan Oxbridge verbonden verkopers van de Kentucky kolenrechten (Showalter en Gain), bij vergissing voor een habbekrats afstand hebben gedaan van een "goudmijn" acht het hof evenwel verwaarloosbaar, nu Showalter als eerste de beschikking had over een hieronder nog te bespreken briefrapport d.d. 16 januari 1992 van Gallimore en Williams en niet blijkt dat Oxbridge c.s. zich wat betreft de waardering van deze kolenrechten op iets anders hebben gebaseerd dan ditzelfde rapport.

Terzijde merkt het hof voorts op dat mr. R.F. Trijsburg namens de Belastingdienst Grote Ondernemingen Den Haag in zijn vertoogschrift van 16 juli 1999 uiteen heeft gezet dat de productiecijfers van steenkoolwinning over de jaren 1994 en 1996 in de hele Staat Kentucky respectievelijk 169 miljoen ton en 158 miljoen ton bedroegen. Die laatste hoeveelheid is gewonnen in 544 mijnen, aldus heeft Trijsburg geconcludeerd op basis van door het internet toegankelijk gemaakte gegevens. Uitgaande van een looptijd van bijna zesenhalf jaren en een beoogde omzet van 1 miljard ton kolen zou de volledige uitvoering van de ‘Coal Production Payments I’ en II op jaarbasis globaal het delven van evenveel steenkool vereisen als de totaalproductie van de hele Staat Kentucky in 1994 en die in 1996, zijnde ongeveer 6 % van de jaarconsumptie van steenkool in de Verenigde Staten in het midden van de jaren ‘90. Trijsburg voornoemd wijst er vervolgens naar 's hofs oordeel terecht op dat het volkomen irreëel is te veronderstellen dat het mogelijk is om "volstrekt vanuit het niets (er is nog geen begin van een mijn) in zo korte tijd een dusdanige productie te halen als nodig is voor volledige uitvoering van de contracten".

De ‘Coal Production Payments I’ en II hebben dan ook nimmer opbrengsten voor Anterra, Interbaros, Rentafixe, Oxbridge of voor een met hen gelieerde vennootschap opgeleverd. Er is zelfs gedurende de looptijd van deze vermogensrechten geen enkele aanvang gemaakt met de exploitatie ervan.

Het hof acht al met al aannemelijk dat er ten tijde van de aanschaf van de vermogensrechten geen reëel voornemen bestond om deze delfstoffen gedurende de looptijd van het contract te winnen.

De in de boeken van Anterra, Interbaros en Rentafixe opgenomen waardering van de hier besproken vermogensbestanddelen is in geen enkele procedure op adequate wijze kunnen worden onderbouwd. Gelet op het bedrag waarvoor de ‘Coal Production Payments I’ en II aan KLE verkocht zijn, in samenhang met het genoemde rapport van Weir International Mining Consultants en gelet op hetgeen Sabo en Stagg daaromtrent hebben verklaard, acht het hof bewezen dat de waarde in het economisch verkeer van deze vermogensrechten niet (veel) meer bedroeg dan een fractie van de door Anterra, Rentafixe en Interbaros opgevoerde boekwaarde.

Gelet op het hiervoor overwogene omtrent de ‘Coal Production Payments I’ en II acht het hof bovendien bewezen dat de bedoelde vermogensrechten – indien al, gelet op de hiervoor vermelde conclusies, ervan kan worden uitgegaan dat sprake is van activa met enige realiteitswaarde die als bedrijfsmiddel op de balans van (de fiscale eenheid van) Anterra, Interbaros en Rentafixe mogen worden geactiveerd - in elk geval voor een veel te hoog bedrag zijn geactiveerd, zodat de daarmee samenhangende afschrijvingskosten in de hiervoor genoemde aangiften van (de fiscale eenheid van) Anterra, Interbaros en Rentafixe voor een veel te hoog bedrag ten laste van de belastbare winst zijn gebracht.

Wat betreft de Vpb-aangifte van Interbaros over 1993 (kort gezegd D/133) zal voorgaand oordeel evenwel niet relevant blijken te zijn, nu om andere redenen zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover dat op deze aangifte betrekking heeft.

De bespreking van verweren in de zaak [naam medeverdachte 3]

Rapporten omtrent de hoeveelheid steenkool

Ter zitting als getuige gehoord heeft [naam medeverdachte 3] gewezen op een rapport van James L. Gallimore, aan wiens conclusies de hoeveelheid van 1 miljard ton kolen zou zijn ontleend waarop de vermogensrechten genaamd 'Coal Production Payments I’ en II het oog hebben.

In eerste aanleg heeft de toenmalige raadsman van [naam medeverdachte 3] een briefrapport van 16 januari 1992 van Earth Energy Consultants overgelegd . Het betreft een brief van James L. Gallimore en Randall P. Williams, beiden werkzaam voor die instantie, gericht aan Armen M. Showalter van ICAG. Dit briefrapport van drie pagina's handelt naar het hof begrijpt over de hoeveelheid steenkool op de percelen in Kentucky waarvan ICAR en ICAG rechthebbende zouden zijn. Williams en Gallimore verwijzen naar een eerdere schatting van N. Light uit 1978 en nemen diens conclusies over, voor zover daarin is becijferd dat bepaalde 'Hazard'-steenkoollagen in totaal bijna 580 miljoen ton kolen bevatten . Het briefrapport vervolgt met:

"In addition to the seams investigated by Mr. Light, several below-drainage seams, known as the Upper Elkhorn # 1, the Upper Elkhorn # 2, and the Upper Elkhorn # 3, should underlie the 24,780 acres and from core samples logged in the vicinity of the subject property the seam thickness and tonnage is estimated as follows ....",

waarna geconcludeerd wordt dat zich in totaal 933.284.118 ton kolen zouden bevinden in 'the major coal seams' van de onderwerpelijke percelen, aldus Williams en Gallimore. Het rapport geeft geen indicatie van de kosten van winning van deze hoeveelheden. Voorts wijst het rapport nog op het volgende:

"Recovery rates, of course, will depend on site specific conditions, mining equipment, methods, and the type of cleaning and processing plant used. (...) We will be pleased to undertake additional geologic exploration to develop an overall mine plan for underground mines and surface mines."

Toen de Nederlandse Belastingdienst vragen ging stellen over de activering van één miljard ton aan kolen die in de aangifte Vpb was verwerkt, is niet het rapport van Gallimore en Williams van 16 januari 1992, noch dat van Light van 6 januari 1978, maar het hierboven reeds besproken meer uitgebreide rapport van Weir International Mining Consultants d.d. 20 mei 1996 aan de Belastingdienst overgelegd. Shook heeft daarover verklaard :

"In het begin van het onderzoek door Evans en hemzelf maakten ze gebruik van de diensten van Randell Williams, ‘Earth Energy’. ‘Earth Energy’ maakte de eerste rapporten op over steenkoolvoorraden die beschreven werden in de ‘DeGroot’ patenten. ‘Earth Energy’ kon niet het type rapport leveren dat nodig was. ‘Weir International’ werd ingeschakeld om een rapport over de steenkoolvoorraden te maken."

Naar 's hofs oordeel is het briefrapport van Gallimore en Williams weinig specifiek en geeft het geen indicatie omtrent de weg waarlangs zij tot hun conclusies zijn gekomen. Van door deze deskundigen verrichte boringen blijkt bijvoorbeeld niets. Toch moet worden aangenomen dat Oxbridge c.s. zich bij de waardering van de ‘Coal Production Payments I’ en II hebben gebaseerd op de in dit rapport genoemde hoeveelheden steenkool, aangezien het rapport van Weir International Mining Consultants pas in 1996 is opgemaakt en er geen enkel ander rapport is waarvan de schatting van de hoeveelheid steenkolen die van de 1 miljard ton ook maar benadert. Hoewel de schatting van hoeveelheden steenkolen immer een statistische aangelegenheid is, wordt in het briefrapport van Williams en Gallimore geen indicatie gegeven van de mate van waarschijnlijkheid van het bestaan van de genoemde hoeveelheid steenkolen.

Mede in het licht van de hier genoemde punten komt het hof niet tot een ander oordeel over de waardering van de Kentucky-kolenrechten dan hierboven reeds overwogen. Doorslaggevend is dat het briefrapport van Gallimore en Williams gericht is aan Showalter van ICAR/ICAG en dat hij op de hoogte was van de door Earth Energy Consultants gegeven schatting van de aanwezige hoeveelheden steenkool. Zich kennelijk realiserend dat er een verschil is tussen het (vermoedelijke) bezit van steenkolen en het winstgevend delven ervan, verkochten Showalter en Gain bepaalde rechten op de steenkool-'patents', c.q. de vennootschappen die daarvan de houdster zouden zijn, aan Oxbridge c.s. voor een bedrag van om en nabij 1/10.000ste van het bedrag waarvoor deze claims korte tijd later werden geactiveerd in de boeken van de betreffende Oxbridge-dochtervennootschappen. Met deze op het oog zo waardevolle activa heeft Oxbridge c.s. in de exploitatiesfeer volstrekt niets gedaan. Een en ander laat zich niet rijmen met de door Oxbridge c.s. geclaimde waarde van deze immateriële activa.

Aangaande de aangifte van (de fiscale eenheid van) Anterra over het tijdvak 1995 (D/132) valt ten overvloede op te merken dat deze door [naam medeverdachte 3] is ondertekend op 1 juli 1997 en door de Belastingdienst retour is ontvangen op 1 augustus 1997. Op die momenten moet Oxbridge c.s. al de beschikking hebben gehad over het rapport van Weir International Mining Consultants van 20 mei 1996 waaruit kon worden afgeleid, voor zover zulks al niet duidelijk was, dat de hoeveelheid winbare steenkool op dan wel de waarde van de bewuste percelen aanzienlijk geringer was dan waarop de omvang van de afschrijvingen in deze Vpb-aangifte was gestoeld.

Gestelde aanwijzingen voor Russels intentie om steenkool te winnen en de rechten te exploiteren

In eerste aanleg heeft de raadsman van [naam medeverdachte 3] er voorts nog op gewezen dat getuige Ross Fuller zich inspanningen heeft getroost om de steenkolen op de markt te brengen. Bovendien heeft Fuller 'titel'-onderzoek laten verrichten (naar de eigendom van de steenkolen) en heeft er allerlei juridische en geologische research plaatsgevonden om uiteindelijk te komen tot exploitatie, aldus de raadsman in eerste aanleg.

Bij de stukken bevindt zich een ongedateerde overeenkomst tussen Interfon S.A., gevestigd op de Bahama's, vertegenwoordigd door Ross Fuller, enerzijds en Oxbridge, vertegenwoordigd door [naam medeverdachte 3], anderzijds, waarin Oxbridge opdracht geeft de door Williams en Gallimore geschatte hoeveelheid (933.284.118 ton) steenkolen te verkopen. De verkoopprijs bedraagt $ 1,50 per ton, vermeerderd met een bedrag van $ 30.000.000. Voorts beschikt het hof over afschriften van pagina's van een - in de woorden van Fuller - 'brochure', waaraan onder meer de genoemde rapporten van Gallimore en Williams en dat van N. Light waren gevoegd. Uit telefoonaantekeningen van, naar het hof begrijpt, Fuller moet volgens hem blijken dat verscheidene personen of instanties deze brochure hebben opgevraagd. Van verdergaande belangstelling dan een "begin van interesse" blijkt niet en tot verkoop is het nimmer gekomen .

Bij brief van 15 september 1995 heeft [naam medeverdachte 3] meegedeeld de bedoelde (rechten op de) hoeveelheid steenkolen van de markt te willen halen. Aanleiding daarvoor waren aanspraken die de mijnbouwonderneming Cyprus Amax Minerals Company (hierna: Cyprus Amax) maakte op de patenten van Oxbridge c.s. . Vervolgens heeft de advocaat van Oxbridge c.s., Eric Evans, alsnog een uitgebreid 'titel'-onderzoek laten verrichten , en onderzoek laten doen naar de omvang van de door Cyprus Amax gedolven hoeveelheden steenkolen. Het resultaat van dat onderzoek is neergelegd in een rapport van de al eerder genoemde Randall P. Williams van Earth Energy Consultants van 7 september 1995 , gebaseerd op de opgaven van hoeveelheden gewonnen steenkolen door Cyprus Amax.

Uit een en ander volgt dat [naam medeverdachte 3] en/of Fuller, anders dan de raadsman in eerste aanleg heeft willen betogen, geen ander geologisch of mijnbouwkundig onderzoek heeft laten verrichten dan heeft uitgemond in het reeds besproken rapport van Weir International Mining Consultants van 20 mei 1996 en het rapport van Williams van 7 september 1995, dat er evenwel louter op was gericht vast te stellen hoeveel grondstoffen inmiddels door Cyprus Amax waren gemijnd.

Het rapport van Weir, dat blijkens zijn inhoud slechts een aanzet was tot nader onderzoek naar de praktische mogelijkheden en economische haalbaarheid van de steenkoolwinning, is nooit opgevolgd door enig ander onderzoek, hetgeen bij een miljardenproject toch wel voor de hand had gelegen. Naar het oordeel van het hof is dit onvoldoende om daaruit af te kunnen leiden dat het [naam medeverdachte 3] serieus om daadwerkelijke steenkoolwinning te doen was, zoals hieronder ook nog nader zal blijken.

Het genoemde juridische 'titel'-onderzoek naar de eigendom van de 119 DeGroot-patenten vond zijn aanleiding in en was nodig in een te voeren civiele procedure tegen Cyprus Amax. Die juridische procedure, en niet de steenkoolwinning, werd een doel op zich. Douglas Shook heeft immers verklaard, zoals hierboven reeds geciteerd :

"Het doel van het nastreven van het delfstoffen belang was om KLE in staat te stellen deel te nemen in een proces tegen ‘Cyprus Amax’."

Dat de titel van de 119 DeGroot-patenten vatbaar was voor discussie, was echter reeds vóór de aanschaf door Oxbridge c.s. bij [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] bekend. Douglas Shook verklaarde hierover :

"Hij (hof: Shook) nam contact op met Evans en sprak af dat hij enige tijd zou doorbrengen op het kantoor van Evans om kennis op te doen over de staatswetgeving van Kentucky en om onderzoek te doen in oude dossiers van de rechtbanken om een status-verslag te leveren aan [naam medeverdachte 4]. Bij het afronden van zijn eerste onderzoek stelde hij een nota op voor [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4], waarin hij meldde dat de ‘DeGroot’ patenten jarenlang onderwerp zijn geweest van processen en het onderwerp zouden zijn van toekomstige procesvoering om het juiste eigendomsrecht vast te stellen."

Voorts wijst het hof op hetgeen de getuige Ross Fuller op 5 maart 2003 zelf heeft verklaard ten overstaan van de rechter-commissaris :

"Ik wist dat Fay (hof: [naam medeverdachte 3]) betrokken was met een aantal andere mensen in belastingconstructies in Europa. Ik wist dat zij daarmee financieel ook heel succesvol waren geweest. Ik denk dat ik dat te weten ben gekomen rond 1993. Ik wist niet dat deze activiteiten in Nederland plaatsvonden, maar later heb ik begrepen dat in elk geval een aantal in Nederland plaatsvonden. (...). In die tijd, als investment banker, dacht ik dat ik zelf geld kon verdienen met een van deze projecten. Toen vroeg ik Fay een keer om precies uit te leggen hoe dit in elkaar stak en bij welke projecten ik misschien deelnemer kon worden. Hij kon mij toen alleen vertellen dat het project Amerikaanse activa nodig had, die afgeschreven konden worden."

Een en ander maakt wederom aannemelijk dat het Oxbridge en [naam medeverdachte 3] niet te doen was om de winning van steenkolen en dat het - kort gezegd - Weir-rapport geen eerste stap was in die richting. In overeenstemming met de aangehaalde verklaring van Shook ging het Oxbridge en [naam medeverdachte 3] louter om het bewerkstelligen van afschrijvingen in het kader van een fiscale constructie en zo mogelijk om een civiele procedure waarin - indien succesvol - winst kon worden gemaakt . Derhalve levert het aangevoerde geen aanwijzing op dat er in aanmerking te nemen intenties waren om tot exploitatie te geraken van de vermogensrechten op Kentucky-steenkolen.

C4. Zeoliet

Kosten van afschrijving op de mijn- of verkooprechten ("mining claim") op 400.000 ton zeoliet, gelegen in Yavapai County, Arizona, zijn verwerkt in de Vpb-aangifte van Egg (na naamswijziging: American Energy Mining B.V.) over het verlengde boekjaar van 1 juli 1994 tot en met 31 december 1995. De mijn- of verkooprechten zijn geactiveerd voor een bedrag van ƒ 69.698.553 en de over dit boekjaar ten laste van de winst gebrachte afschrijving bedroeg ƒ 4.646.570 .

Inbeslaggenomen documenten

De inbeslaggenomen documenten geven het volgende beeld.

Met ingang van 1 september 1995 ("effective date") heeft Egg (onder de naam American Energy Mining B.V.) bepaalde rechten op (de verkoop van) zeoliet van Oxbridge gekocht, en wel voor een periode van 5 jaar, te weten van 1 september 1995 tot en met 1 september 2000 . Voor deze rechten is betaald door middel van een ‘promissory note’ ten bedrage van ƒ 69.698.553 .

Naar volgt uit een akte had Oxbridge op een eerdere datum, namelijk ("dated as of") 15 augustus 1995, soortgelijke vermogensrechten op (de verkoop van) 400.000 ton zeoliet verworven van GR Industries Inc. (hierna: GR). Deze rechten hadden een looptijd tot 15 augustus 2005 . Blijkens "Exhibit A" bij deze akte gaat het om "Rhyolite mining claims" 1 tot en met 12 in de Sam Powell Quadrangle, Yavapai County, Arizona (USA).

Oxbridge had op dezelfde "effective date" 15 augustus 1995 door tussenkomst van een "undisclosed agent" de aandelen GR gekocht van Texas Arizona Mining Company en Houston Wisenbaker voor nominaal $ 1.000.000 . De koopsom diende in 10 jaarlijkse termijnen van elk $ 100.000 betaald te worden.

Verhoren in de Verenigde Staten

Oxbridge heeft van die 10 jaarlijkse termijnen feitelijk slechts één termijn van $ 100.000 betaald . Louis Mehr, naar eigen zeggen hoofdeigenaar van Texas Arizona Mining Company, heeft hierover verklaard :

"Hij (hof: Mehr) herinnert zich dat hij Doug Shook en Fay [naam medeverdachte 3] een paar maal heeft ontmoet.

De laatste keer dat hij Shook en [naam medeverdachte 3] ontmoet heeft was op een advocaten kantoor - Joseph [naam medeverdachte 4], deze bespreking vond plaats eind 1995 of begin 1996. Tijdens deze bespreking stelden Shook en [naam medeverdachte 3] een transactie voor waarbij Shook en [naam medeverdachte 3] het recht zouden kopen om zeoliet te winnen gedurende een vastgestelde periode, voor $1 miljoen, te betalen in de loop van tien jaren. Er werden op het kantoor van [naam medeverdachte 4] enkele documenten opgesteld, de documenten zijn echter nooit ondertekend omdat niet alle bijzonderheden uitgewerkt werden."

Omtrent het begin van de zeoliettransactie verklaarde Douglas Shook op 21 oktober 1999 :

"De zeoliet transactie werd begonnen in het begin van 1996 en afgerond voor het eind van 1996. De transactie ging als volgt: TAMCO (Louis Mehr) bezat de mijn en wees 2,5 miljoen ton zeoliet toe aan ‘GR Industries’ (Wisenbaker). Oxbridge ging een kontrakt aan om de aandelen van ‘GR Industries’ van Wisenbaker te kopen. Het stuk getiteld “Assignment of Production Payment” - een toewijzing van betaling voor produktie - gedateerd 15 augustus 1995 tussen ‘GR Industries’ en Oxbridge Investments Ltd werd opgesteld door [naam medeverdachte 4]."

Houston Wisenbaker heeft het volgende verklaard over de aanschafwaarde van de aandelen in GR :

"Het voorstel van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] behelsde de aankoop van ‘GR Industries’ voor een miljoen dollar ($ 1.000.000 uitbetaald-$ 100.000 per jaar gedurende 10 jaar). In ruil daarvoor zouden [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] de leiding krijgen over ‘GR Industries’. Volgens Europese wetgeving kon het belang in delfstoffen in drie jaar worden afgeschreven, hetgeen een belasting voordeel van meer dan $80 miljoen zou opleveren. Boven de jaarlijkse betaling van $ 100.000 zou hij ook een deel van de $ 80 miljoen krijgen."

Omtrent de betalingen terzake van de zeoliettransactie en omtrent de commerciële aspecten van GR verklaarde Wisenbaker :

“De overeenkomst werd gesloten tijdens de eerste vergadering en hij (hof: Wisenbaker) ontving de eerste betaling van $100.000. Naar zou blijken was dat de enige betaling die hij ontving. (...).‘GR Industries’ werd door hem en zijn vrouw opgericht in 1990. Het doel van de onderneming was het verwerken van zeoliet tot kattenbak vulling. Het bedrijf heeft nooit echt gefunctioneerd als een operationeel bedrijf. Ook heeft de onderneming nooit concreet zeoliet ontgonnen uit het terrein in Arizona of ergens anders. ‘GR Industries’ had een overeenkomst met de ‘Texas Arizona Mining Company’ (Louis Mehr) om de grondstof (zeoliet) te leveren "

Over de waarde van de zeolietmijn verklaarde Shook op 21 oktober 1999 :

“Hij (hof: Shook) en Santini gingen naar Arizona in de lente van 1996 om de waarde te bepalen van de zeoliet activa en een kosten analyse te maken voor eventuele ontginning.(...). Ze vonden de mijn en namen monsters van het zeoliet. Hij was niet onder de indruk van de mijn. op grond van wat hij zag. Er was erg weinig activiteit op het terrein van de mijn.

Op grond van wat hij zag op het mijn terrein en wat Santini hem vertelde adviseerde hij [naam medeverdachte 3] zich niet in te laten met de zeoliet mijn. Hij vertelde [naam medeverdachte 3] dat dit een slechte transactie was. Ken Santini stelde wel een rapport op, dat aan [naam medeverdachte 3] werd gegeven.”

Omtrent de eerste bijeenkomst naar aanleiding van een rapportage over de zeolietmijn, verklaarde Shook:

“Op grond van dit rapport aan [naam medeverdachte 3] gaf deze hem (hof: Shook) opdracht een bijeenkomst te beleggen in het begin van 1996 met [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], Santini, Wisenbaker, Mehr, Melanie Shellnut (de ex-echtgenote van [naam medeverdachte 3]) en nog een advocaat die Wisenbaker en Mehr vertegenwoordigde. (…)

Tijdens deze vergadering bood Santini zijn rapport aan, dat niet gunstig was voor de mijn of het project.”

Louis Mehr heeft verklaard :

"Volgend op de regeling tussen Wisenbaker en [naam medeverdachte 3] heeft er geen feitelijke productie van wat voor delfstof ook plaats gevonden. Hij gelooft nu dat de regeling met Wisenbaker wordt herroepen omdat het bedrijf van [naam medeverdachte 3] er niet in is geslaagd om op tijd betalingen aan Wisenbaker te doen. (...). Sinds de laatste maal dat hij met S/A Lindauer heeft gesproken, in april 1999, is er geen delfstof verkocht."

Hetgeen door Shook met zoveel woorden is bevestigd in zijn verklaring luidende :

“Er werd nooit werkelijk productie gerealiseerd”.

Onderzoek in de Verenigde Staten

Op 5 september 2003 zijn P. van Leusden en P. Plukkel, beiden werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD-ECD, kantoor Amsterdam, in vervolg op een eerder rechtshulpverzoek naar de Verenigde Staten gereisd om de zeolietmijn te bezichtigen en op beeldmateriaal vast te leggen . Daarbij werden zij bijgestaan door een zekere Ken Phillips van de Arizona Department of Mines & Mineral Resources. Ter plaatse zijn overeenkomstig een daartoe strekkend verzoek van de rechtbank te Amsterdam de mijn en de omgeving van de mijn gefilmd en gefotografeerd, inclusief het aantreffen van een tweetal palen met de daarop de aanduiding "Rhyolite, Tuff” en een nummer.

Het proces-verbaal dat van dit onderzoek is opgemaakt behelst onder meer als opgetekend uit de mond van Ken Phillips :

"Ken Phillips lichtte toe dat Rhyolite is een specifiekere aanduiding is van het mineraal zeolite. Zeolite is de benaming van een soort vulkanische rots dat nog verder onderverdeeld kan worden in Rhyolite en andere benamingen. Ken Phillips lichtte verder toe dat van de twaalf Rhyolite claims die vastgelegd waren er kennelijk twee in het verleden zijn geëxploiteerd. De andere claims waren wel gelegd maar nog niet aangeboord en daardoor nog niet zichtbaar."

Voorts bevindt zich in het procesdossier een transcript, inhoudende het interview gehouden door verbalisanten Van Leusden en Plukkel met Ken Phillips bij gelegenheid van het bezoek aan de zeolietmijn op 5 september 2003. Phillips verklaarde daarin onder meer het navolgende :

"Ik kwam voor het eerst op dit perceel dat wij altijd hebben genoemd Cat’s Pause … C-A-T-‘-S P-A-U-S-E … omdat het aanvankelijk de bedoeling was dat het huisdierenkorrels of kattenbakkorrels zou produceren. De vraag is gerezen wat hier de laatste tijd gebeurd is en als ik het perceel bekijk ziet het er niet anders uit dan twintig jaar geleden behalve dat er misschien, en het is maar een vraag, hele kleine hoeveelheden materiaal zijn uitgehouwen, omgespit, als monster genomen, opgestapeld en misschien zijn kleine monsters meegenomen om te testen en te beoordelen.

PLUKKEL:

Maar als wij het hebben over tonnen erts van deze materialen ....

PHILLIPS:

Nou, er is … Als wij het hele mijngebied bekijken, en ik wil mijn tussen aanhalingstekens zetten, want het is nauwelijks een mijn, er is hier nooit duizend ton materiaal weggehaald. Een paar honderd … in de loop van haar geschiedenis, die teruggaat tot de jaren zestig … zou kunnen, maar zeker geen duizend.

(....).

PLUKKEL:

Is u opgevallen dat er, laten we zeggen, grote activiteit is geweest met het exploiteren van deze mijn?

PHILLIPS:

De grootste activiteit heeft plaatsgevonden in de jaren zeventig, toen er op de betonnen plaat die u eerder heeft gefotografeerd een kleine opslagplaats stond en voor dat gebouw stond wat vermalingsapparatuur, wat zeefapparatuur en wat apparaten om het materiaal in zakken te doen voor transport en bij tenminste één bezoek dat ik hier bracht in de jaren zeventig stonden hier zakken materiaal met het Cat’s Pause etiket opgestapeld, klaar om in trucks te worden geladen. Dit is de vierde of de vijfde keer in de laatste 31 jaar dat ik voor de Department of Mines werk dat ik op deze locatie ben geweest.(...).

PLUKKEL:

Men heeft het hier op de grond laten liggen, dus wat is de waarde hiervan?

PHILLIPS:

Als je het wint in stapels is de waarde in het algemeen minder dan honderd dollar per ton.

PLUKKEL:

Per ton.

PHILLIPS:

En gemiddeld zitten de bedragen in de buurt van de 30 tot 40 dollar. Als… met een heleboel bewerking, zuiveren enzovoort, staan er vaak bedragen in de buurt van de duizend tot tweeduizend dollar voor het eindproduct.

(...).

Maar bij de bewerking wordt er veel waarde toegevoegd om het zoveel waard te maken. Het is geen bijzonder zeldzame … het is niet een zeldzaam mineraal. Er zijn in de Verenigde Staten een paar plaatsen waar het momenteel wordt gewonnen. Hier wordt het niet zoveel gewonnen, dat er daadwerkelijk productie werd getransporteerd was in de jaren tachtig, dacht ik, en dan ging het om kleine hoeveelheden, minder dan tien ton per keer."

Het hof stelt op basis van de video-opnames die ter zitting zijn bekeken vast dat er ten tijde van het maken van dit beeldmateriaal bij de zeolietmijn geen bedrijfsactiviteiten plaatsvonden gericht op het winnen van delfstoffen.

Voorts zijn er blijkens het voorgaande geen aanwijzingen dat gedurende de looptijd van de vermogensrechten met betrekking tot zeoliet enige economische activiteit is geweest welke was gericht op winning van mogelijk aanwezige delfstoffen.

Conclusies ten aanzien van de zeolietmijnen

Egg heeft bepaalde rechten op de opbrengst van zeolietmijnen op haar fiscale balans geactiveerd en gewaardeerd voor een bedrag ter hoogte van ƒ 69.698.553. Daarop is vervolgens over het tijdvak van 1 september tot en met 31 december 1995 ten laste van haar belastbare winst een bedrag van ƒ 4.646.570 afgeschreven.

Voor de rechten, c.q. voor de vennootschap die deze rechten bezat, heeft Oxbridge per saldo echter niet meer betaald dan éénmalig $ 100.000, zijnde de eerste termijn van de tien termijnen van een gelijk bedrag die door [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] als koopsom waren overeengekomen. Er zijn geen aanwijzingen dat Oxbridge deze enorme boekwinst in de schoot geworpen kreeg. Integendeel, uit de verklaringen van Shook, Wisenbaker en Phillips leidt het hof af dat de zeoliet niet of vrijwel niet winstgevend kon worden gemijnd. Door of in opdracht van Oxbridge c.s. is ook niet gemijnd en er zijn geen aanwijzingen dat Oxbridge c.s. op enig moment plannen hadden om metterdaad tot het winnen van deze delfstof over te gaan.

Dat de waarde in het economische verkeer van de vermogensrechten met betrekking tot deze zeolietmijn overeenkwam met de boekwaarde waarvoor zij op de balans waren geactiveerd, is dus niet alleen hoogst speculatief, doch zelfs in hoge mate onwaarschijnlijk. Het hof is van oordeel dat de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van activering door Egg aanzienlijk lager is geweest – en vermoedelijk een fractie heeft bedragen - van de in aanmerking genomen boekwaarde van ƒ 69.698.553 waarover door Egg is afgeschreven.

Op grond het hiervoor overwogene, tezamen genomen in onderling verband bezien, is naar ’s hofs oordeel bewezen dat de door Egg verworven vermogensrechten voor een (veel) te hoog bedrag zijn geactiveerd, zodat de daarmee verband houdende afschrijvingskosten in de hiervoor genoemde aangifte van Egg voor een (veel) te hoog bedrag ten laste van de belastbare winst zijn gebracht.

De bespreking van een verweer

Bij pleidooi in eerste aanleg is door de toenmalige raadsman van [naam medeverdachte 3] aangevoerd dat de zeolietclaim is verworven en ingebracht op basis van productiecijfers en marktprijzen die Wisenbaker had voorgespiegeld. Toen bleek dat die gegevens schromelijk overdreven waren werd de koop ontbonden, aldus de raadsman.

Hieromtrent merkt het hof op dat het hoogst onaannemelijk voorkomt dat een activum in de boeken wordt opgenomen voor een waarde van bijna ƒ 70 miljoen louter en alleen op basis van de verklaringen van een verkoper, die nota bene bereid is voor slechts een fractie van dat bedrag afstand te doen van dat activum. Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat zulks ook niet het geval was: [naam medeverdachte 3] had immers tevens kennis genomen van de verklaringen van Shook en Santini, alsmede van het rapport van laatstgenoemde. Hun bemerkingen over de - naar het hof begrijpt - geringe waarde van de mijn hebben [naam medeverdachte 3] en Oxbridge er evenwel niet van weerhouden de hiervoor vermelde rechten op de opbrengst van de mijn in de boeken op te voeren voor het reeds genoemde miljoenenbedrag.

De stelling dat de overeenkomst met Wisenbaker was ontbonden, indien al juist, al waren er inderdaad problemen van juridische aard, maakt het overigens nog minder begrijpelijk dat over de betreffende periode op dit activum is afgeschreven.

Het hof ziet dus geen aanleiding om een andere conclusie te trekken dan hierboven reeds verwoord.

C5. Mexicaanse kolen (Mexican Coal Claims)

Kosten van afschrijving op de "Mexican coal claims", mijnrechten op 300 miljoen ton nog te delven steenkool, gelegen in Tezoatlan de Segura Y Luna, Mexico, zijn verwerkt in de Vpb-aangifte over het verlengde boekjaar van 1 juli 1994 tot en met 31 december 1995 van Egg (na naamswijziging geheten: American Energy Mining B.V.). De mijnrechten zijn geactiveerd voor een bedrag van ƒ 1.045.478.306 en de over het genoemde boekjaar ten laste van de belastbare winst gebrachte afschrijvingskosten bedroegen ƒ 58.082.128 .

Inbeslaggenomen documenten

Een memorandum van 15 januari 1996 afkomstig van "the Managing Director" vermeldt over "the Mexican Coal Property" het volgende :

"(...). The property consists of 13,000 hectares. The property was originally acquired by the Mexican government to build an electrical power plant. In order to justify construction of the proposed power plant it was necessary for the government to have proof of reserves in excess of 200 million tons. There is a summary of the past studies performed on the property and it indicates that there is 60 million tons of positive reserves (known from core data), 120 million tons of probable reserves (known from core data), and 148 million tons of potential reserves (estimated). Therefore the total reserves estimated on data available is 328 million tons. Oxbridge, through its agent in Mexico has title to a lease granted by the Mexican government giving Oxbridge the right to all of the minerals including the coal on the property described above.

Attached is an Assignment of Production Payment ("APP1") for 300 million tons of coal assigned by Oxbridge Investments Limited to AEM. APP1 provides for a beginning date of September 1, 1995 and a termination date on page 3 at the end of section 1.3 of September 1, 2001. This gives the agreement a term of 6 years. Also please find attached a promissory note ("PN1") in the amount of Nlg 1,045,478,306 payable by AEM in favor of Oxbridge. PN1 provides for annual interest at 2% above the prime lending rate of ABN-Amro bank. PN1 is due on or before September 1, 2001. The purchase price of the coal tons was calculated to be 300 million tons at a value of $ 2.00 per ton. The total therefore is $ 600 million dollars. The dollar/Dutch guilder conversion rate on September 1, 1995 was .5739. Therefore $ 600,000,000 divided by .5739 equals Nlg 1,045,478,306. In addition AEM agreed to pay a consulting fee of 1.5% of the purchase price of Nlg 15,682,174. Also Attached please find an invoice from Oxbridge to AEM for this amount dated September 1, 1995.

The tax position for AEM resulting from investing in the 300 million tons of coal in Mexico should be as follows. Purchase price of Nlg 1,045,478,306 divided by 6 years divided by 12 months times 4 months (September to December in 1995) equals depreciation of Nlg 58,082,128. In addition there is the consulting fee of Nlg 15,682,174. Finally there is interest on the note of Nlg 1,045,478,306 for 4 months. The depreciation and the consulting fee total Nlg 73,764,302. Charles van Veen of Perfect Partners, will determine what the ABN-Amro prime rate was during the period September 1, 1995 to December 31, 1995 and calculate the interest on the note so that it can be deducted in 1995 as well. Also Charles van Veen should record the amounts transferred to Oxbridge from AEM on September 1, 1995 as an amount in partial payment of the fee of Nlg 15,682,174 and the balance if any will be shown on current account due Oxbridge."

Hieruit kan worden afgeleid dat Egg van haar uiteindelijke aandeelhouder Oxbridge de verkooprechten c.q. de rechten op de opbrengst van 300 miljoen ton steenkolen heeft dan wel zou hebben verworven voor een bedrag van niet minder dan ƒ 1.045.478.306. Wat betreft de hoeveelheden aanwezige steenkool wordt verwezen naar een samenvatting van onderzoeksrapporten. Minstens 120 van deze 300 miljoen ton kolen betreft slechts "potential reserves". Zekerheid of waarschijnlijkheid hieromtrent bestaat kennelijk niet, noch bestaat duidelijkheid over de kwaliteit van de steenkolen en de kosten van winning. Evenmin wordt melding gemaakt van bedrijfsplannen waarin over de wijze van winning informatie wordt verschaft. Een en ander is toch van belang voor de waardering van de 'coal claims'. Het memorandum verschaft informatie over de bedragen die ten laste moeten worden gebracht van de met de winstvennootschap ingekocht winst.

Bij de stukken bevindt zich voorts een in de Spaanse taal gestelde "Titulo de concesion minera de exploracion" d.d. 7 mei 1996 , geldig van 8 mei 1996 tot en met 7 mei 2002, die klaarblijkelijk betrekking heeft op het hierboven bedoelde perceel van 13.000 hectares. Over dit document vermeldt AH/60 :

"Opvallend is echter dat per 8 mei 1996 een exploratievergunning is verleend voor een periode van 6 jaar. Dit betreft een vergunning verstrekt door de Mexicaanse overheid. Met een dergelijke exploratievergunning mogen slechts activiteiten verricht worden gericht op het zoeken naar en het vast stellen van de aanwezigheid van delfstoffen. Een dergelijke exploratievergunning is derhalve niet gelijk aan een exploitatievergunning, die wel ziet op winning van delfstoffen."

Fuller-stukken

Terzijde zij opgemerkt dat deze concessie van de Mexicaanse overheid zich (met uitzondering van het titelblad) ook bevindt bij de stukken die afkomstig zijn van Ross N. Fuller . Tot die stukken behoort bovendien nog een andere "Titulo de concesion minera de exploracion", die betrekking heeft op 9.700 hectares, geldig is van 8 oktober 1997 tot en met 7 oktober 2003, en die anders dan voorgaande concessie wél op naam is gesteld van American Energy Mining S.A. de C.V. . De concessie van 8 mei 1996 die betrekking heeft op 13.000 hectares is klaarblijkelijk door de tenaamgestelde Del Carmen Rodriguez Alvarez - pas - op 5 mei 1997 gecedeerd aan American Energy Mining S.A. de C.V. , waarbij [naam medeverdachte 4] als getuige is opgetreden.

Deze beide concessies werden door investeringsbankier Stockton Fuller & Co gepresenteerd als de concessies van American Energy Mining S.A. de C.V. , en zij zijn als bijlage gevoegd bij een ongedateerde, niet-ondertekende 'Preliminary Analysis and Valuation' van de in dit verband bedoelde steenkoolvelden in Mexico . Deze 'Preliminary Analysis and Valuation' is afkomstig van Stockton Fuller & Co.. Van de getuige Ross Fuller, een zelfverklaard vriend en zakenpartner van [naam medeverdachte 3], die blijkens diverse faxvoorbladen in het dossier optreedt namens Stockton Fuller & Co, is overigens niet bekend dat hij enige opleiding in geologie of mijnbouw heeft genoten. Omtrent de aard van de aanspraken die American Energy Mining S.A. de C.V. zou maken op de hier bedoelde steenkoolvelden vermeldt het begeleidend schrijven van 15 januari 1998 niets. Het hof ziet in voorgaande bescheiden derhalve geen aanleiding om anders te concluderen dan hieronder zal worden weergegeven.

Verhoren in de Verenigde Staten

Over de - naar het hof begrijpt - 'Mexican coal claims' heeft de reeds eerder genoemde Alan Stagg, van Stagg Engineering Services Inc., desgevraagd verklaard :

"Behalve het (werk aan het) perceel in Kentucky verzocht KLE het bedrijf (hof: Stagg Engineering Services Inc.) om een onderzoek te doen naar de voorraad bij een of ander in Mexico gelegen perceel. Dit project verkeert op dit moment in een zeer vroeg stadium, over dit project is slechts een zeer kleine hoeveelheid gegevens verzameld."

Douglas Shook heeft op 14 en 15 december 1999 over de 'Mexican coal claims' verklaard :

"Met de Mexicaanse kolen werd begonnen vanwege één van de klanten van [naam medeverdachte 4]. Ergens in 1996 ging [naam medeverdachte 4] met hem naar Mexico om een onderneming genaamd American Mining S.A. de C.V. op te zetten. Zij werkten met een Mexicaans advocatenkantoor in Mexico City. Het doel van deze onderneming was het verkrijgen van een kolenconcessie van de Mexicaanse National Coal Reserve, die 2-3 miljoen ton kolenreserves zou hebben. De kolen dienen te worden gewonnen uit de concessie en te worden gebruikt in verplaatsbare krachtcentrales op de locatie van de mijn zelf, teneinde energie te produceren ten behoeve van de ontwikkeling van het gehele geologische gebied.

Een van de klanten van [naam medeverdachte 4], Fernado Garcia, is Mexicaans staatsburger en woont in Houston, Texas. Garcia werkte voor Oxbridge en [naam medeverdachte 4] en probeerde de kolenconcessie veilig te stellen. De kolenconcessie werd gekocht en gebruikt in de onderneming EGG I BV (hof: Egg) in Nederland. De nieuwe onderneming American Energy Mining S.A. de C.V. heeft nooit kolen geproduceerd. Vanaf heden zijn onderhandelingen gaande om de tweede concessie veilig te stellen en de mijnwerkzaamheden te starten."

Voorts vermeldt dit proces-verbaal op basis van de verklaringen van Shook :

"American Energy heeft een bankrekening in Mexico City en heeft een Mexicaans advocatenkantoor in de arm genomen. Hij (hof: Shook) is niet van de gehele transactie op de hoogte, maar meent dat American Energy betalingen moet doen aan de Mexicaanse overheid, teneinde de concessie te behouden.(...). [naam medeverdachte 4] werkt rechtstreeks met het Mexicaanse advocatenkantoor om de betalingen te doen en de concessies op naam van American Energy te behouden. Hij denkt dat er betalingen tussen de $ 400.000,- en $ 500.000,- aan de Mexicaanse overheid zijn gedaan, hoewel er geen daadwerkelijke productie heeft plaatsgevonden."

Conclusies met betrekking tot Mexicaanse 'coal claims'

Uit het een en ander leidt het hof af dat Oxbridge noch aan haar gelieerde vennootschappen ooit een aanvang heeft gemaakt met het exploiteren van de 'Mexican coal claims'. Zulks is ook bevestigd door [naam medeverdachte 3].

Het is zelfs maar de vraag of het concern van Oxbridge werkelijk over aanspraken heeft beschikt die meer dan slechts een titel om onderzoek te doen het recht gaf om tot mijnbouw over te gaan. Indien die aanspraken al zouden voortvloeien uit de concessie c.q. exploratievergunning van 8 mei 1996 - in relatie tot de cessie daarvan op 5 mei 1997 -, dan is niet duidelijk hoe Egg deze aanspraken heeft kunnen benutten om de afschrijvingen over het laatste semester van het jaar 1995 te rechtvaardigen.

Omtrent de hoeveelheid kolen die als grondslag is genomen voor de berekening van de waarde van de 'Mexican coal claims' bestaat geheel geen zekerheid. Shook rept in zijn verklaring trouwens over 2 tot 3 miljoen ton aan kolen. Dat is niet meer dan 1 % van de hoeveelheid waarvoor de 'Mexican coal claims' in de boeken staat.

Naar 's hofs oordeel zijn zowel het bedrag dat in het memorandum (D/17) van de 'managing director' is opgenomen als de in de boeken vermelde waarde van de 'coal claims' en de daarmee samenhangende afschrijvingskosten niet meer dan speculatief en slechts een slag in de lucht. Desalniettemin vormen deze bedragen de basis voor de Vpb-aangifte van Egg wat betreft de in aanmerking genomen afschrijvingen over deze ‘coal claims’.

Ook op dit punt komt het hof tot de conclusie dat is bewezen dat - indien al ervan kan worden uitgegaan dat sprake is van immateriële activa met enige realiteitswaarde die als bedrijfsmiddel op de balans van Egg mogen worden geactiveerd – deze activa in elk geval voor een veel te hoog bedrag zijn geactiveerd, zodat de daarmee samenhangende afschrijvingskosten in de hiervoor genoemde aangifte van Egg voor een veel te hoog bedrag ten laste van de belastbare winst zijn gebracht.

C6. Colorado (goud- en zilver-) mining claims

De afschrijving op "mining claims" met betrekking tot in de Staat Colorado gelegen goud- en zilvermijnen is verwerkt in de Vpb-aangifte van Egg (na naamswijziging: American Energy Mining B.V.) over het verlengde boekjaar vanaf 1 juli 1994 tot en met 31 december 1995 . Deze ‘mining claims’ zijn geactiveerd voor een bedrag van ƒ 139.397.107, en de ten laste van de belastbare winst gebrachte afschrijving daarover bedraagt in het genoemde boekjaar ƒ 5.808.212.

Inbeslaggenomen documenten

Het beeld dat wordt opgeroepen door de documenten die namens aan Oxbridge gelieerde vennootschappen zijn opgesteld, is het volgende.

Volgens het al eerder genoemde memorandum van 15 januari 1996 van de 'managing director' (van Egg) is “effective” per 1 mei 1995 Cumberland Resources Inc. (hierna: Cumberland), door Oxbridge aangekocht. Te lezen is dat een zekere H.K. Stanfield eigenaar was van deze vennootschap. Cumberland had op dat moment de beschikking over ‘mining claims’ met betrekking tot goud- en zilvermijnen, gelegen in de staat Colorado.

Blijkens een koopovereenkomst van aandelen in Cumberland "effective" 1 mei 1995 , waarbij Stanfield als verkoper optrad en Oxbridge als koper, bedraagt de prijs die Oxbridge heeft moeten betalen een bedrag van $ 25.000 per jaar, vermeerderd met 25 % van de opbrengst, dan wel - naar te allen tijde te maken keuze van Oxbridge - een eenmalig bedrag van $ 1 miljoen, verminderd met reeds betaalde bedragen.

Bij akte “dated as of” 1 mei 1995 heeft Cumberland verkooprechten op c.q. rechten op de opbrengst van 1 miljoen ton goud- en zilvererts overgedragen aan Oxbridge . De prijs staat niet vermeld in deze akte. De looptijd van deze rechten eindigt op 1 mei 2005.

Bij akte “dated as of” 1 september 1995 heeft Oxbridge gelijksoortige rechten overgedragen aan Egg (American Energy Mining B.V.) voor een bedrag van ƒ 139.397.107 . Dit bedrag is Egg aan Oxbridge verschuldigd gebleven, zo volgt uit een ‘promissory note’ ter waarde van ƒ 139.397.107. De looptijd van deze rechten eindigt op 1 september 2003.

Verhoren in de Verenigde Staten

Over de zilvermijn vermeldt het verslag van verhoor van Johnny Lester het volgende :

“(...). Tussen 1990 en 2000 benaderde [naam medeverdachte 3] hem (hof: getuige Lester) over ‘Kentucky Land and Exploration (KLE)’ en het directeurschap. [naam medeverdachte 3] legde uit dat KLE een bedrijf was dat hij had opgericht, en dat de enige bedrijfsdoelstelling was het vinden van activa die kunnen worden gebruikt als belasting ‘shelters’ in Europa. [naam medeverdachte 3] vroeg hem om directeur te worden van KLE en hij ging daar op in. (...).

Anderen die met KLE te maken hadden waren: Douglas Shook, Fay [naam medeverdachte 3], (...), David Williams, en (...). Shook is president-commissaris van KLE en [naam medeverdachte 3] vertegenwoordigt ‘Oxbridge Investments’, dat KLE bezit. ‘Oxbridge Investments’ houdt zich bezit met de handel in belasting ‘shelters’ in Europa.(...).

[naam medeverdachte 3] legde uit hoe ‘KLE/Oxbridge’ werkt; [naam medeverdachte 3] spoort een Europese sluimerende onderneming op met een belasting krediet in de boeken. [naam medeverdachte 3] gebruikt dan voor afschrijving geschikte activa in de Verenigde Staten om aangepaste belasting aangiften te doen, die een belasting teruggaaf teweegbrengen die wordt uitbetaald aan [naam medeverdachte 3] of zijn bedrijven. (...). “Productie was nooit aan de orde” wat betreft KLE en het bezit aan steenkool. Naar hij begrepen had zou het belang in steenkool gebruikt gaan worden als activa waar op afgeschreven zou worden bij een belastingaangifte in Europa. (...).

Op een zeker tijdstip aan het eind van 1995 of in het begin van 1996 benaderde hij [naam medeverdachte 3] over een investering in een zilvermijn die eigendom was van H.K. Stanfield. [naam medeverdachte 3] gaf te kennen dat hij belangstelling voor de mijn zou hebben en verzocht om gegevens over de mijn, inclusief de ligging, en er moest een taxatie worden verzonden aan [naam medeverdachte 3], Shook en Joe [naam medeverdachte 4]. Hij nam contact op met Stanfield en liet een kopie van de taxatie aan elk van hen toezenden.

[naam medeverdachte 3] nam contact met hem op na de documentatie over de mijn te hebben bestudeerd en zei dat hij in de mijn geïnteresseerd zou zijn, en Stanfield zou willen ontmoeten. De eerste bespreking over de mijn vond plaats op het advocaten kantoor van [naam medeverdachte 4], waarbij [naam medeverdachte 3], Stanfield, [naam medeverdachte 4] en hijzelf aanwezig waren. Er kunnen ook anderen bij de vergadering aanwezig geweest zijn, hij herinnert zich deze drie in het bijzonder.(...).

Deze vergadering had ten doel de voorwaarden te bespreken voor de koop van 2.750.000 aandelen van Stanfield. Dit aandelen pakket vertegenwoordigde alle uitstaande aandelen die zeggenschap geven over de zilver mijn. Er werd een schriftelijke verklaring gegeven op de vergadering, hij weet niet wie de overeenkomst opstelde.

Tengevolge van de transactie met de mijn leverde Stanfield een “Financial Service Fee Agreement”, een overeenkomst waarbij werd bepaald dat hij voor verleende diensten een honorarium zou ontvangen van $ 5.000 van elke betaling van $ 25.000 die Stanfield van KLE zou ontvangen. (...).

De overeenkomst inzake de mijn werd niet gesloten tijdens de eerste vergadering. Er werd een tweede vergadering gehouden om de transactie ‘te sluiten’. Deze vergadering werd ook belegd op het kantoor van [naam medeverdachte 4] in Houston, Texas. De eerste betaling die aan Stanfield verschuldigd was, was bij het sluiten van de overeenkomst niet beschikbaar. Bij het sluiten nam [naam medeverdachte 3] telefonisch contact op met Shook en droeg Shook op om (hiaat in brontekst ) Federal Express’ drie cheques betaalbaar aan “John Lester”, aan Lester. Twee van de cheques waren voor $ 10.000 per stuk voor Stanfield en de overblijvende cheque voor $ 5.000 voor hem zelf.

De cheques kwamen kort na het sluiten aan, hij en Stanfield gingen naar de ‘First Bank’ en de ‘Nations Bank’ om de cheques te verzilveren. Stanfield verzocht om contant geld. (...).

Ten tijde van de verkoop of de overdracht was de mijn niet in bedrijf. Tijdens de vergaderingen werd er niets gezegd over werkelijke productie. [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], of Shook stelden nooit vragen over de productie. De mijn was reeds sinds het begin van de twintigste eeuw bezit van de familie van Stanfield. Helemaal in de begintijd was de mijn in bedrijf geweest, daarna opnieuw na de tweede wereldoorlog, waarbij beperkte ontginning plaats vond. Op zeker tijdstip in de begin jaren ‘80 vroeg Stanfield hem te trachten geld uit investering aan te trekken om mogelijkerwijs de mijn te heropenen, dit is niet gebeurd, hij kon niet de belangstelling opwekken van financierders om de operatie in gang te zetten. (...).

KLE is nooit een productief bedrijf geweest, toch weet hij niet waar het geld vandaan komt. De cheques zijn altijd gecleared. De mijn was verkocht aan ‘Oxbridge Investments’, toch worden de cheques uitgeschreven door KLE, hij weet niet waarom. (...).

Hij heeft de mijn nooit in bedrijf gezien. In de begin jaren ‘80 probeerden hij en Stanfield om investeerders aan te trekken om de mijn in bedrijf te stellen, hetgeen nooit gebeurd is.

Op geen enkel ogenblik kwam tijdens de vergaderingen met [naam medeverdachte 3], Shook en [naam medeverdachte 4] de kwestie van het in bedrijf stellen van de mijn ter sprake. Er werd geen discussie gevoerd over de mogelijke exploitatie van de mijn, of mogelijk verwachte opbrengsten van de mijn. Bovendien vond er nooit een discussie plaats over vergunningen of eisen voor het heropenen van de mijn.

Naar wat hij begreep van de hele transactie, hebben [naam medeverdachte 3] en Shook de mijn gekocht om deze te gebruiken bij een (project aangeduid als) ‘Tax Shelters in Europe’.

Hem is niets bekend over de pogingen van wie ook om een mijnbouw vergunning te krijgen voor deze mijn in het bijzonder. Hij gelooft niet dat [naam medeverdachte 3] ooit van plan is geweest om de mijn in bedrijf te stellen. Hij weet dat er een mijnbouw vergunning nodig is alvorens er werkelijk kan worden ontgonnen."

Douglas Shook heeft over de hier bedoelde mijnen verklaard :

"Er zijn verschillende keren documenten opgesteld met betrekking tot de hoeveelheid aan delfstoffen die in de mijn aanwezig is. Het laatste is van James Merhead . Merhead beweert dat de mijn meer dan 40.000 ton erts kan produceren. Standfield (hof: Stanfield) liet een mijnengraafmachine opstellen om met het delven van het goud te beginnen. Deze machine kon niet beginnen met delven tijdens de korte periode die vanwege de weersomstandigheden beschikbaar was. In de zomer van 1999 probeerden [naam medeverdachte 3] en Standfield nogmaals te delven; dit lukte niet. Tot op heden is er nog nooit geproduceerd."

In het door Shook bedoelde rapport van James Muirhead, 'consulting geologist', uit 1989 wordt, rekening houdend met de barre weersomstandigheden gedurende de helft van het jaar, becijferd dat de mijn ongeveer 52.800 ton per jaar kan produceren , hetgeen nog altijd minder is dan de helft van de hoeveelheden erts die bij volledige uitvoering van de "Assignment of Production Payment" van 1 september 1995 per jaar zou moeten worden ontgonnen .

H.K. Stanfield heeft verklaard:

"De mijn is gelegen buiten Durango in Colorado, op een berg die ‘Snowstorm Mountain’ heet. Het is een ondergrondse mijn, geen open groeve of grot. (...).

De mijn was jaren geleden productief, hij (hof: getuige Stanfield) kan zich de werkplaats en de barakken herinneren, waar 60 tot 70 mannen woonden wanneer zij in de mijn werkten. De mijn was voor het laatst in bedrijf voor de tweede wereldoorlog, sindsdien zijn er geen mijnbouw activiteiten ontplooid.

In de begin jaren van de twintigste eeuw werden er veel onderzoeken gedaan om de hoeveelheid goud en zilver erts te bepalen die in de mijn aanwezig waren. Hij heeft 6 of 7 uitgewerkte onderzoeken waarin de goud en zilver afzettingen worden geschat. De geschatte waarde van de erts afzettingen wisselt met het stijgen en dalen van de goud en zilver koersen.

Tussen 1980 en 1990 toen de prijzen op de zilvermarkt zeer hoog waren, heeft hij geprobeerd een commanditaire vennootschap op te richten om de mijn te heropenen en de productie te hervatten. Het lukte hem niet om de financiële steun te krijgen om de productie te hervatten.

(...). In de loop van 1994 stelde een vriend, Johnny Lester, hem aan Fay [naam medeverdachte 3] voor. Het doel van die introductie was dat [naam medeverdachte 3] de mijn zou kopen. Er werd een vergadering belegd op het advocaten kantoor van Chamberlain, Hrdlicka, White, Williams & Martin. Joe [naam medeverdachte 4] was de advocaat van het advocaten kantoor dat Douglas Shook vertegenwoordigde, (hiaat in brontekst) advocaat, die Fay [naam medeverdachte 3] vertegenwoordigde.

[naam medeverdachte 4] stelde de overeenkomst op waarbij het eigendom van de mijn werd overgedragen van hem aan de onderneming van [naam medeverdachte 3], ‘Oxbridge Investments Limited’. De overeenkomst lijkt veel op de koopovereenkomst voor een huis. ‘Oxbridge’ kwam overeen ieder jaar $25.000 te betalen, vermeerderd met 25% van de netto opbrengst uit de exploitatie van de mijn. Of ‘Oxbridge’ kan er op elk tijdstip voor kiezen $1 miljoen te betalen voor de aankoop van de gehele mijn. (...).

‘Oxbridge’ koopt de aandelen van ‘Cumberland Resources’, het bedrijf dat de mijn bezit. ‘Cumberland Resources’ is een niet-actieve onderneming uit Delaware, het enige bedrijfsdoel is de mijn. (...).

[naam medeverdachte 3] en Shook legden uit dat het doel van ‘Oxbridge’ bij de aankoop van het delfstoffen belang was dit te gebruiken bij een constructie met een Europese belasting ‘shelter’. Hij veronderstelde dat de activa van de mijn gebruikt wordt in Europa, gezien de commentaren van [naam medeverdachte 3] en Shook."

Onderzoek in de Verenigde Staten

Blijkens AH/145 hebben de reeds genoemde Fiod-ambtenaren Van Leusden en Plukkel, samen met David Carter, Special Agent bij de IRS Durango, op 8 september 2003 een onderzoek ingesteld bij de goud- en zilvermijnen en deze en hun omgeving gefilmd en gefotografeerd. Het hierna volgende is een zakelijke weergave van hetgeen in AH/145 is vermeld over dit bezoek.

Op grond van een document D/704 is het gebied doorzocht en zijn de vermoedelijke ingangen van drie van de vijf mijnen gevonden, namelijk de Monitor, La Plata en Cora-G. De Cumberland- en Snowstormmijn konden op afstand worden gelokaliseerd en zijn op film- en fotobeelden vastgelegd. De vermoedelijke ingang van de mijnschacht Snowstorm is van grote afstand gefilmd omdat de weg daarheen niet toegankelijk was. Wat betreft de Cumberland is op de helling van de berg een stapel hout gevonden die mogelijk toebehoorde aan de Cumberland. Waarneembaar was dat er sinds lange tijd geen mijnactiviteiten in het gebied hadden plaatsgevonden.

De wegen naar het gebied waren zeer slecht toegankelijk. Het was onmogelijk om met zwaardere voertuigen dan een 'four-wheel-drive' in het gebied te komen. Volgens Carter was het gebied vanaf de dag dat het begon te sneeuwen, 9 september 2003 vermoedelijk onbereikbaar tot ongeveer mei/juni van het jaar daarop.

Het hof stelt op grond van de door hem ter terechtzitting gedane eigen waarneming van de video-opnames vast dat er ten tijde van het maken van dit beeldmateriaal bij de goud- en zilvermijnen geen sprake was van enige bedrijfsactiviteit welke daadwerkelijk gericht was op het winnen van delfstoffen.

Samenvatting en conclusie met betrekking tot de goud- en zilvermijnen

Oxbridge heeft voor een bedrag van maximaal $ 1 miljoen (rechten op) goud- en zilvermijnen verworven, c.q. de aandelen gekocht van een vennootschap die deze mijnen of mijnrechten bezat. Die mijnen hadden al in geen jaren geproduceerd. Vervolgens zijn rechten op deze mijnen overgedragen aan dochtervennootschap Egg voor het bedrag waarvoor zij ook in haar boeken zijn geactiveerd: ƒ 139.397.107. Over het laatste semester van 1995 is door Egg ten laste van haar belastbare winst over het boekjaar 1994-1995 lineair afgeschreven het bedrag van ƒ 5.808.212 .

Dat de wijziging in waardering van deze activa - kort gezegd van $ 1 miljoen naar bijna ƒ 140 miljoen - het gevolg was van een voor Oxbridge ongekende meevaller blijkt uit niets. Uit de verklaringen van Lester en Stanfield valt af te leiden dat de mijnen al lang niet meer waren ontgonnen en dat de klimatologische omstandigheden gedurende langere periodes niet bepaald gunstig waren. Muirhead becijferde op papier een productiehoeveelheid die minder dan de helft bedroeg van de hoeveelheid erts die bij volledige uitvoering van de "Assignment of Production Payment" van 1 september 1995 per jaar zou moeten worden gemijnd. Op feitelijke gronden moet dus worden verworpen de bij pleidooi in eerste aanleg opgeworpen stelling dat "de in de Nederlandse vennootschappen ingebrachte hoeveelheden en waardering van de activa conform het reeds genoemde rapport van James Muirhead zijn".

Uit een hieronder nog te citeren verklaring van Shook volgt dat naar Muirheads oordeel ongewis is hoeveel de mijn in praktijk zou kunnen produceren. Er zijn bovendien geheel geen aanwijzingen dat er bedrijfsplannen zijn opgesteld om te beoordelen of de ontginning niet alleen feitelijk maar ook economisch haalbaar zou zijn. De ervaringen van Stanfield kunnen wat dit betreft geen hoge verwachtingen hebben gewekt.

Mede gelet op de verklaring van Lester oordeelt het hof dat het verwerven van de mijnrechten in essentie slechts tot doel had het creëren van een substantieel fictief verlies waarmee de door de winstvennootschap vóór overdracht van haar aandelen genoten winst kon worden gecompenseerd. Hierover later meer.

Bij dit onderdeel is het hof eveneens van oordeel dat is bewezen dat - indien al ervan kan worden uitgegaan dat de genoemde rechten als bedrijfsmiddel op de balans van Egg mochten worden geactiveerd – deze activa in elk geval voor een veel te hoog bedrag zijn geactiveerd, zodat de daarmee samenhangende afschrijvingskosten in de hiervoor genoemde aangifte van Egg voor een veel te hoog bedrag ten laste van de belastbare winst zijn gebracht.

De bespreking van een verweer

Bij pleidooi in eerste aanleg heeft de toenmalige raadsman van [naam medeverdachte 3] erop gewezen dat [naam medeverdachte 3] wel degelijk de bedoeling had de mijnrechten te exploiteren, hetgeen hij heeft afgeleid uit de verklaring van Douglas Shook, V8/1, p.14 en p.15.

Deze heeft op 21 oktober 1999 ten overstaan van special agents Levin L. Martens en Scott W. Landauer onder meer verklaard:

"[naam medeverdachte 3] of [naam medeverdachte 4] benaderde hem (hof: Shook) begin 1996 met de mededeling dat Oxbridge een goud / zilver mijn in Colorado had gekocht. Hij was aanwezig bij een ontbijt vergadering met [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4] en H.K. Stanfield, om de mijn te bespreken. De uitkomst van de bespreking was dat hij en Stanfield samen de mijn zouden inspecteren en een eventuele toekomstige aanpak zouden bepalen. (...).

Voor de ontbijt vergadering besprak hij de mijn met Bruce Cryder. Cryder beval een advocaat aan uit Durango, Colorado, genaamd Denny Ellers. Hij benaderde Ellers om de eigendoms titel van de mijn te verifiëren en om achtergrond informatie te verkrijgen over het gebied en goud / zilver mijnen. (...).

John Lester, directeur van KLE, is een vriend van Stanfield en was aanwezig bij enkele van de bijeenkomsten met Stanfield. Stanfield kende een aannemer van mijn-werken die belangstelling had om de productie van de mijn te beginnen. [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] besloten de door Stanfield aanbevolen mijn aannemer in te schakelen. Dit was ongeveer in augustus of september 1996. Juist voordat de mijn-aannemer zou beginnen nam Stanfield contact op met [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] en liet hun weten dat alle gereedschappen van de mijn aannemer in beslag waren genomen door de IRS.

Hij begreep dat de regeling tussen Oxbridge en Stanfield inhield dat er per jaar $25.000 zou worden betaald plus een percentage van de productie met een maximum van één miljoen US dollar.(...).

[naam medeverdachte 3] probeerde later een tweede aannemer van mijnbouw projecten in te schakelen om met de werkzaamheden te beginnen. Hij (Shook) had eerder al Jim Merhead benaderd over rapporten die Merhead had uitgegeven over deze mijn en deze vijf ‘patenten’. Merhead meldde dat de mijn ongeveer 40.000 ton erts zou kunnen voortbrengen. Merhead zei dat de jaarlijkse opbrengsten uiteen zouden lopen tussen nul en 1,5 miljoen, afhankelijk van het weer.

De activiteit betreffende de mijn is zeer beperkt. Tot op heden is er niets gedaan, maar [naam medeverdachte 3] en Stanfield hebben afgelopen zomer over de mijn gesproken en [naam medeverdachte 3] gaf de indruk dat de productie ergens in de nabije toekomst zou beginnen."

Naar 's hofs oordeel leidt voorgaande verklaring niet tot een andere conclusie dan door het hof hierboven getrokken. De omstandigheid dat pas na de aankoop van (rechten op) een mijn die voor bijna ƒ 140 miljoen zou(den) worden geactiveerd de eigendomstitel - nog - moet worden geverifieerd bevestigt eerder de al getrokken conclusie dan dat zij deze weerlegt. Na de aanschaf zouden er vervolgens enkele naar 's hofs oordeel niet als serieus te kwalificeren pogingen zijn uitgevoerd om tot enige exploitatie te geraken. Ook volgens Shook is er niettemin tot dan toe geheel niet geproduceerd en naar volgt uit de verklaring van [naam medeverdachte 3] heeft exploitatie ook niet op enig moment daarna plaatsgevonden. Inmiddels is de looptijd van de betreffende rechten verstreken.

C7. Samenvatting en conclusies immateriële activa

Hetgeen onder C1 tot en met C6 is opgesomd kan als volgt worden samengevat en wettigt de volgende meer algemene gevolgtrekkingen.

- Er zijn sterke aanwijzingen dat de werkelijke hoeveelheid grondstof die aanwezig is in of onder de percelen waarop de onderscheidene vermogensrechten betrekking hebben slechts een fractie vormt van, althans substantieel minder is dan de hoeveelheden die zijn vermeld in de contracten waarbij de vermogensrechten tussen gelieerde vennootschappen binnen het concern van Oxbridge (zouden) zijn overgedragen.

- Of het winnen van deze grondstoffen feitelijk en economisch haalbaar is, werd door Oxbridge nimmer onderzocht. De aan de fiscus overgelegde ingenieursrapporten behelzen schattingen van de hoeveelheid aanwezige grondstoffen. Bedrijfsplannen waarin baten, kosten en risico's zijn afgewogen en verantwoord werden nimmer overgelegd in enige fiscale, civiele of strafprocedure gevoerd hier te lande.

- Wat betreft 'Hard Paper' kan worden opgemerkt dat de omvangrijke waarde van de patentenaanvragen als hooguit puur speculatief moet worden beschouwd. Als aan het 'Hard Paper'-procedé al enige waarde in het economische verkeer moet worden toegekend, is die slechts een fractie van de waarde van de $ 93 miljoen waarvoor de marketingrechten door Oxbridge c.s. zouden zijn aangekocht.

- Ten aanzien van iedere categorie vermogensrechten bestaan (dus) sterke, rechtstreekse aanwijzingen dat de waarde waarvoor zij in de boeken van de onderscheidene dochtervennootschappen zijn geactiveerd in aanzienlijke mate de waarde in het economisch verkeer oversteeg. Het gaat in dit verband niet om enkele procenten, maar om een overwaardering variërend van een factor 10 tot 1000 of meer.

- Aanwijzingen voor een dergelijke vorm van overwaardering zijn ook te vinden in de veel lagere aankoopprijs van de vermogensrechten, voor zover bekend geworden, die moedervennootschap Oxbridge c.q. een met haar gelieerde vennootschap heeft betaald aan niet aan Oxbridge verbonden derden.

- De vermogensrechten hadden in vrijwel alle gevallen een beperkte looptijd. In geen van de betreffende gevallen zijn gedurende de beschikbare tijd aanstalten gemaakt om tot exploitatie van de als uiterst kostbaar en waardevol geactiveerde rechten over te gaan. Exploitatie heeft nimmer plaatsgevonden, ook niet ten aanzien van de rechten met een onbeperkte looptijd; rechten op ‘Hard Paper’ zijn immers binnen korte tijd afgekocht.

- [naam medeverdachte 3] had geen ervaring met het exploiteren van de vermogensrechten die hierboven zijn opgesomd. Zijn ervaring was gelegen in de projectontwikkeling in de vastgoedsector.

- Bij gebrek aan exploitatie hebben de rechten geen enkele opbrengst gegenereerd. Een ‘cash flow’ is dus nooit op gang gekomen.

- De rechten zijn ook nooit aan niet-gelieerde derden verkocht met het oog op bijvoorbeeld verliesbeperking. Zo niet - zelf - tot commerciële exploitatie kon worden overgegaan had een dergelijke handelwijze toch zeer voor de hand gelegen. Oxbridge heeft de vermogensrechten echter laten verlopen.

- Het ontbreken van exploitatie c.q. verkoop van de immateriële activa tegen een waarde die de opgevoerde (boek)waarde benadert kan alleen worden begrepen doordat de rechten – ook vanuit het perspectief van Oxbridge - geen enkele substantiële waarde vertegenwoordigden en het beoogde (fiscale) doel inmiddels was, dan wel werd gerealiseerd.

- Van de in de winstvennootschappen aanwezige kasgelden, door de verkoper(s) van deze vennootschappen gereserveerd voor de betaling van de Vpb-schuld, is een aanzienlijk deel weggevloeid aan kosten van aanschaf van de vennootschappen (de 'upcount'), commissie voor bemiddelaars en financiers, en vervolgens is het restant grotendeels toegekomen aan (andere) betrokkenen. Thans kan worden volstaan met de hiervoor onder A1 tot en met A6 telkens weergegeven constatering dat er voor de winstvennootschappen zelf vrijwel geen gelden resteerden waarmee de noodzakelijke exploitatie van vermogensrechten kon worden gefinancierd. De betreffende winstvennootschappen hadden simpelweg geen geld om de exploitatie daadwerkelijk ter hand te nemen. Dat de betreffende vennootschappen leningen zijn aangegaan of zouden aangaan ter delging van de kosten van exploitatie van de vermogensrechten is gesteld noch aannemelijk geworden.

- Kort na 11 september 1996, de datum van de overdracht aan Oxbridge c.s., zijn vrijwel alle liquide middelen aan Egg II onttrokken. In de vennootschap Egg II zijn nimmer immateriële activa ingebracht. Evenmin heeft zij aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan. Deze gang van zaken is exemplarisch voor de werkwijze van Oxbridge. Het samenwerkingsverband beoogt slechts het verkrijgen van de kasgelden van de pas verworven winstvennootschap, waarna zulks wordt bemanteld met de inbreng van immateriële activa, alsmede het doen van een Vpb-aangifte waarin zodanig omvangrijke, aan de waarde van die activa gerelateerde afschrijvingslasten zijn opgenomen dat de Vpb-schuld zou zijn komen te vervallen. Mede vanwege het gebleken repeterende karakter ervan zou deze werkwijze ongetwijfeld opnieuw zijn toegepast, ware het niet dat eind juni 1997 de fiscus ervan blijk gaf lucht te hebben gekregen van de werkelijke achtergrond van deze handel in winstvennootschappen. Nadien heeft zich geen transactie meer gematerialiseerd. Voor uitvoering van het voornemen om immateriële activa in te brengen in de reeds verworven winstvennootschap Egg II was klaarblijkelijk geen reden meer.

In dit hoofdstuk zijn de vermogensrechten op het ‘Prism Navigation System’ onbesproken gebleven, aangezien zij – dan wel afschrijvingen daarop – niet zijn vermeld in de Vpb-aangiften waarvan de (opzettelijke) onjuistheid en onvolledigheid expliciet is tenlastegelegd. In hoofdstuk 2 komt dit activum wél aan de orde, en dan zal worden aangetoond dat de hier getrokken conclusies onverminderd van toepassing zijn op deze vermogensrechten.

Algemene conclusies aangaande de werkwijze van het Oxbridge-concern

Al het voorgaande tezamen genomen en in onderlinge samenhang bezien komt het hof tot de volgende oordelen:

(i). De waarde in het economische verkeer van de betreffende vermogensrechten was telkens in werkelijkheid vele malen lager dan de waarde waarvoor zij waren geactiveerd. De in de boekhouding en in de hiervoor besproken belastingaangiften opgevoerde waarde kan dan ook niet anders worden beschouwd dan als fictief.

(ii). De hoogte van de in de besproken belastingaangiften in aanmerking genomen afschrijvingen op deze vermogensrechten hield telkenmale rechtstreeks verband met de in de boekhouding opgenomen waardering van het desbetreffende activum. De afschrijvingskosten zijn dientengevolge voor een - meer dan aanzienlijk - te hoog bedrag ten laste van de belastbare winst gebracht.

(iii). De omvang van het ten laste van de belastbare winst gebrachte boekverlies dat op 'Hard Paper' zou zijn geleden hangt eveneens rechtstreeks samen met de - hooguit als speculatief te betitelen - waarde die aan dit vermogensbestanddeel is toegekend. Voor dit verlies is geen reële basis in de werkelijkheid te vinden.

(iv). Van de zijde van het Oxbridge-concern bestond geen in aanmerking te nemen voornemen tot het exploiteren van de vermogensrechten binnen de daarvoor beschikbare tijd; dat was klaarblijkelijk nooit serieus de bedoeling. De daarvoor benodigde financiële middelen ontbraken bovendien.

(v). De vermogensrechten zijn door het Oxbridge-concern uitsluitend aangeschaft teneinde met de veel te hoge afschrijvingen daarop de winsten te elimineren die de winstvennootschappen vóór hun overname door Oxbridge hadden gegenereerd. In de meeste aangiften is door het in aftrek brengen van deze afschrijvingen per saldo een negatieve belastbare winst gepresenteerd.

(vi) De hiervoor beschreven handelingen hadden alle tot doel de werkelijke gang van zaken en het werkelijke oogmerk waarmee de hiervoor genoemde winstvennootschappen door Oxbridge c.s. werden aangeschaft te bemantelen: telkens werd vrijwel direct na de verwerving het restant van de in deze vennootschappen aanwezige liquide middelen - na aftrek van de kosten van aanschaf van de vennootschap, commissie voor bemiddelaars en financiers, en een relatief gering bedrag dat in de vennootschappen achterbleef - overgeheveld naar buitenlandse bankrekeningen en kwam dit restant via een omvangrijk versluieringstraject ten goede aan (de) verdachten in deze strafzaken. Zoals gezegd zal het hof elders in dit arrest (hoofdstukken 2 en 3) deze vaststellingen met bewijsmiddelen onderbouwen.

Het hof zal in dit verband spreken over gefingeerde of fictieve afschrijvingen respectievelijk verliezen.

Op deze plek volstaat het hof verder met te wijzen op de voor de verdachten zeer belastende aspecten van het repeterende karakter van de hiervoor beschreven frauduleuze handelingen en de daarbij gehanteerde volgorde, welke volgorde zich, zoals hiervoor aangegeven, naar het oordeel van het hof op onthullende wijze heeft gemanifesteerd bij de Egg II-transactie: het vrijwel direct na de verwerving (op 11 september 1996) van deze vennootschap onderling verdelen en via een complex versluieringstraject wegsluizen van haar liquide middelen stond voorop; van het afdekken van deze werkelijke gang van zaken door het in de Vpb-aangifte opvoeren van gefingeerde afschrijvingen, zoals is geschied bij de eerder door Oxbridge c.s. aangeschafte, hiervoor besproken winstvennootschappen, is het na de ontvangst van het bericht van de Belastingdienst eind juni 1997 kennelijk niet meer gekomen.

Voor zover tegen met name de onder (i) getrokken conclusie zou worden ingebracht dat de vermogensrechten legitiem zijn geactiveerd tegen een potentiële waarde, oordeelt het hof dat, zoals hiervoor reeds nader is uiteengezet , vermogensbestanddelen – ook (juist) indien zij van gelieerde vennootschappen zijn verworven – bij activering op de waarde in het economische verkeer moeten worden gesteld, derhalve op de prijs die voor het vermogensbestanddeel had moeten worden betaald indien het van een onafhankelijke derde zou zijn gekocht. Daarmee is niet in overeenstemming de activering van (en vervolgens afschrijving over) vermogensrechten op basis van een hooguit speculatieve waarde.

Onderdeel 3

De tenlastegelegde misdrijven

Onjuist doen van een bij de Belastingwet voorziene aangifte vennootschapsbelasting

De hoge waarde van de immateriële activa die door Oxbridge c.s. in de onderscheidene Vpb-aangiften is opgevoerd zijn naar het oordeel van het hof slechts schijn. Er was immers geen voornemen tot exploitatie van de vermogensrechten. De hoogte van de afschrijvingskosten en de omvang van het boekverlies waren louter fictief.

Het aan een en ander onderliggende motief was klaarblijkelijk om de winstvennootschap te ledigen van het na winsteliminatie 'overtollige' kasgeld en het toedelen daarvan aan de bij deze handelwijze betrokkenen. Daartoe was het doen van een onjuiste Vpb-aangifte onontbeerlijk. Zonder dat jegens de fiscus enige verantwoording plaatsvindt zou het onzakelijk handelen van het Oxbridge-concern immers al snel in het oog springen en zou - in elk geval op een eerder moment - aan deze winstgevende activiteit een einde zijn gemaakt.

De hiervoor getrokken conclusies, die bovendien in onderdeel C1 tot en met C6 per (afschrijving op) immaterieel activum zijn gespecificeerd, wettigen 's hofs oordeel dat de (klein)dochtervennootschappen van Oxbridge, te weten Penn over het tijdvak 1992 (D/129), Anterra over de tijdvakken 1993 (D/130) en 1994 (D/131) en als fiscale eenheid over 1995 (D/132), Rentafixe over het tijdvak 1994 (D/135) en Egg over 1994/1995 (D/136) een onjuiste aangifte voor de vennootschapsbelasting hebben gedaan. Wat D/132 betreft, merkt het hof Anterra aan als zelfstandig pleegster van het hier bedoelde fiscale delict aangezien zij als de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting aangifte vennootschapsbelasting heeft gedaan van de belastbare winst van de fiscale eenheid (en het aangiftebiljet bovendien aan haar was uitgereikt). Daarbij moet tevens worden meegewogen dat op grond van het destijds geldende artikel 15 (oud), eerste lid, Wet Vpb de dochtermaatschappij(en) geacht werd(en) te zijn opgegaan in de moedermaatschappij, hetgeen betekende dat het belastingobject van deze dochtermaatschappij(en) volledig werd toegerekend aan de moedermaatschappij.

De gedragingen van de natuurlijke personen die het doen van een onjuiste aangifte voor de vennootschapsbelasting hebben meegebracht rekent het hof toe aan de hiervoor genoemde rechtspersonen, aangezien deze gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van deze rechtspersonen. Wat [naam medeverdachte 3] betreft, hij is ten behoeve van alle vennootschappen opgetreden als de bestuurder ervan, beschikkende over volledige zeggenschap. Tevens vertegenwoordigde hij de uiteindelijke aandeelhouder Oxbridge. [naam medeverdachte 3] had in het doen van die onjuiste Vpb-aangifte en in de waardering van de activa ten behoeve van de winstvennootschappen van begin af aan een essentiële rol, en niet alleen doordat hij in alle gevallen het betreffende aangiftebiljet heeft ondertekend.

Staat het aandeel van de ingeschakelde hulppersonen aan toerekening in de weg?

Oxbridge heeft bij het doen van aangifte voor de Vpb diverse hulppersonen ingeschakeld. Te denken valt aan de fiscaal-jurist M. van Dieren, verbonden aan Arthur Andersen, en aan de boekhouder A. van der Bogt, die vrij snel werd vervangen door C.L. van Veen en J.C. Joling van het administratiekantoor Perfect Partners.

Wat betreft de indiening van de Vpb-aangiften, volgens Van Dieren heeft Arthur Andersen, het bedrijf waarvoor Van Dieren destijds werkzaam was, niet de aangiften zelf ingediend . Van Dieren heeft Vpb-aangiften opgesteld aan de hand van gegevens die hij heeft ontvangen van zijn klanten, de onderscheidene dochtervennootschappen van Oxbridge, al dan niet door tussenkomst van het administratiekantoor Perfect Partners.

Van Dieren heeft ten overstaan van de rechter-commissaris volgens het proces-verbaal van verhoor van 26 maart 2003 (p. 5) verklaard:

"9. Waaruit bestonden de werkzaamheden van AA (het hof begrijpt: Arthur Andersen; ook hierna: AA)?

De oorspronkelijke bedoeling was om aangiften te doen. Later zijn ze ook met andere vragen bij mij gekomen. (...). De eerste tijd was het administratief een warboel. Er werden geen jaarstukken opgesteld. Er viel weinig van te maken. Toen is het bedrijf Perfect Partners van Joling ingeschakeld. Zij hebben veel nuttig werk verricht. Er zijn toen op basis van hun werk enkele jaaraangiftes opgesteld, welke door de betreffende klant zijn ondertekend en ingediend. Later heeft Jolings bedrijf dit van ons overgenomen. (...).

11. Heeft u de aangeleverde gegevens ooit gecontroleerd?

Aanvankelijk niet, maar later raakte ik ongerust en ben ik vragen gaan stellen. Op mijn verzoek is er een pricing report verstrekt aan mij. (...)."

25. Zijn door u of AA ooit werkzaamheden verricht met betrekking tot de overdrachtsbalansen van de door Oxbridge aangekochte vennootschappen (opstellen/accountantsverklaring)?

Dat dacht ik niet.

De werkzaamheden van Charles van Veen en Jacobus (Sjaak) Joling, beiden verbonden aan het administratiekantoor Perfect Partners, bestonden uit het opstellen van jaarrekeningen en desgevraagd concept-Vpb-aangiften, waarbij zij zich baseerden op gegevens die zij hebben verkregen van Oxbridge.

Van Veen heeft over zijn werkzaamheden verklaard :

“Van Penn weet ik het niet maar van American Energy verzorgde Rien van Dieren van Arthur Andersen de aangiften Vpb. Wij deden uitsluitend de boekhoudkundige voorbereiding. Nadat wij daarmee klaar waren gingen deze stukken eerst per fax naar [naam medeverdachte 4], deze moest zijn goedkeuring hieraan geven voordat Arthur Anderson de aangiftes deed. De goedkeuring van [naam medeverdachte 4] kwam ook meestal per fax. Ik weet niet precies of ik ooit heb meegewerkt aan de voorbereiding, dat deed Joling. Eenmaal heb ik de boekhoudkundige voorbereiding gedaan van American Resources, dat betrof het jaar 1995. Over het boekjaar 1996 zijn van alle American Energy BV’s geen aangiften meer ingediend, ik heb sinds die tijd ook niets meer aan de administratie verricht.”

Van Veen verklaarde over Egg :

“De brief bijlage D/089 is een reactie van [naam medeverdachte 4] op een door mij telefonisch of via de fax gestelde vraag om gegevens die ik nodig had voor de opstelling van de balans en de verlies en winst rekening van Egg 1. Bij deze brief zaten een aantal bijlagen, waaronder het door u aan mij getoonde memorandum bijlage D/17. Met behulp van deze brief en bijlagen en de door Perfect Partners gevoerde administratie heb ik uiteindelijk de stukken gereed gemaakt die nodig waren voor het doen van de Vpb-aangifte 1995 van Egg 1. Ik heb deze gegevens gelijktijdig via de fax aan zowel [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] toegezonden. Ik zal daarna van [naam medeverdachte 4] telefonisch of per fax opmerkingen en/of goedkeuring ontvangen hebben om deze bescheiden aan Van Dieren van Arthur Andersen toe te zenden zodat zij de aangifte VPB konden indienen. Op welke wijze [naam medeverdachte 3] de bescheiden verder ging ondertekenen weet ik niet. Dat gebeurde bij Arthur Andersen.

Van [naam medeverdachte 4] kreeg ik toen door wat er geïnvesteerd was en hoe de afschrijving zou plaats vinden. Dat gebeurde niet na elke investering; ik kreeg dat pas te horen voordat ik de bescheiden voor de VPB-aangifte 1995 ging verzamelen c.q. klaar maken. Daarna, voor Egg 2, is dit niet meer gebeurd. Ik heb daar geen verklaring voor."

Wat betreft Penn bevat een proces-verbaal van verhoor van A. van der Bogt de volgende passage :

Verbalisant toont gehoorde de aangifte vennootschapsbelasting 1992 van Censor Investments BV, voorheen Penn (Iberica) BV, bijlage D/129, en vraagt gehoorde wat hij hierover kan verklaren:

“Dit zou wel van mij afkomstig kunnen zijn. Ik herken de lay-out en de cijfers die er in staan. De handtekening is van Fay Lee [naam medeverdachte 3]. Ik heb ook de balans en de resultatenrekening opgesteld voor Penn. Het opstellen van deze balans en resultatenrekening en de aangifte heb ik gedaan in opdracht van Fay Lee [naam medeverdachte 3]. De basis hiervoor is geweest de dagafschriften en informatie van Gareth [naam medeverdachte 6] en Fay Lee [naam medeverdachte 3]. Ik heb een stapel papier gezien van de activiteit Hard Paper, maar ik heb daar geen accountantscontrole op toegepast. Ik heb deze stukken opgemaakt nadat het boekjaar was afgelopen. Omstreeks december 1994 heb ik de aangifte geprint. Ik zal al wel eerder alle benodigde stukken hebben ontvangen. Ik heb zo’n vijf maanden intensief gewerkt aan Penn. Het zou wel kunnen dat de aangifte nog een tijdje gelegen heeft. Een kopie van de aangifte is gestuurd naar Oxbridge in Londen. Als u mij vraagt of ik dan al mijn werkzaamheden in december 1994 heb gedaan dan is dat niet zo. De werkzaamheden die ik heb verricht voor Penn zijn wel gedurende een periode vijf/zes maanden geweest, maar de aangifte heeft nog een tijdje gelegen. Op het moment dat Fay Lee [naam medeverdachte 3] tekent wordt de aangifte weggestuurd.”

(verbalisant vraagt gehoorde of hij een toelichting kan geven op de verlies- en winstrekening van Penn over 1992, met name aangaande het verlies op activiteit Hard Paper ad 33.588.924)

“Ik heb u zojuist al gezegd wat ik daar over wist. Ik heb dit verlies in Hard Paper er in opdracht van de cliënt ingezet en de cliënt er op gewezen dat daar vragen over zouden komen. Ik heb een licentie-overeenkomst gezien tussen Penn en Anterra samen en een derde, die dit verkocht. Er is een pak papier van in omloop, maar ik weet niet meer waar dat is. De interest betreft denk ik de interest vanaf 1 januari tot aan het moment van overdracht via Oxbridge aan Delft. De licentie betreft een impregneringsuitvinding van papier, waardoor dit mogelijk metaal zou kunnen vervangen in bepaalde toepassingen. Deze informatie heb ik van [naam medeverdachte 6] of [naam medeverdachte 3]. Ik had wel eens in een ander gezelschap over Hard Paper gehoord. Ik heb zelf dit idee niet aangedragen. Er is eens iemand naar mij toegekomen, een Zweed, die het over deze uitvinding had. Dat is het enige wat ik daar van weet.”

De gevolgtrekking dat de administratieve werkzaamheden van Perfect Partners alsmede de fiscale werkzaamheden van Van Dieren enkel werden verricht aan de hand van de gegevens die uiteindelijk van Oxbridge afkomstig waren, en de financiële gegevens dus niet eigenstandig door deze tussenpersonen in de boekhouding en/of Vpb-aangifte werden opgenomen, wordt geheel bevestigd door de correspondentie die in het dossier kan worden aangetroffen.

Met name maakt het hof melding van de volgende documenten:

- D/636-2 brief d.d. 18 februari 1993 van [naam medeverdachte 6] aan Van Dieren ;

- D/636-6 brief d.d. 25 februari 1993 van [naam medeverdachte 6] aan Van Dieren ;

- Axx brief d.d. 21 december 1993 van Van Dieren aan [naam medeverdachte 4] ;

- D/106 brief d.d. 17 juni 1994 van [naam medeverdachte 4] aan Van Dieren

- D/117 brief d.d. 7 december 1994 van [naam medeverdachte 4] aan Van Dieren ;

- Axx brief van 7 december 1994 van [naam medeverdachte 4] aan Van Dieren ;

- D/223 brief d.d. 20 januari 1995 van [naam medeverdachte 4] aan Joling ;

- D/51 brief d.d. 1 maart 1995 van [naam medeverdachte 6] aan Joling ;

- D/253 brief d.d. 22 september 1995 van [naam medeverdachte 6] aan Joling ;

- D/256 brief d.d. 15 januari 1996 van [naam medeverdachte 6] aan Joling ;

- D/89 brief d.d. 2 juli 1996 van [naam medeverdachte 4] aan Van Veen ;

- D/17 memorandum d.d. 15 januari 1996, bijlage bij hiervoor genoemde brief ;

- Axx brief d.d. 2 juli 1996 van [naam medeverdachte 4] aan Van Veen, met memo ;

- Axx brief d.d. 25 februari 1997 van [naam medeverdachte 4] aan Van Veen ;

- Axx/set B brief d.d. 30 juni 1997 van [naam medeverdachte 4] aan Van Dieren .

De hier bedoelde administratieve en/of fiscale tussenpersonen waren bovendien niet toegerust op diepgaand onderzoek naar de waardering van de immateriële activa, en dat was ook niet hun taak. Zij waren immers wat betreft de aard en de waardering van de activa volledig afhankelijk van de informatie die hun door Oxbridge en [naam medeverdachte 3] werd verstrekt aangezien de immateriële activa betrekking hadden op percelen die op (een) ander(e) continent(en) waren gelegen en - wat betreft 'Hard Paper' - op onderzoek en tests die in Zweden zou(den) hebben plaatsgehad.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd geeft een eenduidig beeld van de verhouding tussen Oxbridge en de personen die ten behoeve van haar dochtervennootschappen werkzaam waren op het terrein van administratie en Vpb-aangifte : de verwerkte gegevens waren afkomstig van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] of [naam medeverdachte 4]. Al dan niet na overleg werden de beslissingen over kwesties aangaande de jaarstukken en de Vpb-aangiften door deze personen genomen. De bijdrage die tussenpersonen hebben geleverd aan het doen van de besproken aangiften voor de Vpb staat dus in dit verband niet in de weg aan de toerekening van de gedragingen van [naam medeverdachte 3] aan de door hem bestuurde dochtervennootschappen van Oxbridge.

Zijstap: Vrijspraak van de Vpb-aangifte van Interbaros

Het hof zal [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] vrijspreken van het tenlastegelegde voor zover dat betrekking heeft op de Vpb-aangifte van Interbaros over het tijdvak van 1993 (D/133). Voor alle strafzaken geldt dat het hof deze aangifte niet ten grondslag legt aan het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde deelnemen aan een criminele organisatie.

[naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] wordt aangaande de hier bedoelde aangifte van Interbaros ieder voor zich verweten dat hij tezamen en in vereniging met onder meer Interbaros opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, te weten die voor de Vpb over het tijdvak 1993, onjuist heeft gedaan.

De tekst van de tenlastelegging is toegespitst op artikel 68 (oud) AWR. De daarin gebezigde bewoordingen hebben dan ook, naar moet worden aangenomen, de betekenis die daaraan toekomt in artikel 68 (oud) AWR. Deze strafbepaling richt zich evenwel alleen tot degene die verplicht is tot het doen van de 'bij de Belastingwet voorziene aangifte'.

Krachtens art. 8, lid 1 (oud) AWR ontstaat de verplichting tot het doen van aangifte voor de belastingen die, zoals de vennootschapsbelasting, bij wege van aanslag worden geheven niet als gevolg van een uit de desbetreffende heffingswet voortvloeiende belastingschuld, maar door de uitreiking van een aangiftebiljet. Niet gebleken is dat aan Interbaros met betrekking tot dit tijdvak een aangiftebiljet is uitgereikt, zodat moet worden aangenomen dat zulks niet is gebeurd. Interbaros was dan ook niet gehouden aangifte te doen voor de Vpb over het tijdvak 1993, zodat van het tenlastegelegde niet kan worden bewezen het essentiële bestanddeel '(het onjuist doen van) een bij de Belastingwet voorziene aangifte', hetwelk niet (partieel) uit een bewezenverklaring kan worden weggelaten. Interbaros is dus niet strafbaar te dezer zake en [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] kunnen dan ook niet worden aangemerkt als medeplegers van dit kwaliteitsdelict.

Vervolg 'onjuist en onvolledig doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting':

het opzet

De kennis en wetenschap van [naam medeverdachte 3] worden op gelijke gronden als hierboven reeds omtrent het daderschap overwogen aan de vennootschappen Penn, Anterra, Rentafixe en Egg toegerekend. De vraag die vervolgens opkomt is in hoeverre [naam medeverdachte 3] weet had van de overwaardering van de immateriële activa en de daarop gebaseerde, veel te hoge (fictieve) afschrijvingen, alsmede het fictieve karakter van de daaruit resulterende verliezen.

Ter beantwoording van die vraag merkt het hof op dat [naam medeverdachte 3] met de verwerving en prijsstelling van de meeste onder C besproken activa rechtstreekse bemoeienis had. Thans wordt volstaan met te verwijzen naar hetgeen onder C1 tot en met C6 is overwogen. Het hof roept nog wel in herinnering dat de prijs die Oxbridge heeft betaald voor het verwerven van de verschillende activa vele malen lager was dan het bedrag waarvoor zij werden geactiveerd, zonder dat er concrete aanwijzingen zijn voor een gelukstreffer. Géén van de activa zijn geëxploiteerd en er zijn zelfs geen aanstalten gemaakt om daartoe over te gaan. In de genoemde winstvennootschappen bleef na onttrekking van gelden vrijwel geen geld over om omvangrijke exploitaties te bekostigen. [naam medeverdachte 3] was van een en ander zeer wel op de hoogte.

[naam medeverdachte 3] heeft alle onder B vermelde Vpb-aangiften ondertekend en ook de daarbij gevoegde jaarstukken van de desbetreffende winstvennootschappen. Daarbij wist hij dat de afschrijvingen - en dus ook de hoogte daarvan - werden verwerkt in de Vpb-aangiften en ten laste van de belastbare winst werden gebracht. Bovendien was hij als enige gerechtigd tot ondertekening van de betalingsopdrachten ten name van de dochtervennootschappen van Oxbridge. Hij zorgde er dus in eigen persoon voor dat vrijwel alle liquide middelen van de betreffende winstvennootschappen ‘weglekten’.

Over Oxbridge heeft [naam medeverdachte 3] verder onder meer nog verklaard:

"Er is afgesproken de vennootschappen (hof: Anterra en Penn) te kopen, [naam medeverdachte 5] heeft de financiering geregeld met Dangoor. We wisten allemaal dat Oxbridge een lege vennootschap was. (...). Het enige dat belangrijk was voor iedereen was of Oxbridge de financiële middelen had om de bedrijven te kopen. En dat was eigenlijk het gemakkelijkste, via Dangoor. Er is gesproken over de hoeveelheid activa die in het bedrijf gebracht moest worden. Er moest gewoon een x-aantal miljoen in activa komen om in Anterra en Penn te brengen. Niemand maakte het uit wat voor soort activa ingebracht zouden worden."

In weerwil van [naam medeverdachte 3]s ‘clarifications’ acht het hof deze passage waarheidsgetrouw, aangezien de hier relevante essentie ervan “er moest gewoon een x-aantal miljoen in activa komen om in (de winstvennootschappen in) te brengen” volledig wordt gestaafd door de onder C getrokken conclusies.

Uit een en ander leidt het hof af dat [naam medeverdachte 3] telkens volledig op de hoogte was van het gefingeerde karakter van de afschrijvingen en het boekverlies (op ‘Hard Paper’) die werden gebruikt om de in de winstvennootschappen gecumuleerde winsten te compenseren en in de hiervoor besproken Vpb-aangiften te doen omslaan in (op één aangifte na) een negatieve belastbare winst. Hij heeft dus telkens ten behoeve van de winstvennootschappen aangifte voor de Vpb gedaan, wetende van het frauduleuze gehalte van de daarin vermelde gegevens. Daardoor hebben de vennootschappen opzettelijk onjuiste aangifte voor de Vpb gedaan.

Hieronder komt het hof terug op het opzet van [naam medeverdachte 3] bij de bespreking van zijn verweer dat hij is afgegaan op de adviezen van zijn vele adviseurs.

De bespreking van een verweer: rechtsdwaling

[naam medeverdachte 3] heeft zich beroepen op rechtsdwaling. Hij mocht er volgens zijn raadsman op vertrouwen dat de onderhavige constructies legaal waren vanwege het advies en de betrokkenheid van fiscaal deskundigen en fiscale adviseurs. De overige betrokkenen waren bovendien - anders dan hij zelf - fiscaal onderlegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Van verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de gedraging kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt te ontlenen dat hij in redelijkheid op de deugdelijkheid van dat advies mocht vertrouwen.

De ongeoorloofdheid van de gedraging in onderhavige zaak is reeds eerder samengevat als:

1. De hoge waarde van de immateriële activa die door Oxbridge c.s. in de onderscheidene Vpb-aangiften is opgevoerd was slechts schijn.

2. Er was geen serieus te nemen voornemen tot exploitatie van de vermogensrechten.

3. De hoogte van de afschrijvingskosten en de omvang van het boekverlies waren (dus) fictief.

Ter beoordeling ligt voor of en in hoeverre [naam medeverdachte 3] met het opvoeren van gefingeerde afschrijvingskosten en verliezen bij het doen van de (daardoor onjuiste) Vpb-aangiften heeft gehandeld overeenkomstig fiscale adviezen waarop hij redelijkerwijze mocht vertrouwen.

De voorliggende vraag laat zich naar 's hofs oordeel dus niet beantwoorden door te wijzen op adviezen aangaande:

(i) de geoorloofdheid van de handel in winstvennootschappen,

(ii) de geoorloofdheid van (lineair) afschrijven op immateriële activa, en

(iii) de mogelijkheid van verliesverrekening binnen de marges van het destijds geldende artikel 20, vijfde lid, Vpb.

Uit hetgeen het hof hieromtrent reeds heeft overwogen valt immers af te leiden dat zodanige adviezen - indien verstrekt en voor zover conform 's hofs eerder weergegeven overwegingen - rechtens en fiscaal correct (zouden) zijn geweest. Dergelijke adviezen kunnen dus niet hebben geleid tot rechtsdwaling, net zo min als dat het handelen overeenkomstig die adviezen de strafbaarheid heeft meegebracht.

Naar 's hofs oordeel is niet aannemelijk geworden dat [naam medeverdachte 3] is geadviseerd dan wel dat hem anderszins uit gezaghebbende en betrouwbare bron bekend is geworden dat de waardering van de immateriële activa en dientengevolge de hoogte van de afschrijvingen daarop geen basis in de economische werkelijkheid behoefde(n) te hebben en dat vrijelijk en in hoge mate overgewaardeerd mocht worden. Niet alleen heeft [naam medeverdachte 3] bij geen enkele gelegenheid aangegeven dat hem dergelijke adviezen zijn verstrekt, hij heeft altijd ontkend dat de immateriële activa met opzet waren overgewaardeerd.

Los van deze overwegingen ligt het ook niet voor de hand dat een gerenommeerd fiscaal adviseur als zijn opinie tot uitdrukking zou brengen dat naar Nederlands fiscaal recht de in de belastingaangiften opgevoerde waarde van vermogensrechten en de in mindering op de belastbare winst gebrachte afschrijvingen daarover in hoge mate mogen zijn gefingeerd; een dergelijke opinie zou bepaald niet behoren tot het domein van de 'fiscaal pleitbare standpunten'.

Reeds op deze gronden moet het verweer worden verworpen.

Desalniettemin heeft het hof zich afgevraagd of en zo ja in hoeverre [naam medeverdachte 3] zich heeft laten leiden door adviezen van anderen, en wenst het hof blijk te geven van zijn onderzoek dienaangaande. In dit verband overweegt het hof het navolgende.

In de eerste plaats houdt het hof [naam medeverdachte 3] niet voor de fiscale en juridische 'kneus' waarvoor het hof hem volgens zijn raadsman zou moeten houden. Dit volgt naar 's hofs oordeel onder meer uit de volgende passage uit zijn verklaring van 13 februari 2003 , zoals die door hem in de Engelse taal is becommentarieerd en dat deel uitmaakt van de processtukken. Om die reden hanteert het hof hier de Engelse tekst. Het nadere commentaar van [naam medeverdachte 3] (de ‘clarifications’) is weergegeven in een ander lettertype (ariel) dan in dit arrest gebruikelijk. In deze verklaring en dit commentaar geeft [naam medeverdachte 3] een beschrijving van de handelwijze van Oxbridge die, weliswaar niet gevat in juridische en fiscale termen, een betrekkelijk goed begrip toont van waar het in deze strafzaak werkelijk om gaat:

(On being asked: did you never wonder how such a tax system could exist if there is only a tax refund and there is never any exploitation income in exchange?)

“I never saw this as tax refunds, I see this as not yet paid taxes. [naam medeverdachte 5] initially explained it to me. He told me this involved cash shell companies where, for whatever reason, for instance because somebody left, or due to reorganization, all assets had been sold. Nothing remained in the company except for the legal assets and the bank account. And taxes had to be paid on that amount of money. The seller had two choices, either paying the taxes of about 40% or to sell with some cash money and a 100% tax debt.

This doesn’t seem to be such a good deal. You buy a company with a lot of money and a high tax debt, but [naam medeverdachte 5] explained to me that if you contribute assets to the company, the company could be sold and no taxes needed to be paid, because the assets could be depreciated with acceleration. [naam medeverdachte 5] also explained that the Netherlands differed from Sweden, because if you buy a company in Sweden you can depreciate an entire year no matter the date of purchase. In the Netherlands the depreciation is time-related.

I was told by [naam medeverdachte 4] and [naam verdachte] that actual exploitation is not necessary in the Netherlands, as long as you have the intention to exploit.

This to me is one of the main issues in this whole trial. I have still not been able to determine that it is actually necessary to develop or exploit the assets or whether one can take depreciation on the assets simply by holding the assets in the holding company. Oxbridge paid millions of dollars in legal and accounting fees both in and outside of The Netherlands and no where in the case file can anyone point to anything that says the assets had to be developed to be depreciated.

(On being asked: in the course of the criminal investigation it did not appear that any real investments were done. The suspicion has arisen that indeed rights were acquired or simulated, but not any factual exploitation of rights has taken place up till the present. And he was asked for his comments?)

“We would have to check this for each transaction separately. For Anterra and Penn [naam medeverdachte 5] first contributed the Hard Paper, but then quickly decided to sell the Anterra and Penn companies on to Swedish colleagues. This also happened with Kanaken and Boertien, they were never bought with any other intention than selling them on. After that we were joined by [naam medeverdachte 4] and some things changed. I will explain to you for each transaction.”

This question really should have been answered as follows: The assets sold into the Dutch companies were very real and had the value attested to. It was the intention of the company to develop these assets in the future but, again, I was under the impression after consulting with the legal team, the consulting team, and the accountants in the U.S. and in Holland that the actual exploitation or development of the assets was not a required component of taking the depreciation on the assets. The idea was always to develop the assets at the appropriate time.”

Voor de goede orde: het hof hecht geen geloof aan de verklaring van [naam medeverdachte 3] voor zover hij meedeelt dat het altijd de intentie van Oxbridge c.s. is geweest om de immateriële activa op enig moment in de toekomst te exploiteren. Niets wijst daar in concreto op en de feiten spreken dit daarenboven ook ten stelligste tegen. Naast de vele andere aanwijzingen daarvoor herhaalt het hof slechts dat de looptijd op de immateriële rechten eenvoudigweg is verlopen zonder dat blijkt van serieus te nemen aanstalten tot de exploitatie daarvan en bovendien op het volledige ontbreken van bedrijfsplannen.

Het hof heeft evenmin geoordeeld dat exploitatie van de vermogensrechten in alle gevallen een noodzakelijke voorwaarde is voor het ten laste van de winst afschrijven op de waarde ervan. Het gebrek aan voornemen tot exploitatie en het gefingeerde karakter van de afschrijvingen maken de Vpb-aangiften in casu onjuist. Waar het in deze verklaring wat het hof betreft om gaat is dat [naam medeverdachte 3] ervan blijk geeft op de hoogte te zijn van de kern van de zaak en ook dienovereenkomstig naar zijn zeggen is geadviseerd door [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 4] en [naam verdachte].

In de tweede plaats wijst het hof op verklaringen van fiscale adviseurs.

Van Dieren heeft op 26 maart 2003 ten overstaan van de rechter-commissaris onder meer het volgende verklaard:

Vraag 17. U werd geconfronteerd met de inbreng van verschillende types rechten in de verschillende vennootschappen. Om wat voor rechten ging het? Wat was het doel van de inbreng van immateriële rechten?

"Het betrof mijns inziens immateriële rechten, dus niet een recht op het onderliggende goed zelf, maar exploitatierechten van die goederen. Die kan je afschrijven. Op zichzelf was de gekozen structuur heel goed. Het kwam erop neer dat een intangible asset werd gekocht. Die kon men dan voorlopig afschrijven, aangezien men er zoals gebruikelijk vanuit ging dat er in eerste instantie fiscaal verlies zou zijn. Zo wordt dus de aankoop van een hoog risicodragend activum gefinancierd met een renteloze lening, wat een deferred tax liability immers in wezen is."

(...).

Vraag 26. Wanneer bent u gaan vermoeden dat de waarde van de ingebrachte rechten wellicht 'overstated' was?

"De waarderingsvraag vormt altijd een aandachtspunt. Daarin zit een grote flexibiliteit, daar zit ruimte in. Wat mij bezorgd maakte, was dat er geen cash flow op gang kwam. ... Mijn hoop was dat er mogelijk te hoog gewaardeerd was, maar dat een waardering op een lager bedrag wel verdedigd zou kunnen worden."

In het dossier bevinden zich enkele notities van Van Dieren, waarin hij is ingegaan op deze problematiek:

Notitie van 21 januari 1998 :

(...). Ik begrijp dat Oxbridge bepaalde vennootschappen waarvan intangibles zijn gekocht ook zelf gekocht heeft (vergelijkbaar met ICAG). Douglas Shook gezegd dat ik mij niet (meer) kan voorstellen dat er niet gestepped-up zou zijn. Mijns inziens zou de juiste benadering zijn: (...), een basis creëren voor een gesprek als we nou eens met wellicht meer realistische prijzen zouden werken en één en ander behandelen als venture capital op basis van contingent betalingen (een soort royalties).

Notitie van 4 februari 1998 :

De values zijn fors overstated en hoeveel dan wel. Natuurlijk is daar een discussie over mogelijk, maar wel binnen zekere grenzen.

Eerder heb ik al voorgesteld de aangiftes volledig te herrekenen met als uitgangspunten: de derden prijs; een verdedigbare step-up; de actuele ontwikkelingskosten. (...).

Stefan (Mak) en ik benadrukken nog eens dat het wegsluizen van de cash het grote prijspunt is.

Notitie van 12 maart 1998 :

Meeting in Brussel met [naam medeverdachte 3], Shook, Mak en mijzelf. (...). Begonnen met de uiteenzetting van de situatie nu voor zover bekend. In dat kader met name uitgelegd dat een potentiële waarde wat anders is dan de "current market value" van activa. De eerste waarde is kennelijk gebruikt. De tweede was de juiste geweest. Dat is niet noodzakelijkerwijs de "historic cost basis". Uitgelegd dat de prijs verder zit in het aangaan van leningscontracten die een vaste verplichting tot betaling voorstellen en een vorm van deelnemerschap waarbij betalingen contingent zijn. Die contingentie zou geschat moeten worden.

Aan Fay [naam medeverdachte 3] uitgelegd dat de heftige fees ook een bron van zorg zijn. (...).

De verklaring van Van Dieren en de zorg die hij in zijn notities tot uitdrukking heeft gebracht over de gebreken in de bedrijfseconomische waardering van de immateriële activa maken naar 's hofs oordeel aannemelijk dat Van Dieren nimmer heeft geadviseerd dat (het voornemen tot) exploitatie van vermogensrechten overbodig is en dat de in de boeken opgevoerde waarde van vermogensrechten geen basis in de economische werkelijkheid hoeft te hebben. Integendeel, uit onder andere zijn brief van 19 maart 1993 aan [naam medeverdachte 6] , die in hoofdstuk 2 nog nader aan de orde zal komen, blijkt juist dat Van Dieren uitdrukkelijk voor een aantal zaken heeft gewaarschuwd, waaronder de waardebepaling van immateriële activa die van gelieerde vennootschappen zijn aangekocht, alsmede de mogelijkheid dat de fiscus zich op het standpunt zal stellen dat pas mag worden afgeschreven over de immateriële activa vanaf het tijdstip dat zij daadwerkelijk worden geëxploiteerd (“that depreciation cannot start before the intangible is put to use”).

[naam medeverdachte 3] heeft tijdens zijn verhoor als verdachte door de rechtbank overigens verklaard dat ook in zijn opinie de bewuste brief een aantal waarschuwingen bevat van de zijde van Van Dieren.

In de paragraaf over de bespreking van de rol van de fiscale adviseurs en boekhouders heeft het hof reeds vastgesteld dat deze personen over de waardering van de immateriële activa en de hoogte van de afschrijvingen werden geïnformeerd door [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 4]. Dat deze adviseurs daarmee ook onvolledig en onjuist werden geïnformeerd moet voor [naam medeverdachte 3] dus zonder meer duidelijk zijn geweest. Ook op deze grond kan [naam medeverdachte 3] zich dus niet beroepen op rechtsdwaling vanwege de fiscale begeleiding door Van Dieren.

Bovendien is het hof van oordeel dat [naam medeverdachte 3] zich niet kan beroepen op rechtsdwaling omdat het de verklaring van Van Dieren geloofwaardig acht dat deze pas in augustus 1997 op de hoogte raakte van een kernaspect van de gepleegde fraude, zoals hiervoor verwoord in de algemene conclusies (conclusie vi): het direct na aankoop wegvloeien van vrijwel alle liquide middelen van de gekochte winstvennootschap.

Van Dieren verklaarde hierover:

“In juni 1997 ontving de ABN AMRO bank, in de persoon van Serge [naam medeverdachte 2], de bewuste brief van Bruin Slot. Ik ben over de inhoud van deze brief ingelicht door [naam medeverdachte 2]. (…) In ongeveer augustus/september 1997 is aan de inspectie een overzicht gegeven van mutaties van de bankrekeningen, opgesteld door Van Veen van Perfect Partners. Op dat moment heb ik mij ten volle gerealiseerd dat alle cash wegvloeide. Ik had nooit eerder een totaal overzicht van de bank gezien. Nu zag ik dat het kasgeld in tempo uit de vennootschap verdween naar Luxemburg en Liechtenstein. Als alle cash naar Oxbridge of Kentucky Land was gegaan, dan had ik dat kunnen begrijpen. Want dan zou ik ervan uitgaan dat ze dat geld gebruikten voor investeringen of exploitatie. De waarneming van mij dat het geld wegvloeide was voor mij een grote schok. Je zou verwachten dat het kasgeld aangewend zou worden voor investeringen, en zeker niet dat het geld naar Luxemburg of Liechtenstein zou vloeien.”

Dit betreft één van de kernsapecten waarin Van Dieren zich onderscheid van bijvoorbeeld de Nederlandse verdachten, [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1], naar wier bankrekeningen op Guernsey en Luxemburg deze bedragen wegvloeiden.

De getuige M. Ellis, als fiscaal adviseur werkzaam bij (destijds) Loyens & Volkmaars, heeft naar aanleiding van een brief van 3 december 1992 , een brief van 4 december 1992 en op basis van geen andere gegevens dan de in die brieven verstrekte gegevens alsmede balansen van Anterra en Penn adviezen uitgebracht waarin de belastingvoorzieningen van Anterra en Penn zijn becijferd . Van het inbrengen van andere vermogensrechten in Anterra en Penn dan rechten op het ‘Prism Navigation System’ had Ellis geen weet . Niet blijkt dat Ellis is gevraagd om een bedrijfseconomische waardering van het ‘Prism Navigation System’ waarvan in deze brieven gewag wordt gemaakt. Zo'n waardering vereist trouwens doorgaans meer dan bij brieven verstrekte globale informatie en in elk geval juist niet de balansen van de beoogde kopers van de rechten op dit systeem. Ellis is klaarblijkelijk gevraagd om niets meer dan een 'review' van een fiscale constructie, waarin naar het hof begrijpt het afschrijvingsregime en artikel 20, vijfde lid, Vpb een rol zullen spelen. Dat ligt ook meer op de weg van een fiscaal adviseur als Ellis. Die hoeft geheel geen kaas te hebben gegeten van de waardering van software.

Hierdoor acht het hof niet aannemelijk dat Ellis zou hebben geadviseerd dat de waarderingsgrondslag van deze vermogensrechten naar Nederlands fiscaal recht een gefingeerde mag zijn.

Indien eventuele adviezen hieromtrent afkomstig zouden zijn van [naam verdachte], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 4] of [naam medeverdachte 5] kan het verweer evenmin slagen. Aan deze personen, die in deze zaak zijn opgetreden als bemiddelaar, Amerikaans fiscaal adviseur dan wel als meer direct betrokken belanghebbende, kent het hof in dit verband niet de status toe van personen aan wie zodanig gezag valt te ontlenen dat hij, [naam medeverdachte 3], in redelijkheid op de deugdelijkheid van door hen hieromtrent verstrekte adviezen mocht vertrouwen. Deze personen zijn niet onafhankelijk en onpartijdig, hetgeen reeds volgt uit het gegeven dat deze medeverdachten – ook volgens de verklaringen van [naam medeverdachte 3] zelf – voor aanzienlijke bedragen meedeelden in de verdeling – direct na de verwerving ervan door Oxbridge - van het banksaldo van de aangekochte winstvennootschappen, via een omvangrijk en gecompliceerd versluieringstraject. Elders in dit arrest zal hierbij per Nederlande verdachte nog uitvoerig worden stilgestaan.

Ook om de hiervoor uiteengezette redenen moet het standpunt dat [naam medeverdachte 3] heeft gedwaald in het recht dus worden verworpen.

Vervolg 'onjuist en onvolledig doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting':

de nadeelberekening

Uit de zogeheten nadeelberekening die als bijlage is opgenomen bij de schriftelijke verklaring van S. van der Meer, van de Belastingdienst Grote Ondernemingen Den Haag, van 29 september 2000 volgt dat de hiervoor bedoelde afschrijvingen en andere lasten in alle gevallen hebben geleid tot een te laag aangegeven belastbaar bedrag. Niet in alle gevallen echter heeft dat geleid tot een te laag bedrag aan verschuldigde Vpb, aangezien de Belastingdienst heeft becijferd dat de Vpb-aangiften D/130, D/131 en D/132 van (de fiscale eenheid van) Anterra geen ontduiking van Vpb tot gevolg heeft gehad doordat ook na correctie van het belastbare bedrag de verschuldigdheid van Vpb nihil bleef. Een en ander is niet onbegrijpelijk als wordt bedacht dat na afloop van het (boek)jaar waarin de bewuste vennootschap was overgenomen door (een dochtervennootschap van) Oxbridge reeds alle in de vennootschap aanwezige winst was geabsorbeerd door de – fictieve - lasten die voortvloeiden uit de inbreng van vermogensrechten. Anterra heeft geen aangifte voor de Vpb gedaan over het voor haar in dit opzicht relevante jaar 1992.

In de hier besproken gevallen van onjuiste aangifte voor de Vpb (kort gezegd) D/129, D/135 en D/136, waarin uit de nadeelberekening volgt dat metterdaad te weinig Vpb is geheven, acht het hof zonder meer bewezen dat het gevolg van de onjuiste aangifte zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven.

Waar het de aangiften van Anterra over 1993 (D/130), 1994 (D/131) en 1995 (D/132) betreft is het hof van oordeel dat ook in die gevallen de onjuiste aangifte tot gevolg zou kunnen hebben gehad dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven. Niet is vereist dat er daadwerkelijk te weinig belasting is geheven.

Wat betreft het bewijs van de mogelijkheid van fiscaal nadeel wijst het hof in de eerste plaats op de substantiële bedragen waarmee de hoogte van het belastbare bedrag is gecorrigeerd; de verliezen zijn daarmee in werkelijkheid aanzienlijk beperkter dan zij zijn voorgesteld in de Vpb-aangifte over het betreffende tijdvak. Indien zich in datzelfde tijdvak een onverwachte meevaller zou hebben voorgedaan die het bedrijfsresultaat positief zou hebben beïnvloed is de omvang van het tot dan toe werkelijk geleden verlies van groot belang voor de eventuele verschuldigdheid van Vpb en zou de omvang van het geclaimde zeer omvangrijke verlies de heffing van de materieel verschuldigde Vpb hebben belemmerd of belet.

Voorts is de omvang van het werkelijk geleden verlies in relatie tot het bij aangifte opgevoerde verlies van belang voor de eventuele toepassing van verdergaande compensatie van verliezen met (eventuele) in andere belastingjaren gegenereerde winsten (buitenjaarlijkse verliescompensatie).

Om die reden komt het hof in alle hier besproken gevallen tot een bewezenverklaring dat het gevolg van de onjuiste aangifte zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven.

De bespreking van verweren die betrekking hebben op de gevolgen voor belastingheffing in Nederland

a. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de verdediging van [naam medeverdachte 3] gewezen op de volgende uitlating van de getuige Van Dieren, gedaan tijdens zijn verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris :

"Normaliter zou na verloop van tijd de intangible asset een bepaalde te belasten opbrengst opleveren. Hier betrof het exploitatierechten op Amerikaanse natuurlijke rijkdommen. Naar mijn mening was pleitbaar dat de betreffende exploitatie in Amerika belast zou moeten worden in plaats van in Nederland. Als het economisch slecht gaat, dan heb je het verlies in Nederland afgetrokken en gecompenseerd. Als het goed gaat, betaal je in Nederland geen belasting."

In eerste aanleg heeft de raadsman betoogd dat het daadwerkelijk exploiteren van de vermogensrechten dus niets uitgemaakt zou hebben voor het fiscale resultaat in Nederland. De raadsman in hoger beroep voegt eraan toe: "Welnu, indien de exploitatie in Amerika belast diende te worden, zou Nederland ter zake geen rechtsmacht toekomen."

Dit verweer moet worden verworpen. Feit is dat de winstvennootschappen de winsten die zij voor hun overname door Oxbridge c.s. hebben gerealiseerd hebben verrekend met gefingeerde verliezen die na de overname zouden zijn opgekomen. Over de in Nederland vóór de overname gegenereerde winsten had dus Vpb moeten worden geheven, ongeacht het al dan niet winstgevend exploiteren van vermogensrechten in de VS. Verliesverrekening in Nederland was immers niet toegestaan vanwege het fictieve karakter van de lasten.

b. De verdediging van [naam medeverdachte 1] heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de belastingkamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 oktober 2002 betoogd "dat de inbreng van rechten en/of andere assets, de wijze van afschrijving daarop er voor de Nederlandse belastingheffing helemaal niet toe deed."

Bij de bewuste inmiddels onherroepelijke uitspraak heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch in de procedure op het beroep van Computer Integration B.V. tegen een uitspraak van het hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen te Maastricht betreffende de Vpb-aanslag over het jaar 1992 de primaire stelling van de fiscus overgenomen. Deze houdt in dat de feitelijke leiding van Computer Integration B.V. met ingang van de overname van deze vennootschap door Oxbridge (23 december 1992) in de Verenigde Staten is gelegen en dat deze vennootschap daardoor op grond van de zogenoemde (“tiebreaker” van de) inwonerbepaling van het toepasselijke belastingverdrag tussen de VS en Nederland (hof: uit 1948) voor de toepassing van dit belastingverdrag als inwoner van de VS moet worden beschouwd. De voordelen uit de door Computer Integration B.V. gedreven onderneming kunnen daardoor op grond van dit verdrag met ingang van de overname door Oxbridge slechts in Nederlandse heffingsgrondslag worden begrepen voor zover die voordelen aan een Nederlandse vaste inrichting zijn toe te rekenen. Nu de omstandigheden van het geval toerekening van het bedrijfsresultaat aan een Nederlandse inrichting verhinderen, moet de verrekening van verliezen uit de periode van na de overname met voordien gegenereerde winsten achterwege blijven, aldus - geparafraseerd - de belastingkamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

De verdediging van [naam medeverdachte 1] werpt in het licht van deze uitspraak op, althans zo begrijpt het hof, dat in het geval van Oxbridge c.s. de onderwerpelijke verliescompensatie dus sowieso was uitgesloten en dat de ingediende Vpb-aangiften niet tot gevolg kunnen hebben gehad dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven.

Dit verweer moet worden verworpen. Ook indien wordt uitgegaan van het in de genoemde uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vervatte oordeel, staat het immers vast dat Computer Integration B.V. (destijds nog Kanaken Beheer B.V. geheten) vóór haar overname door Oxbridge ook voor de toepassing van het genoemde verdrag met de VS als inwoner van Nederland moet worden beschouwd; het gerechtshof is immers van oordeel dat de feitelijke leiding van Kanaken pas na deze overname is verplaatst naar de VS . De in de periode vóór 23 december 1992 gerealiseerde winst is derhalve ook voor de toepassing van dit belastingverdrag met de VS uitsluitend aan Nederland ter belastingheffing toegewezen. Doordat de winstvennootschappen welbewust fictieve verliezen hebben verrekend met de vóór de overname door Oxbridge c.s. genoten, in de Nederlandse belastingheffing te betrekken winsten, hebben zij dus opzettelijk onjuiste Vpb-aangiften gedaan die in enkele gevallen tot gevolg hebben gehad dat daadwerkelijk te weinig Vpb is geheven en waarvan in alle gevallen het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig Vpb zou kunnen worden geheven. Hieraan doet niet af dat de gewraakte verliescompensatie mogelijk ook op andere gronden achterwege had moeten blijven.

De verdediging van [naam medeverdachte 1] heeft verder nog betoogd dat niet was te voorzien, zelfs niet door "gerenommeerde fiscale adviseurs zoals Arthur Andersen", dat "de verrekening van gekochte winsten zou kunnen sneuvelen op dit aspect, de Amerikaanse leiding van de Oxbridge-groep," en dat zulks "bewijst dat van opzet op het doen van onjuiste aangiften aan de kant van de vennootschap geen sprake is geweest."

Ook in deze vorm kan het verweer niet slagen. Nog daargelaten dat Van Dieren bij brief van 26 februari 1993 wel degelijk heeft gewezen op het belang van het bijhouden van bewijs dat de belangrijkste beslissingen van het bestuur van Kanaken Beheer B.V., Penn en Anterra in Nederland zijn genomen, laat het gestelde gebrek aan kennis van dit aspect van het belastingrecht de wetenschap van het fictieve karakter van de bij Vpb-aangifte opgevoerde afschrijvingen en het boekverlies onverlet, hetgeen tevens de wetenschap meebrengt dat het gevolg van de op dit punt onjuiste aangifte zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven.

Algemene overwegingen omtrent het deelnemen aan een criminele organisatie

Strafbaarheid van het onder 1 tenlastegelegde vereist

(a) deelnemen

(b) aan een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband

(c) dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ad b. Het bestaan van een (criminele) organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr. vergt een gestructureerd samenwerkingsverband waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. Niet is vereist dat de organisatie de vorm van een rechtspersoon heeft aangenomen, noch dat de organisatie bij voortduring uit dezelfde personen bestaat.

Ad c. De organisatie waaraan wordt deelgenomen dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, hetgeen wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van het gestructureerde samenwerkingsverband gericht moeten zijn op het plegen van misdrijven.

Het oogmerk is niet verbonden aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij het samenwerkingsverband waaraan wordt deelgenomen. Het gaat dus niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van het samenwerkingsverband, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel. Daaronder is mede begrepen het geval dat het oogmerk gericht is op het door anderen plegen van misdrijven of op medeplichtigheid daaraan.

Ad a. Van deelnemen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr. is slechts dan sprake indien

(i) de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband, en

(ii) een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het bedoelde oogmerk.

Voor deelneming is niet vereist dat de deelnemer zelf (een van) de door de organisatie beoogde misdrijven heeft gepleegd, noch dat hij aan de verwezenlijking van het misdrijf in concreto heeft deelgenomen. Het gaat (immers) niet om de betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit, maar om de betrokkenheid bij de organisatie.

Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van alle concrete misdrijven dan wel van alle categorieën van misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

Niet vereist is dat een deelnemer, indien het oogmerk - zoals in casu tenlastegelegd - het plegen van misdrijven van verschillende soort is, betrokken is geweest bij de verwezenlijking van elk soort van de beoogde misdrijven.

De bespreking van verweren

Oogmerk organisatie

De verdediging van [naam medeverdachte 3] heeft betoogd dat het oogmerk van de criminele organisatie is geweest het doen van transacties in winstvennootschappen en niet het plegen van strafbare feiten. Voor zover het hof tot de conclusie zou komen dat op enigerlei wijze sprake is van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften Vpb, is daarmee nog niet het oogmerk van de beweerdelijke organisatie gegeven, aldus de raadsman.

Het hof oordeelt anders en verwerpt het verweer. Zoals volgt uit de hierboven weergegeven algemene overwegingen wordt de voorwaarde van de criminele aard van het oogmerk vervuld zodra de werkzaamheden van het samenwerkingsverband - in elk geval mede - zijn gericht op het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat het samenwerkingsverband enkel een criminele doelstelling heeft, aangezien de organisatie naast het plegen van misdrijven ook een legaal doel kan nastreven. Het strafbare functioneren van de organisatie kan dus zeer wel zijn gericht op een combinatie van enerzijds legale verrichtingen, zoals de handel in winstvennootschappen en het verwerven van immateriële rechten, en anderzijds het plegen van misdrijven, zoals het doen van onjuiste Vpb-aangiften, valsheid in geschrift en de - kort gezegd - niet ambtelijke omkoping.

Daarbij hoeft het onderliggende motief, namelijk het onttrekken van geld aan de winstvennootschap, op zichzelf en los van de frauduleuze context niet strafbaar te zijn. Met juistheid heeft de raadsman van [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] aangevoerd dat een - naar het hof begrijpt: voor de koper - geslaagde transactie in een winstvennootschap waarbij de in die vennootschap opgebouwde winst wegvalt tegen de eerste afschrijvingen op en aanloopverliezen van ingebrachte activa, voor de Belastingdienst in elk geval een financieel nadeel in de vorm van uitstel van belastingheffing meebrengt. Hierbij wordt evenwel uit het oog verloren dat de dochtervennootschappen van Oxbridge het verwijt treft dat zij geen recht hadden op uitstel van belastingheffing doordat de hoogte en omvang van de afschrijvingen en boekverliezen gefingeerd waren. Niet het financiële nadeel van de fiscus maar het frauduleuze bewerkstelligen ervan constitueert in deze zaak strafbaarheid.

Het (economische) eigendom van Oxbridge

Bij verscheidene gelegenheden is er door de verdediging van [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6], [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] op gewezen dat betrokkene noch eigenaar, aandeelhouder, noch economisch of fiduciair eigenaar van Oxbridge is, en dat hij dus niet behoort tot de gestelde "Oxbridge-organisatie".

Een verweer van deze strekking kan echter niet leiden tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.

De verdachten wordt ieder voor zich onder 1 immers niet verweten 'beneficial owner' of zelfs aandeelhouder van Oxbridge te zijn. Het verwijt behelst dat zij met onder meer de vennootschap Oxbridge structureel en duurzaam hebben samengewerkt, en dat die samenwerking was gericht op het begaan van misdrijven.

Ook personen die in juridisch opzicht als intermediair, tussenpersoon, bemiddelaar, ‘broker’ of adviseur zijn betrokken bij de hier besproken transacties in winstvennootschappen zijn niet immuun voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Afhankelijk van de omvang en betekenis van hun bijdrage, en hun kennis van de toedracht (in onvoorwaardelijke zin) kunnen zij onder omstandigheden worden aangemerkt als deelnemer aan een samenwerkingsverband dat is gericht op het plegen van misdrijven.

Hoofdstuk 2

DE BUITENLANDSE VERDACHTEN

Onderdeel 1: Meer in het bijzonder [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6]

Het standpunt van [naam medeverdachte 3] laat zich als volgt samenvatten. [naam medeverdachte 3] heeft weliswaar Oxbridge bestuurd en hij heeft zich zowel bezig gehouden met de aanschaf van winstvennootschappen als met de immateriële activa, maar hij leefde in de – door adviseurs gevoede - veronderstelling dat de toegepaste fiscale constructie legaal was. Bovendien waren de immateriële activa waardevol en was hij voornemens tot de exploitatie daarvan over te gaan. Helaas is het zover nooit gekomen, aldus [naam medeverdachte 3].

Het standpunt van [naam medeverdachte 5] houdt kort samengevat in dat hij slechts is opgetreden als ‘broker’ die telkens Oxbridge/[naam medeverdachte 3] in contact heeft gebracht met een relevante wederpartij. Hiervoor ontving hij een commissie ter hoogte van ongeveer 3% van de winst vóór belastingen van iedere winstvennootschap. Hij is ervan uitgegaan dat Oxbridge een kapitaalkrachtige onderneming dreef. Achter Oxbridge zouden vermogende Amerikanen schuilgaan. Met de exploitatie van immateriële activa en meer in het algemeen met het doen en laten van Oxbridge had hij geen bemoeienis.

Het standpunt van [naam medeverdachte 6] behelst kort samengevat dat hij van Oxbridge commissie heeft ontvangen telkens zodra er een transactie in een winstvennootschap was afgerond. De reden daarvoor was dat hij in de begintijd wat contacten had gelegd en voorts zo nu en dan wat klusjes voor [naam medeverdachte 3] deed. Met de exploitatie van immateriële activa had hij geen bemoeienis. Naar [naam medeverdachte 6]’ beste weten was Oxbridge een zeer vermogende beleggingsinstelling.

Hieronder zal het hof motiveren op welke gronden het hof aan deze verklaringen geen geloof hecht. ’s Hofs oordeel dienaangaande is niet gebaseerd op de inhoud van één enkel document of één enkele verklaring van wie dan ook, maar is tot stand gekomen na een beschouwing en waardering van alle in dit arrest besproken documenten en verklaringen in onderling verband en samenhang bezien. Ten slotte zal het hof aandacht besteden aan die passages in de verklaringen van [naam medeverdachte 3] die het hof voldoende betrouwbaar acht, gestaafd door hierna te bespreken feiten en omstandigheden, en relevant voor het bewijs van het tenlastegelegde.

Het hof wijst in de eerste plaats uitdrukkelijk naar hetgeen hiervoor is weergegeven in de algemene bewijsoverwegingen. Hieronder komen enkele onderwerpen thematisch aan de orde. De weerlegging van het standpunt van [naam medeverdachte 3] is reeds uitgebreid aan de orde gekomen in de algemene bewijsoverwegingen. Zijn verklaringen komen zoals gezegd aan het einde van dit onderdeel aan de orde. Thans zal het hof puntsgewijs meer aandacht besteden aan de rol van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6], met dien verstande dat substantiële passages eveneens van toepassing zijn op [naam medeverdachte 3].

Vergoedingen voor werkzaamheden

Wat betreft een aantal van de betalingen aan [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] leidt het hof uit de volgende documenten en verklaringen af dat deze werden gevoed uit hetgeen resteerde uit de opbrengst van een bepaalde transactie in een winstvennootschap, zulks ná aftrek van alle kosten en commissies, en dat het restant vervolgens onderling tussen [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] gelijkelijk werd verdeeld. Waar het de geldstroom betreft vond een en ander zo mogelijk (enigszins) versluierd plaats.

Een dergelijke gang van zaken bevestigt naar ’s hofs oordeel dat [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] (mede door [naam medeverdachte 3]) op tijdstippen in 1993 gezamenlijk werden beschouwd en behandeld als de eigenaren/begunstigden van het investeringsvehikel ‘Oxbridge’.

Het hof maakt melding van de volgende bewijsmiddelen.

a. Bijlage D/683 p.1 betreft een handgeschreven brief van 11 februari 1993 van een zekere Gareth, het hof begrijpt: Gareth [naam medeverdachte 6], waarin hij instructies aan Fiona Gottard van Volaw Trust geeft. Onder meer is te lezen:

“Then in future instructions for Micondale activities will come from me alone.

Mr [naam medeverdachte 5]’s activities will be conducted through ‘TRANSCEND’ and Mr. [naam medeverdachte 3]’s thro ‘MANTILLA’.”

b. Bij punt 3 van D/684, een handgeschreven stuk op briefpapier van Gareth [naam medeverdachte 6] gericht aan onder meer Fiona Gottard van Volaw Trust, gedateerd 4 januari (jaartal ontbreekt),

is te lezen:

“The £ 300,000 or whatever is left after costs should be equally divided between:

1. Micondale Ltd.

2. Mantilla Trading Ltd

3. …..

De laatste vermelding is onleesbaar geworden door de wijze van kopiëren van dit document. Dat Gareth [naam medeverdachte 6] als economisch eigenaar van Micondale Ltd. heeft te gelden zal in een ander onderdeel van deze bewijsoverwegingen nader worden onderbouwd.

c. Bijlage D/686 p.1 is een handgeschreven cijferopstelling, afkomstig van (zoals hieronder zal blijken) [naam medeverdachte 3] betreffende een verdeling van ƒ 1.000.000 samenhangende met de transactie op 11 maart 1993 in de winstvennootschap Boertien & Partners Adviesbureau voor Training en Organisatie BV (hierna: Boertien, naam nadien gewijzigd in: Computer Integration IV B.V.), en wel als volgt:

“ DFL 1.000.000

=======

54.000 R. Dangoor

55.500 D. Williams

87.500 G. [naam medeverdachte 6] (Raoul)

40.000 Raoul

46.000 D. Shook

50.000 Kanaken

25.000 Boertien

25.000 Anterra

10.000 Oxbridge

75.000 London office expenses

100.000 H. [naam medeverdachte 1]

144.000 B. [naam medeverdachte 5]

144.000 G. [naam medeverdachte 6]

144.000 F. [naam medeverdachte 3]

======

DFL 1.000.000 Total

Verder is te lezen:

The above does not account for the out of pocket expenses paid by the principles.

These expenses are approximately

G.T. £ 75.000

B.M. £ 25.000

F.R. £ 35.000

These expenses are recognised and will be paid out of the next available funds.“

In een ander handschrift zijn op deze cijferopstelling aantekeningen gemaakt:

achter “ 144.000 B. [naam medeverdachte 5]” staat vermeld: “ – Transend ”.

achter “ 144.000 F. [naam medeverdachte 3]” staat vermeld: “ – Mantilla ”.

Het hof merkt over dit document op dat de drie bedragen van telkens ƒ 144.000 een gelijke verdeling in drieën is van het restant van ƒ 1 miljoen na toedeling van geldsommen aan andere personen en instellingen. Vervolgens wordt in dit document melding gemaakt van de ‘out of pocket expenses paid by the principles’ (onderstreping hof), hetgeen naar ’s hofs oordeel niet anders kan worden begrepen dan dat [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] volgens de opsteller van dit document, [naam medeverdachte 3], begin 1993 als ‘principles’ werden aangemerkt, die naast hun aandeel in de winst ook recht hadden op vergoeding van onkosten.

d. [naam medeverdachte 3] heeft in zijn verklaring van 18 juni 2003 hierover het volgende verklaard in antwoord op tussen haakjes geplaatste vragen van de Fiod:

(Nadat hem is getoond een handgeschreven overzicht waarop onder meer te lezen: “144.000 F. [naam medeverdachte 3] – Mantilla” en pag 4 punt 6 waar een bijbehorende overboeking is te lezen ad 130.000 naar Mantilla, Nat West te Jersey, dit komt overeen met de vermelding van 130 op bladzijde 1 van dit stuk. (zie ook bijlage D/686 pagina 4) En hem gevraagd om commentaar?)

“Ook deze overboeking was bestemd voor mij. Ook deze betaling was een betaling aan mij als Oxbridge budget. Ik heb het geld dat naar Mantilla ging gebruikt. Ik was de enige die gemachtigd was voor Mantilla. U vraagt mij of deze 144.000 mijn deel was in de opbrengst van de Boertien transactie, maar ik vind het prettiger om het mijn “budget” uit de Boertien transactie te noemen.”

(Nadat hem is getoond een schrijven van Gareth [naam medeverdachte 6] aan Fiona Gottard van Volaw Trust te Jersey (zie ook D/683 pag 2) waarop te lezen bij punt 3 dat £ 300.000 verdeeld moet worden tussen Micondale Ltd, Mantilla Trading Ltd en vermoedelijk Transcend Ltd, en op pagina 2: “Please take the annual fee for these companies out of these funds.” Kennelijk worden de genoemde limited companies waaronder Mantilla en Micondale beheerd door Volaw Trust op Jersey, gezien het feit dat Volaw Trust de jaarlijkse fee factuur uit dit bedrag mag afboeken. En hem gevraagd om commentaar?)

“Ja ik heb zojuist verklaard dat Mantilla door Volaw trust beheerd werd. Ik neem aan dat Micondale werd beheerd door Volaw trust, maar dat weet ik niet zeker. Mantilla was een “plank company” dat bij Volaw is gekocht. Ik verklaarde ook al dat ik niet weet of er een bankrekening aan Mantilla was gekoppeld. Het kan zijn dat het via de algemene bankrekening van het trustkantoor liep. Voor zover ik mij herinner werd het geld dat binnenkwam op de Mantilla rekening grotendeels doorgeboekt naar mijn Oxbridge rekening op Bahama’s. Een deel werd, dacht ik ook aangewend om mijn huur van mijn appartement in Londen te betalen. Op dit moment bestaat Mantilla niet meer.”

(…)

(Nadat hem nogmaals is getoond bijlage D/686 pag 1 en gevraagd om commentaar op de opmerking: "expences paid by the principles (...)” en vervolgens “GT BM FR")

“(…). Het is duidelijk dat met GT Gareth [naam medeverdachte 6] bedoeld wordt, met BM Björn [naam medeverdachte 5] en met FR mijn persoon. Dat stuk heb ik geschreven, maar het pondteken ervoor heb ik niet geschreven. Ik heb dit stuk geschreven. Ik herken mijn handschrift. Het grootste deel is door mij geschreven. Het gedeelte wat erbij geschreven is zoals Mantilla en Transcend heb ik niet geschreven. (…).

Ik denk dat ik met dit overzicht de verdeling van de Escrow-betaling van ƒ 1.000.000 bedoeld heb, maar ik kan het mij niet herinneren. (...).”

e. [naam medeverdachte 5] heeft over onder meer Transcend ter zitting van 28 april 2006 het volgende verklaard:

“U houdt mij voor dat u uit dit document (D/686) waarin achter mijn naam Transcend Investment vermeld staat, afleidt dat uiteindelijk 130.000 via Transcend aan mij is overgemaakt. Ik weet niet of aan Transcend of aan Dangoor is betaald. (…) Ik heb op een gegeven moment gezegd welke bedragen ik op welke rekeningen wilde ontvangen en ik heb [naam medeverdachte 3] een lijst gegeven. Hoe de betaling uiteindelijk heeft plaatsgevonden weet ik niet meer. Ik was niet verbaasd dat ik de naam Transcend op mijn bankafschriften tegenkwam als het bedrijf dat mijn fee aan mij overmaakte. Transcend was door mij opgericht en was een samenwerkingsverband met Dangoor.”

f. Bijlage D/687, p.2 betreft een handgeschreven cijferopstelling van (naar zal blijken) [naam medeverdachte 3] betreffende de verdeling van gelden na de transactie op 27 oktober 1993 in de winstvennootschap Interbaros. Het bedrag waarmee de cijferopstelling opent sluit exact aan op het bedrag aan liquide middelen van deze vennootschap voorafgaande aan de overname:

"DFL 16.443.432 cash at bank Interbaros at ABN

235.000 cash left in Interbaros

16.208.432 transferred from Interbaros to Oxbridge ABN

7.961.000 transferred from Ox ABN to Ox Hauckbank :

8.247.432 balance 7.100.000 loan amt.

213.000 fee

70.000 old fees

578.000 BM loan

7.961.000

DFL 1.408.365 BFT fee from Ox ABN to BFT

704.000 UK Securities from Ox ABN

23.000 MCB from Ox ABN (Brochures)

6.000.000 Transferred from Ox ABN to Ox BIL

DFL 112.067 Balance

Position as of 31 oct 93

Ox BIL 6.000.000

Ox ABN 112.000

AE ABN 10.000 (approx)

Interbaros 235.000

To be paid from 6.000.000 = $ 3.189.000

$ 374.070 704.000 Management fee

$ 74.833 140.836 Miami banking

$ 436.528 821.546 ICAG trustee

$ 187.000 352.091 XCO

$ 79.700 150.000 Kanaken / Boertien

$ 26.567 50.000 Penn expenses

$ 175.345 330.000 O/D BFT fee Boertien

$ 5.313 10.000 Riggs Bank fee

$ 38.257 72.000 S.D.

======= =======

$ 1.791.387 3.369.527

578.000 Advanced to Bjorn in S.D. transfer f 7.961.000

======= G.T. B.M.

3.947.527 / 3 = 1.315.842 1.315.842 737.842

$ 699,172 $ 699,172 $ 392.052

185.972 185.972

$ 885,144 $ 885,144

Dit document is exemplarisch voor ’s hofs eerder weergegeven conclusie. Van de liquide middelen van deze winstvennootschap worden in eerste instantie allerhande betalingen gedaan ter voldoening aan uiteenlopende verplichtingen. Het bedrag dat daarna resteert wordt precies in drieën gedeeld en komt toe aan – naar het hof begrijpt – Gareth [naam medeverdachte 6] (“G.T.”), [naam medeverdachte 3] (“..”) en Björn [naam medeverdachte 5] (“B.M.”). Omtrent het laatste bedrag valt op te merken dat [naam medeverdachte 5] ogenschijnlijk 578.000 tekort komt (1.315.842 -/- 737.842). Dit tekort laat zich eenvoudig verklaren doordat het bedrag van 578.000 klaarblijkelijk reeds eerder aan [naam medeverdachte 5] was gefourneerd (zie: “BM loan” en “advanced to Bjorn”).

g. [naam medeverdachte 3] heeft in zijn verklaring van 18 juni 2003 hierover en over de op de betalingsoverzichten aansluitende betalingsopdrachten die te lezen zijn op p. 3 e.v. van dezelfde bijlage D/687 het volgende verklaard in antwoord op tussen haakjes geplaatste vragen van de Fiod:

(Nadat hem is getoond bijlage D/687: pagina 1 en 2 betreft een handgeschreven stuk waarop een verdeling van vermoedelijk de Interbaros gelden is uitgeschreven. Op zitting van 10 maart 2003 verklaarde u dat deze stukken uw handschrift betreft. En hem gevraagd aan wie heeft u dit overzicht pagina 1 en 2 verstrekt? )

“Ik heb dit stuk geschreven, ik herken mijn handschrift. Ik heb dit stuk gemaakt. Ik maakte dit soms met [naam medeverdachte 4] op, maar ook wel alleen.

Het meest waarschijnlijke is dat ik dit stuk heb opgemaakt in het Krasnapolski office center. (…).(…)”

(Nadat hem is getoond pagina 3 tot en met 5 van D/687: een fax gericht aan Peter Widmer, Bank in Liechtenstein en ondertekend door Fay L. [naam medeverdachte 3]. En hem gevraagd heeft u dit faxbericht inderdaad aan Peter Widmer verzonden? Heeft u dit overzicht ook aan anderen verstrekt, zo ja aan wie?)

“Het faxbericht is mijn handschrift. Ik kan alleen maar zeggen dat dit soms meerdere keren gedaan moest worden, de fouten werden dan hersteld. Normaal gesproken zou ik het opschrijven, [naam medeverdachte 4] zou het controleren en ook de anderen zouden ernaar kunnen kijken. Eventueel werd het aangepast en dan werd het verzonden. (..). Deze fax geeft de opdracht aan Peter Widmer om de betalingen op pagina 1 en 2 van het overzicht uit te voeren. Ik weet niet meer of ik dit ook aan anderen heb verstrekt, zeker wel aan [naam medeverdachte 4]. Ik weet zeker dat [naam medeverdachte 4] altijd de betalingen controleerde. Ik weet niet meer waar ik deze fax heb geschreven, waarschijnlijk in Krasnapolski kantoor.”

h. Gareth [naam medeverdachte 6] heeft het bestaan van de betalingsoverzichten bevestigd:

“Er zal vast een overzicht zijn geweest van wie welk bedrag kreeg. Ik heb gezien dat Fay (hof: [naam medeverdachte 3]) en Joe (hof: [naam medeverdachte 4]) bezig waren een overzicht van betalingen uit te werken. (…).”

De gang van zaken rond de gelijke verdeling van de opbrengst van transacties in (een tweetal) winstvennootschappen in het jaar 1993 aan [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] verhoudt zich naar ’s hofs oordeel slecht met de stellingen van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6], dat hij, [naam medeverdachte 5], niets meer was dan een ‘broker’, onderscheidenlijk dat hij, [naam medeverdachte 6], enkel een beloning ontving voor zijn bemoeienissen bij voorgaande transacties c.q. het verrichten van ‘klusjes’ voor [naam medeverdachte 3].

Bovendien acht het hof voorgaande bewijsmiddelen een aanwijzing dat de toedracht rond de uitdeling van de opbrengst van transacties in andere dan de hier besproken winstvennootschappen, waaromtrent het dossier géén betalingsoverzichten bevat, analoog was in die zin dat [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 6] op voet van gelijkwaardigheid als ‘principles’ meedeelden in de transactiewinst.

Deze verdeellijsten vormen dus – mede - het bewijs van de wetenschap van [naam medeverdachte 3] dat de winstvennootschappen direct na aankoop vrijwel volledig werden ontdaan van hun liquide middelen en daarmee bewijs van zijn wetenschap van de kern van de gehele fraude. In zijn hieronder aan te halen verklaring V1/06, p. 5, bevestigt [naam medeverdachte 3] in de kern deze wijze van verdeling. In conclusie (vi) van ’s hofs algemene conclusies aangaande de werkwijze van Oxbridge (hoofdstuk 1) heeft het hof de hier bedoelde essentie van de door Oxbridge gehanteerde methodiek al in een kader geplaatst.

De ‘klusjes’ van [naam medeverdachte 6]

De toedeling van gelden aan [naam medeverdachte 6] wordt beter begrepen indien aandacht wordt besteed aan de aard van de werkzaamheden die [naam medeverdachte 6] ten behoeve van Oxbridge heeft verricht. Het hof laat een aantal documenten de revue passeren.

a. Bij ongedateerd memo van november 1992 aan Gareth [naam medeverdachte 6] / First Nordic Finance Ltd. schrijft adviseur R. van Dieren van Arthur Andersen onder meer:

“1) Before going ahead with the contemplated transaction you will need a firm opinion or even a letter of guarantee that the tax basis of the BV can be used. There is anti abuse legislation that may or may not apply.

2) The price for the tax basis (HFL 1,25 mio) is extremely high considering the potential timing advantage (HFL 2 mio).

3) There is potentially a civil law issue you have to check as you are using funds of the target co. to pay the purchase price.

4) There are no statutory rules on depreciation of (operational) leases. Straight line over economic lifetime is the starting point. If 31/12 is the legal book year, you have only one month to create losses.

5) A guarantee for hidden liabilities from a strong seller or a bank would be appropriate. You cannot know the history of this company.

Taking everything together this seems to me a deal that you should only pursue if: (...)

- adequate guarantees can be obtained and

- the price is substantially lowered.”

Kortom, [naam medeverdachte 6] had in de ogen van Van Dieren een essentiële rol in dit geheel. [naam medeverdachte 6] was in alle opzichten een gewaarschuwd man. Van Dieren wijst [naam medeverdachte 6] immers op de hoge prijs die Oxbridge betaalt voor de liquiditeiten van de winstvennootschap. Van Dieren maakt bovendien melding van het probleem dat de ‘upcount’ wordt betaald uit diezelfde liquide middelen van de winstvennootschap. Van Dierens kritische opmerkingen worden overigens volkomen genegeerd. Het hof komt daarop terug.

b. Bij brief van 18 januari 1993 benadert [naam medeverdachte 6] op briefpapier van First Nordic Finance mr. S. Mak van advocatenkantoor Boekel De Neree voor juridisch advies en het opmaken van documentatie ten behoeve van Anterra, Penn en Kanaken.

c. Bij brief van 16 februari 1993 verzoekt [naam medeverdachte 6] Van Dieren om als accountant van Anterra, Penn, Kanaken en Boertien op te treden.

d. Bij handgeschreven brief – klaarblijkelijk geschreven tijdens een verblijf in een Amsterdams hotel - van 18 februari 1993 voorziet [naam medeverdachte 6] Van Dieren van financiële informatie over Anterra en Kanaken.

e. Bij brief van 23 februari 1993 formuleert Van Dieren aan [naam medeverdachte 6] een aantal kritische vragen over Anterra en Penn.

f. In een schriftelijke reactie van 25 februari 1993 verschaft [naam medeverdachte 6] Van Dieren gedetailleerde informatie over Anterra, Penn en Kanaken. Over Kanaken schrijft [naam medeverdachte 6] :

“Kanaken bought during December the Sales and Marketing Rights for Europe and South America for the Prism Navigation Computer System. It incurred substantial costs as a result of financing this acquisition and therefore there will be no profit at the year end. Further it is expected that it will take the whole of 1993 to establish this system incurring further substantial costs. Thus again there will be no costs (het hof leest: profit).”

Over het geringe waarheidsgehalte van de twee laatste volzinnen komt het hof hieronder nog te spreken. Thans wordt volstaan met de opmerking dat het [naam medeverdachte 6] is die de accountant van Kanaken heeft geïnformeerd over de (hof: gefingeerde) kosten c.q. verliezen van Kanaken.

g. Van Dieren reageert bij brief van 26 februari 1993 aan [naam medeverdachte 6]. Kennelijk zal Van Dieren [naam medeverdachte 6] de volgende week in Nederland ontmoeten. Voorts waarschuwt Van Dieren [naam medeverdachte 6] voor kwesties rond de toepasselijkheid van artikel 20, lid 5 Vpb, waarvan met name die van de plaats waar de directie van de winstvennootschappen haar belangrijkste beslissingen neemt.

h. Op 8 maart 1993 schrijft [naam medeverdachte 6] aan Van Dieren:

“I will be back this week with Fay [naam medeverdachte 3] to complete another acquisition and will definitely take time out to make a courtesy visit to you. We have now established office presence for the acquired companies and for ourselves at the Krasnapulsky office centre (...).”

i. Bij brief van 19 maart 1993 doet Van Dieren aan [naam medeverdachte 6] een aantal ferme waarschuwingen.

“My understanding of the transactions is as follows. Oxbridge Ltd. acquires 100% of the shares of Dutch (passive) companies with a taxable basis in the year of acquisition. Almost immediately intangible assets are sold to the Dutchco’s. Depreciation charges and interest should wipe out the taxable basis that in principle creates a timing advantage. I take it that Mr. Ellis (Loyens & Volkmaars) has given his positive views (not a formal opinion) hereon but also that he has expressed such views cautiously as the intepretation of the relevant article 20 par 5 c.i.t. is subject to debate. In theory one can argue that under circumstances even carry back is possible but that is even more doubtful.

I took it that Oxbridge has paid 75% of current income over the equity value of the previous year. Where the tax rate is 36% in fact Oxbridge pays 75% -/- (100-/-36) = 11% for the timing. This is 11/36 = 30% for a timing advantage. In order to recover that the “interest free loan” from the government (36) should be interest free for at least 4-5 years depending on the current interest rate – to recoup the investment. That together with the risks that are always associated with tax driven schemes, suggests that paying 75% for the current income is too much.

There are other lines of attack than art. 20 par 5 that can be used by the tax authorities:

- They may attack the value of the intangibles that has been sold to the Dutchco’s if the purchases are directly or indirectly related.

- They may challenge the adopted depreciation period.

- When intangibles are purchased but not yet immediately licensed (so that royalties accrue) they may claim that depreciation cannot start before the intangible is put to use.”

Kortom, opnieuw blijkt [naam medeverdachte 6] een gewaarschuwd man te zijn. Dat [naam medeverdachte 6] deze waarschuwingen in de wind slaat, is niet omdat [naam medeverdachte 6] bereid is grote commerciële risico’s te nemen. Het hof leidt immers uit de in andere paragrafen weergegeven documenten en verklaringen af dat [naam medeverdachte 6] juist vanwege de mede door hem begane fraude - behoudens het risico op ontdekking ervan - vrijwel géén (ondernemers)risico liep.

j. Bij brief van 9 november 1993 op briefpapier van American Energy B.V. schrijft haar ‘managing director’ Fay [naam medeverdachte 3] aan David Williams:

“This is your authorisation to accept any and all instructions from Mr. Gareth [naam medeverdachte 6] on behalf of American Energy.”

k. Op 16 februari 1994 vindt een bijeenkomst plaats waarvan een verslag is opgemaakt door M. Slagt van Arthur Andersen . Hierbij waren naast Slagt en Van Dieren aanwezig: [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 6]. Onderwerp van bespreking zijn het compenseren van interestinkomen met een “snelle afschrijving”, alsmede een keuze voor een bepaalde afschrijvingsmethode, te weten ‘straight line’ dan wel ‘unit of production’. Een en ander heeft betrekking op de winstvennootschappen Anterra en Interbaros. Hoewel het hof wil aannemen dat de technische aspecten van verliescompensatie en afschrijvingsmethoden van de zijde van Oxbridge vooral zijn besproken door [naam medeverdachte 4] en niet door [naam medeverdachte 6], is [naam medeverdachte 6]’ aanwezigheid bij deze bespreking naar ’s hofs oordeel niet van betekenis ontbloot.

l. Het hof staat langer stil bij de al eerder besproken brief van de hand van [naam medeverdachte 6] op briefpapier van First Nordic Finance van 1 maart 1995 , gericht aan “Shaak Joling” van Perfect Partners. Deze vermeldt onder meer de deels al eerder geciteerde passage omtrent de waardering van de ‘Oil Leases’:

“On the oil leases, I have asked Fay for a typical lease for you to have on file. (Don’t worry, I won’t send you a copy of every lease.)

(...).

Say $37,000,000 or DFL 65,781,000 Book Valuation. $5 a barrel1 is a conservative price and a further 10% has been deducted so there would be no room for dispute. I have also informed Fay that you may need a letter of confirmation as to overall value at sometime in the future but that it is not absolutely necessary right now. I hope this is correct and how you see it.

With regard to the Chablis calamity, as promised I will send you an overview of this disastrous deal with as much back up paperwork as I can get together.

I am sure I can get copies of the cancelled loan notes to prove to you that there is no outstanding corporate liability and that the full and final settlement was $8 million by Anterra and $17 million by Penn.

(…).

As I remember it the agreed time table was as follows:

15th March – Anterra 1992 Annual accounts complete

15th April – Rentafix 1994 “ “ “

To follow all companies 1993 annual accounts.

If I have missed or misrepresented anything or you require additional information, please let us know.”

Uit deze brief kan worden afgeleid dat [naam medeverdachte 6]’ bijdrage een andere is dan door hem wordt voorgewend.

In de eerste plaats is de zin “On the oil leases, I have asked Fay for a typical lease for you to have on file” naar ‘s hofs oordeel veelbetekenend.

Het is van tweeën één. Vermogensbestanddelen van een vennootschap dienen als zodanig in de boeken van de vennootschap te worden geactiveerd onder de in hoofdstuk 1 (algemene bewijsoverwegingen) beschreven condities en voorwaarden (naar de waarde in het economische verkeer). Anderzijds mogen activa die niet tot het vermogen van een vennootschap behoren niet op de balans van die vennootschap worden opgevoerd.

Uit de besproken zin volgt rechtstreeks dat [naam medeverdachte 6] een wel zeer soepele omgang met deze voorschriften betracht. Hij heeft Fay [naam medeverdachte 3] klaarblijkelijk ten behoeve van de ‘files’ van Anterra verzocht om “a typical lease”, en wel – naar het hof begrijpt – een exemplaar dat voldoet aan de eis van voldoende afschrijvingspotentieel, ongeacht of het bestanddeel in het boekjaar waarover aangifte voor de vennootschapsbelasting moest worden gedaan daadwerkelijk tot het vermogen van Anterra behoorde.

Bovendien heeft [naam medeverdachte 6] nog wel meer ‘copies’ van ‘leases’ in voorraad die hij zo nodig kan gebruiken, naar het hof begrijpt om winsten te absorberen.

[naam medeverdachte 6], die niet bekend staat als deskundige op het terrein van de winning van olie, beredeneert vervolgens losjes de waarde van de verkozen ‘Oil Leases’, zonder ervan blijk te geven dat hij heeft nagegaan of de winning daadwerkelijk en economisch haalbaar was. Onder de algemene bewijsoverwegingen heeft het hof reeds als zijn oordeel te kennen gegeven dat daaraan in hoge mate mag worden getwijfeld.

[naam medeverdachte 6] geeft te kennen [naam medeverdachte 3] te hebben meegedeeld dat Joling in de toekomst een ‘letter of confirmation’ nodig heeft. Daaruit leidt het hof af dat [naam medeverdachte 6] meer activiteiten ontplooit dan het enkel doorgeven van de hem door [naam medeverdachte 3] ingefluisterde informatie. Er is sprake van wederkerigheid.

Hij geeft bovendien blijk te weten van de ‘disastrous deal’ met Chablis (‘Hard Paper’), die in werkelijkheid niets meer dan een farce was , en zegt toe Joling hieromtrent van documentatie te voorzien. Ten slotte bespreekt [naam medeverdachte 6] met Joling het tijdspad voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting van de (klein)dochtervennootschappen van Oxbridge.

Mocht Joling meer informatie nodig hebben: “please let us know” schrijft [naam medeverdachte 6] op briefpapier van Oxbridge.

m. Kort nadien, 7 maart 1995, schrijft [naam medeverdachte 6] twee brieven op briefpapier van Oxbridge, en wel aan Van Dieren en Joling . Klaarblijkelijk heeft Van Dieren hem geadviseerd om van de accountant van Oxbridge, Van der Bogt, afscheid te nemen. [naam medeverdachte 6] schrijft Van Dieren terug:

“If you are still of the opinion that we do not need Beheermaatschappij Delft B.V. then I will deal with Van der Bogt accordingly.”

Aan Joling Schrijft [naam medeverdachte 6]:

“Do you also agree that we do not need Beheermaatschappij Delft B.V.?”

De onderstreping is in beide gevallen door het hof. Daarmee wil het hof benadrukken dat [naam medeverdachte 6] in deze kwestie zelfstandig namens Oxbridge is opgetreden.

[naam medeverdachte 6] heeft hierover verklaard:

“Ik weet niet waar Van der Bogt vandaan kwam. Fay zal mij waarschijnlijk hebben gevraagd om dingen voor hem te regelen, vanwege de geografie. Het was voor mij gemakkelijker dan voor Fay. Ik deed alles om te helpen. Waarschijnlijk knapte ik het vuile werk van Fay op door Van der Bogt te ontslaan.”

Ook indien [naam medeverdachte 6] een en ander heeft gedaan in overleg of op verzoek van [naam medeverdachte 3], het ten behoeve van Oxbridge onderhouden van contacten met c.q. informeren van de onderscheidene boekhouders, accountants en/of adviseurs in Nederland, inclusief het beëindigen van de werkrelatie met één van hen, behelst naar ’s hofs oordeel meer dan een ‘klusje’.

n. Bij brief van 22 september 1995 heeft [naam medeverdachte 6] aan Sjaak Joling van Perfect Partners een selectie van documenten doen toekomen “on the ‘Chablis’ affair.” Hij vervolgt met onder meer:

“I am still waiting for the final copies of the release documents from “Chem-Tec”; when they are available I will forward them to you.”

Klaarblijkelijk is ‘the final settlement and release’ van 23 december 1992 bijna drie jaar later nog niet beschikbaar.

Voorts verwijst het hof naar eerder genoemde documenten:

o. De akte “dated effective” 28 oktober 1993 waarin de verkoop van de ‘Coal Production Payments I’ tussen Anterra en Interbaros is vastgelegd is door [naam medeverdachte 6] als “director” van Anterra ondertekend.

p. Uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering van Interbaros van 27 oktober 1993 blijkt dat o.a. [naam medeverdachte 6] tot directeur van de vennootschap vanaf het moment van overdracht van de aandelen aan Oxbridge is benoemd .

Op basis van voorgaande documenten alleen al houdt het hof voor onhoudbaar de stelling dat [naam medeverdachte 6] bij gelegenheid van iedere transactie in een winstvennootschap werd beloond voor de enkele werkzaamheden die hij in het begin van hun samenwerking voor [naam medeverdachte 3] zou hebben gedaan. Zijn werkzaamheden waren veel substantiëler. Hij is opgetreden als contactpersoon met de boekhouders van Perfect Partners, die mede tot taak hadden de jaarstukken samen te stellen op basis waarvan Vpb-aangiften van de in hoofdstuk 1 vermelde winstvennootschappen werden opgemaakt. Hij heeft de accountant van enkele winstvennootschappen van (hof: gefingeerde) informatie voorzien. Hij is als directeur van enkele winstvennootschappen opgetreden. Dat deze opsomming niet limitatief is zal hieronder blijken.

Juist is evenwel dat de rol van [naam medeverdachte 6] binnen de kaders van Oxbridge minder significant werd naarmate de tijd verstreek.

Nogmaals ‘Hard Paper’

Zoals hierboven reeds overwogen, hebben de twee eerste (in december 1992) door Oxbridge gekochte winstvennootschappen, Anterra en Penn, in hun aangiften Vpb over 1992 onder andere kosten ten laste van hun aangegeven belastbare winst gebracht wegens het annuleren van de verwerving van rechten op ‘Hard Paper’.

Ter herinnering, [naam medeverdachte 5] heeft over zijn rol met betrekking tot deze rechten zelf al het volgende verklaard:

"Ik heb [naam medeverdachte 3] en Raoul Kjellqvist aan elkaar voorgesteld. Ik ken Raoul sinds 1985. Ik (het hof leest: hij) was de grondlegger van Hard Paper. Ik kende de uitvinder, dat was al in 1980. De uitvinder heette Holmsted. Ik regelde een verkoop aan een Zweeds bedrijf in 1981. Het bedrijf werd later geliquideerd. Daarna verkocht ik de Hard Paper-rechten opnieuw aan een bedrijf dat ook geliquideerd werd. Maar geen van die bedrijven werd geliquideerd vanwege Hard Paper, dat gebeurde om andere redenen. Omstreeks 1988 regelde ik voor de derde keer de verkoop van het Hard Paper-project aan Chablis, een bedrijf dat werd vertegenwoordigd door Kjellqvist.

Ik wist dat Chablis de rechten van Hard Paper had en ik stelde Kjellqvist voor aan [naam medeverdachte 3] in Londen. Dat moet in oktober/november 1992 zijn geweest. Ik was aanwezig bij de eerste ontmoeting met [naam medeverdachte 3] en Kjellqvist. Daarna was er nog een aantal bijeenkomsten, waarbij ik niet aanwezig was. Ik dacht dat het een goede deal was voor [naam medeverdachte 3] en Oxbridge, dus stelde ik Kjellqvist voor aan [naam medeverdachte 3]. "

Op basis van het onderzoek uitgevoerd door de Zweedse belastingautoriteiten heeft het hof de conclusie getrokken dat in verschillendene landen patentaanvragen zijn gedaan inzake het ‘Hard Paper’-procedé. Geen enkele aanvraag is gehonoreerd. In 1992 hebben enkele experimenten plaatsgevonden met betrekking tot het product ‘Hard Paper’. Alle experimenten zijn echter mislukt. De uitvinding ‘Hard Paper’ heeft tot op heden niet in een product geresulteerd .

In aanmerking genomen de rol die [naam medeverdachte 5] heeft gehad in het arrangeren van transacties met betrekking tot ‘Hard Paper’ voorafgaande aan de deal tussen Oxbridge en Raoul Kjellqvist, alsmede de bekendheid van [naam medeverdachte 5] met de uitvinder (Holmstedt) en de rechthebbende (Kjellqvist) op ‘Hard Paper’, acht het hof uitgesloten dat [naam medeverdachte 5] geen enkele wetenschap had omtrent de betrekkelijk geringe waarde in het economische verkeer van de uitvinding ‘Hard Paper’. Wellicht zonder technische kennis omtrent het onderliggende procedé, maar niet zonder kennis over de gebruiksmogelijkheden en de (door het hof niet al te hoog ingeschatte) kansen op zakelijk succes kan een tussenpersoon in het bedrijfsleven trachten andere ondernemers te interesseren voor een dergelijk product. [naam medeverdachte 5] heeft hierover ter terechtzitting verklaard:

“Ik heb toen ook van toepassingen en experimenten met Hard Paper gehoord en de ontwikkeling van het product gevolgd. Hard Paper was water- en vuurvast. (…). Het was een product met potentie.”

Dat de enkele ‘potentie’ van een product (indien al aanwezig) i.c. niet zonder meer leidt tot een hoge waarde ervan in het economische verkeer, heeft het hof hierboven besproken. Deze uitlating van [naam medeverdachte 5] bevestigt in ieder geval dat hij zich had doen informeren over de (hof: achterblijvende) ontwikkeling van ‘Hard Paper’.

Het door Oxbridge c.s. toekennen van een waarde van $ 93.000.000 aan de immateriële rechten op dit procedé heeft het hof reeds als buitengewoon speculatief aangemerkt en niet in overeenstemming met de waarde in het economische verkeer. Dat [naam medeverdachte 5] van een buitensporige waardering van de ‘Hard Paper’-rechten op de hoogte was ontleent het hof aan [naam medeverdachte 5]s bemoeienissen met de ‘betaling’ van de afkoopsom van $ 25.000.000 aan Kjellqvist (Chablis/Chem-Tech), die zich niet laten begrijpen indien hij – aldus de lezing van [naam medeverdachte 5] – kort na het leggen van de eerste contacten tussen Kjellqvist en [naam medeverdachte 3] zou zijn teruggetreden. Aan die lezing hecht het hof geen geloof. [naam medeverdachte 5]s bemoeienissen met de betaling van de afkoopsom door Anterra en Penn hebben meer behelst dan enkel het fungeren als betaaladres van die afkoopsom. Zoals hiervoor in het subonderdeel over ‘Hard Paper’ overwogen is er van een werkelijke overdracht van $ 25 miljoen aan Kjellqvist geen sprake, en is zelfs een volmaakt kasrondje (in één dag) zichtbaar geworden tussen bankrekeningen van vennootschappen binnen het concern van Oxbridge en First Nordic Finance, alle aangehouden bij de Bank in Liechtenstein. Een en ander kan het hof enkel als frauduleus bestempelen. Dat [naam medeverdachte 5] daaraan als directeur van First Nordic Finance zijn volledige medewerking moet hebben verleend, leidt het hof onder meer af uit het volgende.

Over First Nordic Finance heeft [naam medeverdachte 5] verklaard ter zitting van dit hof:

“Ik was benificial owner van de vennootschappen Scan Securities Holding Limited, UK Securities en First Nordic Finance (FNF) en had uit dien hoofde ook zeggenschap.(…). UK Securities en FNF waren onafhankelijk maar ik beheerde beide vennootschappen. Ik was verantwoordelijk voor de activiteiten van de vennootschappen.”

Desgevraagd heeft [naam medeverdachte 5] over het ‘kasrondje’ opgemerkt in antwoord op de tussen haakjes geplaatste vraag van de Fiod:

(Toonden hem een kopie van een bankafschrift van de Bank in Liechtenstein van Oxbridge met daarop een bedrag van $ 28.000.000 van FNF aan Oxbridge en tegelijkertijd betalingen van Oxbridge aan Kanaken à $3.000.000, Penn en Anterra à $ 25.000.000. De $ 3.000.000 lijkt hetzelfde bedrag te zijn dat we zagen op D/59. Dus FNF betaalt Oxbridge en Oxbridge betaalt dezelfde bedragen terug aan FNF via de Nederlandse bedrijven Anterra, Penn en Kanaken.

Wij denken dat het enige doel van dit schema is om de belastingautoriteiten te laten zien dat de Nederlandse bedrijven geld hadden geleend van Oxbridge zodat zij Hard Paper en het honorarium van FNF konden betalen. Dus FNF ontving niet daadwerkelijk de $ 3 miljoen van Kanaken. FNF had echter niet de middelen om Oxbridge een bedrag van $ 28.000.000 te lenen en FNF meldde geen honorarium van $ 3.000.000 in haar inkomensverklaring over 1992, alleen een omzet van GBP 110.802 wordt vermeld, zie D/575. Tevens heeft geen van de Nederlandse bedrijven een BIL rekening hierna gebruikt. Dus stellen wij dat deze overboekingen niet echt zijn. Vroegen om zijn commentaar.)

“FNF heeft geen honorarium van USD 3 miljoen ontvangen, in die zin is uw stelling correct. Het geld werd betaald via FNF. Voorzover ik weet leent Oxbridge USD 28 miljoen van BIL om aan haar dochterondernemingen te lenen. U zegt dat het geld van FNF komt. Maar ik dacht dat Oxbridge het geld ontving van BIL. Vervolgens betaalde Oxbridge de bedragen aan haar dochterondernemingen en de dochterondernemingen betaalden het door aan FNF.

Het is een bankafschrift, maar het ziet er erg vreemd uit, want het geld kan niet van FNF komen. Ik weet alleen dat Oxbridge 28 miljoen heeft geleend. Agnoli heeft de lening geregeld.

FNF heeft geen geld geleend. Oxbridge heeft dat gedaan.

U heeft geconcludeerd dat er contante middelen werden rondgepompt, maar daar kan ik geen commentaar op leveren. Het afschrift van de BIL vind ik er vreemd uitzien.”

Omtrent een ‘lening’ van Oxbridge aan haar dochtervennootschappen Anterra en Penn heeft

Mark Agnoli, directeur van Scandinavian Finance Limited, desgevraagd als volgt verklaard naar aanleiding van facturen van 21 december 1992 en 23 december 1992 :

“Björn [naam medeverdachte 5] van First Nordic Finance heeft Oxbridge bij ons als klant geïntroduceerd.

Oxbridge had een lening nodig om een acquisitie in Nederland te financieren.

Scandinavian Finance Limited heeft Fay Lee [naam medeverdachte 3] vervolgens in contact gebracht met Peter Witmer van Bank in Liechtenstein, één van de banken waar wij mee werken.”

Naar ’s hofs oordeel is er omstreeks december 1992 géén lening ter hoogte van $ 28 miljoen door de Bank in Liechtenstein aan Oxbridge verstrekt, maar heeft louter een ‘kasrondje’ plaatsgehad. Tegen vergoeding heeft Agnoli [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] verwezen naar de Bank in Liechtenstein voor het – naar hun zeggen – verkrijgen van een lening ten behoeve van een acquisitie in Nederland. Gelet op de relevante data (de factuur Agnoli van 21 december 1992, de ‘betaling’ van een afkoopsom ‘Hard Paper’ kort na 24 december 1992 , en het kasrondje van 30 december 1992) moet hetgeen door [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 5] aan Agnoli is meegedeeld betrekking hebben op de ‘lening’ ten behoeve van uiteindelijk Anterra en Penn ter betaling van de afkoopsom aan Kjellqvist. [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] hadden in dit arrangement een substantiële rol, die hierna zal worden geduid. Voor zover het door [naam medeverdachte 5] verklaarde afwijkt van deze en hierna te melden gevolgtrekkingen hecht het hof daaraan geen geloof.

Het hof concludeert het volgende:

[naam medeverdachte 5] heeft het immaterieel activum (rechten op) ‘Hard Paper’ geïntroduceerd bij het investeringsvehikel (van hemzelf, [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 6]): Oxbridge. Hij wist dat het ‘Hard Paper’ in het economische verkeer hooguit een betrekkelijk geringe waarde had. Het tegendeel moest echter tegenover de fiscus zo nodig aannemelijk kunnen worden gemaakt. Oxbridge had onvoldoende financiële middelen om aan haar dochtervennootschappen Anterra en Penn een (schijn)lening te verstrekken. Een ‘kasrondje’ lost dit probleem op. Met de daarvoor geëigende bescheiden (in elk geval niet de hiervoor besproken bankafschriften) zou jegens de fiscus de indruk kunnen worden gewekt dat er werkelijk een miljoenenbedrag aan Kjellqvist was betaald.

De versluiering van het ware karakter van het ‘kasrondje’ vereist meer tussenstappen dan alleen een betaling over en weer. First Nordic Finance is er klaarblijkelijk om die reden tussen geschoven.

Anders dan [naam medeverdachte 5] heeft verklaard over zijn wetenschap van de vermogenstoestand van Oxbridge volgt hieruit dat hij wel degelijk wist dat Oxbridge niet kon beschikken over voldoende financiële middelen om aan haar dochtervennootschappen een reële lening dan wel een schijnlening te verstrekken. Bovendien heeft hij bijgedragen aan het arrangeren van het frauduleuze ‘kasrondje’ door ten behoeve van Oxbridge c.s. de banken Scandinavian Finance Limited en vervolgens de Bank in Liechtenstein te benaderen, en binnen het ‘kasrondje’ – door tussenkomst van de door hem beheerde vennootschap First Nordic Finance – te fungeren als doorgeefluik.

Een en ander ondersteunt de conclusie die het hof hiervoor heeft getrokken naar aanleiding van de geldsommen die [naam medeverdachte 5] heeft ontvangen in vervolg op de transacties in de winstvennootschappen Boertien en Interbaros, te weten dat [naam medeverdachte 5] niet als tussenpersoon ten behoeve van Oxbridge, maar als één van de drie – in de woorden van [naam medeverdachte 3] – “principles” van Oxbridge is opgetreden.

Wat betreft [naam medeverdachte 3] volgt hieruit dat hij op frauduleuze wijze een aftrekpost heeft gefingeerd die in de Vpb-aangifte van Penn daadwerkelijk als zodanig is opgevoerd .

Ook Gareth [naam medeverdachte 6] heeft nog enige bemoeienis gehad met de reconstructie van de voorstelling van zaken rond de afkoopsom aan Kjellqvist (Chablis/Chem-Tec). De al eerder besproken brief van zijn hand op briefpapier van First Nordic Finance van 1 maart 1995 , gericht aan “Shaak Joling” van Perfect Partners, vermeldt onder meer:

“With regard to the Chablis calamity, as promised I will send you an overview of this disastrous deal with as much back up paperwork as I can get together.”

Dat deze “disastrous deal” een farce heeft betroffen kan [naam medeverdachte 6] niet zijn ontgaan. Gelet op het nauwe samenwerkingsverband waarvan de stukken en ook de nog te bespreken verklaringen van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 6] blijk geven, acht het hof het ondenkbaar dat [naam medeverdachte 6] niet op de hoogte zou zijn van de ‘ins’ en ‘outs’ van een miljoenenverlies van een mede door hem bestuurd investeringsvehikel.

D/569

In verband met Kjellqvist en (mogelijk) ‘Hard Paper’ wijst het hof bovendien op het volgende document, te weten een fax van de hiervoor genoemde Raoul Kjellqvist aan Fay [naam medeverdachte 3] van 13 december 1994 . Daarin schrijft Kjellqvist onder meer:

“I also like to ask you to remember not to forget the old GBP 25.000. My new account nr. is (…).”

In het handschrift van Fay [naam medeverdachte 3] is op deze aan hem gerichte fax vermeld:

“Agreed with Björn & Gareth to pay GBP 15.000 19 dec 94”

Naar ’s hofs oordeel blijft in de lezingen van [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] onverklaard om welke reden [naam medeverdachte 3] hen beiden heeft willen betrekken in een beslissing over de hoogte van een (oude) vergoeding aan Kjellqvist. Het hof beschouwt deze aantekening van [naam medeverdachte 3] als een aanwijzing dat de rol van [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] meer inhield dan die van bemiddelaar, en dat zij in het kader van de activiteiten van Oxbridge op gelijke voet met [naam medeverdachte 3] beslissingen namen.

Voorfinanciering

Gebleken is dat de kosten van aanschaf van de winstvennootschappen door Oxbridge c.s. voorgefinancierd moesten worden met behulp van een lening die in vrijwel alle gevallen werd verstrekt door Salem Dangoor, door tussenkomst van zijn neef Robert Dangoor. Dangoor leende in die gevallen voor slechts enkele dagen een bedrag van enkele miljoenen uit aan Oxbridge, tegen een zeer hoge rente. De lening werd per saldo terugbetaald uit de liquide middelen die vrijkwamen uit de betreffende winstvennootschap.

Deze en hieronder te bespreken gevolgtrekkingen berusten op de volgende bewijsmiddelen.

a. Robert Dangoor heeft als getuige ten overstaan van de Fiod onder meer het volgende verklaard :

“Met betrekking tot de Oxbridge groep en zijn betrokkenheid bij de Oxbridge groep verklaarde hij dat Fay Lee [naam medeverdachte 3] geautoriseerd was om namens Oxbridge Investments Ltd zaken te doen en in 1992, via Björn [naam medeverdachte 5], in contact is gekomen met zijn oom met het verzoek een lening te arrangeren. Zijn oom woonde in die tijd in Zweden en is inmiddels overleden.

Zijn oom heeft sinds 1992 diverse malen op verzoek van Fay Lee [naam medeverdachte 3] een lening voor de Oxbridge groep gearrangeerd.

Naar aanleiding van deze verzoeken heeft zijn oom hem gevraagd er voor zorg te dragen dat de betreffende leningen door de Oxbridge groep terugbetaald werden. Hij heeft dit bewerkstelligd door telkens directeur van de aangekochte vennootschappen te worden en samen met Fay Lee [naam medeverdachte 3] tekeningsbevoegd te worden voor de bankrekening van Oxbridge Investments Ltd bij de ABN (de rekening waarop het leningbedrag werd overgemaakt) en de bankrekeningen van de aangekochte vennootschappen (vanwaar het leningbedrag inclusief de vergoeding weer terugbetaald werd). Dit laatste al dan niet door tussenkomst van de Oxbridge bankrekening bij de ABN. Naast het feit dat hij op vorenstaande wijze fysiek de terugbetaling van de leningen veiligstelde, verklaarde hij dat er tijdens de closing meetings persoonlijke garanties getekend werden door de heren Fay Lee [naam medeverdachte 3], Björn [naam medeverdachte 5] en Gareth [naam medeverdachte 6]; deze laatste mits aanwezig. Of deze heren daadwerkelijk in staat waren dergelijke persoonlijke garanties af te geven heeft hij nooit onderzocht. Het geld dat hen werd geleend was niet voor zijn rekening en risico.

Eén exemplaar van een leningsovereenkomst, te weten de leningsovereenkomst in het kader van de aankoop van Rentafixe NV, heeft hij als voorbeeld bewaard en meegenomen . Hij heeft verklaard dat de leningen allen afkomstig zijn van een rekening van Hauck Bank te Luxemburg en na gebruik door de Oxbridge groep weer op die rekening zijn teruggestort. Hij heeft geen wetenschap (bevoegdheden, dagafschriften) ten aanzien van deze rekening bij Hauck Bank te Luxemburg, behalve dat op de A-formulieren ter herkenning de omschrijving “account 113” moest worden meegegeven.

Informatie omtrent de deals, zo verklaarde hij, ontving hij, telkens telefonisch van zijn oom.

Hij heeft verklaard dat hij, zodra een lening was terugbetaald, aftrad als directeur van de aangekochte vennootschappen. Hiertoe zond hij een ontslagbrief naar de vennootschap.”

b. De ‘Loan Agreement’ van 14 november 1994 betreft een onderhandse akte waarin een overeenkomst van lening is vastgelegd tussen Robert Dangoor, als geldverstrekker, en Oxbridge, als de lenende partij, vertegenwoordigd door [naam medeverdachte 3]. Het geleende bedrag is ƒ 4,3 miljoen, hetwelk volgens de overeenkomst een dag later zal moeten worden terugbetaald tegelijk met een vergoeding van ƒ 129.000 . De geleende som zal worden aangewend voor de aankoop van aandelen in Rentafixe. Voorts vermeldt deze akte:

“The Borrower agrees that the Lender will be appointed a director of Rentafix BV for the sole purpose of the financial transaction to ensure that the loan is repaid and the Lender has no other involvement in the transaction.

The repayment of this loan to the Lender is secured by personal, irrevocable and unconditional guarantees by Mr. Fay Lee [naam medeverdachte 3] of (hof: adres), Mr. Gareth [naam medeverdachte 6] of (hof: adres), and Mr. Bjorn Olof Peter [naam medeverdachte 5] of (hof: adres).(…).

We hereby guarantee the repayment of the above loan irrevocably and unconditionally.”

De akte is ondertekend door [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5].

Op 15 november 1994 is Rentafixe door VDK verkocht aan het Oxbridge concern .

In deze leenovereenkomst is dus bedongen

(i). dat een miljoenenbedrag wordt uitgeleend en een dag later wordt terugbetaald, te weten de dag van verkoop aan Oxbridge van de aandelen in de winstvennootschap Rentafixe,

(ii). dat daartoe een rentevergoeding en managementfee moet worden opgebracht ter hoogte van 3% van het voor één dag uitstaande bedrag,

(iii). dat ter zekerheid voor de terugbetaling van dat bedrag Robert Dangoor (kortstondig) wordt benoemd tot directeur van de winstvennootschap, en

(iv). dat Russel, [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] zich persoonlijk garant stellen voor de terugbetaling van de lening.

c. Het dossier bevat geen andere aktes van leenovereenkomsten van Dangoor aan Oxbridge dan de hiervoor geciteerde. Het dossier bevat daarentegen wel documenten waaruit kan worden afgeleid dat Dangoor de volgende transacties van Oxbridge in Nederlandse winstvennootschappen heeft voorgefinancierd, (in dat kader) als directeur van de betreffende winstvennootschap is opgetreden en/of tekeningsbevoegd was voor de bankrekening van moedermaatschappij Oxbridge. Desgevraagd heeft Dangoor – kort samengevat - verklaard dat hem bij zijn verhoor voorgehouden stukken telkens (de terugbetaling van) een lening moeten hebben betroffen .

Het hof maakt melding van de volgende bescheiden:

Anterra en Penn:

- D/46: notulen van de aandeelhoudersvergadering van Anterra d.d. 9 december 1992, waarin wordt besloten om o.a. R. Dangoor tot “manager” te benoemen;

- D/54-31: notulen van de vergadering van de raad van bestuur van zowel Anterra als Penn van 9 december 1992, waarbij o.a. aanwezig is (en heeft ondertekend): R. Dangoor;

- D/61: opdracht tot betaling (formulier A) d.d. 9 december 1992 van ƒ 6,4 miljoen, ondertekend door [naam medeverdachte 3] namens Anterra, met als begunstigde: “Hauck Bankers Luxembourg” en “Attn. Mr. Dangoor”;

Boertien:

- D/62: opdracht tot betaling (formulier A) d.d. 5 maart 1993 van ƒ 3,7 miljoen, ondertekend door [naam medeverdachte 3] èn R. Dangoor, beiden namens Oxbridge, met als begunstigde “Hauck Banquiers Luxembourg”, onder vermelding van “acc 113”;

Interbaros:

- D/304–3: opdracht tot betaling (formulier A) d.d. 27 oktober 1993 van ƒ 7.961.000, ondertekend door [naam medeverdachte 3] èn R. Dangoor, beiden namens Oxbridge, met als begunstigde “Hauck Banquiers Luxembourg, onder vermelding van “ref no. 113”;

- D/304-1 en D/304-2: betalingsopdrachten van R. Dangoor d.d. 21 oktober 1993 en 25 oktober 1993 tot het overschrijven van bedragen van in totaal ƒ 7.100.000 aan Oxbridge;

Rentafixe:

- D/116: notulen aandeelhoudersvergadering Rentafixe van 15 november 1994, waarin wordt besloten om o.a. R. Dangoor te benoemen tot ‘managing director’ van Rentafixe;

- D/304-6: bankafschrift d.d. 15 november 1994 betreffende de bankrekening van Oxbridge met hierop een swiftspoedopdracht ter betaling van ƒ 4.429.000 aan Hauck Banquiers Luxembourg onder vermelding “ref 113”;

Egg:

- D/304-7: bankafschriften van 31 augustus 1995 betreffende de bankrekening van Oxbridge met hierop swiftspoedopdrachten ter betaling van ƒ 11 miljoen en (na aftrek van ƒ 170 aan kosten) ƒ 3,5 miljoen aan Hauck Banquiers Luxembourg onder vermelding “refno 113”;

- D/304-8 (boven): bankafschrift van 31 augustus 1995 betreffende de overschrijving van een bedrag van ƒ 14 miljoen naar de bankrekening van Oxbridge en afkomstig van (via Kredietbank Rotterdam) Robert Philip Dangoor.

Voorgaande bescheiden staven naar ’s hofs oordeel de verklaring van R. Dangoor dat bij gelegenheid van alle transacties in de aandelen van de hiervoor genoemde winstvennootschappen niet alleen het verstrekken van dagleningen een repeterend karakter droeg, maar ook de verkrijging van de hier genoemde zekerheden, te weten (i) de kortstondige aanstelling tot directeur en (ii) de garantstelling in persoon door [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] (de laatste indien aanwezig bij de ‘closing’).

d. David Williams heeft over de voorfinancieringen het volgende verklaard :

“Ik weet dat er twee financiers van Oxbridge waren: Peter Widmer en Salem Dangoor.

(…). De eerste financier van Oxbridge was Salem Dangoor. (…). Oxbridge moest enorme bedragen aan rente betalen. Zijn neef, Robert Dangoor, was de contactpersoon met Oxbridge, [naam medeverdachte 5] introduceerde Dangoor bij de Oxbridge groep.”

e. [naam medeverdachte 5] heeft over de financiering onder meer verklaard:

“Men vroeg mij de financiering voor de voorgenomen deals te regelen. Ik regelde de financiën via een vriend van mij, de heer Selim Dangoor, die een ingang heeft bij een Irakees consortium beschikkend over uitgebreide middelen voor overnames.”

"Ik weet dat de rentevergoeding erg hoog was.”

f. [naam medeverdachte 6] heeft onder meer over de financiering verklaard:

“Ik weet dat Salim Dangoor een van de personen is die betrokken is bij UK en FNF. Dangoor leverde Oxbridge het geld om de Nederlandse firma’s te kopen.”

Voorgaande bewijsmiddelen brengen het hof tot de volgende overwegingen.

(i). Niet alleen [naam medeverdachte 3], maar ook [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] (indien aanwezig bij de ‘closing’) wisten dat voor de betaling van de volle koopsom voor de betreffende winstvennootschap door Oxbridge een zeer kortlopende lening werd afgesloten tegen een opmerkelijk hoge rente. [naam medeverdachte 5] en (in elk geval ten aanzien van de Rentafixe-transactie) [naam medeverdachte 6] hadden de leenovereenkomst(en) immers zelf mede ondertekend ten bewijze van hun persoonlijke garantstelling.

(ii). Ook zonder enig zicht op de betalingstrajecten en bankoverschrijvingen moet het naast [naam medeverdachte 3] voor zowel [naam medeverdachte 5] als [naam medeverdachte 6] volstrekt helder zijn geweest dat de aflossing van de lening plaatsvond uit de liquide middelen die vrijkwamen na aankoop van de winstvennootschap. De dag van aankoop moest de uitstaande som (inclusief rentevergoeding en managementfee) immers weer worden terugbetaald . In die gevallen waarin [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] zich persoonlijk garant hadden gesteld voor de terugbetaling van de lening hadden zij - gelet op de omvang van het verschuldigde – er bovendien groot belang bij de te weten dat terugbetaling metterdaad had plaatsgevonden.

(iii). Nog daargelaten dat uiterst kapitaalkrachtige vennootschappen in de regel hun transacties niet voorfinancieren met peperdure dagleningen, laat een persoonlijke garantstelling van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] ten behoeve van Oxbridge zich niet begrijpen indien [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] ervan uit gingen dat Oxbridge een zeer kredietwaardige onderneming betrof die zelfstandig voldoende zekerheid bood.

(iv). Het voorgaande wordt nog klemmender in het licht van de stellingen van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] dat hun in deze geen andere rol moet worden toebedeeld dan die van de ‘broker’ of tussenpersoon, die (vrijwel) niets meer zou hebben gedaan dan “connecting people”. Een persoonlijke garantstelling door een zelfverklaarde intermediair ten behoeve van één contractspartij (Oxbridge) bij een mede door deze intermediair gearrangeerde transactie, laat zich alleen verklaren indien het voor deze intermediair duidelijk was dat de bewuste contractspartij (Oxbridge) geheel niet vermogend en kredietwaardig was, en de intermediair bij het slagen van de transactie bovendien meer belang had dan die van een gemiddelde tussenpersoon.

(v). Dat Dangoor de hier besproken zekerheden als leningsvoorwaarden stelde, duidt zijnerzijds op een gezonde dosis wantrouwen ten opzichte van Oxbridge, die ongepast zou zijn indien Oxbridge werkelijk een kapitaalkrachtige onderneming zou zijn geweest. Het beding om voor korte tijd tot directeur te worden benoemd teneinde terugbetaling van de lening veilig te stellen, gevoegd bij een persoonlijke garantstelling van (de) betrokkenen, wijst er onmiskenbaar op dat Oxbridge door Dangoor als onvoldoende kredietwaardig en betrouwbaar werd getaxeerd en dat Oxbridge zelf in zijn ogen onvoldoende zekerheid bood. De opmerking van Dangoor: “Ik was dankbaar dat het leningbedrag intact terugkwam”, is wat dit betreft veelzeggend.

In geval van persoonlijke garantstelling kan [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] deze bezorgdheid van de kant van Dangoor niet zijn ontgaan.

(vi). Al deze overwegingen gelden - het zij herhaald – wat betreft [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] ten aanzien van de transacties in de winstvennootschappen Anterra, Penn, Boertien, Interbaros, Rentafixe en Egg, en wat betreft [naam medeverdachte 6] minstgenomen ten aanzien van Rentafixe. De kenbaarheid van ieder gebrek aan kredietwaardigheid heeft, zo blijkt thans, voor in elk geval [naam medeverdachte 5] vrijwel nooit ontbroken. Hieronder zal het hof aandacht besteden aan [naam medeverdachte 3]s verklaring dat Oxbridge niets meer was dan een ‘plankvennootschap’ op de Bahama’s. Hier volstaat de overweging dat dit deel van de verklaring van [naam medeverdachte 3] ten volle wordt ondersteund door voorgaande bevindingen.

Aan het voorgaande ontleent het hof sterke aanwijzingen dat [naam medeverdachte 5] en een aanwijzing dat [naam medeverdachte 6] evenals [naam medeverdachte 3] wetenschap hadden van de geringe kredietwaardigheid van Oxbridge c.s.. Financiering van de aanschaf van de winstvennootschappen placht Oxbridge te doen met peperdure kortlopende leningen die werden terugbetaald uit de liquide middelen van de zojuist verworven vennootschap.

Bovendien volgt hieruit dat de betrokkenheid die [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] onbetwist van begin af aan bij Oxbridge hebben getoond veel verder is gegaan dan die van een enkele intermediair.

Kanaken Beheer B.V., de ‘Prism’-rechten en Micondale

Dat [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] (naast [naam medeverdachte 3]) meer hebben betekend voor het Oxbridge-concern komt naar ’s hofs oordeel naar voren indien hun werkzaamheden inzake Kanaken Beheer B.V. voor het voetlicht worden gebracht.

Op 23 december 1992 heeft Oxbridge de aandelen gekocht in de vennootschap Kanaken Beheer B.V. (na naamswijziging: Computer Integration B.V.). In deze vennootschap zijn als immateriële activa ingebracht distributierechten op het ‘Prism Navigation System’ . Dit behelst de door een zekere Roy Brown ontwikkelde software voor snelle communicatie tussen mainframes en pc's. Deze vermogensrechten zijn in de boekhouding van Kanaken over 1992 opgenomen voor een waarde van ƒ 140.000.000 en zij hebben over de laatste week van 1992 geleid tot een afschrijving ter hoogte van ƒ 613.698. Bovendien is voor de verwerving ervan en ter verkrijging van garanties commissie betaald aan First Nordic Finance .

Het proces-verbaal van verhoor van Michael Cleverley van 5 en 6 oktober 2000 bevat onder meer de volgende passages.

“Ja, hij vroeg mij of ik Prism kon waarderen. [naam medeverdachte 3] vroeg het hem en hij vroeg het mij. Met hem bedoel ik [naam medeverdachte 5]. Hij vroeg wat het waard kon zijn. Hij wilde dat onmiddellijk gedaan hebben. Dat was niet redelijk. Ik denk dat hij mij in oktober of november 1992 vroeg om een waardering van Prism te laten maken. Hij moest dat hebben voor het eind van het jaar.

Ik zei dat het een kolossaal werk was en dat het maanden zou duren om mensen te debriefen. Maar hij stond er op dat hij het voor het einde van 1992 zou hebben.

Ik zei dat het enige wat wij hem konden geven een zo’n goed mogelijke schatting was van wat het waard zou kunnen zijn, mits het in werkelijkheid ging doen van wat het in theorie verwacht werd te doen. Hij zei: “dat is voldoende”.

(…).

De heer Cleverley herhaalt dat het onmogelijk was een goede evaluatie van het systeem te maken in een paar weken en dat zij daarom een schatting hebben gemaakt op basis van de verwachting dat het zou doen wat er van verwacht werd en aan de hand van artikelen uit computerbladen die zij van Brown hadden ontvangen en die onderschreven wat hij vertelde.

(…).

In Londen heb ik Björn [naam medeverdachte 5] en Gareth [naam medeverdachte 6] ontmoet. Zij hebben het mij gevraagd en zij hebben mij betaald. Ik heb er overigens geen geld aan verdiend.

Als je namelijk top-deskundigen probeert te krijgen, die er twee weken aan moeten werken…..Als iemand het voor minder dan £ 5.000 doet is hij gek.

Vraag: In de brief vraagt u om £ 10.000. Heeft u het geld ontvangen en van wie?

Ik heb het geld ontvangen. Ik weet niet meer van wie. Van een van hen. Ik weet ook niet waar het vandaan kwam.

(…).

Vraag: Voor welke bedrag stond Prism op de balans?

Antwoord: Voor 140.000.000 gulden, voor zover ik mij herinner. Ik heb Fay gevraagd hoe dat werkte, waar dit over ging. Hij zei mij dat hij was geadviseerd door Arthur Andersen en Rien van Dieren dat op de “asset” afgeschreven kon worden om de belastingschuld van de vennootschap te verminderen, voor de 6 overblijvende dagen van het jaar 1992.

Vraag: Heeft Fay [naam medeverdachte 3] 140.000.000 gulden betaald aan Roy Brown of iemand anders?

Antwoord: Nee, maar Brown zou een substantieel bedrag krijgen, als de “asset” was gestegen naar de waarde die op de balans stond. Als Brown het geld gekregen zou hebben zou hij er veel aan verdiend hebben. Maar het was allemaal op basis van royalties. De deal met Brown was dat hij 100.000 vooruit kreeg en hij wilde ten minst 25.000 voor elk consultancy en een eeuwigdurende royalty daarna als de zaken zou gaan lopen. Een royalty met Prism is een jaarlijks iets dat loopt voor eeuwig.

Vraag: Waarop was de 140.000.000 gulden gebaseerd. Op de verkopen voor de komende 50 jaar of zo?

Antwoord: Op de prognose van de verkopen die met Prism behaald zouden worden.

Wij hadden een lijst gekregen met het aandeel in ieder land. Wat wij hebben gedaan is het aantal mainframesystemen nemen dat in een land bekend was en wij hebben berekend dat wij daarvan 2% zouden kunnen krijgen. Wij hebben dat geëxtrapoleerd over het aantal landen.

Vraag: De 140.000.000 was dus niet daadwerkelijk betaald maar een prognose van wat het waard zou kunnen zijn?

Antwoord: Ja.

Vraag: Dus u koopt een vennootschap met een schuld aan Micondale van 140.000.000 gulden en dat is geen probleem?

De heer Cleverley legt uit dat er geen probleem was want het terugbetalingschema was voor een aantal jaren. En op basis van de verkoopverwachtingen konden zij gemakkelijk de aflossingsverplichtingen nakomen. Er moest elke zes maanden een bepaald bedrag afgelost worden. Legt vervolgens weer uit waarom het niets geworden is omdat er geen werkkapitaal kwam en waarom dat werkkapitaal niet kwam.

Vraag: Dus aan het eind van het jaar had u een grote schuld aan Evans van Micondale maar u had geen geld. Hoe heeft u dat opgelost?

Antwoord: Ik heb tegen [naam medeverdachte 5] gezegd dat het aan hem was om aan die man te schrijven dat hij niet betaald zou worden totdat wij het werkkapitaal zouden ontvangen.

Hoewel ik die niet gezien heb meen ik dat er een briefwisseling tussen First Nordic Finance en Micondale op gang kwam om te zeggen dat zij er geen geld in zouden stoppen om die en die reden en dat daarom de eerste, tweede en derde aflossing niet gedaan zou worden. Het moest opgeschort worden totdat de vennootschap in staat was om te betalen.

Vraag: Wie is volgens u de eigenaar van Micondale?

Antwoord: Ik denk dat het iets te maken heeft met [naam medeverdachte 5].

Er was een te nauwe samenwerkingsverband, zoals het delen van kantoorruimte, om niet zo te zijn. Maar gezien mijn rol en positie maakte mij dat niet uit.

De ene was een superrijke Zweedse financier die 25 miljoen in de vennootschap zou stoppen en de ander was het bedrijf waaraan de “asset” was gegeven en die zei oké, ga en doe het. En voor mij was het een grote springplank om van de kleine p.c.-wereld in de mainframewereld te komen.

Vraag: Ziet u het plaatje nu voor u? Micondale koopt van Brown voor een vooruitbetaling en verder gebaseerd op de jaarlijkse verkopen, net zoals het contract met u.

En vervolgens verkoopt Micondale aan Kanaken voor 140 miljoen gulden. Ziet u het verschil?

Antwoord: Het is een geweldig verschil. Maar toen ik er naar vroeg, ik moet erbij zeggen als u mij vraagt naar de interne werking van elektronische en chemische onderdelen van computers dan kan ik dagen doorgaan, maar als u mij een balans toont, ik zit niet in dat soort werk, ik begrijp het niet. Ik heb natuurlijk gevraagd waar dat over ging maar zij spreken in termen dat het een afschrijvingsfactor was, wat mij niets zegt.

Vraag: Heeft u de akte van aandelenoverdracht (D/149 ) getekend?

Antwoord: Ja, dat is mijn handtekening en die is van Fay [naam medeverdachte 3]. Ik weet niet of Jarodd er bij was. Ik herinner hem mij niet.

Vraag: In de akte staat dat u als koper de verkoper 74 miljoen heeft betaald?

Antwoord: Hij heeft dat niet van mij ontvangen. Dit is een uit een serie van documenten die mij door Boekel de Neree zijn voorgelegd om te ondertekenen zodat het bedrijf van mij zou worden en dat heb ik ook gedaan.

Ik heb hier geen redelijk antwoord op maar ik kan u wel zeggen dat ik hem geen 74 miljoen gulden heb gegeven omdat ik geen 74 miljoen gulden heb.

Vraag: Wat heeft u betaald voor Kanaken?

Antwoord: Niets, ik heb het gekregen van Fay [naam medeverdachte 3].

(…).

Getoond: bijlage D/456, een brief van Cleverley op papier van Kanaken Beheer BV aan Rien van Dieren d.d. 18-3-1993.

Vraag: U ondertekent als managing director terwijl u dat pas bent geworden op 1 april 1993. Kunt u dat verklaren?

Antwoord: Ik had dit niet met de titel managing director moeten tekenen maar ik heb dit gekregen van Björn [naam medeverdachte 5]. Hij zei mij dat om het werkkapitaal te kunnen verkrijgen ik een brief aan Van Dieren moest schrijven om uit te leggen wat het product is. En ik had gezegd dat ik de vennootschap niet zou overnemen als er geen werkkapitaal was. Ik zeg nog eens wat ik altijd zei als er geen hoog werkkapitaal is komt het niet van de grond. [naam medeverdachte 5] zei dat om het werkkapitaal aan zijn directie voor te leggen ik een brief naar Rien van Dieren moest zenden waarin uitgelegd wordt wat Prism is. Dat staat ook in de brief. Deze brief is geschreven en door mij ondertekend –ik had misschien niet als managing director moeten tekenen- op het kantoor in Hillstreet 18 maart 1993.

Vraag: U was toen niet als managing director aangesteld?

Antwoord: Nee, dat is een fout van mijn kant. Ik had dat niet moeten doen. Maar zij zeiden dat dat de enige manier was waarop zij het werkkapitaal zouden verschaffen als Van Dieren verteld zou worden wat er in die brief staat.

Vraag: Heeft u de brief opgesteld?

Antwoord: Nee.

Vraag: Of was dat [naam medeverdachte 5]?

Antwoord: Ja.

Vervolgens ontstaat er wat discussie over de inhoud van de brief namelijk dat de kosten van de acquisitie 140.000.000 zijn. De promissory notes D/126 worden erbij gehaald.

De heer Cleverley heeft die niet getekend en er niets mee te maken, die waren er al voor dat de brief was verstuurd. Hij kent de heer Milne die in de notes wordt genoemd.

Hij heeft Andrew Milne ontmoet bij Rien van Dieren op kantoor, samen met Christopher Benbow. Zij zaten in dezelfde soort taxshellbusiness als de Zweden en als Fay nadat hij door de Zweden gevraagd was om mee te gaan doen.

Cleverley weet niet waarom Milne D/126 heeft getekend.

Vraag: In uw brief D/456 schrijft u dat “we obtained the services of FNF” ter verkrijging van een leningsfaciliteiten. De kosten daarvoor waren ruim 8 miljoen . Het lijkt er op dat u 8 miljoen moest betalen om 25 miljoen te kunnen lenen. Klopt dat?

Antwoord: Dat klopt. Maar ik heb niets betaald. Ik heb begrepen dat de 8 miljoen van de vennootschap betaald moest worden aan First Nordic en dat ik de vennootschap zou krijgen zonder de 8 miljoen dus zonder cash er in. Dat zou tegen die tijd verdwenen zijn.

Maar om de zaak te laten werken zou er 25 miljoen werkkapitaal in de vennootschap gepompt worden gedurende de eerste 18 maanden van haar bestaan.

Voorgelegd dat het wel een hele hoge rentevoet is om 25 miljoen te lenen tegen 8 miljoen rente.

Cleverley legt weer uit dat er minimaal 20 miljoen gulden nodig was om het bedrijf te laten werken. Met 8 miljoen zou dat niet lukken en zouden ze halverwege stranden. Hij heeft de 8 miljoen gulden niet betaald. Op de vraag wie dan wel verklaarde hij dat er destijds $ 3.000.000 aan First Nordic Finance is betaald. Dat is het geld dat aan First Nordic is betaald voor de lening. Hij is ook nog een rechtszaak gestart om dat terug te krijgen.

Vraag: Zie D/059. U heeft dit bankafschrift van First Nordic Finance destijds aan de Nederlandse belastingdienst verstrekt. Hoe komt u hieraan? Waarom en in wiens opdracht is er $ 3.000.000 betaald en wat is er verder mee geschied?

Antwoord: De heer Cleverley weet niet van wie het stuk kwam; volgens hem zat het bij de stukken die zijn terug gekomen van Van der Bogt. Hij had het zo aangetroffen en weet niet welke andere bedragen er op hebben gestaan. Hij weet niet waar het geld vandaan kwam maar veronderstelde dat het van de bankrekening van Kanaken bij de ABN AMRO bank afkwam.

Op basis van dit stuk heeft hij juridische actie ondernomen om de $ 3.000.000 terug te krijgen van First Nordic. In eerste instantie had hij het besproken met [naam medeverdachte 5]. Maar na ongeveer anderhalf jaar van excuses e.d. zei [naam medeverdachte 5] dat hij het geld niet terug zou geven en is Cleverley een juridische actie begonnen. Hij kwam er toen achter dat First Nordic Finance geliquideerd was en dat zij een straat verder weer opereerden onder de naam First Nordic Finance (Services) Ltd. Dezelfde leiding, dezelfde mensen maar een andere naam. Cleverley is daarmee naar de curator van First Nordic Finance gegaan. Die zou er naar kijken. De curator heeft daarover gecorrespondeerd met de Bank in Liechtenstein maar dat heeft niets opgeleverd.

Toen Cleverley tegen [naam medeverdachte 5] zei dat hij het geld terug wilde zei [naam medeverdachte 5] dat hij er niet voor aansprakelijk was omdat Cleverley niet voldaan had aan een aantal voorwaarden. En daarom had hij er geen werkkapitaal ingestoken. Daarop heeft Cleverley de $ 3.000.000 teruggevraagd.

[naam medeverdachte 5] ontkende niet dat hij het geld had ontvangen, maar hij wilde geen geld lenen en betaalde ook de 3 miljoen niet terug.

(…).

Vraag: Hoeveel programma’s heeft u verkocht?

Antwoord: Niet een.

Vraag: Of heeft Oxbridge programma’s verkocht?

Antwoord: Oxbridge heeft niet geprobeerd iets te verkopen. Oxbridge weet daar niets van. Tot dat ik het in april overnam was er niets gedaan aan de marketing van het product.”

Mede in het licht van hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de waardering van de in de algemene bewijsoverwegingen in extenso besproken immateriële activa, leidt het hof uit deze verklaring c.q. de onderliggende bescheiden het volgende af:

(i). [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] wensten tijdig - dat wil zeggen voor het einde van 1992 – te beschikken over een waardering van het ‘Prism Navigation System’.

(ii). De door hen verkregen waardering was enkel gebaseerd op extrapolatie en speculatie in de verwachting dat ‘het systeem deed wat het zou moeten doen’, hetgeen in de automatiseringsbranche geen vanzelfsprekendheid mag heten.

(iii). [naam medeverdachte 5] wist dat ook; het was ‘voldoende’.

(iv). Een waardering van ƒ 140 miljoen is vermeld in de Vpb-aangifte van Kanaken over 1992, evenals de commissie en de afschrijving op deze vermogensrechten ten laste van de belastbare winst over de laatste week van 1992.

(v). Door het Oxbridge-concern zijn in werkelijkheid geen omvangrijke bedragen voor de ‘Prism’-rechten betaald (doordat Cleverley geen werkkapitaal heeft ontvangen).

(vi). De distributierechten op het ‘Prism Navigation System’ zijn nimmer geëxploiteerd en door [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] is ook nimmer getracht zulks te bewerkstelligen. Iedere bemoeienis met het systeem zelf is door hen beëindigd nadat de inbreng van deze vermogensrechten voor Kanaken een verliespost tot stand had gebracht en haar voor de betaling van vennootschapsbelasting gereserveerde liquide middelen waren vrijgevallen.

De hierboven geciteerde passages uit de verklaring van Cleverley verdienen naar ’s hofs oordeel geloof omdat belangrijke onderdelen daarvan worden gestaafd door documenten en andere verklaringen.

Behalve door de boekhouding van Kanaken en de brief van 18 maart 1993 wordt de verklaring van Cleverley ondersteund door de akte van 23 december 1992 waarin een overeenkomst tussen Kanaken en First Nordic Finance Ltd. is vastgelegd. Bij deze overeenkomst heeft First Nordic Finance zich ten opzichte van Gables Investments Ltd verbonden financiële garanties te verstrekken aan Kanaken Beheer B.V., dit tegen vergoeding van een commissie van $ 5.000.000 te betalen door Kanaken. [naam medeverdachte 3] heeft getekend namens Kanaken, [naam medeverdachte 5] namens First Nordic Finance.

Uit een brief van 19 mei 1993 van David Williams van Paine Webber aan (naar het hof begrijpt) [naam medeverdachte 5] ontleent het hof overigens een aanwijzing dat [naam medeverdachte 5] een belang had in Gables Investments Ltd, aangezien hem bij die brief wordt meegedeeld dat “both, Oxbridge and Gables are holding 7,000 shs each of ” een vennootschap die gevestigd is op hetzelfde (werk)adres als [naam medeverdachte 5] en de door hem beheerde vennootschappen First Nordic Finance en UK Securities. Dergelijke financiële informatie zal door een bank als Paine Webber in de regel niet worden verstrekt aan niet belanghebbenden.

Dat Cleverley voor het arrangeren van een waardebepaling van de ‘Prism’-rechten £ 10.000 heeft ontvangen van [naam medeverdachte 6] of [naam medeverdachte 5], wordt erkend door [naam medeverdachte 6].

De verklaring van Cleverley wordt voorts ondersteund door de akte waarbij de ‘Prism’-rechten door de oorspronkelijke eigenaar, Roy Brown, aan Micondale Securities Ltd werden overgedragen . Dat er aan deze oorspronkelijke eigenaar van de ‘Prism’-rechten in verhouding tot het bedrag waarvoor zij op de balans van Kanaken werden gewaardeerd opvallend weinig is betaald, volgt namelijk ook uit deze ‘Distributor agreement’ van 28 juli 1992. Dit is een overeenkomst tussen een door Roy Brown vertegenwoordigde vennootschap en Micondale, waarin aan Micondale het exclusieve distributie- en licentierecht werd verleend voor Europa en Zuid-Amerika op de ‘Prism’-rechten, en wel voor een periode van 12 maanden, met mogelijkheid van verlenging. Voor de ‘Prism’-rechten doet Micondale een eerste aanbetaling van $100.000, i.e. 10% van de geschatte opbrengst gedurende de eerste twee jaar. Na die periode is Micondale een royalty verschuldigd van 10% van de gerealiseerde jaarlijkse opbrengst met een minimum van $100.000, aldus dit contract.

Hieronder zal het hof motiveren op welke gronden zijn oordeel berust dat Gareth [naam medeverdachte 6] beheersbevoegdheden had over het hier genoemde Micondale Securities Ltd. en Roy Brown derhalve de ‘Prism’-rechten voor een opvallend gering bedrag overdraagt aan een met Oxbridge gelieerde partij.

Het aandeel van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] in Kanaken en de ‘Prism Navigation System’ komt voorts nog aan de orde in de volgende documenten.

a. Het hof heeft al gewezen op een eerder bemoeienis van [naam medeverdachte 6]. Bij brief van 25 februari 1993 had [naam medeverdachte 6] aan Van Dieren over Kanaken en de verwerving van het ‘Prism Navigation System’ geschreven dat Kanaken:

“incurred substantial costs as a result of financing this acquisition and therefore there will be no profit at the year end. Further it is expected that it will take the whole of 1993 to establish this system incurring further substantial costs. Thus again there will be no costs (het hof leest: profit).”

b. Bij memoranda van 2 en 8 juli 1993 houdt Cleverley de geadresseerden [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 6] op de hoogte van zijn activiteiten inzake Kanaken en Boertien. Niets over de exploitatie van de ‘Prism’-rechten, alleen over het opstellen van contracten en het indienen van de belastingaangiften. Onder meer schrijft Cleverley:

“I understand a meeting is scheduled next week with Bjorn and Chris in Sardinia with Raoul to finalise license agreements and related assignments contained in the Ufaxit to Micondale set Gareth holds, extended to reflect the legal position which passes rights and title across to Boertien and Kanaken and back again.”

c. [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] en de ‘Prism’-rechten komen opnieuw tezamen in beeld in [naam medeverdachte 5]s brief van 25 september 1996 aan Joe [naam medeverdachte 4], met een kopie aan [naam medeverdachte 3]. Deze brief van [naam medeverdachte 5] is een reactie op een brief van Van Dieren van 18 september 1996. Uit de brief van [naam medeverdachte 5] blijkt dat hij en “Gareth” [naam medeverdachte 6] over ongeveer een week documenten moeten aanleveren bij Van Dieren. De gevraagde producties hebben betrekking op Kanaken (na naamswijziging geheten Computer Integration B.V., in deze brief afgekort tot “C.I. B.V.”) en de ‘Prism’-rechten.

In deze brief is te lezen dat door “the London office” o.a. bescheiden zullen worden vergaard waaruit zou moeten blijken dat Micondale (hof: de verkoper van de ‘Prism’-rechten aan Kanaken) “was a non-related party”, alsmede “support documentation that C.I. B.V. was carrying out a proper business between 1993 en 1995”.

Zowel het eerste als het laatste geeft zeer te denken en toont aan dat [naam medeverdachte 5] het gebruik van materieel valse documenten propageert:

(i). Micondale was namelijk wel degelijk gelieerd aan Oxbridge. Daarvoor is een aantal aanwijzingen.

Om te beginnen heeft Gareth [naam medeverdachte 6] verklaard voor Micondale “wat” werk te hebben gedaan .

Bij brief van [naam medeverdachte 6] van 23 december 1992, de dag waarop de aandelen in Kanaken werden gekocht door Oxbridge, geeft [naam medeverdachte 6] op briefpapier van Micondale Ltd. verscheidene betalingsopdrachten “on behalf of Micondale” aan o.a. Fiona Gottard van Volaw Trust .

Al eerder maakte het hof melding van het handgeschreven document van 11 februari 1993 van een zekere ‘Gareth’, het hof begrijpt: Gareth [naam medeverdachte 6], waarin hij aan diezelfde Fiona Gottard van Volaw Trust te kennen geeft:

“Then in future instructions for Micondale activities will come from me alone.”

Het hof leidt hieruit af dat Gareth [naam medeverdachte 6] in en omstreeks de periode waarin door Kanaken de ‘Prism’-rechten werden gekocht van Micondale over de laatstgenoemde vennootschap volledige zeggenschap had. [naam medeverdachte 3] is er zelfs heel duidelijk in: “Micondale belongs to [naam medeverdachte 6]”.

Dat Micondale een “non-related party” betrof, wordt in het bijzonder nog weerlegd door diezelfde hier besproken brief van [naam medeverdachte 5].

[naam medeverdachte 5] vraagt aan [naam medeverdachte 4] immers:

“Could you please draft a letter that will be issued by Micondale to C.I. B.V which will include the following.

a. Micondale will cancel the agreement of the 23rd December, 1992 between Micondale Securities and Kanaken Beheer B.V. stating that all the rights and titles to the (…) Prism System will be revert to Micondale Securities.

In consideration for the above Micondale will:

i. cancel the outstanding promissory note of £ 140 million plus interest.

ii. Pay the cash sum of NLG 750,000

iii. (…).

Gareth and I need to deliver all original documentation regarding point 1 – 8, no later than Wednesday next week, we would be grateful if you could make this your highest priority. (…).”

Met andere woorden, Micondale wordt door [naam medeverdachte 5] zonder beperking ingezet voor het construeren van een ‘papieren werkelijkheid’.

(ii). Dat Kanaken (onder de naam Computer Integration B.V.) tussen 1993 en 1995 “was carrying out a proper business” moet blijkens de verklaring van Cleverley wat betreft het ‘Prism Navigation System’ sterk worden gerelativeerd; er kwam immers geen werkkapitaal beschikbaar en er is geen programma verkocht, noch door hemzelf, noch door Oxbridge c.s.

d. [naam medeverdachte 4] reageert op [naam medeverdachte 5]s brief van 25 september 1996 en een daaropvolgend telefoongesprek bij faxbrief van 26 september 1996 aan [naam medeverdachte 5], met “cc” aan [naam medeverdachte 3]. “To summarize our conversation today I offer the following:”, waarna [naam medeverdachte 4] en opsomming geeft van een niet gering aantal betrekkelijk arbeidsintensieve werkzaamheden met betrekking tot Kanaken en Boertien die hij van [naam medeverdachte 5] verwacht en die kennelijk met hem zijn besproken.

In een Nederlandse vertaling luidt een aantal van deze afspraken als volgt:

2. Je zal morgen naar Amsterdam reizen om een ontmoeting te hebben met Charles van Veen om de boeken van Kanaken en Boertien te bekijken en de dossiers met hem te bespreken die je van plan bent te overhandigen aan Rien van Dieren.

3. Je zal op basis van de documentatie bepalen hoeveel betalingen en welke bedragen Boertien deed aan Kanaken voortvloeiend uit hun overeenkomst (ik heb een exemplaar van deze overeenkomst) en je zal ook bepalen of een “converteerbare schuldbrief” ter waarde van NLG 130 miljoen door Boertien aan Kanaken is geleverd. Het is belangrijk om dit te weten, want als er een betalingsovereenkomst bereikt is tussen Boertien en Micondale zal het waarschijnlijk ook Kanaken moeten betreffen, aangezien Kanaken waarschijnlijk nog wettelijk verbonden is aan de promesse van NGL 140 miljoen aan Micondale volgens hun oorspronkelijke overeenkomst.

4. Als ik bovenstaande informatie heb, zal ik een overeenkomst opstellen tussen Micondale, Kanaken en Boertien om het volgende vast te leggen. Micondale draagt het nieuwe software systeem over aan Boertien, de aandelen van de maatschappij op de Nederlandse Antillen die de Internoc aandelen houdt, cash en ontheft Kanaken en Boertien van de overeenkomst en de promesse ter waarde van NGL 140 miljoen. Kanaken ontheft Micondale onder de overeenkomst met Micondale, ontheft Boertin onder de overeenkomst met Boertien en ontheft Boertien m.b.t. de promesse indien die was uitgegeven. Boertien ontheft Kanaken en Micondale en draagt alle rechten onder beide overeenkomsten over aan Micondale in ruil voor de vergoeding en de hierboven vermelde ontheffing.

5. Je hebt genoemd dat Amerex veel diensten heeft uitgevoerd voor Boertien en dat een gedetailleerde analyse is opgesteld om deze diensten te staven, Amerex zal misschien Boertien willen factureren voor deze diensten. Zoals wij besproken hebben, betaalde Boertien aan Oxbridge NGL 4,1 miljoen in 1993, maar is er geen documentatie voor de betaling. Bovendien, als deze betaling was afgetrokken in de belastingopgave van 1993 met de rente en afschrijvingskosten zou er helemaal geen belasting verschuldigd zijn. Je dient deze betaling te gebruiken als de methode voor Boertien om betaald te hebben voor de Amerex diensten. Wij hebben waarschijnlijk een overeenkomst nodig tussen Oxbridge, Amerex en Boertien die bepaalt dat Boertien Oxbridge heeft betaald om Amerex in te huren en toe te zien op Amerex, en dat Amerex diensten zou verlenen aan Boertien en Oxbridge de rekening zou sturen. Oxbridge zou de diensten betalen uit de NGL 4,1 miljoen die Boertien aan Oxbridge had betaald. Ik kan ermee beginnen om deze overeenkomst ook op te stellen, en deze te voltooien als ik een volledig dossier in mijn bezit heb.

6. Wij moeten nog onderbouwen hoe waardevol het PRISM Systeem was in 1992 toen het werd aangekocht door Kanaken. Het feit dat het heden in waarde gedaald is, is niet zo relevant afgezien van dat er een verband bestaat met of onze evaluatie voor 1992 klopte. Fay heeft mij verteld dat er een waardebepaling is die wij kunnen gebruiken en dat die op het moment wordt bijgewerkt.

7. Bovendien heeft Kanaken NGL 9.121.300 aan commissie betaald in 1992. Dit was de methode die het kon afzetten tegen haar inkomen over 1992. Je zal moeten onderbouwen dat deze betalingen redelijk waren en legitiem gestaafd door waardevolle diensten geleverd aan Kanaken met betrekking tot het PRISM Systeem. Ik begrijp dat een deel van de vergoedingen betaald werd aan First Nordic als garantie voor de Micondale promesse, mocht dit zo zijn, dan moet je beslissen of First Nordic vrijgegeven wordt uit Micondale of niet. Als First Nordic de schuld van Micondale heeft gegarandeerd dan willen wij misschien First Nordic ook vrijgeven. Misschien kunnen wij ook First Nordic partij laten zijn bij de schikkingovereenkomst en verklaren dat het First Nordic was die de schikking heeft geregeld en dat de vergoeding voor de ontheffing van Micondale de diensten zijn die geleverd zijn in verband met de schikking die First Nordic heeft verstrekt.

8. Ten slotte moeten wij zorgvuldig zijn dat de schikkingovereenkomst vastlegt dat Micondale de verkoper de promesse vrijgeeft omdat het vermogensbestanddeel op het moment geen waarde heeft of haar waarde minder is dan het promessesaldo. Rien heeft mij uitgelegd dat volgens Nederlands fiscaal recht een overdracht van een vermogensbestanddeel terug naar de verkoper ter annulering van een promesse niet belastbaar is als het vermogensbestanddeel in waarde is gedaald. Aangezien Boertien afschrijving aanvaardde op het systeem in 1993 om een deel van haar inkomen tegen af te zetten, moeten wij de schikkingovereenkomst zo opstellen dat de verkoopprijs van het systeem niet een bedrag is dat hoger is dan de huidige boekwaarde van het systeem in Boertiens boeken. Op deze manier moet er niet een terugboeking zijn van de eerder aanvaarde afschrijving. Wij moeten hierover spreken met Rien nadat alle overeenkomsten in concept zijn opgesteld.

Het hof acht dit document bijzonder illustratief voor de rol van zowel [naam medeverdachte 4] als [naam medeverdachte 5]. Vier jaar na dato, op een moment dat Kanaken de opgelegde aanslag vennootschapsbelasting over 1992 bij de belastingrechter betwist , moet alsnog onderbouwing worden gevonden voor de zakelijkheid van de waardering van de ‘Prism’-rechten en moet [naam medeverdachte 5] de redelijkheid van de gemaakte kosten zien te staven. Opmerkelijk is dat [naam medeverdachte 5] met [naam medeverdachte 4] in overleg treedt over een last die juist voor een groot deel ten gunste van zijn eigen vennootschap zou zijn gekomen, namelijk de commissie van Kanaken aan First Nordic Finance.

Het hof heeft hierboven reeds overwogen dat de door Cleverley geregelde waardering weinig tot niets heeft voorgesteld. Van het bestaan van een andere waardering blijkt niet uit de verklaring van Cleverley. Klaarblijkelijk moet de door Cleverley gearrangeerde waardering vervolgens nog worden bijgewerkt.

Voorts is dit document exemplarisch voor de wijze waarop met contracten wordt omgegaan: die moeten ter staving van een bepaalde voorstelling van zaken alsnog worden opgesteld, ongetwijfeld “effective per”. Gelijke overwegingen gelden ten aanzien van de genoemde vennootschappen: niet alleen over Micondale, ook omtrent Kanaken, Boertien, First Nordic Finance en Amerex worden hier voorstellen gedaan c.q. beslissingen genomen die erop duiden dat Oxbridge volledige zeggenschap heeft en dat deze vennootschappen onbelemmerd kunnen dienen voor de construeren van een bepaalde voorstelling van zaken.

e. Bij memorandum van 4 oktober 1996 schrijft Charles van Veen, van boekhouders Perfect Partners, aan [naam medeverdachte 3] het volgende over de kwestie rond ‘Prism’-rechten en Kanaken en Boertien, hier afgekort tot “CI/CI IV”:

“I’ve talked to Björn [naam medeverdachte 5] this week after our meeting of last Friday, and I have the impression alot of documentation is now available to prove the existene of a real business for CI/CI IV. We also dug up payments to Micondale connected to PRISM. As far as I understand Björn will or has sent both to me and Arthur Andersen a complete file of which we will get starting the discussion with the tax authorities.”

Desgevraagd heeft Van Veen hierover verklaard:

“Mij werd door [naam medeverdachte 3] gevraagd om de aangiften voor Computer Integration te doen. Ik wilde dat wel maar had daar stukken voor nodig die er toen in onvoldoende mate waren. [naam medeverdachte 3] zei dat die er wel waren maar alleen nog naar mij moesten. Bjorn [naam medeverdachte 5], die mij op dat moment onbekend was, was erbij betrokken en hij zou nog stukken hebben. Er is toen een gesprek met [naam medeverdachte 5] op mijn kantoor geweest. Afgesproken is dat hij ons stukken zou doen toekomen hetgeen ook gebeurd is. (…).”

Opnieuw blijkt naar ’s hofs oordeel dat naast [naam medeverdachte 3] ook [naam medeverdachte 5] zich in elk geval wat betreft de ‘Prism’-rechten actief en intensief heeft bezig gehouden met de reconstructie achteraf om de zakelijkheid van de waardering van de ingebrachte rechten en de daarmee samenhangende betalingen te onderbouwen. [naam medeverdachte 5]s bijdrage hield veel meer in dan enkel dat van “connecting people”, hetgeen zijn verweer dat hij slechts bemiddelaar was bij het aanbrengen van de winstvennootschappen verregaand ondermijnt. Bovendien volgt uit Van Veens verklaring in afwijking van hetgeen [naam medeverdachte 5] daaromtrent ter zitting heeft verklaard dat hij, [naam medeverdachte 5], met het oog op de hier besproken kwestie wel degelijk in persoon ten kantore van Perfect Partners in Amsterdam is geweest.

f. Ten slotte informeert Michael Cleverley bij brief van 23 april 1998 de geadresseerden [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en Douglas Shook omtrent de voortgang met betrekking tot een Belgische vennootschap, American Energy Technology Belgium N.V. In lijn met ’s hofs hiervoor vermelde conclusies omtrent [naam medeverdachte 5]s (en [naam medeverdachte 3]s) betrokkenheid maakt Cleverley in die brief bovendien melding van de fiscale kwesties in Nederland .

“19. As you can see from the fax sent you earlier today, Rien van Dieren is pressing me to reply to his letter with the questions from the tax authorities in the Netherlands, which I passed to you guys for comment before committing myself. I need your response soonest please.”

Indien [naam medeverdachte 5] vrijwel alleen voor de totstandkoming van contacten heeft zorg gedragen blijft onverklaard om welke reden hij tot ‘the guys’ moet worden gerekend wier commentaar Cleverley afwacht alvorens zich opnieuw tot Van Dieren te wenden.

D/693

Dit document is een brief van [naam medeverdachte 5] van 28 september 1997 aan Fay [naam medeverdachte 3], “cc Gareth [naam medeverdachte 6]”. De brief bevat onder meer de volgende passages:

(…). I hereby attach a schedule of items, which I would like to discuss with yourself and Gareth .

1. Oxbridge Investments Ltd (American Energy BV Group)

What is the current situation between the Dutch tax inspector and the American Energy Group?

It is my understanding that Arthur Andersen are withdrawing as advisors to the group. I understand that Joe and Dough have had assurances from Loyens & Volkmaers, that they will takeover as advisors to the American Energy Group. It is my understanding that due to the fact that the Group are changing their tax advisor, that the Group are making an application to the Dutch Tax Inspectorate to be granted an extra 30 days to comply with the demands as set out in their letter (attached as appendix I).

Regarding the Oxbridge Group’s costs for the next 12 months, it is my understanding that the following schedule shows the main costs:

Description Amount in $ Date

Kentucky 100,000 31/12-97

Expenses (Dough) + other expenditures 150,000 1/9-97 – 30/8-98

Gold & Silver mines 25,000 31/12-97

Mexico Coal 250,000 1/12-97 to 30/11-98

Legal Costs (Dutch) 100,000 1/10-97 to 1/10-98

Legal Costs (Kentucky) 50,000 1/10-97 to 1/10-98

Selim Dangoor 75,000 1/8-97

LGT Bank 100,000 1/4-97

850,000

The following table shows the net cash position of the Oxbridge/American Energy Group, as at today’s date:

Description Amount in $

Cash (Oxbridge Group today) ?

Cash Contribution from Paul/Hans 300,000 ?

If the $ 300,000 contribution is paid into Oxbridge, will David receive a success fee? (David has succesfully concluded this transaction).

2. American Energy BV

I spoke with Dough a few days ago when he advised me, that the Audited Accounts for American Energy Plc will be ready within a few days. I hope that we will receive them during this week, so that we can start the whole process rolling. (attached as appendix II).

I would like to suggest that the following matters concerning American Energy Plc, should be discussed soon.

1. Dublin/Regus office centre –Link Service?

2. Stockholm/Regus Office Centre –Link Service?

3. Kentucky?

4. Bahamas?

5. Letterhead/Business cards?

6. Representative Office at South Street, London?

(...).

(..). However I will be back in London by Monday night, at which time I will call you to discuss the above points in more detail.”

Uit het voorgaande leidt het hof af dat [naam medeverdachte 5] en door zijn tussenkomst ook [naam medeverdachte 6] zich door [naam medeverdachte 3] nauwkeurig op de hoogte hebben laten stellen van de kosten die (het Nederlandse deel van) de Oxbridge-groep over de periode van september 1997 tot en met september 1998 tegemoet kon zien. Gelet op de ‘omschrijving’ hebben die kosten grotendeels betrekking op de immateriële activa die in de winstvennootschappen zijn ingebracht. De omvang van deze kosten zijn van een geheel andere orde van grootte dan die van de kosten die in de Vpb-aangiften van de onderscheidene winstvennootschappen zijn opgenomen. Voorts heeft [naam medeverdachte 5] met [naam medeverdachte 3] gesproken over de kaspositie van Oxbridge, waaromtrent op dat moment niet veel meer valt te melden dan dat Paul en Hans daaraan (mogelijk) zullen bijdragen voor een bedrag van $ 300.000.

[naam medeverdachte 5] heeft met [naam medeverdachte 3] gesproken over de verwikkelingen waarin Oxbridge met de Nederlandse Belastingdienst was betrokken. De verwijzing naar Appendix I is in zoverre treffend dat hieruit blijkt dat de Belastingdienst [naam medeverdachte 3] bij herhaling heeft gewezen op de noodzaak van onderbouwing van de waardering van immateriële activa. Appendix I is namelijk een faxbrief d.d. 22 september 1997 van rijksaccountant S. van der Meer namens de Belastingdienst/Grote Ondernemingen Den Haag aan American Energy B.V. / Fay [naam medeverdachte 3]. In die brief wordt een gesprek van 2 juli 1997 gerecapituleerd waarin [naam medeverdachte 3] heeft toegezegd de Belastingdienst te zullen voorzien van documenten met gedetailleerde informatie over immateriële activa. Vervolgens heeft [naam medeverdachte 3] deze brief klaarblijkelijk gefaxt aan [naam medeverdachte 5], met daarop handgeschreven :

“Björn,

call me

Fay”

Als Appendix II heeft [naam medeverdachte 5] aan zijn brief gehecht een “pro forma consolidated balance sheet” van een nog te activeren vennootschap American Energy Plc., die als bijlage was gehecht aan een brief van Douglas Shook aan Scania Land Plc. met als aanhef: “Gentlemen”.

De ‘papieren werkelijkheid’ die hiermee wordt gepresenteerd staat in schril contrast met de bedragen die op de bladzijden 1 en 2 van de brief van [naam medeverdachte 5] worden toegerekend aan Oxbridge c.s. Op deze “draft” van die balans figureren onder meer “Kentucky Coal Property” voor $ 375.000.000, een (achtergestelde) schuld aan Oxbridge ter hoogte van een gelijk bedrag, een “Lawsuit Claim” van $ 200.000.000, en “cash” voor $ 50.050.000. Die liquide middelen waren overigens naar later blijkt kortstondig uitgeleend door de Bank in Liechtenstein.

Naar ‘s hofs oordeel zijn bovenstaande passages uit deze brief met bijlagen van [naam medeverdachte 5] een sterke aanwijzing dat hij, [naam medeverdachte 5], tezamen met [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 6] als gelijkwaardige partijen zeggenschap hadden over ‘hun’ investeringsvehikel Oxbridge/Oxbridge Group, en dat dit vehikel slechts een onderdeel is van het geheel waarin hun samenwerking vorm heeft gekregen. In de rest van de brief wordt nog melding gemaakt van fiscaal gemotiveerde “deals” in landen als Zweden, België en Duitsland, waarvoor het strafdossier ook overigens verscheidene aanwijzingen bevat.

Volgens de raadsman van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] moet uit de inhoud van het hier besproken document een andere conclusie worden getrokken en moet [naam medeverdachte 5] ook blijkens deze brief worden gehouden voor een intermediair. [naam medeverdachte 5] plaatste immers juist overal vraagtekens bij en is dus nergens zeker van. Zo wist hij niet wat de liquiditeiten waren, hetgeen verbazingwekkend is indien hij zou mogen meebeslissen. Deze brief wijst er dus volgens mr. Pen op dat voor [naam medeverdachte 5] slechts een rol als adviseur was weggelegd.

Het hof deelt deze conclusie echter niet. Het is bepaald niet aannemelijk dat een bemiddelaar met de bestuurder van Oxbridge overleg pleegt over de kaspositie en over het lopende begrotingsjaar van het concern. De brief bevat onder meer de bewoordingen: “It is my understanding that the following schedule shows the main costs”, waarna een gedetailleerd overzicht volgt van de diverse kostenposten en de periode waarop deze uitgaven betrekking hebben. Dit betreft niet een open vraag van iemand die geen enkel inzicht zou hebben in kosten en liquiditeiten, zoals mr. Pen naar voren heeft gebracht. Integendeel, voor een bemiddelaar die zich alleen zou hebben bemoeid met de (voor)financiering en het afsluiten van transacties in winstvennootschappen, zoals [naam medeverdachte 5] zelf beweert, is het ongepast om überhaupt inzicht te willen hebben in de kostenstructuur van de Oxbridge-groep.

Daar blijft het niet bij. [naam medeverdachte 5] stelt voor om alle door hem behandelde onderwerpen (dus ook de kostenbegroting van Oxbridge en de huidige ‘cash’-positie) meer in detail te bespreken met hem, [naam medeverdachte 3], èn [naam medeverdachte 6]. Dat is beslist geen voorzichtige vraag van een vermeend bemiddelaar naar de actuele omvang van de liquide middelen van een miljoenenconcern. Het bewijst dat [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] op de hoogte werden gebracht van de uiterst bescheiden financiële toestand van de Oxbridge-groep en het bewijst dat ook [naam medeverdachte 6] een veel belangrijker positie bekleedde dan alleen die van behulpzame aangever: hij discussieert kennelijk op gelijk niveau met [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 3] mee over de toekomst van Oxbridge c.s.

Bovendien doet [naam medeverdachte 5] het concrete voorstel om David Williams zijn “success fee” te gunnen vanwege het bereikte resultaat met Hans [naam medeverdachte 1] en Paul [naam verdachte]. Een bemiddelaar heeft in het algemeen niet de taak om te overleggen over het al dan niet toekennen van een “success fee” aan een andere bemiddelaar.

Ook opmerkelijk zijn de onder 2 van deze brief besproken punten met betrekking tot American Energy Plc., te weten de te kiezen vestigingsplaats(en), “Representative Offices” en zelfs “business cards”. Een en ander valt immers volstrekt buiten de rol van een zuivere bemiddelaar.

Ten slotte laat zich in de lezing van de raadsman van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] niet verklaren om welke reden [naam medeverdachte 3] na ontvangst van de faxbrief van de Belastingdienst van 22 september 1997 (appendix I) over het gebrek aan onderbouwing van de waardering, inbreng en kosten van immateriële activa voor overleg in contact wenst te treden met [naam medeverdachte 5].

De stellingen van de raadsman van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] over de onderscheidene rollen die beiden moet worden toegedicht zijn in het licht van deze brief van [naam medeverdachte 5] hoogst onaannemelijk. Het moge evenwel duidelijk zijn dat ’s hofs andersluidende oordeel over hoe het aandeel van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] moet worden begrepen niet enkel berust op deze brief, maar op een veelheid van hierboven besproken omstandigheden die consequent leiden tot de conclusie dat de verweren van [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] op dit punt geen hout snijden.

Het hof kent – anders dan als betoogd door mr. Pen - aan deze brief van [naam medeverdachte 5] betekenis toe voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde deelnemen aan een criminele organisatie. De brief dient als bewijsmiddel voor het bestaan van een langdurig crimineel samenwerkingsverband tussen [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] dat zich inderdaad heeft uitgestrekt tot ná de periode waarin in Nederland transacties in winstvennootschappen werden verricht. De brief maakt duidelijk dat [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] hun fiscaal gemotiveerde activiteiten in andere landen dan Nederland wilden voortzetten, maar daarbij kwam [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] géén rol als ‘broker’ toe. Hun bijdragen vallen binnen de kaders van een gestructureerd samenwerkingsverband, dat tevens duurzaam blijkt te zijn.

Tussenconclusie ten aanzien van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6]

Nog onbesproken zijn gebleven de fiscale memoranda van de hand van [naam medeverdachte 4] gericht aan [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 6], en de zogeheten ‘letters of goodstanding’. Daarvan zal het hof melding maken in het onderdeel over [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3]. Deze overwegingen zijn evenwel voor zover relevant tevens van toepassing op [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6].

De in het voorgaande wél besproken documenten leiden naar ’s hofs oordeel tot de conclusie dat [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] op gelijkwaardig niveau hebben geparticipeerd in een samenwerkingsverband dat gebruik heeft gemaakt van het investeringsvehikel ‘Oxbridge c.s.’ Weliswaar vormde [naam medeverdachte 3] hierin de spil, die optrad als directeur van de winstvennootschappen en veel administratief werk aan zich had getrokken, maar de rol van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] kan niet als accessoir, afhankelijk en/of ondergeschikt worden aangemerkt. Zij waren in deze geen ‘broker’ of intermediair.

Voorts zijn uit voorgaande verklaringen en documenten in samenhang bezien sterke belastende aanwijzingen te putten tegen [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6]. Deze aanwijzingen hebben betrekking op wetenschap van (i) de geringe vermogenspositie en kredietwaardigheid van Oxbridge, (ii) het direct na aankoop wegvloeien van vrijwel het gehele bedrag van de in de aangekochte winstvennootschappen aanwezige liquide middelen, (iii) de toedeling van substantiële bedragen van deze liquide middelen aan henzelf, (iv) het uitblijven van exploitatie van immateriële rechten, (v) het opvoeren van gefingeerde lasten in de jaarstukken van de winstvennootschappen, (vi) het indienen van aangiften voor de Vpb ten name van deze vennootschappen.

Voor [naam medeverdachte 3] geldt een en ander in versterkte mate, nu hij gemachigd was tot de bankrekeningen van Oxbridge en haar (klein)dochtervennootschappen en namens deze vennootschappen tekende, en dus tot in detail op de hoogte was van de vermogenstoestand en financiële positie van Oxbridge en de door haar verworven (klein)dochtervennootschappen.

Aan de hand van verklaringen van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] zal hieronder nog blijken dat zij gedrieën het initiatief hebben genomen tot het aangaan van dit samenwerkingsverband. Dat heeft in zekere zin een historische achtergrond. [naam medeverdachte 6] heeft [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] met elkaar in contact gebracht.

Vervolgens is op enig moment [naam medeverdachte 4] in beeld gekomen.

Onderdeel 2: Meer in het bijzonder [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3]

[naam medeverdachte 4] is in deze strafzaak nimmer als verdachte en/of getuige gehoord. Weliswaar is in deze strafzaak getracht om hem te bewegen een verklaring af te leggen, maar hij bleek daartoe niet bereid en hij heeft zich beroepen op zijn geheimhoudingsplicht jegens zijn (voormalige) cliënt Oxbridge.

Het door zijn raadsman verwoorde standpunt van [naam medeverdachte 4] luidt dat hij, [naam medeverdachte 4], enkel is opgetreden als Amerikaans advocaat en adviseur van [naam medeverdachte 3]/Oxbridge. [naam medeverdachte 4] had geen kennis van Nederlands belastingrecht; daarvoor was Van Dieren ingeschakeld.

‘Letters of goodstanding’

Teneinde in de boeken van handelspartners als betrouwbare partij over te komen werden ‘letters of goodstanding’ opgesteld. Het hof zal drie van dergelijke brieven belichten.

Bij brief van 18 februari 1993 van David Williams, ‘senior vice president Caribbean’ van Paine Webber Incorporated schrijft Williams onder meer aan Frank Bracht, “c/o BFT Nederland B.V.” :

“I write this letter at the request of Oxbridge Investments Limited to provide comfort for the vendors in this instance.

Oxbridge Investments Limited is a Bahamian Corporation founded in 1986 and incorporated in the Bahamas in 1991, that acts as an investment trust and is owned completely independently of any financial institution. The company’s mandate is to meet the offshore banking, trust, corporate management, and investment needs of its shareholders.

To evaluate and assist in major acquisitions and investments the company has an established relationship with the International Private Investor division of Painewebber.

The trust invests in high quality securities from the world’s bond markets and global funds designed to capitalise on investment opportunities in foreign markets. These investments in securities and funds are balanced by direct investment and ownership of corporations operating in specific locations and business disciplines.

It is our understanding that Oxbridge will acquire the above as its vehicle to promote its “Satellite Traffic Computer Monitoring System” throughout Europe.

It is understood that a contingent tax liability exists within the company of some DFL 14 million. We are given assurance that should this liability not be reduced Oxbridge will pay off this sum in full. Oxbridge is a long standing and respected client of this company, and has always fulfilled its obligations.

I have personally know Fay [naam medeverdachte 3] for over nine years and I have carried out the standard due diligence investigation into the company.

I am reliably informed that no officer, director or shareholder has been involved in a bankruptcy or charged in any criminal offense. (…).”

Hieronder zal het hof aan de hand van de verklaringen van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 6] vaststellen dat Oxbridge niets meer was dan een vennootschap die door [naam medeverdachte 3] (en [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5]) in 1992 bij een trustkantoor op de Bahama’s van de plank is gehaald. Van de liquide middelen die Oxbridge door de aankoop van winstvennootschappen in 1992 binnenhaalde bleef vrijwel niets over. Aldus bezien is de inhoud van de hiervoor geciteerde brief volstrekt bezijden de waarheid en hoogst misleidend. De aandelen van Oxbridge werden waarschijnlijk gehouden door het trustkantoor op de Bahama’s. [naam medeverdachte 3] en de zijnen mochten met Oxbridge aan de slag. Er waren dus geen kapitaalkrachtige investeerders aandeelhouder van Oxbridge. Oxbridge had niet het vermogen om omvangrijke fondsen aan te schaffen en bezat deze ook niet.

Bovendien kan uit deze brief worden afgeleid dat de opsteller ervan zeer wel besefte dat het geen uitgemaakte zaak was dat de materiële belastingschuld van de winstvennootschap (de “company”) zou komen te vervallen na de overname door Oxbridge en inbreng van activa.

David Williams verklaarde over het schrijven van ‘Letters of goodstanding’:

“Fay [naam medeverdachte 3] wilde dat ik aanbevelingsbrieven of brieven ter bevestiging van de goede reputatie betreffende [naam medeverdachte 3] en Oxbridge verzorgde. ABN/AMRO vroeg aan Oxbridge om referentiebrieven te verzorgen ten behoeve van de dossiers van Serge [naam medeverdachte 2]. (...).

Mijn taak bestond uit het opstellen van aanbevelingsbrieven. Fay dicteerde de inhoud van deze brieven aan mij, en voorzag mij van de namen en adressen waar deze brieven heen gezonden moesten worden. (…). Mij vroegen ze om referentiebrieven te schrijven op briefpapier van Prudential.”

Over document D/512 verklaarde Williams:

“Ik herinner mij deze brief, deze brief werd gedicteerd door [naam medeverdachte 3]. Ik weet niet wat er in staat. Ik kende Fay inderdaad enkele jaren. Ik had geen reden om aan Oxbridge te twijfelen. Ik weet niets over de belasting verplichtingen van Oxbridge. De informatie in deze brief ontving ik van Fay. De handtekening lijkt op die van mij. Ik schreef deze brief om [naam medeverdachte 3] te helpen, om hem een aanbeveling en reputatie te geven, hoewel ik niets afwist van Oxbridge of [naam medeverdachte 3] zelf. ”

Ook [naam medeverdachte 4] heeft een ‘letter of goodstanding’ geschreven, en wel op briefpapier van het advocatenkantoor Chamberlain, Hrdlicka, White, Williams & Martin. De brief is van 13 oktober 1993 en is gericht aan [naam medeverdachte 1].

“At the request of Fay [naam medeverdachte 3] I am writing this letter to you concerning our representation of American Energy BV (“AE”) and Oxbridge Investments Limited (“Oxbridge”). We are familiar with the transaction where by AE has acquired an interest in 200 million tons of coal located in Kentucky USA through the efforts of Oxbridge . We also understand based upon representations of Mr. [naam medeverdachte 3] and Oxbridge that AE plans to manage and develop the coal property through its offices in Amsterdam and other locations in Europe. In addition we are familiar with AE’s efforts to expand its investments in intellectual property and other energy related investments including gas and oil.

We are attorneys for Mr. [naam medeverdachte 3], AE and Oxbridge. We have known and represented Mr. [naam medeverdachte 3] and entities he has been affiliated with for over 10 years.”

In de wetenschap dat er geheel geen plannen waren om de bewuste steenkolenmijnen te exploiteren, laat staan “through its offices in Amsterdam and (...) Europe,” doet deze brief de waarheid geweld aan.

De brief wekt bovendien de indruk dat [naam medeverdachte 4] [naam medeverdachte 3] al heel lang kent. Die indruk is echter onjuist. Naar de eigen verklaring van [naam medeverdachte 3] is hij pas in 1993 aan [naam medeverdachte 4] voorgesteld, zij het dat hij wel langer bekend was met het kantoor van [naam medeverdachte 4].

Bij brief van 18 augustus 1995 schrijft [naam medeverdachte 4] op briefpapier van zijn kantoor aan medeverdachte S. [naam medeverdachte 2] van ABN AMRO Bank over Oxbridge onder meer:

“Oxbridge has been a client of my firm for over 3 years and Mr. Fay [naam medeverdachte 3], representative for Oxbridge, has been a client of my firm for over 15 years. (...).”

Fiscale memoranda

Het dossier bevat een aantal fiscale memoranda van de hand van [naam medeverdachte 4]. Zij zijn technisch van aard. De twee hier besproken memoranda zijn beide gericht aan [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 6]. Het tweede memorandum is tevens gericht aan [naam medeverdachte 5].

Hieruit leidt het hof af dat de schrijver van deze memoranda, [naam medeverdachte 4], deze geadresseerden beschouwde als belanghebbende bij de kennisneming van de inhoud en - gelet op de aard en strekking van die inhoud – beslissingsbevoegd.

Een en ander wil niet zeggen dat de inhoud van de memoranda in alle opzichten een juiste en volledige voorstelling van zaken geeft.

Een memorandum van 30 november 1993 afkomstig van [naam medeverdachte 4] en gericht aan Gareth [naam medeverdachte 6] en Fay [naam medeverdachte 3] vermeldt in een Nederlandse vertaling het volgende over Oxbridge en Anterra (American Energy B.V., hier afgekort tot: AE).

“(…).

Derhalve was Oxbridge, ten tijde van de voltrekking van de Transactie, de wettige eigenaar van 86.400 aandelen van het aandelenkapitaal van AE, waarbij AE de 400.000.000 ton kolen had op basis van de PP Cessie tegen een lening van US $ 500.000.000 aan Oxbridge. Bovendien stond de aandeelhouderslening van Oxbridge aan AE nog uit ter waarde van NGL 146.164.133. Het is mogelijk om de aandeelhouderslening verschuldigd door Oxbridge aan AE af te zetten tegenover de AE Promesse.(…).

Het is niet bepaald tegen welke waarde de 400.000.000 ton kolen moet worden vastgelegd in de boeken van AE. De tonnen kolen kunnen een waarde van US $ 5 tot US $ 10 hebben per ton. Dit wordt getaxeerd door de gemiddelde prijs van US $30 per ton te nemen minus de geschatte kosten van delven en leveren van US $10 waarbij een nettowinst van US $20 per ton blijft zonder rekening te houden met de tijdswaarde van geld of risico factoren. Het is derhalve mogelijk om de waarde van de 400.000.000 ton kolen te stellen op US $2 miljard of US $4 miljard. Indien er een korting van 50% wordt toegepast dan is de waarde van de tonnen kolen voor AE US $1 miljard of US $2 miljard. Aangezien Oxbridge de tonnen kolen verwierf voor US $1 miljard en ze inbracht in AE voor een promesse van US $ 500 miljoen en 1.000 aandelen van aandelenkapitaal, is het mogelijk om de tonnen kolen vast te leggen in de boeken van AE ten koste van Oxbridge voor US $1 miljard of de waarde van US $2 miljard. In overeenkomst met de Nederlandse belastingwet kan het mogelijk zijn om de fiscale basis vast te leggen voor de marktwaarde. (…).”

Het hof acht dit gehele memorandum illustratief voor de wijze waarop [naam medeverdachte 4] met kosten omgaat, ogenschijnlijk alleen gericht op belastingvermindering. De waarde van zaken is afhankelijk van de hoeveelheid belastingabsorptie die is vereist en zij wordt dan ook achteraf pas vastgesteld.

Een memorandum van 17 januari 1994 afkomstig van [naam medeverdachte 4] en gericht aan Björn [naam medeverdachte 5], Gareth [naam medeverdachte 6] en Fay [naam medeverdachte 3] vat de voorgestelde transacties voor 1994 als volgt samen:

“Dit memorandum wordt geschreven om de zaken van First Nordic Finance Limited (First Nordic) en Oxbridge Investments Limited (Oxbridge) uit te leggen en zaken te plannen voor 1994. Wij dienen dit memorandum allemaal te beschouwen als een stuk met vertrouwelijke informatie in eigendom en het mag niet verspreid worden. (...).

Ik zou graag willen dat dit memorandum gebruikt wordt als een instrument voor intern plannen en het ontwikkelen van marketing strategieën en als basis voor een reeks vergaderingen die plaats zal vinden tussen ons en de diverse mensen in het Verenigd Koninkrijk en Europa die de potentie hebben om transacties te genereren. (...).

Eén van de cliënten van First Nordic is Oxbridge, een beleggingsmaatschappij met vertegenwoordigingen in Londen en Amsterdam die actief op zoek is naar fiscaal gemotiveerde kansen bij het aankopen van target bedrijven in Europese landen. Oxbridge heeft zich via investeringen een positie verworven in de Verenigde Staten en elders om transacties op te zetten die de mogelijkheid hebben van het genereren van aanzienlijke Europese fiscale voordelen voor zichzelf, haar dochterbedrijven en derden. (..). Eén van de dochterondernemingen van Oxbridge, American Energy B.V. (AE), een Nederlandse onderneming heeft, bijvoorbeeld, belangen in olie- en gasvelden en kolenvelden in de V.S. aangekocht. Eén van de grootste bezittingen van AE is 400 miljoen ton kolen met locatie in de V.S. Deze kolen kunnen in cessie worden gegeven of overgedragen worden aan andere entiteiten om fiscale planningsstrategieën te bewerkstelligen. Oxbridge heeft toegang tot andere activa die deel van haar portfolio kunnen worden mocht de noodzaak zich voordoen om de juiste belasting planningsstrategie te bewerkstelligen voor haarzelf, haar dochterondernemingen of derden. Er zijn bijvoorbeeld rechten met betrekking tot nieuwe medicijnen, films, business franchises en ingewikkelde computer handelsystemen die waarden hebben hoger dan US $ 100 miljoen, om er slechts enkele te noemen.

First Nordic zal in 1994 namens Oxbridge zakelijke kansen zoeken in de Europese landen waar haar unieke strategieën en de hulp van Oxbridge waarde zullen kunnen toevoegen aan transacties. Meestal zal de transactie betrekking hebben op methodes om vennootschapsbelasting te voorkomen. Er kunnen echter ook plannen zijn om tevens successiebelasting te voorkomen. In het algemeen creëren de fiscale systemen van het Verenigd Koninkrijk en Europa de kansen voor het werk van First Nordic en Oxbridge. Alle landen in Europa hebben bedrijfsinkomstenbelasting en een individuele inkomstenbelasting. Sommige landen hebben een dubbel inkomstenbelastingsysteem, omdat zij inkomen op het bedrijfsniveau belasten en vervolgens belasten zij aandeelhouders wanneer deze een dividend ontvangen of als zij de aandelen met winst verkopen. Sommige landen hebben hun belastingsysteem gewijzigd om de dubbele belasting af te schaffen. Sommige landen belasten bijvoorbeeld aandeelhouders niet over ontvangen dividend of over winst uit de verkoop van aandelen. Andere landen geven een belastingvermindering aan de aandeelhouder als zij een dividend ontvangen uit inkomsten waarbij vennootschapsbelasting is betaald. De meeste landen verminderen of heffen geen dividendbelasting van bedrijfsaandeelhouders die een aanzienlijke deelname hebben in een andere onderneming en sommige landen belasten niet winst over de verkoop van aandelen door bedrijfsaandeelhouders die een aanzienlijke deelname hebben. De meeste landen staan het vermijden van vennootschapsbelasting toe over de verkoop van kapitaalgoederen als de opbrengsten binnen een bepaalde tijdslimiet worden herbelegd in vervangende activa die aan bepaalde vereisten voldoen. (…).

Met het bovenstaande als achtergrond is First Nordic op zoek naar situaties om bedrijven te helpen een bezwarende belasting te voorkomen of individuen te helpen bij het vermijden van zowel vennootschapsbelasting als de successiebelasting. De drie situaties waaraan ik denk zijn als volgt; het vermijden van vennootschapsbelasting bij de verkoop van bedrijfsactiva waarbij de opbrengst betaald zal worden aan de aandeelhouders; het vermijden van bedrijfsbelasting in een cash shell waarbij de vennootschapsbelasting over de verkoop van de activa betaald is, maar de Cash Shell gebruikt wordt voor verdere belastingplanning; en het vermijden van vennootschapsbelasting en/of successiebelasting waarbij inkomsten voortkomen uit de verkoop van kapitaalgoederen in een land dat herbelegging van de opbrengsten toestaat als een manier om vennootschapsbelasting te voorkomen.

Het vermijden van vennootschapsbelasting op de verkoop van bedrijfsactiva waarbij de opbrengst betaald zal worden aan de aandeelhouders, werkt het beste in landen met een dubbel belastingsysteem of die winst uit de verkoop van aandelen vrijstellen. Laten wij aannemen dat een onderneming eigendom is van een individu en het individu wil dat de onderneming al haar activa verkoopt en liquideert. Als er een dubbel belastingsysteem is zullen de onderneming en het individu belasting betalen. Het zou beter voor de aandeelhouder zijn om ervoor te zorgen dat de onderneming haar activa verkoopt en vóór het einde van het belastingjaar als de vennootschapsbelasting betaald moet worden, zou de aandeelhouder de aandelen van de onderneming kunnen verkopen aan een fiscaal gemotiveerde koper die een kosten-verantwoorde methode heeft om de vennootschapsbelasting van de onderneming te elimineren of te verminderen. De fiscaal gemotiveerde koper zou de onderneming een vermogensbestanddeel kunnen laten aankopen dat aanzienlijk belastingverlies genereert om de inkomstenbelastingschuld te elimineren. Als de fiscaal gemotiveerde koper een prijs aanbiedt die hoger is dan de opbrengst na belasting die de verkoper zou ontvangen nadat de vennootschapsbelasting en de individuele belasting betaald zijn, dan is het beter voor de aandeelhouder om de aandelen van de onderneming te verkopen in plaats van het te liquideren. Dit werkt vooral goed wanneer de aandeelhouder een onderneming is en de verkoop van aandelen in een andere onderneming niet belastbaar is, aangezien in dit geval alle inkomstenbelasting voorkomen wordt.

In dit voorbeeld moet First Nordic op zoek naar bedrijven die van plan zijn hun activa te verkopen en te liquideren in landen met een dubbel belastingsysteem of die de winst uit de verkoop van aandelen niet belasten. Als een land een vennootschapsbelasting heeft van 40%, zou de fiscaal gemotiveerde koper bereid kunnen zijn om 80% tot 85% van de onbelaste cash te betalen voor de aandelen van de onderneming nadat haar activa verkocht zijn. Als de onderneming geliquideerd is, zou de aandeelhouder slechts 60% van de onbelaste cash kunnen ontvangen in het geval dat de aandeelhouder niet werd belast over de liquidatie en minder als de aandeelhouder belast wordt. (…).

Aan de andere kant kan het voordelig zijn voor First Nordic en Oxbridge met betrekking tot het plannen van vennootschapsbelasting om de verkoop van activa aan een onderneming te regelen op zoek naar een belastingschuilplaats in die gevallen dat de onderneming niet te koop is of waarbij de verkoper zeggenschap wil hebben over de onderneming tijdens de fase van belastingplanning.

In dit geval zou Oxbridge activa verkopen aan een toekomstige bedrijfscliënt voor één prijs, maar op een wijze waarbij een hogere fiscale grondslag verkregen zou kunnen worden voor lokale belastingdoeleinden. In het geval van een Nederlands onderneming, bijvoorbeeld, zou Oxbridge een vermogensbestanddeel kunnen inbrengen in een onderneming op zoek naar een belastingschuilplaats in ruil voor cash en preferente aandelen. Laten we aannemen dat Oxbridge US $ 50 miljoen in kolen inbracht in een Nederlandse onderneming voor US $ 5 miljoen in cash en US $ 2.5 [sic] in preferente aandelen. Volgens Nederlands recht zou de onderneming dit boeken als een bijdrage aan het kapitaal en de fiscale grondslag zou de marktwaarde zijn. Als de cliënt het vermogensbestanddeel zou afschrijven tegen een belastingtarief van 40% zou het resultaat een voordeel zijn van US $ 20 miljoen. De preferente aandelen zouden een aflossingsrecht kunnen hebben zodat de resterende US $ 2,5 miljoen in één jaar betaald zou kunnen worden. In dit plan zouden wij de Nederlandse vermogensbelasting van 1% moeten vermijden, maar als de inbrengende onderneming uit een land in de EU zou zijn, zou er geen Nederlandse vermogensbelasting zijn.

Een Cash Shell is normaal gesproken een onderneming die al haar activa heeft verkocht en alleen cash heeft als haar enige vermogensbestanddeel. De onderneming heeft misschien haar inkomstenbelasting betaald en de aandeelhouder heeft misschien 95% van de belaste cash die overblijft geleend. Als de onderneming gevestigd is in een land dat winst op de verkoop van aandelen door een onderneming niet belast, kan er een interessante belastingschuilplaats worden gecreëerd door een andere onderneming de Cash Shell te laten kopen en de aandeelhouderslening over te laten nemen. Als voor kalenderjaar belastingbetalers de aankoop plaatsvindt in januari, bouwt de bedrijfskoper rente op in de Cash Shell gedurende 11 maanden, betaalt de rente aan de Cash Shell en verkoopt de aandelen aan een fiscaal gemotiveerde bedrijfskoper voor 80% van de onbelaste cash in de onderneming. Aangezien aandelenverkoop niet belast wordt, is de winst op verkoop, die toegeschreven wordt aan de rente ontvangen door de Cash Shell, niet belastbaar voor de verkopende onderneming maar is de rente betaald aan de Cash Shell fiscaal aftrekbaar. Als het tarief van de vennootschapsbelasting 40% is en de Cash Shell verkocht wordt voor 80% van de onbelaste cash ontvangt de verkopende onderneming een belastingvoordeel van US $ .20 voor elke US $ 1.00 aan rente betaald aan de Cash Shell.

(…).

Er zijn zoveel variaties op het bovenstaande dat ik niet in staat ben om alle planningsmogelijkheden te beschrijven die er bestaan. First Nordic moet op zoek naar situaties waarbij de activa van bedrijven verkocht worden en de aandeelhouders van de ondernemingen hun rendement op de verkoop [van] hun vermogensbestanddeel willen maximaliseren. (…). First Nordic en Oxbridge nemen een unieke positie in om advies te geven aan toekomstige cliënten over het structureren van transacties en het leveren van de activa die het laten functioneren. Anderzijds kan Oxbridge optreden als een principaal in de transactie om de cliënt te helpen hun fiscale doeleinden te bereiken.”

[naam medeverdachte 6] heeft hierover verklaard :

“Ik heb dit memo wel zes keer gelezen en nog steeds kon ik het niet begrijpen. Joe [naam medeverdachte 4] heeft dit geschreven. Joe wilde dat Björn en ik in ieder land gingen kijken, al die Europese landen, om te zien of in die landen dezelfde regels golden. Zodat hij in die andere Europese landen hetzelfde kon doen als met Egg was gedaan in Nederland. België was het enige land waar Björn een contactpersoon had.”

Waar dit memorandum dus op neer komt is dat met name [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] van [naam medeverdachte 4] binnen Europa op zoek moesten naar landen met geschikte belastingstelsels en vennootschappen voor het verrichten van fiscaal gemotiveerde transacties zoals die in winstvennootschappen. Niet het exploiteren van rechten is het kerndoel maar het deelnemen aan fiscale constructies.

Voor alle duidelijkheid – het hof acht de fiscale constructies die in de geciteerde fiscale memoranda worden beschreven niet intrinsiek frauduleus, maar wel de wijze waarop Oxbridge c.s. de beoogde verminderingen van de belastingverplichtigen van de aangekochte winstvennootschappen met gefingeerde kosten hebben vormgegeven. [naam medeverdachte 4] is dat, als op dit terrein deskundig fiscaal adviseur, in hoge mate te verwijten. In het vervolg van dit hoofdstuk zal met bewijsmiddelen worden aangetoond dat [naam medeverdachte 4] van het gefingeerde c.q. frauduleuze karakter van de gepresenteerde afschrijvingskosten over de ingebrachte immateriële activa niet alleen op de hoogte was, maar aan de frauduleuze presentatie hiervan een actieve bijdrage heeft geleverd.

Briefwisselingen en documenten

Een beslist niet limitatieve opsomming van documenten en brieven van en/of aan [naam medeverdachte 4] geven naar ’s hofs oordeel een duidelijk beeld van de taak die [naam medeverdachte 4] op zich heeft genomen. Er is geen enkele aanwijzing dat het [naam medeverdachte 4] en de in deze brieven veelvuldig voorkomende [naam medeverdachte 3] op ook maar één moment te doen was om het exploiteren van de verworven vermogensrechten. [naam medeverdachte 4] is bovendien telkens heel gedetailleerd in zijn fiscaal georiënteerde instructies aan Perfect Partners en Van Dieren, en die instructies zien enkel toe op het verwerken van zodanig omvangrijke afschrijvingskosten c.q. verliezen in de belastingaangiften van aangeschafte winstvennootschappen dat de belastbare winst die vóór overdracht aan Oxbridge c.s. was ontstaan volledig teniet wordt gedaan. In deze brieven zijn voorbeelden te vinden waarin [naam medeverdachte 4] mededelingen doet die aantoonbaar in strijd zijn met de voor hem kenbare werkelijkheid. In vrijwel alle gevallen zijn de brieven mede ter kennisneming gestuurd naar [naam medeverdachte 3] en/of verwijst [naam medeverdachte 4] naar overleg met of instructies van [naam medeverdachte 3].

Het hof zal een chronologische volgorde aanhouden.

a. Een brief van 5 augustus 1993 van [naam medeverdachte 4] aan [naam medeverdachte 5] (“cc” [naam medeverdachte 3]) betreffende de mogelijke aanschaf van een Belgische vennootschap met een herinvesteringsreserve bevat na een aantal passages over de prijsbepaling onder meer het volgende:

“David was going to call the tax lawyer that he was consulting with (…) to determine if the reinvestment rules would apply to the capital gain of target, whether the reinvestment asset could be purchased outside of Belgium and does the asset have to be a building or could it be for example coal properties in the US. I also asked him to confirm that the write off for the first year in belgium is a full year without regard to the date placed in service (...).

I am meeting later today with the people you have the wonder drug patents to see if they are interested. Also I have located a gold mine in Mexico and oil properties in Tunisa.”

b. In vervolg op een faxwisseling van 17 december 1993 van Van Dieren aan [naam medeverdachte 4] en van 18 december 1993 van [naam medeverdachte 4] aan Van Dieren, schrijft Van Dieren bij brief van 21 december 1993 aan [naam medeverdachte 4] over de wijze waarop naar zijn mening moet worden afgeschreven op ‘intangible assets’ als de ‘Coal Production Payment’:

“(..). Up to a certain point in time AE has the right to receive coal (or the monetary equivalent thereof) minus production expenses. When exactly the proceeds will be realised is uncertain and also whether in total 400.000.000 tons will be obtained. It is clear that the right should have been fully depreciated before December 31, 2001 (the date the agreement will be terminated) but a straight line depreciation doesn’t seem to be logical. (...). From our energy tax expert I understand that in this world the “unit of production” depreciation method is indeed very common here for production licenses and it is very likely that the tax authorities will make that comparison as well. In conclusion the proposed 3 years straight line is in all likelihood not acceptable unless the 400.000.000 tons would be mined in those 3 years in almost equal portions.”

c. [naam medeverdachte 4] antwoordt bij brief van 28 december 1993 aan Van Dieren:

“(…). I have also had discussions with Fay [naam medeverdachte 3] and he has emphasized that it is imperative that the production payment be written off over a three year period (...).”

d. Op de bijeenkomst van 16 februari 1994, waarbij aanwezig zijn [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] en Van Dieren , komen deze en andere meer technische onderwerpen aan de orde.

(4) Belangrijk punt: Interbaros heeft substantieel bedrag aan interest inkomsten in 1993.

* Derhalve gewenst: een snelle afschrijving

* eventueel andere kosten

* Dit is de reden dat 50% van het belang in het production payment assignment is overgedragen van Anterra aan Interbaros.

2 oplossingen (mogelijk) om kosten te genereren bij Interbaros:

1. Oxbridge heeft onderhandeld om assignment te verkrijgen. Derhalve kan een fee gecharged worden aan o.a. Interbaros (eventueel gedeelte v.d. shareholder loan)

2. Afschrijvingsmethode:

speculatief: ‘Unit of production’

zekerheid: straight line

Uit voorgaande documenten valt af te leiden dat [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] sterk hebben aangedrongen op versnelde afschrijvingen op de immateriële activa. In weerwil van het indringende advies van Van Dieren, naar wiens deskundigheid [naam medeverdachte 3] omstandig heeft verwezen om zijn eigen aandeel te rechtvaardigen, wordt door [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 6] niet gekozen voor afschrijving per ‘unit of production’, maar voor lineaire afschrijving. Tegen de achtergrond van de vaststellingen die het hof in de algemene bewijsoverwegingen heeft gedaan, laat deze keuze van [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] zich goed begrijpen: er viel immers helemaal geen productie te verwachten.

e. Bij brief van 3 maart 1994 schrijft [naam medeverdachte 4] aan [naam medeverdachte 3] over onder meer een brugfinanciering met betrekking tot een Zweedse transactie. In deze brief komt hetzelfde probleem aan de orde: de methode van afschrijving. De brief besluit namelijk met de volgende passage:

“Also Lennart sent me a fax on the tax issues with respect to a Swedish company investing in a coal property production payment. I have attached the fax and my draft response to this memo. If you approve I will send it on Monday as well. It appears that Lennart is having the same problem that Rien had in the Netherlands. With some coaching from my part they may get to the point of accepting the position that the coal investment is entitled to a straight line write off over the term of the production payment.”

Deze voorgenomen transactie in een Zweedse vennootschap zal hieronder opnieuw aan de orde komen, aangezien blijkt dat de Zweedse verkopers van deze vennootschap jegens Oxbridge een kritische houding aannemen. Van belang is dan de reactie van [naam medeverdachte 4].

f. Voor het hof daaraan toekomt wijst het op een brief van 17 juni 1994, waarin [naam medeverdachte 4] aan Van Dieren uitgebreid en gedetailleerd mededelingen doet over de ‘Production Payment’, leningen, kosten en afschrijvingen bij Oxbridge, Anterra (“AE”) en Interbaros. Het hof verwijst naar de gehele brief wegens [naam medeverdachte 4]’s aandeel in de totstandkoming van de jaarcijfers van de genoemde vennootschappen. Onder meer bevat de brief het volgende:

“(…). AE on the otherhand may have had for 1993, investment income, and accrued interest on the Oxbridge/AE shareholder loan. I do not know the amount of investment income however the accrued interest should be approximately DFL 8,526,241 assuming an interest rate for 1993 of 7 % (146,164,133 x 7 % x 10/12 which 10 months since the loan was offset on October 28, 1993). If AE held the Coal Tons for 2 months it would have been able to take two months of depreciation, however if it sold the Coal Tons for the same price it paid there would be no gain or loss on holding the Coal Tons except that AE should accrue and pay interest on the AE note for the two months it held the Coal Tons or it would have interest expense on the AE note for the two months it held the Coal Tons or it would have interest expense on the AE note of Dfl 22,814,167 assuming a 7 % interest rate (1,955,500,000 x 7%/12 x 2 months held). Therefore AE should also have produced a tax loss for 1993 as well unless the investment income was greater than these amounts.(…).”

g. Thans wederom de Zweedse ‘deal’, waarbij als koper een Nederlandse winstvennootschap zou gaan optreden en waarin (eveneens) de Kentucky-kolenrechten als immaterieel vermogensbestanddeel zullen worden ingebracht.

Bij brief van 23 augustus 1994 schrijft [naam medeverdachte 4] aan [naam medeverdachte 3]:

“I spoke to Peter Alhanko and the other Swedish lawyers. They raised the following for us to deal with.

First they spoke to Rein and he said that he was working on an audit but he was waiting for the US valuation of the Coal rights. They seemed to be pleased with their discussion with Rein and they asked to see the evaluation of the coal rights and would one be available for closing. They were particularly concerned since they know that Lennart Eliasson will need a valuation to prepare the tax return for Aura Industries and they are concerned that AET has sufficient assets to contribute to produce the Swedish tax result. I told them that since a 5 year write off was planned for the coal rights that about SFK 100 million in coal rights would be transferred. They still wanted a verification of the value of the coal rights. I have since spoken to John Gain and he gave me a draft valuation that values the American Energy BV coal rights at $ 2.75 per ton. The preparer has good credentials but the valuation is still only one page. I suggest that when I receive the final on Thursday that I send a copy to them and explain that we rushed the valuation into a summary report with no detail to meet their demand. Your comments please.

They also asked me wether there were significant cash or liquid assets in AET because their discussions with Rein seemed to indicate that there was not. I told them that Oxbridge acquired the stock of AET, took out the cash and transferred the coal rights to AET back in October of 1993. I said that Oxbridge would transfer sufficient cash to AET to complete the acquisition and they seemed happy with this answer. (…).”

Kortom, de Zweedse verkopers willen niet enkel afgaan op de mededelingen van [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 4]. Zij wensen onderbouwing van de waardering van de activa die in de aan Oxbridge c.s. te verkopen vennootschap zullen worden ingebracht. Dat levert voor [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] duidelijk een probleem op, hetgeen naar ’s hofs oordeel aantoont dat beiden goed besef hadden van de geringe c.q. speculatieve waarde van de immateriële activa waarvan de overdracht van Interbaros (“AET”) naar de Zweedse ‘targetcompany’ door Oxbridge was beoogd.

Bovendien tonen de Zweden zich bezorgd over de kaspositie van Interbaros. [naam medeverdachte 4] weet hen kennelijk tevreden te stellen met zijn antwoord dat Oxbridge voldoende liquide middelen zal overdragen aan Interbaros. Over voorfinancieringen door Dangoor heeft [naam medeverdachte 4] vermoedelijk niet gesproken.

h. Het probleem is nijpender geworden, zo blijkt uit een schrijven van [naam medeverdachte 4] aan [naam medeverdachte 3] van 19 september 1994 :

“I spoke to Ulf Soderholm to thank him for his hard work concerning the Aura Light project. He said that the issue that gave the bank the most concern was the valuation of the coal. He said that when he said that AET was not audited and it would take more than 5 months to complete, the bank became more concerned about the entire transaction. (…). In the end the bank was concerned that they would be involved in a transaction with a company that had little or no assets. (…).

I am not sure what the solution is. As we discussed, we could have AA do an audit of AET but this may impact whether Rein will continue to file Netherlands tax returns on the same basis that we have accomplished in the past. On the other hand, if every buyer is going to second guess our appraisals on the coal, then we may have no choice. It may be possible for us to have an audit performed on ICAG since this will not impact our Dutch planning, but I do not know what this will produce except that the auditor has verified that ICAG has title to the coal mineral rights, that at cost it is some number nominal or 20 million at best because of the obligation to Rakes, and that at fair market value it would be some higher number.

As we discussed this business is 90% finding deals and 10% closing them. (…). Also I am not sure whether technology of the type we have been discussing would have worked either since we would still have been in the position of not having an audit of any company and the valuation of the technology would have been in question unless there was an iron clad appraisal by a world recognized firm.

On another note have you heard anything about the CREFF deal from Hans Kohlman?”

Opnieuw zal hieronder nog worden teruggekomen op deze voorgenomen transactie.

i. Eerst de brief van 7 december 1994 , van [naam medeverdachte 4] aan Van Dieren (“cc” [naam medeverdachte 3]). Deze bevat uitgebreide en gedetailleerde informatie over de overdracht van de kolenrechten van American Energy Trading (Interbaros) naar Rentafixe, en de daarmee samenhangende afschrijvingen, rentekosten, e.d., alsmede de fiscale consequenties die inhouden dat de belastbare winst van Rentafixe omslaat in een verlies:

“This results in a loss for Rentafixe for the year ending December 31, 1994 of (…).

Therefore AE would have net income of Dfl. 211,832 before management fees, other expenses and application of prior years loss. I would appreciate it if you would check the companies computations and assumptions in preparation for filing of their Dutch tax returns. (…).”

j. Een andere brief van 7 december 1994, alsmede een memorandum van gelijke datum van [naam medeverdachte 4] aan Van Dieren (telkens “cc” [naam medeverdachte 3]) hebben betrekking op het gebruiken van (een lease van) een ‘railcarportfolio’ als vermogensbestanddeel, en de afschrijvingen en overige verliezen die dit (voor Rentafixe) mee zouden kunnen brengen. Deze ‘railcarportfolio’ komt terug in het volgende schrijven dat wederom betrekking heeft op de voorgenomen transactie in Zweden.

k. Het belang van [naam medeverdachte 4]’s aandeel in de samenstelling van de jaarstukken en de Vpb-aangiften van de onderscheidene winstvennootschappen komt tot uitdrukking in [naam medeverdachte 4]’s brief aan Joling van Perfect Partners van 20 januari 1995 , dat wil zeggen kort nadat Penn Vpb-aangifte heeft gedaan over 1992 en ruimschoots vóór de andere Vpb-aangiften. Als bijlage heeft [naam medeverdachte 4] (onder meer) gevoegd een door hem opgesteld schema over de voortgang in het doen van Vpb-aangifte door de onderscheidene dochtervennootschappen van Oxbridge, inclusief de vermelding van immateriële activa die tot de daarin op te voeren verliezen hebben geleid. [naam medeverdachte 4] neemt klaarblijkelijk het heft in handen.

l. Vervolg in de Zweedse kwestie. Bij brief van 25 januari 1995 van [naam medeverdachte 4] aan Peter Alhanko (“cc” [naam medeverdachte 3]) schrijft [naam medeverdachte 4] over de mogelijke aanschaf door Rentafixe van de Zweedse vennootschap “Aura Light” het volgende:

“I have read your fax dated today and have discussed it with my client Mr. Fay [naam medeverdachte 3]. I can assure you that Oxbridge is interested in the transaction but it is not interested in committing to any further expense until a purchase agreement has been signed with the sellers. (…). As US counsel for Rentafixe, I hereby verify to you that Rentafixe has purchased all of Signal Capital Holdings Corporation’s interest in Rail Car Trust 1993-I and the purchase was effective November 15, 1994. Since we are US counsel for Rentafixe there does not at this time appear to be any need for further verification on our part.”

Met deze uitlating geeft [naam medeverdachte 4] blijk van een losse benadering van de waarheid. De door [naam medeverdachte 3] ondertekende balansgegevens van Rentafixe van 31 december 1994 vermelden namelijk geen andere (afschrijvingen op) ‘intangible assets’ dan (op) de ‘Coal Production Payments I’ en II. Een prijzig activum als een ‘railcarportfolio’, indien werkelijk in 1994 aangeschaft, kan daarop toch niet ontbreken. Die ‘railcarportfolio’ was dan ook in 1994 (nog) niet aangeschaft.

Klaarblijkelijk moet de advocaat van de Zweedse eigenaar van ‘Auro Light’ op het woord van [naam medeverdachte 4] afgaan. De brief vervolgt:

“Finally, your fax indicates that a bank guaranty is necessary to verify that the buyer is not financing the acquisition. I may be confused but in my mind a bank involvement or guarantee may in fact imply that the buyer is using a bank to finance the purchase. The last time we attempted to obtain a bank guarantee, my client incurred significant fees and the transaction did not close. Therefore Oxbridge is unwilling to go through the time and expense of obtaining a bank guarantee in as much as Oxbridge is capable of using its own funds to complete the purchase. In my previous letter to you, I indicated that the buyer is willing to place the purchase price in a bank account in Sweden on the date of the closing of the purchase. Given these capabilities there is no reason for a bank guarantee to verify that the buyer is not using financing to obtain purchase funds. If there are other obligations imposed on the sellers perhaps you could enlighten me of them and we can work on a solution.

I believe, given the time and expense that my client has incurred on your client’s behalf, that we have proven that Oxbridge or its subsidiary is a qualified buyer, that it is represented by qualified professionals and it is financially capable of closing. (…).”

Weer bedient [naam medeverdachte 4] zich van misleiding. In de wetenschap dat iedere transactie in Nederlandse winstvennootschappen tegen hoge rente moest worden voorgefinancierd, zal dat ten aanzien van de aankoop door Rentafixe van een Zweedse vennootschap niet anders zijn. Rentafixe bezat immers vrijwel geen liquide middelen, en Oxbridge c.s. evenmin.

m. Bij faxbericht van 20 mei 1996 van Joe [naam medeverdachte 4] aan Charles van Veen (“cc” Fay [naam medeverdachte 3]) meldt [naam medeverdachte 4] met betrekking tot Boertien (Computer Integration IV) het volgende:

“Fay [naam medeverdachte 3] has reviewed the draft numbers for the tax return ending December 31, 1993 and he has approved the numbers. Please prepare the tax return and send it to Mr. Van Dieren at Arthur, Andersen for final review and filing.”

n. De brief van 2 juli 1996 van [naam medeverdachte 4] aan Van Veen van Perfect Partnes heeft een gelijke strekking, thans met betrekking tot de investeringen van Egg in 1995. [naam medeverdachte 4] verwijst naar een bijlage, naar alle waarschijnlijkheid het ‘memorandum’ van 15 januari 1996 van ‘the managing director’, waarin uitgebreid en gedetailleerd cijfermateriaal is opgenomen over de activa en lasten van Egg / American Energy Mining B.V.

“Please prepare journal entries for the investments so that they may be included in the December 31, 1995 trial balance you are preparing for the company. Once the trial balance is prepared please fax a copy to Mr. [naam medeverdachte 3] with a copy to me so that Mr. [naam medeverdachte 3] can approve it. Once the trial balance is approved in writing by Mr. [naam medeverdachte 3] you may prepare a draft tax return and forward it also to Mr. [naam medeverdachte 3] with a copy to myself for approval. Once the trial balance and the tax return has been approved in writing by Mr. [naam medeverdachte 3], you will be given instructions to forward a copy to Mr. van Dieren for his review.”

o. Bij brief van 25 februari 1997 verschaft [naam medeverdachte 4] aan Van Veen van Perfect Partners opnieuw in extenso informatie over ‘American Energy Companies’ en in het bijzonder een ‘Settlement Agreement’ waarbij vennootschappen elkaar ontslaan van leningsverplichtingen c.q. dergelijke verplichtingen aangaan. Zulks heeft de fiscale gevolgen die [naam medeverdachte 4] beschrijft. Van Veen wordt verzocht het een en ander na te rekenen en tezamen met Van Dieren [naam medeverdachte 4]’s conclusies te controleren.

p. Bij brief van 30 juni 1997 recapituleert [naam medeverdachte 4] ten behoeve van Van Dieren op vijf pagina’s en in kleine letter ten aanzien van Oxbridge c.s. allerlei informatie over transacties, waardering, kosten en afschrijvingen, alsmede – in ruime zin – de fiscale positie.

q. Niet duidelijk is of de brief van Van Dieren van 4 juli 1997 aan [naam medeverdachte 4] een reactie is op [naam medeverdachte 4]’s memorandum van 30 juni 1997. Van Dieren maakt melding van zijn bezoek aan de Belastingdienst, tezamen met [naam medeverdachte 3], en verzoekt:

“Could you write a very extensive memorandum wherein in chronological order are mentioned:

- (...).

All transactions whereby one of the Dutch companies directly or indirectly owned by Oxbridge acquired or disposed of or exchanged assets (PPA, leases etc.). Key here is to validate the fair market value = purchase price of the assets involved. Where you state values they should be cross referenced to the value that has been used in the books of the Dutch companies. As a minimum there should be a rationale for each value, in particular if acquired from a related party directly or indirectly. Better is to have valuation reports, advices, internal memo’s etc. for each individual asset. Again these values should tie-in to the figures used in the books of the Dutchco.’s. (...).

A key question of the tax inspector is why these assets have not generated real cash so far. For instance the oil leases of Anterra are already carried in the books for years and no cash flow is generated from these assets. Perhaps you can explain on an asset by asset basis and as precise as possible why these assets have not yet resulted into a (positive) cash flow. To take the oil lease again as an example, I presume (...) that at a certain price level it starts to be interesting to monetize this asset. At which level is that the case and considering the time value of the lease I would guess that the closer one gets to the termination date of the lease the more urgent it is to start exploitation.”

Meer algemene conclusies uit deze documenten bespreekt het hof hieronder in de tussenconclusie [naam medeverdachte 4].

Verdeellijsten

De betekenis en het belang van de bijdrage van [naam medeverdachte 4] komt naar ’s hofs oordeel in het bijzonder tot uitdrukking ten aanzien van de zogeheten verdeellijsten. Een tweetal voorbeelden daarvan zijn al aan de orde gekomen bij de behandeling van de bijdrage van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] in de paragraaf ‘Vergoedingen voor werkzaamheden’. Thans benadrukt het hof de bijdrage van [naam medeverdachte 4] daaraan, zoals die onder meer naar voren komt in de volgende verklaringen:

[naam medeverdachte 3] heeft naast zijn al geciteerde verklaringen over de weergegeven verdeellijsten als getuige ter zitting van het hof van 7 juni 2006 verklaard:

“U vraagt mij of ik in mijn correctie doel op het overzicht van betalingsprocedures dat ik in de derde alinea van blz. xvii heb beschreven. Dat klopt. Dat overzicht werd niet met iedereen besproken maar wel met [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5]. Ik maakte inderdaad de finale afrekening op zodat je weet wat waar en naar wie toegaat. Normaal gesproken liet ik dat vervolgens zien aan [naam medeverdachte 4] en vroeg ik hem of ik misschien iets was vergeten.”

Williams heeft over de verdeellijsten verklaard :

“Ik heb de lijst met overboekinginstructies van [naam medeverdachte 4] gezien, deze lijst bevatte bankinformatie, bedragen en initialen, ik dacht van de personen die geld ontvingen. De lijst was met de handgeschreven. Ik kon de exacte initialen en bedragen niet zien.”

In reactie op deze uitlating van Williams heeft [naam medeverdachte 6] verklaard :

“Er zal vast een overzicht zijn geweest van wie welk bedrag kreeg. Ik heb gezien dat Fay en Joe bezig waren een overzicht van betalingen uit te werken. Ik was zo blij dat ik kreeg wat ik kreeg, dat ik mij nergens druk over maakte.”

Deze verklaringen zijn wat betreft [naam medeverdachte 4] eensluidend. [naam medeverdachte 4] had directe wetenschap van en bemoeienis met de (handgeschreven) verdeellijsten. Gelet op de hierboven besproken inhoud daarvan, kan uit de verdeellijsten worden opgemaakt (i) dat Oxbridge c.s. de aanschaf van de winstvennootschappen volledig financierde met (peperduur) kortlopend vreemd vermogen dat vervolgens werd afgelost uit de liquide middelen van de zojuist verworven winstvennootschap, (ii) dat Oxbridge dus zelf geen investeringscapaciteit bezat, en (iii) dat hetgeen na aflossing, provisie en andere kosten van deze liquide middelen resteerde onder de ‘principles’ werd verdeeld.

Daarmee is een wezenskenmerk van de frauduleuze werkwijze van Oxbridge voor [naam medeverdachte 4] volledig kenbaar.

Vervolg inzake de voorfinanciering van de aanschaf van winstvennootschappen

In een intern overzicht van het kantoor van [naam medeverdachte 4] van de door hem ten behoeve van Oxbridge verrichte werkzaamheden vermeldt over [naam medeverdachte 4]’s werkzaamheden inzake de Egg- en de Egg II-transactie onder veel meer op bladzijde 9:

10/8/95 - teleconference with Mr. Widmer regarding loan agreement.

Review loan document

11/8/95 - prepare letter to Mr. Widmer

23/8/95 - teleconference with Mr. Widmer regarding loan agreement

30/8/95 - work on financing for Egg B.V. closing”

en op bladzijde 18:

03/9/96 - meeting with Mr. [naam medeverdachte 2] regarding Egg II

03/9/96 - telephone conference with Mr. Widmer regarding loan

05/9/96 - telephone and review documents etc. for Egg II closing meeting.”

Wederom blijkt dat [naam medeverdachte 4] werkzaamheden heeft verricht die nauw verband houden met de financiering door Oxbridge van de aanschaf van winstvennootschappen.

Deze bewijsmiddelen worden nog verder versterkt door een gecombineerde lezing van de verklaringen van Marc Agnoli en de reactie daarop van [naam medeverdachte 5].

Het proces-verbaal waarin de verklaring van Agnoli, bankier bij Scandinavian Finance Ltd., is vervat luidt onder meer als volgt:

“Verder heeft hij (hof: Agnoli) verklaard dat hij Fay Lee [naam medeverdachte 3] (…) voor het eerst heeft ontmoet bij Bank in Liechtenstein, maar de exacte toedracht van deze ontmoeting is hem ontschoten en zal hij moeten nazoeken. Bij Bank in Liechtenstein waren toen, onder andere, aanwezig: Fay Lee [naam medeverdachte 3], Joe [naam medeverdachte 4], Björn [naam medeverdachte 5], Hans [naam medeverdachte 1] en Peter Witmer; (…)”

[naam medeverdachte 5] betwist overigens dat [naam medeverdachte 1] in Liechtenstein aanwezig zou zijn geweest, maar bevestigt wél dat hij en [naam medeverdachte 4] bij deze bijeenkomst aanwezig waren. In antwoord op de (tussen haakjes geplaatste) vraag van de Fiod heeft [naam medeverdachte 5] meegedeeld :

(Agnoli heeft verklaard dat hij [naam medeverdachte 3] voor het eerst (..) heeft ontmoet bij de Bank van Liechtenstein. Bij deze bijeenkomst waren de volgende mensen aanwezig: Fay Lee [naam medeverdachte 3], Joe [naam medeverdachte 4], Björn [naam medeverdachte 5], Hans [naam medeverdachte 1] en Peter Widmer. Agnoli herinnert zich niet meer wat het doel was van deze ontmoeting. Vroegen naar zijn commentaar.)

“Dat is onmogelijk. Dat kan ik helemaal niet plaatsen. Ik weet absoluut zeker dat [naam medeverdachte 1] niet met mij in Liechtenstein is geweest. Ik geloof dat ik de eerste bijeenkomst in Liechtenstein met de anderen heb bijgewoond: [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4] en Widmer. Maar [naam medeverdachte 1] was er niet bij."

Gelet op de in het overzicht van [naam medeverdachte 4]’s werkzaamheden gegeven omschrijving daarvan, onder andere ‘correspondentie met Widmer’ en ‘het beoordelen van ‘loan agreements’’, was [naam medeverdachte 4] tot in detail op de hoogte van de kortlopende leningen tegen extreem hoge rentes, op basis van de in deze paragraaf vermelde gegevens in ieder geval wat de Egg en Egg II-transacties betreft. Dit wordt bevestigd door getuigenverklaringen inzake [naam medeverdachte 4]’s aanwezigheid in Liechtenstein.

Tussenconclusie [naam medeverdachte 4], tweede tussenconclusie [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5]

[naam medeverdachte 4] trad op als fiscaal adviseur van Oxbridge. Zijn technische kennis ging kennelijk verder dan die van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] en zelfs [naam medeverdachte 5].

[naam medeverdachte 4] heeft zich intensief bezig gehouden met het terugbrengen van de fiscale verplichtingen van Oxbridge. Zoals reeds overwogen is dat op zichzelf niet strafbaar. Dat wordt anders in het geval de fiscale verplichtingen van vennootschappen binnen de Oxbridge-groep worden gereduceerd middels het in de onderscheidene Vpb-aangiften opvoeren van substantiële lasten waarvan de omvang geheel of grotendeels is gefingeerd.

Uit de briefwisselingen volgt dat [naam medeverdachte 4] en (deels door diens tussenkomst ook) [naam medeverdachte 3] aan Perfect Partners en Van Dieren instructies gaven over de inhoud van de jaarstukken en de Vpb-aangiften. Gegevens die daarop werden vermeld waren afkomstig van [naam medeverdachte 4] (en [naam medeverdachte 3]). De fiscale gegevens, waarderingen, hoogte van de afschrijvingen en ‘fees’, onderlinge verplichtingen van vennootschappen binnen het Oxbridge-concern, overdracht van immateriële activa, dit alles was afkomstig van [naam medeverdachte 4].

Uit de briefwisselingen en de memoranda volgt voorts dat [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3], en in hun voetspoor ook [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5], zich enkel en alleen bezig hielden met het verrichten van transacties in winstvennootschappen en immateriële activa vanwege de beoogde fiscale consequenties, die gunstig waren indien de materiële belastingschuld van de winstvennootschappen zou wegvallen en de gereserveerde liquide middelen zouden vrijkomen. Uit niets blijkt dat het [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] te doen was om de exploitatie van de immateriële activa. Er was alleen veel aandacht voor de met die activa samenhangende kosten in het licht van de omvang van de winst van de vennootschap waaraan de activa zouden worden overgedragen.

Alleen al aan de paar hiervoor besproken brieven ontleent het hof aanwijzingen dat [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] ervan doordrongen waren dat de werkelijke waarde van de immateriële activa – en dus de omvang van de mede daaraan gerelateerde afschrijvingen – aanzienlijk geringer was dan de opgevoerde waarde, en dat deze laatste waarde zich bij nadere beschouwing niet (voldoende) liet onderbouwen.

Uit de algemene bewijsoverwegingen vloeiden deze conclusies ook al voort en zij ondersteunen elkaar over en weer.

Het hof roept in herinnering hetgeen is overwogen omtrent:

- de ‘Oil Leases’, waarvan [naam medeverdachte 6] de in de boeken op te voeren waarde heeft doorgegeven aan Joling, en welke informatie hij, [naam medeverdachte 6], kennelijk had ontvangen van [naam medeverdachte 3];

- de ‘Coal Production Payments’, die zouden zijn verworven door Shook en [naam medeverdachte 3], en ten aanzien waarvan [naam medeverdachte 4] contracten heeft opgesteld. De rechten op Kentucky-kolen zijn ook in de briefwisselingen met [naam medeverdachte 4] meermalen terug te vinden;

- rechten op Zeoliet, die door [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] zijn verworven;

- de ‘Mexican Coal Claims’ en de bemoeienissen van Shook en [naam medeverdachte 4];

- de rechten op de goud- en zilvermijnen in Colorado, die zijn verworven door [naam medeverdachte 3] en ten aanzien waarvan [naam medeverdachte 4] de juridische documentatie heeft verzorgd.

Voorts verwijst het hof naar de handelwijze van [naam medeverdachte 4] inzake de reconstructie van de ‘Prism’-rechten, zoals weergegeven in het onderdeel over [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6], en met name de briefwisseling met [naam medeverdachte 5].

Wat betreft de verdeling van de opbrengst van transacties in winstvennootschappen is uit voorgaande bewijsmiddelen eveneens op te maken dat [naam medeverdachte 4] in belangrijke mate invloed toekwam. De verdeellijsten werden door [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] samen opgesteld, dan wel door [naam medeverdachte 3] ter beoordeling aan [naam medeverdachte 4] voorgelegd.

[naam medeverdachte 4] had rechtstreekse betrokkenheid bij enkele voorfinancieringen van de aanschaf van winstvennootschappen, in elk geval die van Egg en Eg II.

[naam medeverdachte 4] moet dus hebben geweten dat er geen sprake was van een reëel voornemen tot exploitatie van de in de belastingaangiften gepresenteerde immateriële activa. Bijna alle liquide middelen werden immers na aankoop van de winstvennootschappen aan de hand van de hem bekende verdeellijsten aan het vermogen van de winstvennootschappen onttrokken en onderling verdeeld, terwijl [naam medeverdachte 4] bovendien wist - door zijn werk aan de dure kortlopende leenovereenkomsten met Widmer/Bank in Liechtenstein - dat Oxbridge ook overigens niet beschikte over vermogen van substantiële omvang. De immateriële activa hadden slechts een fractie van de waarde waarvoor zij waren opgevoerd in de boeken van de winstvennootschappen; er viel met andere woorden vrijwel niets (van enige waarde) te exploiteren.

Rest het hof nog te wijzen op de in de algemene bewijsoverwegingen reeds geciteerde verklaringen van Van Veen, Van der Bogt en Van Dieren omtrent de rol van deze tussenpersonen en de wijze waarop zij aan hun cijfermateriaal kwamen.

Indachtig ‘s hofs in hoofdstuk 1 getrokken algemene conclusies over de immateriële activa moet thans worden vastgesteld dat [naam medeverdachte 4] rechtstreekse bemoeienis had met het doel van de fraude, te weten het ledigen van de winstvennootschappen, en tevens betrokken was bij de frauduleuze handelingen om dit te verhullen, te weten het presenteren van gefingeerde afschrijvingskosten.

Onderdeel 3: Verklaringen

Het hof komt thans toe aan het bespreken van de verklaringen van betrokkenen, voor zover die als bewijsmiddel kunnen worden aangemerkt. Het hof herhaalt dat het de hier aangehaalde passages betrouwbaar en geloofwaardig acht, met name vanwege de steun die essentiële onderdelen ervan vinden in de hierboven besproken documenten.

Het hof vangt aan met het bespreken van de verklaringen van [naam medeverdachte 3]. Hierbij moet (nogmaals) uitdrukkelijk worden aangetekend dat het hof de inhoud van deze verklaringen voor zover hier weergegeven betrouwbaar acht, aangezien deze onderdelen in voldoende mate worden gestaafd door bewijsmateriaal uit andere bron. Het hof verwijst met name naar de hiervoor beschreven documenten en de na de verklaring van [naam medeverdachte 3] weer te geven verklaringen van [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 5], Shook en Williams.

Voorts bezigt het hof in het bijzonder de verklaringen van [naam medeverdachte 3] die hij heeft afgelegd ten overstaan van het hof, dan wel de – kort gezegd – Fiod-verklaringen die door hem van ‘clarifications’ zijn voorzien en aldus door hem alsnog – bij wijze van spreken - zijn geautoriseerd. De verklaringen die [naam medeverdachte 3] heeft afgelegd ten overstaan van het hof betreffen getuigenverklaringen van [naam medeverdachte 3] in de zaken van zijn medeverdachten. [naam medeverdachte 3] heeft ervoor gekozen om niet te verschijnen bij de behandeling van zijn eigen strafzaak en hij heeft dus als verdachte ten overstaan van het hof geen verklaring afgelegd. Bij monde van zijn raadsman heeft hij laten weten dat hij als verdachte blijft bij de verklaringen die hij als getuige heeft afgelegd. Het hof heeft de processen-verbaal houdende de verklaringen van [naam medeverdachte 3] als getuige in de zaken van de medeverdachten gevoegd in het dossier van de strafzaak tegen [naam medeverdachte 3].

De essentie van de handel in winstvennootschappen

In de eerste plaats wil het hof wijzen op de schriftelijke ‘Statement’ van [naam medeverdachte 3], zoals afgelegd ter zitting van de rechtbank van 23 september 2003. De inhoud ervan is geheel in lijn met de conclusies die het hof hiervoor reeds heeft getrokken. Uit bovengaande bescheiden leidt het hof af dat tot de personen die schuilgaan achter het persoonlijk voornaamwoord “we” dat [naam medeverdachte 3] in deze ‘Statement’ hanteert mede behoren: [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 4].

“As I believe I have already stated in my interviews with the FIOD, the focus of the Oxbridge Group was on doing cash-shell deals.

Cash-shells were explained tot me as companies that had a tax liability in them, as well as an amount of cash equal to that tax liability.

If you had an asset to put in a cash-shell company, you could depreciate on that asset, cancel the tax-liability, and take the cash out of the company. (...).

The only reason for the acquisition of the coal-rights, the silver mine and the zeolite claim, was to use these assets in the course of these tax-shell deals. We were not in the silver mining business. We were not in the coal mining business. We were in the cash-shell business.

The only purpose of the documents I have been questioned on, was to achieve the tax consequences we desired. These documents were designed for the sole purpose of introducing the assets into the company in order to allow the company to take the depreciation.

All this means that I cannot explain these documents from a regular business perspective, because there simply never was such a perspective in the first place. The asset transactions that are reflected in the documents were done for tax reasons, and for tax reasons only.”

Over deze schriftelijke statement heeft [naam medeverdachte 3] ter zitting van het hof op 7 juni 2006 zich als volgt uitgelaten:

“Aan de rechtbank heb ik op 23 september 2003 een schriftelijke verklaring (“statement”) overgelegd, welke ik van U begrijp als bijlage 1 aan het proces-verbaal van de zitting is gehecht. De tolk neemt deze verklaring nu met mij door. U vraagt mij of deze verklaring overeenkomstig de waarheid is, met name ten aanzien van de zinsnede, inhoudende dat de deals niet gingen over handel in energie maar om handel in cash-shells alsmede ten aanzien van de zinsnede dat de asset transacties zoals die zijn neergelegd in de documenten louter een belasting technisch doel dienden (‘for tax reasons only’). De verklaring op zich is wel correct.

“Wij” heeft ook betrekking op iets anders; namelijk “wij” die betrokken waren bij de cash shell business in Nederland. Als ik spreek over “wij”, dan bedoel ik Oxbridge en de andere individuen die daarbij betrokken waren. “Wij” zijn namelijk benaderd door de ABN AMRO Bank. Met “wij” wordt dan een groep van individuen en bedrijven, welke laatste op zich ook weer uit individuen bestaan, bedoeld die een gemeenschappelijk belang hebben dat hen bindt.”

[naam medeverdachte 3] heeft deze “Statement” dus niet herroepen bij gelegenheid van zijn verhoor ter zitting van het hof. Over de essentie van de handel in winstvennootschappen (“kasgeldvennootschappen”) heeft [naam medeverdachte 3] ter zitting van dit hof verklaard:

“U houdt mij voor mijn verklaring bij de rechter-commissaris op 26 juni 2003, blz. 5, vraag 10 en mijn antwoord daarop, waarin ik heb gezegd dat het ging om personen die in groepsverband optraden en daarbij heb ik [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] genoemd.

U vraagt mij of ik bekend was met het fenomeen kasgeldvennootschappen.

Ik wist daar niet veel van. Het concept van de cash shell company bestaat naar mijn weten niet in de Verenigde Staten. Ik begreep dat dergelijke vennootschappen bestonden in een paar landen in Europa waar grote entiteiten als de ABN AMRO Bank bedrijven kunnen kopen of bedrijven kunnen creëren en zodoende hun eigen cash shell bedrijven kunnen oprichten om voor eigen gewin te verkopen. De cash shell bedrijven hebben cash en dat is waar alle kleine bedrijven naar op zoek zijn. Cash staat kleine of grote bedrijven toe om assets te verwerven. Nu dat ik meer weet dan destijds, weet ik dat dergelijke assets kunnen worden afgewaardeerd (“depreciated”) en dat hiervoor zoiets kan bestaan als een “accelerated depreciation”. Sommige assets, zo werd mij verteld, kunnen door sommige bedrijven worden afgeschreven in 3 of 5 jaar. Dit ben ik te weten gekomen tijdens gesprekken met [naam medeverdachte 5], later met [naam medeverdachte 4] en weer later ook met Van Dieren van Arthur Andersen. Eind 1991 of begin 1992 heb ik hierover al gehoord van [naam medeverdachte 5].”

Het ontstaan van de samenwerking met [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] is door [naam medeverdachte 3] als volgt beschreven in zijn door hem becommentarieerde verklaring V1/06:

"I will start at the beginning. I met [naam medeverdachte 6], in the late seventies, early eighties, when I was working (…) in the real estate business in America. (..). Eventually I became President of that real estate company London & Manchester America, Inc.

This happened at a time when most real estate projects in America were financed by limited partnerships in cooperation with banks. It was hard to obtain credit in those days since the interest rates were high. I believe around 1986, London & Manchester in England did a reverse takeover of another UK property company and the company that evolved was Warringtons Plc. London & Manchester America, Inc. evolved into Growth Development Corp. (..). I was President of Growth Development, which had projects in Texas, Florida, Georgia and Tennessee. The company was also involved in property management.

Around 1988, Warringtons, Plc acquired Growth Development Corp for shares and cash. I stayed on as President of Growth Development and became a member of the board of Warringtons Plc in England. I worked with [naam medeverdachte 6] (…) for a very long time. (..).

In the early nineties, or late 1989, the London real estate market collapsed. Warringtons was having enormous financial problems in England. When Warringtons eventually collapsed, the result was that the financiers withdrew their loans. Consequently, Growth Development also ended up applying for bankruptcy reorganization under court protection..

Growth Development Corp. continued to exist in bankruptcy reorganization. (…).

In 1991, while Growth Development was operating in bankruptcy reorganization, I was looking for capital to lift it out of bankruptcy. I filed different reorganization plans with the Bankruptcy Court in attempt to restart the company. [naam medeverdachte 6] and I were working then to try and raise capital for the reorganization plan that had been filed with the court. We ultimately were not successful and Growth Development was eventually brought out of bankruptcy reorganization by a group from Zurich, Switzerland.

In 1991 or 1992, [naam medeverdachte 6] brought Mr. Bjorn [naam medeverdachte 5] from England to Texas so we could meet for a couple of days and look at how [naam medeverdachte 5] might assist in the bankruptcy reorganization.

To this end, we traveled from Texas to Georgia to look at the Port Armour project, one of the most beautiful golf projects in Georgia, the project I mentioned earlier.

[naam medeverdachte 5] fell in love with the project, just like everybody else, it was simply a wonderful project. We then decided to look for ways of financing the project. [naam medeverdachte 6] and [naam medeverdachte 5] returned to England at that point. As far as I am aware [naam medeverdachte 5] operated from England at the time. As far as I remember [naam medeverdachte 5] used the company First Nordic Finance exclusively. I would like to point out that I did not know [naam medeverdachte 5] that well at that point. [naam medeverdachte 6] had told me about [naam medeverdachte 5] and that they had been doing business in England.

Following the meeting in the US, I remained in Texas and they returned to England. We stayed in touch and continued to discuss financing real estate projects during the period of the early nineties. This was at the time of the Gulf War, and obtaining finance proved nearly impossible. Then we thought, maybe we can compile a portfolio of problematic projects. We looked in Sweden, as [naam medeverdachte 5] had contacts there, and also in England. We talked to project managers who were in dire straits with this sort of problem projects. We were hoping for bargains.”

Oxbridge wordt door [naam medeverdachte 3] als volgt geïntroduceerd in de door hem becommentarieerde verklaring V1/06. Oxbridge is begonnen als een ‘plankvennootschap’:

“I will give you an introduction to Oxbridge. Oxbridge I believe was incorporated 1991 or 1992. It was incorporated after I had met [naam medeverdachte 6] and [naam medeverdachte 5]. We jointly decided to incorporate Oxbridge Investments Ltd and I organized this through World Wide Trust The initial idea of Oxbridge was simply to investigate International business opportunities. The Bahamas was selected as the domicile because it is a tax haven. Monies that were earned by a Bahamian corporation were not taxable for [naam medeverdachte 5] and [naam medeverdachte 6] unless they brought their monies to the UK, as I believe they were both UK residents at that time. Intially Oxbridge was a dormant company in the Bahamas. I knew the trust company owner, so probably I was the one who initiated the incorporation of the company. I think I called John King, who was the owner of the World Wide Trust in the Bahamas. I believed I asked to reserve the name of Oxbridge Investments Ltd. for us. It was not secretive or illegal in any way, it was simply my job and I had contacts there. The name of the company Oxbridge was actually on the shelf and the established company Oxbridge was still dormant, inactive. The name Oxbridge appealed to us, it was a clever name.

I was appointed by the trust company as attorney-in-fact for Oxbridge and granted a power of attorney to open bank accounts and conduct business anywhere in the world outside of The Bahamas on my signature alone. No shares of stock in Oxbridge were ever issued to anyone. No one except me was a signatory on any Oxbridge account except I believe Salim Dangoor may have set up an Oxbridge account at his bank in Luxemburg.

Late 1991, early 1992, [naam medeverdachte 5] told me that we were going to have a look at companies that [naam medeverdachte 5] referred to as cash companies. I have to tell you that cash companies and the concept of cash companies do not exist in America. Tax laws in the US are very different. I therefore had no experience and knowledge at all about cash companies. [naam medeverdachte 5] explained to me that he had bought large cash companies in Sweden, and that he and [naam medeverdachte 6] had done a number of cash transactions in Sweden.

(..).

They explained to me that a type of cash company is basically merely a shell company. There did not have to be anything there, no buildings, fixtures, or anything. I was actually anxious to see this. I was anxious to see a cash shell company as I was from the real estate trade, and had never seen this type of company. I was anxious to see this because I needed new business just like everybody else.

(…).

After the summer of 1992, [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 5] and I got back together again to see if we could do any business. Not all of our conversations were about cash companies at that point, and, as I told you, I had yet to see a cash shell company.(…).”

[naam medeverdachte 3] over Oxbridge ter zitting van het hof van 7 juni 2006:

Het is juist dat Oxbridge onder het recht van de Bahama’s een offshore vennootschap was. Een dergelijke vennootschap heeft in het land van oprichting bepaalde fiscale voordelen zoals een zeer lage of geen belastingheffing. Dat geldt echter slechts onder de voorwaarde dat alleen buiten de jurisdictie van het land van oprichting activiteiten worden ontwikkeld.

Als getuige ter zitting van het hof van 7 juni 2006 heeft [naam medeverdachte 3] als volgt verklaard over de gang van zaken op weg naar de eerste transactie in een winstvennootschap:

“Kasgeldvennootschappen zijn aan de orde gekomen door het bedrijf van [naam medeverdachte 6] in Engeland. Als gevolg van de verslechterende onroerend goed markt in de Verenigde Staten en Engeland besloten [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] en ik met behulp van het netwerk van [naam medeverdachte 6] in de onroerend goedwereld in Engeland en [naam medeverdachte 5]’s netwerk in Zweden te zoeken naar vastgoedmogelijkheden in Engeland en Scandinavië. Daarvoor heb ik Oxbridge opgericht.

U vraagt mij dit toe te lichten. [naam medeverdachte 6] had uitgebreide contacten met de onroerend goed markt in Engeland. Er waren veel Zweedse onroerend goedbedrijven betrokken bij projecten die slecht presteerden in Groot-Brittannië en Zweden. Wij drieën hebben toen de mogelijkheden besproken om dit soort bedrijven te kopen. We zochten de financiën om een en ander te realiseren. Omdat de onroerende zaken van [naam medeverdachte 6] in het faillissement zaten, waren deze bedrijven uiteraard niet geschikt om nieuwe eigendommen of vennootschappen te verwerven. We hadden een nieuwe entiteit nodig om deze eigendommen “depressed properties” te kunnen aanschaffen. Aangezien [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] in Groot-Brittannië werkten en woonden, besloten we een offshore company op te richten. De persoonlijke belastingwetten in Engeland zijn vrij gunstig voor bedrijven of individuen die offshore geplaatst zijn. Ik kende een offshore trust company in de Bahama’s. Die heb ik benaderd. Ik weet niet meer of Oxbridge toen al bestond of dat Oxbridge toen is opgericht. Oxbridge kon in principe alles doen, want het stond als investeringsmaatschappij te boek. Het was vooral de bedoeling om uit de in zeer slechte toestand verkerende bedrijven de onroerende zaken te kopen. Ik neem aan dat we toen, eind 1991/begin 1992, wel gesproken hebben over energie, louter omdat ik uit Houston kwam. Met “we” bedoel ik [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 5] en ik. Oxbridge heeft geen vastgoed verworven. We hebben dat wel geprobeerd maar de markt was gewoon te slecht en werd almaar slechter. We hebben enorm veel eigendommen in heel Zweden en heel Engeland bekeken, maar de financiering woog niet op tegen de cash flow van die eigendommen. We hadden op dat moment niet het benodigde kapitaal om die bedrijven goed lopend te maken en daarop misschien 5, 10 of 15 jaar te wachten.

U vraagt mij naar de omvang van het eigen vermogen van Oxbridge in die tijd. Wij waren niet in staat de financiering rond te krijgen om deze eigendommen te verwerven omdat het te lang zou duren voor deze eigendommen winstgevend zouden worden.

Het was simpelweg lastig vast te stellen wanneer de depressie op deze markt zou eindigen. Oxbridge was begin 1992 een “1000-dollar” shell company. Dat is het kapitaal dat in de Verenigde Staten voor de meeste onroerend goed-bedrijven moet worden betaald.

Het idee om Oxbridge te kopen kwam van [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] en mij. Wij wilden met Oxbridge vastgoedprojekten gaan ontwikkelen in Europa. Dat is dus mislukt door de slechte situatie waarin de markt destijds verkeerde.

U vraagt mij wanneer het voor mij duidelijk was wat de bedoeling was van het verwerven van kasgeldvennootschappen, namelijk het afschrijven van ingebrachte rechten. [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] en ik waren op zoek naar mogelijkheden in de onroerend goed-sector. Financiering was het belangrijkste punt op de agenda, want als je een eigendom op het oog hebt moet je ook in staat zijn om het te kopen. [naam medeverdachte 5] zocht in zijn hoedanigheid van financier contact met iedereen die hij in de financiële wereld maar kende. [naam medeverdachte 5] werd vervolgens attent gemaakt op de handel in kasgeldvennootschappen. Die financiering werkte echter niet voor de vastgoedmarkt. Vervolgens gingen wij op zoek naar handel die wel op deze wijze, door middel van handel in kasgeldvennootschappen, kon worden gefinancierd. [naam medeverdachte 5] zei tegen mij dat ik moest gaan uitkijken naar andere assets en dat hij dan misschien in staat zou zijn kasgeldvennootschappen te vinden om zodoende aan het afschrijvingskapitaal te komen dat we nodig hadden.

Er was niet echt een plan. [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] en ik, waren drie individuen, ieder met een eigen bedrijf, en we bekeken de mogelijkheden om samen te werken en ideeën op te doen die uiteindelijk geld zouden gaan opleveren. Dat kunt U ons gemeenschappelijk belang noemen. Ik was redelijk succesvol geweest met de zaken die ik tot dan toe had gedaan, maar de markt waarin ik werkzaam was, verslechterde in de periode 1991/1992. Ik was dus op zoek naar andere mogelijkheden die geld zouden genereren

Door mijn relatie met [naam medeverdachte 6] kwam ik naar Europa op zoek naar mogelijkheden in de onroerend goed markt. Ik ging op zoek samen met [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] gebruikmakend van de contacten van [naam medeverdachte 5] in de financiële wereld en de contacten van [naam medeverdachte 6] in de onroerend goed markt.

[naam medeverdachte 5] bracht de mogelijkheid van handel in kasgeldvennootschappen ter sprake.

In de eerste plaats heeft [naam medeverdachte 5] mij uitgelegd wat een kasgeldvennootschap was. Vervolgens heeft hij mij uitgelegd wat er zou moeten gebeuren opdat Oxbridge een kasgeldvennootschap zou kunnen overnemen of verwerven. Ik kan me niet meer herinneren wat er 14 jaar geleden precies is gezegd.

Ik ben niet op zoek gegaan naar kasgeldvennootschappen. Ik ben in aanraking gekomen met kasgeldvennootschappen nadat [naam medeverdachte 5] contact had gehad met verkopers van twee kasgeldvennootschappen. Dit had betrekking op Anterra en Penn. [naam medeverdachte 5] werd door een Nederlandse groep die de ABN AMRO Bank vertegenwoordigde benaderd. Hij bracht mij daarvan op de hoogte. Ik geloof dat [naam medeverdachte 5] mij vertelde dat hij werd benaderd door een hem bekende advocaat en dat die advocaat was benaderd door een groep die de ABN AMRO Bank vertegenwoordigde.

Nadat ik het hoorde ben ik erover gaan nadenken. Ik wist wel dat je activa nodig had en contante middelen om activa te kunnen kopen.”

[naam medeverdachte 3] verklaart in het door hem becommentarieerde V1/06 als volgt over de eerste transactie:

It was during this time that [naam medeverdachte 5] came with a bit of news, through Swedish contacts of [naam medeverdachte 5]’s, that a Dutch-Swedish company, named Bayard, had a Dutch company for sale by ABN AMRO Bank.. I think his contact in Sweden was a lawyer named Janice Kjellberg. I do not remember whether she was at the first meeting. I did meet her on a number of occasions later on.

As far as I remember, the first meeting was at the office of [naam medeverdachte 5] at 10 Hill Street in London.

(…). Several people attended that first meeting. (…). The important issue here is that ABN was the seller and that made me a believer that these companies did in fact exist. This was the turning point in the whole concept to work with one of the biggest banks in the world in a tax related transaction.

During the meeting I heard the name Bayard for the first time, and the name of a second Dutch company, which I do not remember now. I also heard the name of ABN AMRO Bank as potential seller. (..).The people from Bayard offered the company for sale to Oxbridge, that is, if Oxbridge had the financial means to purchase the company. We discussed the purchase and sale of Anterra and Penn. [naam medeverdachte 5] chaired the meeting and Oxbridge was presented as the potential buyer.

I think there was another meeting, arranged on very short notice, since the opportunity for buying the company was there only for a very short time. There was very little time until the Company’s (Penn & Anterra’s) year end.

Oxbridge was simply a shell company, not a cash company. [naam medeverdachte 5] explained that we would be able to buy these two companies from ABN AMRO Bank using monies from his source, the same one that had been financing transactions for [naam medeverdachte 5] in the past. This was Salim Dangoor.I was told that Penn and Anterra had done a large bond issue for DAF and they were for sale. This sale would have allowed ABN to escape enormous tax burden on these two companies and ABN. Paul [naam verdachte] and Serge [naam medeverdachte 2] had visited with the tax inspector and had already received permission from the tax inspector to change the structure of these companies and the tax inspector allowed ABN to create two cash shell companies for sale and escape the tax and additionally to create a profit on their balance sheet.

The theory in this case I believe runs as follows: a company has money and owes tax. If you buy the company, and assets are contributed to the company, then there are ways of calculation. I assume we could call them accelerated depreciations. If those assets are contributed to the company and depreciations are made on those assets, then no tax is due. That was my understanding from the beginning. I cannot explain this in legal or accounting terms because I understand too little of it. [naam medeverdachte 5] had the knowledge and further explained that this was the way to look at the transaction from the buyer’s perspective. [naam medeverdachte 5] additionally explained to me, that from the perspective of the seller, the seller has a company for sale containing only cash and approximately 40% tax debt. The seller wants to sell the company and reduce the payable tax to a small sum, preferably nil.

[naam medeverdachte 5] explained these two theories to me.

I do not know if [naam medeverdachte 5] had seen a balance sheet of the two companies, Penn and Anterra. There seemed to be some confusion, as [naam medeverdachte 5] referred to the untaxed cash from the Dutch companies with a discount, while [naam medeverdachte 1] talked about an upcount. At this point, however, [naam medeverdachte 5] handled everything, with the help of [naam medeverdachte 6], because they had the knowledge and had done it before.

Shortly after the November meeting, I was in the US. On 9 December 1992, the transaction involving the acquisition of the Anterra and Penn companies was completed by Oxbridge. At the closing, the directors of Penn & Anterra resigned and I became the Managing Director and sole signatory for both companies. [naam medeverdachte 5] arranged the financing with Dangoor. Everyone knew that Oxbridge was a shell company.

The only thing that was important for everybody was whether Oxbridge would have the financial means to buy the two companies. That was actually the easy part, via Dangoor. [naam medeverdachte 5] calculated the quantity of assets that had to be contributed to the company. [naam medeverdachte 5] indicated that he simply had to find x amount of millions in assets that could be contributed to Anterra and Penn. No one cared what kind of assets would be contributed. At this point exploitation of assets was not yet under discussion.

[naam medeverdachte 5] introduced the assets for Anterra and Penn. He discussed with the Dutchmen. The assets had to be contributed before the end of the year. All talks at that point were between [naam medeverdachte 1] and [naam medeverdachte 5]. Bayard acted as an intermediary between the bank and Oxbridge, other than that they were not involved.

When the transaction was closed it turned out that [naam medeverdachte 1] would also be receiving a fee. [naam medeverdachte 1] handed over an invoice at the closing. It should be obvious that [naam medeverdachte 1], Bayards and [naam medeverdachte 5] (FNF) were all brokers in the transaction. [naam medeverdachte 6] was a consultant with FNF, [naam verdachte] was a consultant to the Bank and I represented Oxbridge.

I can show you that [naam medeverdachte 1], [naam verdachte] and [naam medeverdachte 2] personally received payments in bank accounts outside of the Netherlands. You see, there are pay instructions of every transaction in the files. I became paymaster, so everybody who wanted to be paid, sent me pay instructions.

I will mention [naam verdachte] as an example, I would transfer money on his behalf to an account with Havelet trust. There were more payments for [naam verdachte], but I am thinking of payments on behalf of [naam medeverdachte 2] now. I think those payments were made at the time of his trip to the Bahamas. [naam medeverdachte 2] visited the Bahamas twice. [naam medeverdachte 2] and [naam verdachte] both went to Club Med in the Bahamas. This is a holiday resort. [naam medeverdachte 2] went separately to the Bahamas with me. We signed a contract for the sale and purchase of Egg III. There would also have been payments during the time period that I traveled to Curacao at the request of [naam verdachte] and [naam medeverdachte 2]. I cannot remember any name of an account for [naam medeverdachte 2]. I do remember a payment for [naam medeverdachte 2] to a company in the United States. The other account was with a trust company in Curaçao, I think.

The paying out of money for fees and/or commissions was agreed before the transactions were concluded. Each time the amount of money to be paid was agreed beforehand. The payment of fees and commissions was based on percentages of the untaxed cash. There was a percentage that would be paid to the seller of the assets. This percentage varied. The first time that these assets were used, the percentage would be approximately 1 ¾ % of the untaxed cash. The second time the assets were used, the payment would be less than 1&¾ %. This percentage would drop to 1% or ¾% or even ½% if the assets were used multiple times. These percentages may not be exactly right, but the range would be something like this. Initially [naam medeverdachte 5] decided on the payments for the sellers of the assets. Later on [naam medeverdachte 4] would decide on the percentage.

Everybody always received a percentage of the untaxed cash. The subsidiaries of Oxbridge and American Energy also received a percentage, the idea being that they could operate for at least a year.

When talking about the Dutch group, I am referring to [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1] and [naam verdachte]. The only payments I recall making were to Havelet Trust and BFT Nederland.

I did not see [naam medeverdachte 2] that often. I would of course see him at the closing of the transactions and occasionally I would meet him privately. For the record, the only private meeting I had with [naam medeverdachte 2] was when he and I were in The Bahamas (...). [naam medeverdachte 2] was at the bank every day. [naam medeverdachte 2] was the key figure in all transactions for ABN AMRO Bank. All this would not have been possible without [naam medeverdachte 2]'s and ABN AMRO Bank’s full cooperation. There were many meetings with [naam medeverdachte 2]. When ABN AMRO Bank did not have any companies for sale, ABN created companies internally and capitalized them to create cash shell companies for sale to Oxbridge. The entire business was generated by ABN AMRO Bank’s ability to form, capitalize a company within the bank, hold it for one year and one day, then gain the tax inspector’s approval to sell it to Oxbridge, for example, the Egg companies.

Looking at the American Energy case as a whole, you have to say that the Dutch found us. I had never been to the Netherlands. The Dutchmen (Bayards) came to us with the cash companies from ABN AMRO Bank.”

Ter zitting van dit hof op 7 juni 2006 heeft [naam medeverdachte 3] verklaard over de eerste transactie:

Oxbridge was uiteindelijk in staat om de activa te verwerven en de financiering rond te krijgen. [naam medeverdachte 5] introduceerde me daartoe aan iemand die eigenaar was van een vennootschap die activa had en die bereid was activa te verkopen aan Oxbridge. Dat betrof Hard Paper. (…). U vraagt mij hoe Oxbridge deze acquisitie financierde als “1000 dollar company”. Het begrip “1000 dollar company” is in dit verband misleidend. Er is een verschil tussen het aandelenkapitaal en de waarde van een vennootschap. Oxbridge had inmiddels activa verworven, namelijk Hard Paper. De kasgeldvennootschap betaalde voor de activa. Dat het geld wat binnenkomt met de kasgeldvennootschap werd gebruikt om de in te brengen de rechten te betalen is waarschijnlijk ook besproken met [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5].

Ik ben door [naam medeverdachte 5] voorgesteld aan degene die de Hard Paper rechten bezat. Zijn naam is Raoul Kjellqvist. Ik weet niet hoeveel hij vroeg voor Hard Paper, ook niet ongeveer. Ik was van plan de aankoop van Hard Paper te financieren, op dezelfde manier waarop je andere activa financiert. Je neemt een lening en je krijgt daardoor contante middelen waarmee je een aankoop kunt doen. Ik weet niet hoeveel op dat moment op de bankrekening van Oxbridge stond. Dat was voor mij ook niet belangrijk want ik was een lening aangegaan om de activa te kopen. (…). De lening werd verstrekt door Salem Dangoor. Ik weet niet meer hoe groot die lening was. Dangoor vroeg een vorm van zekerheid (…). Ik weet niet wat de waarde van Hard Paper destijds was, ook niet bij benadering. Met een lening van Dangoor heeft Oxbridge Anterra en Penn kunnen kopen. Deze kasgeldvennootschappen waren te koop bij de ABN AMRO Bank en werden, zoals ik al zei, aangebracht bij [naam medeverdachte 5] via vertegenwoordigers van de ABN AMRO Bank.

U vraagt mij of Bayard de vennootschappen rechtstreeks kon leveren of dat daar assistentie van anderen voor nodig was. Er werd een koop-verkoop contract opgesteld. De cash werd overgemaakt van Oxbridge naar de ABN AMRO Bank. Er werd een notariële akte opgesteld en de vennootschappen werden overgedragen aan Oxbridge. Dit alles werd gedaan door Bayard of de ABN AMRO Bank, waarbij één van de twee werd geholpen door [naam medeverdachte 1] en zijn bedrijf. Ik heb [naam medeverdachte 1] ontmoet, ik denk in het kantoor van Bayard, en ik geloof dat hij het koop-verkoop contact heeft opgesteld. Ik kan me niet herinneren dat ik eerder dan bij de closing mensen van de ABN AMRO Bank heb ontmoet. Ik kan me niet herinneren dat [naam medeverdachte 1] mij vragen heeft gesteld over Oxbridge, dat zou overigens niet meer dan normaal zijn geweest. Op het moment dat de vennootschappen aan Oxbridge werden geleverd had ik de beschikking over de lening van Dangoor. Ik geloof dat ik met Robert Dangoor, een neef van Salem Dangoor, mede-ondertekenaar was van een rekening bij de ABN-AMRO Bank. Ik ben er zeker van dat [naam medeverdachte 1] of mensen van de ABN AMRO-Bank mij wel om documentatie hebben gevraagd over Oxbridge. Ik weet niet meer om wat voor documentatie het ging. In de periode rond de closing is kennelijk de door de bank gevraagde documentatie met betrekking tot Oxbridge opgemaakt en doorgegeven aan de bank of aan Bayard. Ik weet niet of die documentatie in die periode is opgemaakt. Als het beschikbaar was, zal het zijn verstrekt. Als er om gevraagd werd, zal het zijn opgemaakt. Als er in die periode een boekhouding zou zijn geweest van Oxbridge, weet ik niet wat daarin zou zijn aangegeven als de waarde van de activa van de vennootschap. Ik weet het niet. Als de bank er om gevraagd heeft en het opgemaakt is, moet het te vinden zijn in het dossier.

Voorafgaand aan de closing van de Anterra en Penn transactie, zijn door Oxbridge eerdere transacties verricht op de Bahama’s. Ik ben daar verder niet van op de hoogte. Ik was alleen bevoegd met betrekking tot transacties van Oxbridge buiten de Bahama’s. Oxbridge was immers een offshore company.

Oxbridge was in de periode rond de closing van Anterra en Penn geen lege huls. Oxbridge had toen een substantiële lening en activa verkregen. De lening was afkomstig van Salem Dangoor en de activa bestonden uit Hard Paper.

U vraagt mij of er enige zekerheid bestond omtrent de waarde van de Hard Paper activa. De rechten waren gewaardeerd. De waarde is te vinden in het dossier. Ik weet niet meer wat de waarde was.

Ik weet niet hoe groot de lening was die Dangoor verstrekte, ook niet globaal. Ik weet ook niet wat de looptijd van die lening was. Het ging om een zeer korte termijn dat weet ik wel. Ik was van plan de lening af te lossen met cash afkomstig van andere leningen of vennootschappen, dan wel door het uitgeven van een pandrecht op Hard Paper.

De closing van Anterra en Penn vond plaats bij de ABN AMRO Bank. Bij de closing waren naast mij aanwezig: [naam medeverdachte 2], Schrijvers, Mak (misschien met een collega), een notaris, verschillende mensen van de bank die in- en uitliepen onder wie de secretaresse van [naam medeverdachte 2] en een interne jurist. Ik heb de transactie-overeenkomst ondertekend namens Oxbridge. Ik was als enige gemachtigd namens Oxbridge op te treden.

Van alle door Oxbridge aangekochte vennootschappen zijn na de aankoop de namen veranderd in American Energy. Ik geloofde dat ik energie activa kon verwerven. Ik dacht dat Hard Paper een energie besparend product zou zijn en er in dat licht bezien goed bij zou passen.

De rechten van Hard Paper Oxbridge zijn door Oxbridge aan Anterra en Penn verkocht om de afschrijving te kunnen realiseren. Dat was aantrekkelijk omdat, als er geen afschrijving was meegenomen, er een belastingverschil was geweest.

In Anterra en Penn waren liquide middelen aanwezig die ik namens Oxbridge als aandeelhouder kon benutten. Als Oxbridge betalingen verrichtte was ik degene die daartoe opdracht gaf aan de bank. Ik was de enige die daartoe bevoegd was. Ik ontving maandelijks bankafschriften van de rekeningen van Oxbridge. Ik kon dus te allen tijde overzicht hebben in de financiële situatie van Oxbridge. Dat geldt ook voor de dochtervennootschappen. De lening bij Dangoor is direct afbetaald. Ik kan me niet herinneren wat na afbetaling van de lening aan middelen voor Oxbridge, Anterra en Penn overbleef.”

Over het vervolg verklaarde [naam medeverdachte 3] in zijn becommentarieerde versie van V1/06:

The transaction involving the acquisition of Kanaken and Boertien were slightly different. Wesselius Bank was involved in the sale and purchase of Kannaken. The Boertien transaction was private. It was sold by a private party, not by a bank. Both companies were then sold onward to Michael Cleverley, who changed the name to Computer Integration and formed a fiscal unit with the two companies and their subsidiaries.

I also received money. I was treated a little differently. I was in a slightly different category. I received a salary through KLE and a salary through Oxbridge. I believe I was paid by Oxbridge in the first years and by KLE later on. In addition, I could bill my expenses. The salary was minimal, but I had enormous perks. I was paid as part of Oxbridge. My house in England was being paid for and all my travels and expenses. I had a company credit card. In that way I was able to live comfortably. I had an apartment in England. In the years of 1992 to 1996, while serving as the Managing Director of American Energy, I had two different apartments, both of them in London. I did not have those apartments simultaneously but in succession. Oxbridge also paid for these apartments via transfers. I had an Oxbridge bank account in England. I was authorized on that account. I fed the Oxbridge account myself, from the Bahamas account of Oxbridge, most probably.

I agreed on this arrangement with [naam medeverdachte 5] and [naam medeverdachte 6]. I never received any monies directly from any company acquisition in The Netherlands. I received all of my funding from Oxbridge. I can find no evidence in my research that Oxbridge ever had an account in England. As far as my agreeing to “this arrangement with [naam medeverdachte 5] and [naam medeverdachte 6]”, [naam medeverdachte 5] and [naam medeverdachte 6] did not care how I got paid. They got paid direct after closing for their work with First Nordic Finance.

Everybody in the group was aware of the payment lists and how much was paid for the assets, the expenses and the fees. The fees and the expenses were large with those transactions. I had not opted for a fixed percentage of the cash. You may now understand more or less why I chose to have my compensation small in the form of salary and large in the area of expenses.

The first four transactions happened in quick succession, within 90 days. The fees of the Kanaken and Boertien transactions were not gigantic.”

Als getuige ter zitting van dit hof op 7 juni 2006:

“Na Anterra en Penn zijn door Oxbridge meerdere vennootschappen aangekocht, te weten: Interbaros, Rentafixe, Egg I en Egg II. De doelstelling van Oxbridge met de aankoop van deze vennootschappen was activa aan te schaffen en de Nederlandse bedrijven als holding bedrijven te hebben voor die activa (…). Dat de vennootschappen beschikten over liquide middelen speelde daarbij een belangrijke rol, evenals het feit dat tegenover de liquide middelen een belastingschuld stond.

U vraagt mij of de vennootschappen zijn aangeschaft omdat de inbreng van rechten zou meebrengen dat de materiële belastingschuld zou vrijvallen indien in die vennootschappen rechten zouden worden ingebracht waarop zou kunnen worden afgeschreven. Deze bedrijven hadden inderdaad een belastingschuld die ze verplicht waren te voldoen. Mij was door Nederlandse deskundigen inderdaad verteld dat de belastingverplichting zou vrijvallen als zou worden afgeschreven op de rechten die zouden worden ingebracht. Het lag in de bedoeling daarvan gebruik te maken.”

[naam medeverdachte 3] heeft onder meer over [naam medeverdachte 4] verklaard in zijn becommentarieerde versie van V1/06:

“But when [naam medeverdachte 4] came along with the coal rights, I got really interested in what I could get out of this. The initial fees and expenses with Anterra and Penn were large. [naam medeverdachte 5] and [naam medeverdachte 6] had advanced expenses and they of course had to be refunded.(…).

After the first four transactions were completed, [naam medeverdachte 4] came on board and introduced the coal rights. I knew [naam medeverdachte 4] from his law firm Chamberlain, Hrdlicka, White, Williams and Martin. I had known this law firm in Texas for many years. While I was having breakfast with one of the tenants in the 7500 San Felipo building, [naam medeverdachte 4] happened to be in the same restaurant having breakfast as well. This was right after the Boertien transaction in 1993. The person I was breakfasting with introduced me to [naam medeverdachte 4]. We made some small talk. I began trying to explain the situation with the cash companies. I discovered that [naam medeverdachte 4] was an expert in international taxes, specializing in tax avoidance. He was a chartered accountant and international tax lawyer and he specialized in tax law. He had created tax avoidance situations previously for ABN AMRO Bank using sale and lease back provisions involving airplane leases. I grasped immediately that [naam medeverdachte 4] obviously knew more than anybody involved in the transactions up to that point.(…). Shortly after meeting [naam medeverdachte 4] I felt that [naam medeverdachte 4] had everything that was needed. He had contacts with clients with assets and he had experience in this field. He told me something about his background and his knowledge about cash shell companies. He remarked me, "This is what I was born to do." He stated that he would never be able to do this, except in a country like the Netherlands, because they have the tax system in place that allows these companies to be exploited. My intention in stating that “[naam medeverdachte 4] came on board,” was to confirm that when [naam medeverdachte 4]’s client sold to Oxbridge the coal rights, [naam medeverdachte 4] became the legal counsel for Oxbridge. [naam medeverdachte 4] was certain that The Netherlands Tax Code leant itself exactly to these type of transactions where assets could be depreciated on an accelerated basis.

I subsequently introduced [naam medeverdachte 4] to [naam medeverdachte 6] and [naam medeverdachte 5]. They either came to Houston, or perhaps met while [naam medeverdachte 4] was attending a tax seminar in Europe, I do not remember.

When I met [naam medeverdachte 4], and [naam medeverdachte 4] had met all of the others ,[naam medeverdachte 4] took over the construction of introducing the assets to Oxbridge and the depreciation of those assets, with the assistance of the accounting firm, Arthur Andersen. Today I submit letters to you in which [naam medeverdachte 4] indicated how to sort out the transactions that had been completed previously. I am referring to the letters from 1996 from [naam medeverdachte 4] to [naam medeverdachte 5] and vice versa. From that moment on [naam medeverdachte 4] in fact took over from [naam medeverdachte 5].

[naam medeverdachte 5] did not have any problem with that, because [naam medeverdachte 4] introduced the large coal assets. [naam medeverdachte 4] used me in negotiating his fee. At first joined as a lawyer, but shortly afterwards, it was decided that he would become a kind of partner of in Oxbridge. His firm received a legal fee and [naam medeverdachte 4] himself received a percentage, in addition. [naam medeverdachte 4] never became a shareholder in Oxbridge nor did he have any signing rights for Oxbridge. His firm received substantial legal fees but [naam medeverdachte 4] spent a lot of personal time on the Oxbridge structure and he received privately fees in addition to his firm.

Over de betalingen uit de opbrengst van een transactie heeft [naam medeverdachte 3] verklaard in zijn becommentarieerde versie van V1/06:

The payment procedures at the closing of each transaction were based on actual invoices or on percentages of the untaxed cash.

First, there was the big discount or selling price charged by ABN AMRO Bank.

Second, there was an amount ranging from ½% to 1-3/4% of the untaxed cash, which was reserved for the seller of the assets. Then, fees and expenses like BFT, Arthur Anderson, lawyers, Havelet Trust, etc.

Third, an amount was reserved for the annual budget for Oxbridge and for the target company. This would have included a one-year operating budget and amounts for the pre-exploitation phase of the assets. Fourth, the balance of funds remaining, were then paid out as fees to [naam medeverdachte 4], Oxbridge, [naam medeverdachte 6] and [naam medeverdachte 5].

After the Boertien transactions, at the time of the initial introduction of the coal rights, I had to make a decision for the first time regarding my compensation. (…). After Boertien, a lot more money was involved. There were more cash shell companies from ABN AMRO Bank. The amount of assets needed became substantially larger. [naam verdachte] now enters the scene and is no longer in the background. [naam medeverdachte 4] now wanted to become a partner in Oxbridge with [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 3] and everyone else. Up to that point, the sums of money that had flowed to [naam medeverdachte 5] and [naam medeverdachte 6] and myself through Oxbridge had not been very large, only large expenses. Oxbridge never issued any shares of stock to anyone. Therefore, technically and legally, I cannot see how Oxbridge had any partners. Oxbridge essentially had one employee, [naam medeverdachte 3], who was the attorney-in-fact for Oxbridge.

(..). I decided to rearrange compensation that might have been due me to include more money to Oxbridge for me to have as living and general expenses and have a future stake in KLE by redirecting privately funds to [naam medeverdachte 4]. Ultimately, I felt I could become the beneficial owner of KLE. Up until that time, I would not have to claim large income as everything would be paid out of Oxbridge and/or KLE. The cash payments for the sellers of the assets also was paid through [naam medeverdachte 4]. I don't want to act the dumb countryboy and I will not claim that I did not receive anything. I felt I did the right thing by deferring my income through rights to KLE. I really did not want to wait until the next transaction involving cash companies, which might never come. As it turned out there were quite a few and they brought in a lot of money. I put a lot of money in the Oxbridge budget and that is why Oxbridge was able to continue to exist long after everything had ended.

No one spoke much about the assets or the value of the assets. This is true, but the reason being was that the assets had been valued and the value of the assets had been accepted by ABN AMRO Bank, and by Arthur Andersen.

The night before the transaction, there would always be a dinner at Krasnapolski or another restaurant. There it would be decided who would receive how much for what services for each transaction. Only on the day prior to a closing would the information about the exact amounts of cash in the company be available, as the accountants for the bank would have to do their interest calculations.

I would then travel to The Netherlands with [naam medeverdachte 4] and sometimes Williams and Shook. [naam medeverdachte 4] would discuss and arrange the normal business aspects of the sale and purchase contracts .[naam medeverdachte 4] and I would prepare a draft of the payment amounts. We would then give this draft to Hans [naam medeverdachte 1], [naam verdachte], [naam medeverdachte 5] and [naam medeverdachte 6]. Therefore, everyone knew the exact financial breakdown of each transaction. Everyone knew how much would be paid for the assets. It is true that everyone knew the financial picture. Each individual knew the price being paid for the company. Each individual knew the discount or fee the bank was charging. Each individual had presented their invoice for their fees for their services. It is true that the Sale and Purchase Agreement was always circulated among various individuals. What I meant to say in this paragraph with respect to the amounts of cash available is that I prepared a breakdown of the costs and expenses and fees to be paid and I presented that list to [naam medeverdachte 4] for him to look over normally while we were in the Office Center at the Krasnapolski during normal business hours. I would then go over that list with [naam medeverdachte 5] in the evening before we assembled for dinner. Normally, our dinners were attended by the foreigners (myself, [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] and sometimes Williams and Shook). I normally received an invoice from BFT and from Havelet the day before the closing.

The method of payments evolved historically. One thing was clear right from the start: the Oxbridge group trusted me. They trusted me with the money. I paid all expenses, I developed the budget with [naam medeverdachte 4], and I wanted to be sure that Oxbridge would be able to pay me, and there was always enough money to do so. Prior to [naam medeverdachte 4] assisting with the development of the budget for Oxbridge, [naam medeverdachte 5] assisted in developing a budget for Oxbridge. Initially, with the Anterra and Penn transactions, he suggested the system. That is how the system evolved where payments were tied to a percentage of the untaxed cash.

[naam medeverdachte 5] told you that he received 3% of the untaxed cash. I think he received more. I believe [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] and [naam medeverdachte 4] received more money than the Dutch.

After this system had evolved, [naam medeverdachte 4] then took over the division of the monies. I was the paymaster of the Oxbridge group. [naam medeverdachte 4] took over assisting with the overall budget for the sale and purchase of the companies and the introduction of the assets, etc. He had no role in the division of monies as monies were paid out for services rendered. (…).Budget lists were prepared by me with the assistance of [naam medeverdachte 4].

I asked Williams to supply "letters of reference". The reason being was that Serge [naam medeverdachte 2] asked me to produce letters of reference. These letters were standard letters of reference. Three letters state that Williams knows me and has known Oxbridge for a long time. All of that is correct. The fourth letter, mentioning the 75 million, was written knowing that Dangoor was in a position to deposit 75 million into Oxbridge's bank account on one day’s notice. Williams supplied letters of reference and these letters were requested by the Bank through BFT.

There still seems to be much confusion about the Williams letters. To the best of my recollection, they were requested by [naam medeverdachte 2] through [naam medeverdachte 1] to [naam medeverdachte 5] to me. The letters were just letters of reference. Three of the letters state that Williams has known me for years, that he has known King for years and that Oxbridge has an account with him. They state nothing more. One letter indicated that Williams was aware of a portfolio of 75 Million US. This refers to Dangoor’s money as it was interchangeable with Oxbridge at any time and he had more than 75 Million available at any time. I helped draft the letters with Williams at [naam medeverdachte 1]’s request.

You ask me if Williams was paid. Yes, but not directly for the letters. He mainly got his expenses paid and was allowed to travel to Amsterdam and had quite a few other nice trips abroad.

[naam medeverdachte 6] is [naam medeverdachte 5]'s partner. I believe they were partners in First Nordic Finance, Scania Land and perhaps UK Securities. Micondale belongs to [naam medeverdachte 6]. [naam medeverdachte 6]' role related to the contacts with the accountants, he supplied a lot of information to the accountants in preparing the tax returns.

I signed the corporation tax returns.(…).”

Over [naam medeverdachte 4] heeft getuige [naam medeverdachte 3] verklaard op 7 juni 2006:

Ik heb [naam medeverdachte 4] ontmoet in 1993 in Houston, Texas.

[naam medeverdachte 4] is een zeer goede fiscale jurist en accountant. Hij heeft de controle overgenomen over het vinden van activa voor Oxbridge. Hij heeft ook verschillende contracten opgesteld over de betalingen die wij ook hebben gebruikt voor de energie activa. Hij heeft voorts de verificatie gedaan van deze betalingsovereenkomsten en de promissory notes die deze betalingsovereenkomsten vergezelden, om de energie activa in Texas te kunnen verdelen over de verschillende vennootschappen en ook om deze te kunnen afschrijven. Hij was één van de pioniers in grote besloten vennootschappen en hij gebruikte die instrumenten in de partnership-overeenkomsten. Hij had cliënten die verschillende energie activa hadden en daarnaast ook andere activa. Op een zeker moment stelde hij deze energie activa voor aan Oxbridge. Hij was ook degene die vervolgens adviseerde over de verdeling van bepaalde rechten over de verschillende vennootschappen. Toen ik verklaarde dat hij de operationele leiding had overgenomen, had hij een enorme inbreng in de structuur, de acquisitie en de fiscaal technische planning van het bedrijf. Dat is wat ik in gedachten had toen ik aan hem refereerde als iemand die de operationele leiding had overgenomen.

U houdt mij de voorlaatste en laatste alinea van mijn antwoord op vraag 12 voor, onder meer inhoudende dat [naam medeverdachte 4] alle informatie ten behoeve van de boeken en de belastingaangiften van de dochtervennootschappen van Oxbridge voorbereidde en dat hij besliste of de boekhouding in orde was met een machtiging van de groep die bestond uit [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 4] en ik, alsmede dat hij gemachtigd was om onafhankelijk beslissingen ter zake van Oxbridge te nemen en dat de groep dan steeds achter hem stond. De Engelse vertaling van deze alinea is zeer verwarrend. [naam medeverdachte 4] was inderdaad degene die de informatie ten behoeve van de boekhouding en belastingaangiftes verzamelde. Ik weet ook dat hij soms concepten maakte. Ik denk dat hij die concepten vervolgens aan Van Dieren liet zien en deze met hem doornam. Uiteindelijk verzorgde Van Dieren of een andere accountant de aangifte. De aangiftes werden ingediend door Arthur Anderson.

Het is zeker zo dat [naam medeverdachte 4] ons van advies diende over de boekhouding en de aangiftes. Ik was wat dat betreft totaal afhankelijk van [naam medeverdachte 4]. Ik was er zeker van dat [naam medeverdachte 4] en Van Dieren het goed deden en heb daar geen moment aan getwijfeld.

U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat [naam medeverdachte 4] ook immateriële activa aanbracht die in de vennootschappen werden ingebracht en dat hij ook adviseerde over de verdeling van bepaalde rechten over de verschillende vennootschappen, kortom een fiscaal zeer complexe problematiek. U vraagt mij of u in dat licht moet begrijpen dat [naam medeverdachte 4] ook zeer nauw betrokken was bij het vervolg, namelijk de verwerking van de rechten in de boekhouding en het doen van belastingaangifte. Het is zeker handig als je al die dingen weet als je de aangifte invult. Ik leunde dus sterk op [naam medeverdachte 4] en ik denk dat hij op zijn beurt afhankelijk was van de Nederlandse deskundigen om de belastingaangifte op de juiste wijze te regelen.

Mijn beschrijving van de rol en werkzaamheden van [naam medeverdachte 4] in antwoord op vraag 12 en hetgeen we daaromtrent thans hebben besproken geldt in zijn algemeenheid vanaf zijn betrokkenheid bij Oxbridge vanaf 1993 en voor alle vennootschappen die vanaf 1993 zijn gekocht door Oxbridge.

De aangiftes werden voorbereid door [naam medeverdachte 4] en Van Dieren en ik ondertekende ze vervolgens.

Ik vertrouwde volledig op de beslissingen die [naam medeverdachte 4] nam over de wijze waarop de activa gebruikt zouden worden, de verwerking daarvan in de boekhouding en de wijze waarop op de activa werden afgeschreven. Ik tekende alles op basis van het advies dat ik kreeg van [naam medeverdachte 4] en (indirect) van Van Dieren. Zij waren de enigen die adviezen konden geven over deze onderwerpen. De concept-belastingaangiftes werden opgesteld door [naam medeverdachte 4] en door het belastingadvieskantoor Perfect Partners. Nadat deze aangiftes klaar waren in de laatste conceptvorm, bracht [naam medeverdachte 4] of iemand van Perfect Partners ze naar het kantoor van Arthur Anderson waar ze nog een keer werden beoordeeld en nagekeken. Daarna werden ze aan mij ter tekening gepresenteerd. Tot slot tekende ik die aangiftes dan.

U vraagt mij of ik in mijn correctie doel op het overzicht van betalingsprocedures dat ik in de derde alinea van blz. xvii heb beschreven. Dat klopt. Dat overzicht werd niet met iedereen besproken maar wel met [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5]. Ik maakte inderdaad de finale afrekening op zodat je weet wat waar en naar wie toegaat. Normaal gesproken liet ik dat vervolgens zien aan [naam medeverdachte 4] en vroeg ik hem of ik misschien iets was vergeten. Hoogstwaarschijnlijk deed ik dat ook wel eens met [naam medeverdachte 5] om er zeker van te zijn dat zijn tarief juist was opgenomen.”

De becommentarieerde versie van V1/08 bevat de volgende passage over [naam medeverdachte 4]:

“When [naam medeverdachte 4] joined the organization everything became more professional, more structured. I signed all contracts and agreements myself, including records the meaning of which I did not know, like the tax returns prepared by the tax consultants. I also signed complex contracts prepared by [naam medeverdachte 4]. [naam verdachte] and [naam medeverdachte 4] were the intellectual leaders of this group. I chiefly carried out work and attended to the general organization. This paragraph should read: When [naam medeverdachte 4] became the legal counsel to Oxbridge, the legal and tax structure became exact. [naam medeverdachte 4] prepared the sale and purchase agreements, the promissory notes and the assignments.”

[naam medeverdachte 3] heeft ter zitting van dit hof op 9 juni 2006 als volgt verklaard op vragen van het hof (vragen in rechtopstaand schrift):

Hof: Uit het dossier blijkt een andere gang van zaken. Er zijn wel degelijk afschrijvingen gedaan op zeoliet. Mij staat alleen een afkoopsom ter zake van Hard Paper rechten voor ogen. Het ging mij echter meer om de systematiek van betaling. Ik kom terug op die “step up in valuation” waarover [naam medeverdachte 4] had gesproken. U zei dat Wisenbaker het allemaal mooier had voorgesteld dan het werkelijk was. Feit blijft echter dat Oxbridge niet meer dan $ 1 miljoen heeft betaald aan Wisenbaker voor de aandelen in GR Industries (in welke vennootschap de rechten op de winning van zeoliet zaten) en dat American Energy Mining 69 miljoen gulden heeft betaald voor een deel van de rechten op de verkoopopbrengst. Is dat dan zo een “step up” in waardering, waar u en [naam medeverdachte 4] het over hadden?

[naam medeverdachte 3]:

“Als de vraag is of de activa werden aangeschaft voor een prijs en werden geherwaardeerd voor een echte marktwaarde en vervolgens verkocht voor die “fair market value”, dan zou ik dat inderdaad omschrijven als een “step up valuation”. In het geval van zeoliet was ik in de veronderstelling dat die acquisitie werd geannuleerd en dat daarvoor een bedrag was betaald aan Wisenbaker.”

Hof: U zei net dat Wisenbaker het allemaal te mooi had voorgesteld met die zeoliet, vandaar het terugdraaien van die transacties, maar dan nogmaals, ik constateer dat Oxbridge één miljoen dollar heeft betaald voor de aandelen. En u zei dat het allemaal te mooi was voorgesteld. Hoe kom je dan tot een “step up”, een herwaardering op 69 miljoen gulden, terwijl het eigenlijk niet bleek mee te vallen, maar juist bleek tegen te vallen met de waarde van die zeoliet?

[naam medeverdachte 3]:

“U heeft de vraag al beantwoord. Wisenbaker schetste een beeld aan [naam medeverdachte 4] dat niet juist bleek te zijn. Een onafhankelijke waardering van de zeoliet gaf uiteindelijk het beeld dat het allemaal niet zo schitterend was.”

Hof: We laten dit punt verder rusten. Het is het hof nu in elk geval duidelijk wat u bedoelde met een “step up valuation”.

[naam medeverdachte 3]:

“Ja, wat ik bedoelde was activa kopen voor prijs A en daarna een deskundige een herwaardering laten uitvoeren van die activa, en vervolgens die nieuwe waardering in de boeken invoeren.”

Gareth [naam medeverdachte 6] heeft bij proces-verbaal van 24 september 2001 onder meer het volgende verklaard .

"(…). Oxbridge betaalde mij commissie. Dat waren geldbedragen. (..). Als er een Oxbridge transactie werd afgesloten in Nederland kreeg ik een deel van de opbrengsten van de transactie, een commissie. (…). Ik werd betaald door Oxbridge, door Fay [naam medeverdachte 3]. Ik stuurde geen facturen, ik kreeg geen cheques. (…). Ik geloof dat ik tussen de 1 of 2 miljoen dollar heb ontvangen van de Oxbridge transacties in Nederland.

(…).

Ik zag in Zweden veel mogelijkheden. Rond die tijd sprak ik [naam medeverdachte 3] weer. [naam medeverdachte 3] zei dat hij mij kon helpen. Dat was in 1991/1992. Björn (hof: [naam medeverdachte 5]), Fay (hof: [naam medeverdachte 3]) en ik zijn het land in Zweden gaan bekijken. We hebben diverse transacties bekeken. Uiteindelijk kwam Fay niet met het geld.

Ik had allemaal vastgoedtransacties gedaan in Engeland. Ik heb een firma opgericht genaamd Scania Land om deze zaken in te doen.”

(In maart 1992 is Scania Land opgericht. [naam medeverdachte 5] heeft verklaard dat Scania Land is opgericht door [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 3] om Zweeds onroerend goed te kopen. Wat weet u over deze firma, kent u de connecties met Oxbridge? Wat is uw connectie met Scania?)

"Wat [naam medeverdachte 5] heeft verteld is waar. Scania is opgericht om Zweeds onroerend goed te kopen. Oxbridge was de aandeelhouder. Het idee was dat Fay de financiering zou doen. Ik zou de projectontwikkeling doen. Björn zou de transacties aanbrengen of zoeken. De directeuren van Scania waren [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 3] en ik. Scania is zelfstandig begonnen. Naderhand werd Oxbridge een aandeelhouder.

(…).”

(Had u enige bemoeienis met UK Securities en First Nordic Finance Ltd? Kunt u enige uitleg geven omtrent uw activiteiten voor deze firma’s? En wie waren de uiteindelijke aandeelhouders en directeuren?)

“UK en FNF waren Björn’s firma’s. Björn runde die. Ik weet dat Salim Dangoor een van de personen is die betrokken is bij UK en FNF. Dangoor leverde Oxbridge het geld om de Nederlandse firma’s te kopen. (…). Toen mijn kantoor naar 10, Hill Street verhuisde, huurden wij alleen een ruimte in het souterrain. [naam medeverdachte 5] sprak niet zo goed Engels. Er zaten verschillende firma’s op dit adres. (…).”

(Getoond: D/229, een memorandum waarin op de eerste pagina valt te lezen: “In april 1992 kwamen de heer Gareth [naam medeverdachte 6] en de heer Björn [naam medeverdachte 5] van First Nordic Finance naar Houston, Texas, om de heer [naam medeverdachte 3] te ontmoeten en lege kasgeld vennootschappen in Holland te bespreken.” Hem gevraagd door wie dit memorandum is opgesteld.)

“(…). Ik ben diverse keren naar Houston geweest, maar ik weet niet wanneer. Als we naar Houston gingen dan was dat, lijkt me, om te bespreken hoe dingen moesten worden gedaan met betrekking tot de Oxbridge organisatie. Joe [naam medeverdachte 4] begon met de kolen, omdat hij mensen kende van de kolen. Ik heb besprekingen gevoerd met [naam medeverdachte 3] over die kolen. Toen naar Houston ging ik gewoon mee. Ik kwam vaak in de Verenigde Staten om geld te verdienen met vastgoedtransacties.

Fay heeft mij aan [naam medeverdachte 4] voorgesteld. Ik ben nooit bij [naam medeverdachte 4] op kantoor geweest. Ik ben wel bij Fay op kantoor geweest, San Felipe 750. San Felipe was een van de Growth Development transacties. Fay hield daar een klein kantoor aan voor Oxbridge, het was een suite.”

(Wie heeft u wanneer ontmoet in verband met Oxbridge?)

“Wat Oxbridge betreft heb ik in hoofdzaak Fay en Joe ontmoet. De transacties zouden volgens mij niet hebben kunnen plaatsvinden zonder [naam medeverdachte 4]. Joe was het brein van de Oxbridge organisatie. [naam medeverdachte 4] was een belastingexpert en hij wist van die kolen. [naam medeverdachte 3] organiseerde dingen.

(…).

Op een zeker moment moet ik David Williams aan Fay [naam medeverdachte 3] hebben voorgesteld. Fay en David Williams zijn hele goede vrienden geworden. We probeerden fondsen te werven voor Growth en misschien dat dat de reden is geweest om contact op te nemen met David. Ik meen dat David bij Paine Webber zat als directeur, later is hij naar Prudential gegaan en daarna naar Oppenheimer. (…).Doug Shook is een advocaat. Shook is het hulpje van Fay.

In Nassau, op de Bahama’s, heb ik John King ontmoet. King was de beheerder van Oxbridge. Ik heb een keertje geluncht met Fay en King op de Bahama’s.(…).

[naam medeverdachte 5]’s rol in de Oxbridge organisatie bestond uit het vinden van transacties, firma’s waarbinnen de kolenrechten zouden passen. [naam medeverdachte 5] kende veel mensen in Europa. [naam medeverdachte 5] kende al die jongens, zoals Bayard, [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte]. [naam medeverdachte 5] gebruikte zijn contacten om firma’s te zoeken.

(…).

(Over Fay Lee [naam medeverdachte 3]: Hoe kent u [naam medeverdachte 3]? Wat kunt u ons over [naam medeverdachte 3] vertellen? Waaruit bestaat [naam medeverdachte 3]s betrokkenheid bij Oxbridge Investments Ltd? Is [naam medeverdachte 3] één van de economische eigenaren van Oxbridge Investments Ltd, of ontving hij een deel van de winst over een transactie?)

“Ik heb al verteld hoe ik [naam medeverdachte 3] heb ontmoet. [naam medeverdachte 3] is een attorney in fact. (…). [naam medeverdachte 3] was een beheerder voor Oxbridge. [naam medeverdachte 3] ondertekende de belastingformulieren en de contracten. Fay kon niets doen zonder [naam medeverdachte 4]. [naam medeverdachte 4] maakte de contracten voor de Oxbridge transacties en aankoop van de rechten. [naam medeverdachte 3] had zonder twijfel [naam medeverdachte 4]’s advies nodig. Ik heb gehoord dat de eigenaren van de kolen een jaarlijkse vergoeding kregen. (…).

U vertelt mij dat Williams u heeft verteld dat er na iedere transactie “geld werd verdiend”. Ik denk dat dat zo is, het geld ging naar Oxbridge. (…). Ik of Björn moet degene zijn geweest die Fay bij de Nederlandse jongens heeft geïntroduceerd. Die introductie is geweest in de tijd dat wij begonnen met onze projectontwikkeling- en vastgoedbusiness.”

(Williams heeft verklaard: “[naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] hebben [naam medeverdachte 3] bij de Nederlandse jongens geïntroduceerd. Fay was de organisator, hij stelde een team samen, met o.a. directeuren en investeerders. De oorspronkelijke ideeën zijn ontwikkeld door [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5], zover ik weet, en zij hebben Fay gebeld." Naar zijn commentaar gevraagd.)

“Dat is waar. Ik heb Fay aan de Nederlandse jongens voorgesteld. (…). Na iedere Oxbridge transactie in Nederland kreeg ik wat geld van Fay. (…). Ik kreeg gewoon een geldbedrag. Ik ontving het geld kort na een Oxbridge transactie. In het begin kreeg ik wat meer geld dan op het einde. (…). Ik probeer te bedenken hoeveel geld ik heb gekregen, maar ik denk dat het een bedrag van één of twee miljoen US dollars is geweest, gedurende die periode. Ik ontving dit geld op de rekening van mijn trust op de Bahama’s.

(…). Ik ontving gewoon een deel van de winst over de Oxbridge transacties in Nederland.”

(…).

(Over Björn [naam medeverdachte 5]: Wat kunt u ons over [naam medeverdachte 5] vertellen? Waaruit bestaat [naam medeverdachte 5]s betrokkenheid bij Oxbridge Investments Ltd? Is [naam medeverdachte 5] één van de economische eigenaren van Oxbridge Investments Ltd, of ontving hij een deel van de winst over een transactie?)

“[naam medeverdachte 5] moest op zoek gaan naar de transacties. Ik heb het met [naam medeverdachte 5] niet over het honorarium gehad. [naam medeverdachte 5], Fay en Joe [naam medeverdachte 4] zijn naar de Bank in Liechtenstein geweest. De financiering bij de Bank in Liechtenstein is gedaan met Peter Widmer, [naam medeverdachte 5], Fay en Joe.”

(…).

(Over Joseph R. [naam medeverdachte 4]: Hoe kent u [naam medeverdachte 4]? Wat kunt u ons over [naam medeverdachte 4] vertellen? Waaruit bestaat [naam medeverdachte 4]’s betrokkenheid bij Oxbridge Investments Ltd? Is [naam medeverdachte 4] één van de economische eigenaren van Oxbridge Investments Ltd, of ontving hij een deel van de winst over een transactie?)

“Ik heb al verteld hoe ik [naam medeverdachte 4] heb leren kennen. Ik neem aan dat [naam medeverdachte 4] geld ontving, want hij was het brein. Hij had het plan verzonnen om Europese firma’s met winst te gebruiken en de verliezen van de kolenrechten te gebruiken. [naam medeverdachte 4] is een internationaal fiscaal jurist. [naam medeverdachte 4] ontving het geld op zijn advocatenkantoor Chamberlain & Hirdlicka. (…).”

(Kunt u de mensen van de Oxbridge organisatie noemen, in volgorde van belangrijkheid, en hun rol binnen de organisatie beschrijven? Bijlage D/551 getoond en gevraagd naar zijn commentaar.)

“[naam medeverdachte 4] en (…) waren het brein van de organisatie, dus het is juist dat u hen boven aan uw stroomdiagram hebt gezet. [naam medeverdachte 3] is er voor het werk en de organisatie in Oxbridge. (…). In het midden hebt u [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] gezet. Onze rol was mensen aan elkaar voorstellen en [naam medeverdachte 5] regelde de financiering van de transacties.

Ik geloof dat de mensen op de juiste positie/plaats zijn neergezet. Het komt overeen met de rol van de mensen zoals ik die heb beschreven.(…). Ik ben het met u eens dat de ideeën voor en de aankoop van de rechten van de Amerikaanse kant van de organisatie kwamen. De Nederlandse kant, en [naam medeverdachte 5] en ik, waren verantwoordelijk voor de Nederlandse firma's en de financiering van de transacties.”

(Kunt u uw eigen rol binnen deze organisatie beschrijven? Kreeg u instructies, of gaf u zelf instructies aan leden van de organisatie?)

“Mijn enige rol was het contact tussen Fay [naam medeverdachte 3] en de Nederlandse jongens. Ik kreeg instructies. Als Björn en Fay mij vroegen iets te doen, dan deed ik dat. Met [naam medeverdachte 4] had ik niet veel te maken, hij was te slim voor mij. (…).”

(Wat wist u van de plannen van Oxbridge om Nederlandse firma’s met een groot eigen vermogen te gebruiken? Wie had het idee ontwikkeld om firma’s met een groot eigen vermogen te kopen? Heeft iemand u een businessplan laten zien?)

“Ja, Oxbridge was op zoek naar firma’s met een grote winst. (…). Ik heb nooit een businessplan van Oxbridge gezien. U toont mij bijlage D/13. Ik heb deze documenten gezien, maar dat is geen businessplan. Het enige dat ik heb gezien, in het bijzonder van de kolen, waren de cijfers. Ik weet van de olie-leases en de brochures van Hard Paper heb ik gezien. [naam medeverdachte 3] vertelde mij dat deze constructies zouden worden gebruikt om de winst bij de American Energy firma’s te verkleinen.”

(…).

(Wat kunt u ons vertellen over de aankoop door American Trading BV van Kentucky kolenrechten?)

“Ik herken mijn handtekening. Dit was het activum dat in de Nederlandse firma werd ingebracht. Ik herinner mij document D/6. Dit document D/6 is opgesteld door Joe [naam medeverdachte 4]. De aankoop van de Kentucky kolenrechten was iets dat Fay [naam medeverdachte 3] en Joe [naam medeverdachte 4] hadden besloten. Ik teken voor American Energy, maar ik ben geen directeur van American Energy. Ik was een directeur van Interbaros, American Energy Trading. Waarom heb ik niet voor Interbaros getekend? Het slaat nergens op dat ik namens American Energy teken.

(…).

(Wie heeft besloten om de Kentucky kolenrechten te verkopen aan American Energy Resources NV (Rentafixe)? Wie bepaalde de aankoopprijs? Hoe kwam het dat de aankoopprijs voor American Energy Resources NV gelijk was aan de aankoopprijs voor American Energy Trading BV (Interbaros)?)

“Het besluit om de kolen aan Rentafixe te verkopen moest door Fay en Joe worden genomen, neem ik aan. Ik heb het besluit niet genomen, ook al was ik een directeur van American Energy Trading. Fay zei tegen mij dat ik mij niet druk moest maken over het feit dat wij geen kolen produceerden, want als we de Cyprus Amax transactie zouden krijgen dan zouden wij daar geld genoeg voor hebben. (…).”

(Getoond: D/56, een brief d.d. 3 maart 1995, van Drs. A.P. van der Bogt RA aan First Nordic Finance Ltd Gareth [naam medeverdachte 6]. Waarom had u contact met de heer Van der Bogt? In welke hoedanigheid had u contact met Van der Bogt en wat heeft u met Van der Bogt besproken?)

“Ik weet niet waar Van der Bogt vandaan kwam. Fay zal mij waarschijnlijk hebben gevraagd om dingen voor hem te regelen, vanwege de geografie. Het was voor mij gemakkelijker dan voor Fay. Ik deed alles om te helpen. Waarschijnlijk knapte ik het vuile werk van Fay op door Van der Bogt te ontslaan.”

(Getoond: D/51, een brief d.d. 1 maart 1995, van First Nordic Finance Ltd Gareth [naam medeverdachte 6] aan Shaak Joling, Perfect Partners, met daarin verwijzingen naar olievelden in Illinois, USA. Van wie had u deze informatie gekregen?)

“U vertelt mij dat Shook mij toen niet kende. Maar ik ben er 100% zeker van dat Shook de papieren van olie-leases heeft opgestuurd. Ik weet nog goed dat deze stapel papier van Shook kwam, want ik ben de papieren kwijtgeraakt en toen moest ik Shook vragen om ze nog een keer te sturen. Hij was daar woest over, want het was een grote stapel papier en hij moest ze weer bij elkaar verzamelen.”

(…).

(Op 11 september 1996 kocht de Oxbridge-firma American Energy Trading BV een firma genaamd Egg II BV van een dochteronderneming van ABN/AMRO Bank. Bent u betrokken geweest bij besprekingen/onderhandelingen inzake deze aankoop? Zo ja, met wie en wat was uw rol bij de besprekingen/onderhandelingen?)

“(…). Ik zal wel bij de lunch zijn geweest.(…). Ik geloof dat de Egg transacties een soort formule werden. Het was hetzelfde als de jaren daarvoor. Als er niets was veranderd dan zouden ze er tot op heden mee door zijn gegaan met Egg IX of X. “

(Heeft u, of een firma van u, enige vergoeding ontvangen in verband met het werk dat u heeft uitgevoerd inzake Egg II?)

“Ik heb hiervoor een vergoeding ontvangen, maar ik weet niet meer hoeveel. Ik zal het nakijken.”

(…).

(Williams heeft verklaard: “Ik geloof dat de gelden zijn overgemaakt de dag nadat de transacties waren afgesloten. Ik geloof dat het soms naar Micondale is gegaan. Ik heb [naam medeverdachte 4]’s betalingsopdrachtenoverzicht gezien, met daarin bankgegevens, bedragen en initialen, ik geloof van de mensen die geld ontvingen. I weet niet wie het geschreven had. Het overzicht was met de hand geschreven. De precieze initialen en bedragen kon ik niet lezen.” En gevraagd naar zijn commentaar)

“Er zal vast een overzicht zijn geweest van wie welk bedrag kreeg. Ik heb gezien dat Fay en Joe bezig waren een overzicht van betalingen uit te werken. (…).”

David John Williams III heeft op 31 januari en 1 februari 2001 het volgende verklaard:

Fay [naam medeverdachte 3] was de eerste persoon die met mij sprak over de deal in Nederland. In die tijd ontmoette ik Fay en [naam medeverdachte 4] bij Fay thuis in Houston, waarschijnlijk omstreeks 1991. Oxbridge verwierf aanzienlijke kolenrechten in Kentucky. [naam medeverdachte 4] legde uit hoe de deals werkte en legde de technische details van de deals uit. [naam medeverdachte 4] legde uit hoe ‘tax shelters’ werkten, vroeger in de VS; nu wilden ze die in Europa gebruiken.

Fay moest alles organiseren. Hij moest voor het team zorgen, de directeuren benoemen en voor investeerders zorgen. De aanvankelijke ideeën kwamen van [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5], voor zover ik weet, zij belden Fay. Fay en Joe vroegen van tijd tot tijd om mijn hulp. Mijn taak bestond uit het opstellen van aanbevelingsbrieven. Fay dicteerde de inhoud van deze brieven aan mij, en voorzag mij van de namen en adressen waar deze brieven heen gezonden moesten worden.

(..).

Gedurende een vliegtuigvlucht met [naam medeverdachte 4] probeerde [naam medeverdachte 4] mij uit te leggen hoe de deals werkten. [naam medeverdachte 4] had schema’s en documenten waarop de Nederlandse bedrijven en de Amerikaanse kolenrechten te zien waren, en hoe deze ingezet werden om een belastingverplichting te bestrijden.

[naam medeverdachte 4] bracht de technische expertise in de groep.

Ik heb de lijst met overboekinginstructies van [naam medeverdachte 4] gezien, deze lijst bevatte bankinformatie, bedragen en initialen, ik dacht van de personen die geld ontvingen. De lijst was met de handgeschreven. Ik kon de exacte initialen en bedragen niet zien.

[naam medeverdachte 5]s rol was de Amerikanen en de Nederlanders bij elkaar te introduceren. Hij had enige ervaring met lege kasgeldvennootschappen in Zweden.

Fay [naam medeverdachte 3] als schriftelijk gevolmachtigde is de coördinator van de Oxbridge organisatie.

[naam medeverdachte 5] was echt belangrijk voor de Oxbridge organisatie, omdat hij degene was die Dangoor en Widmer introduceerde, de twee financiers. Hij was de aanvankelijke contactpersoon. Niemand kon in het begin voor het vele geld zorgen dat ze nodig hadden voor de aankoop van de ondernemingen. [naam medeverdachte 5] had contacten die dat geld konden lenen.

[naam medeverdachte 6] belangrijkste rol voor de organisatie was dat hij zorgde voor de eerste contacten tussen [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 3] (de Amerikaanse kant). Hij is van de deals op de hoogte.

Ik heb de mensen van de Oxbridge organisatie, zoals [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 3], [naam verdachte], nooit horen spreken over de werkzaamheden ten aanzien van het winnen van de kolen. Op een keer lieten zij [naam medeverdachte 6] achter in Amsterdam om het papierwerk te regelen. Ik hoorde dat Fay kwaad op hem werd omdat hij zijn papierwerk niet op tijd af kreeg. Het papierwerk was het belangrijkste onderdeel na de deal, dat moest geregeld worden. Na de deals heb ik hen nooit over een vervolg horen praten. Alle vervolg gesprekken gingen over de volgende deal, na het sluiten van een deal, werd er over die desbetreffende deal nooit meer gesproken.

[naam medeverdachte 3] was de schriftelijk gevolmachtigde van Oxbridge. [naam medeverdachte 3] vertelde mij dat hij een salaris ontving, ik weet niet door wie of hoeveel. Boven zijn salaris ontving hij, dacht ik, een bonus.

[naam medeverdachte 4] is één van de topmensen in de Oxbridge organisatie. Naar mijn mening is [naam medeverdachte 4] het technisch brein van alle operaties. Hij is op de hoogte van de Europese fiscale wetten en kan de mazen in de fiscale wetgeving vinden. Hij is een belangrijke partner bij een gerespecteerd advocatenkantoor in Houston, Texas.

Hij is zo slim als wat, zeer intellectueel. Fay is er om een team samen te stellen, want dat kon Joe niet. [naam medeverdachte 3] was de regelaar, als er iets afgemaakt moest worden dan was [naam medeverdachte 3] de man waar je moest zijn om alles geregeld te krijgen.

Ik weet zeker dat Peter Widmer bij de Egg I en Egg II deals aanwezig was. Bij Rentafixe deal was Dangoor aanwezig. Dangoor vroeg woekerrente voor het lenen van geld, daarom was hij vervangen door de Liechtenstein Bank. Liechtenstein was de opvolger van Dangoor. Liechtenstein rekende gunstigere tarieven. Dangoor vroeg enorme bedragen aan rente. Dat wist iedereen binnen de Oxbridge groep. Ik weet zeker dat Widmer bij de Egg I en Egg II deals aanwezig was, omdat hij naast mij zat en klaagde dat iedereen zat te roken. In 1996 was Widmer absoluut aanwezig.”

Douglas Shook

Het hof heeft eveneens tot het bewijs gebezigd de verklaringen van Douglas Shook. Al eerder is overwogen dat deze verklaringen, voor zover afgelegd in 1999 en 2000, getuigen van specificiteit en gedetailleerdheid op punten van zowel zaken als personen en dat zij in veel gevallen kunnen worden gestaafd met documenten. Het hof heeft verwezen naar verklaringen van Shook in de algemene bewijsoverwegingen. Thans volstaat het hof met het aanhalen van relevante uitlatingen.

Op 21 oktober 1999 heeft Shook verklaard:

“[naam medeverdachte 4] stelde alle overeenkomsten op inzake betaling voor produktie, en documenten betreffende de delfstoffen activa. Al deze overeenkomsten bevatten termijnen die de looptijd van de overeenkomsten bepalen, daarmee bepalen ze het bedrag van de afschrijving dat wordt opgegeven bij de Nederlandse belasting aangiften.

Er is nooit sprake geweest van het ontginnen van delfstoffen activa. Voor zover hij weet is geen van de delfstoffen activa die [naam medeverdachte 3] (Oxbridge) bezit ooit werkelijk actief in bedrijf geweest.

Hij wist dat [naam medeverdachte 4] het merendeel van de documenten had opgemaakt die door de Belastingdienst waren opgevraagd. Hij wist dat de documenten gebruikt werden om de belastingaangiften bij de Belastingdienst te doen. Hij wist ook dat de transacties die in de documenten werden beschreven wat betreft het eigenlijke delven nooit hadden plaatsgevonden. Tijdens een van de gesprekken vroeg de Belastingdienst of er ooit mijnbouw plaats vond, of dat er enig inkomen was voortgekomen uit de delfstoffen belangen. Zijn antwoord was ontkennend.”

[naam medeverdachte 5] heeft bij proces-verbaal van 4 juli 2001 het volgende verklaard:

“Ik ken alleen [naam medeverdachte 3] als de man van Oxbridge. (…) [naam medeverdachte 4] is de scherpe fiscaal jurist. [naam medeverdachte 4] was de persoon die alles construeerde. (…) [naam medeverdachte 4] was sterk betrokken bij Oxbridge. (..) [naam medeverdachte 3] had mij nodig, omdat ik de financiering regelde. (…). Ik kreeg het geld van Oxbridge op mijn privé bankrekening bij de Bank in Liechtenstein. Ik ontving het honorarium voor alle 6 transacties van Oxbridge op deze bankrekening in Liechtenstein. Ik ontving het geld kort na de transactiedag.

Eigenlijk vertelde ik [naam medeverdachte 3] dat ik dit geldbedrag wilde, dus ik rekende uit hoeveel er betaald moest worden. Het komt er op neer dat er een afsluitdatum was en een lunch na het afsluiten en kort daarna ontving ik het geld op mijn rekening in Liechtenstein. [naam medeverdachte 3] zorgde voor de betalingen. (…)

Ik voerde doorlopende onderhandelingen met [naam medeverdachte 1]. Ik was de contactpersoon tussen [naam medeverdachte 1] en Oxbridge en [naam medeverdachte 3] of [naam medeverdachte 4]. (…)

Ik weet het niet zeker. Ik dacht dat ik in totaal USD 3 miljoen heb gekregen voor alle transacties, maar misschien was het USD 4 miljoen. (…)

Zoals ik al eerder heb verklaard, was ik aanwezig bij alle afsluitingen en lunches, behalve bij één. Ik geloof dat ik niet bij de afsluiting van Egg I aanwezig was. Ik was bij de afsluitingen wanneer de documenten getekend werden bij de Bank.

Dangoor was aanwezig bij een aantal afsluitingen. [naam medeverdachte 1] was aanwezig bij elke afsluiting. Vanaf 1993 was [naam medeverdachte 4] aanwezig bij de afsluitingen. Williams was bij de afsluitingen. (…).”

Onderdeel 4: Conclusie inzake [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4]

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

’s Hofs oordeel kan als volgt worden samengevat.

[naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] hebben tezamen met hun investeringsvehikel Oxbridge deelgenomen aan een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband, gericht op het plegen van misdrijven. Ieder van hen had een eigen taak en rol in dit geheel. [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] hadden een aandeel in gedragingen, dan wel ondersteunden gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met het plegen van misdrijven, waarvan in het bijzonder het opzettelijk onjuist doen van aangiften voor de vennootschapsbelasting gepleegd door de onderscheidene winstvennootschappen en medegepleegd door hen, dan wel één of meer van hen. Alle voorgaande bewijsmiddelen bijeen genomen leiden onontkoombaar tot de conclusie dat zij allen weet hadden (in onvoorwaardelijke zin) van dit criminele oogmerk. De onjuiste Vpb-aangifte was een noodzakelijk middel tot het bereiken van het doel: het repeterend verkrijgen van de liquide middelen van een winstvennootschap.

Bovendien zijn ook misdrijven van een anderssoortig karakter naar boven gekomen. Van materiële valsheid van gebruikte documenten dan wel van de intentie om dergelijke documenten te gebruiken is diverse malen gebleken: het hof wijst op de documenten die zouden moeten aantonen dat Anterra en Penn een afkoopsom voor de rechten op ‘Hard Paper’ zouden hebben betaald, de documenten die zouden moeten worden opgemaakt om te verantwoorden dat [naam medeverdachte 6]’ Micondale niet aan Oxbridge zou zijn gelieerd, en de ‘Letters of goodstanding’. In het volgende hoofdstuk zal worden besproken dat [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] deels door de door hen gecoördineerde verdeling van gelden hebben bijgedragen aan de niet-ambtelijke omkoping van [naam medeverdachte 2].

Het onder 1 tenlastegelegde is dus bewezen.

Hoofdstuk 3

BEWIJSOVERWEGINGEN [NAAM VERDACHTE], [NAAM MEDEVERDACHTE 2] EN [NAAM MEDEVERDACHTE 1]

Onderdeel 1

De hierna volgende overwegingen in dit hoofdstuk zien in het bijzonder op het bewijs in de zaken tegen [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1], maar niet uitsluitend. Deze overwegingen hebben eveneens betrekking op de strafzaken tegen [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6]. In de eerste plaats is in dit hoofdstuk de onderbouwing te vinden van ‘s hofs oordeel dat [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] een samenwerkingsverband zijn aangegaan met [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1], hetgeen [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] onder 1 is tenlastegelegd. In de tweede plaats komt in dit hoofdstuk aan de orde de inbreng van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] wat betreft de betalingen aan, kort gezegd, de Nederlanders. Naar zal blijken heeft [naam medeverdachte 3] immers bijgedragen aan deze betalingen door tot de overschrijvingen opdracht te geven, dit in de wetenschap dat deze gelden aan de Nederlanders ten goede zouden komen. [naam medeverdachte 4] heeft daaraan eveneens bijgedragen doordat hij gekend werd in de verdeellijsten die daartoe werden opgesteld.

De functie en rol van [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1]

Kort weergegeven hebben [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] het volgende verklaard omtrent hun rol en wetenschap aangaande de transacties in winstvennootschappen waarbij Oxbridge partij was.

[naam verdachte] was ten tijde van de eerste transactie (9 december 1992) werkzaam als fiscaal adviseur voor Moret Ernst & Young. Hij is in die hoedanigheid opgetreden als de adviseur van Noro, de verkoper van Anterra en Penn. Hij is naar eigen zeggen ervan uitgegaan dat Oxbridge een betrouwbare en kapitaalkrachtige onderneming betrof. Hij was niet op de hoogte van het frauduleuze karakter van hetgeen met de transacties werd beoogd. [naam verdachte] heeft ten overstaan van het hof verklaard:

“Bij Interbaros, Rentafixe, Egg I en Egg II heb ik telkens een vaste fee van rond 100.000 gulden gedeclareerd. Het meeste werk heb ik verricht inzake Anterra en Penn voor de ruling met Guiljam en het gesprek met Bruins Slot. Bij NORO heb ik mijn uren gedeclareerd namens Moret. De fee van 100.000 gulden was extra en kon ik vragen vanwege de ruling en de goede band die ik had met [naam medeverdachte 1]. Ik had een bijzondere band met [naam medeverdachte 1] in verband met de oprichting van Bft.

Het gesprek met Bruins Slot had betrekking op rente-imputatie en deelnemingsvrijstelling. Bij de latere transacties speelde dat alleen nog bij Interbaros. De overige vennootschappen werden door de ABN AMRO Bank opgericht. Desondanks kreeg ik toch telkens een fee. [naam medeverdachte 1] is in dat opzicht altijd zeer genereus geweest.

Ik heb dus geen fiscale adviezen meer gegeven na de Anterra en Penn transactie. Er was geen sprake van fiscale begeleiding mijnerzijds van de ABN AMRO Bank, BfT en/of Oxbridge. Eigenlijk heb ik na Anterra en Penn heel weinig gedaan. Bij Interbaros heb ik nog wel het contact gelegd maar bij de volgende vennootschappen was mijn rol volledig uitgespeeld.”

Het hof hecht aan deze verklaring niet in volle omvang geloof. Dat met deze verklaring een onjuist beeld van de werkelijkheid wordt geschetst zal het hof hierna uitvoerig onderbouwen. Waar [naam verdachte] spreekt over een vaste ‘fee’ van ƒ 100.000 betreft het de reguliere ‘fee’ die hij ten behoeve van zijn kantoor toucheerde. Het hof zal deze vergoeding als de reguliere vergoeding / ‘fee’ betitelen. Dat [naam verdachte] in weerwil van zijn verklaring tevens langs versluierde weg betalingen ontving en zijn bijdrage aan de totstandkoming van de transacties aanmerkelijk meer beduidend is geweest zal door het hof hieronder worden aangetoond.

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij als concerndirecteur en hoofd fiscale zaken van ABN AMRO Bank N.V. en als statutair directeur van Van Doyer en Kalff B.V. rechtstreeks betrokken was bij de totstandkoming van zes van de acht transacties in winstvennootschappen waarbij Oxbridge of één van haar dochtervennootschappen is opgetreden als koper van de betreffende winstvennootschap. De Bank was enkel ‘facilitator’ van de transacties en is naar aanleiding daarvan telkens beloond met een deel van de upcount. [naam medeverdachte 2] is naar eigen zeggen uitgegaan van de ‘goodstanding’ van Oxbridge c.s. Indien hij op de hoogte was geweest van het frauduleuze karakter van hetgeen met de transacties werd beoogd zou de Bank aan Oxbridge geen winstvennootschappen hebben verkocht.

Dat [naam medeverdachte 2] buiten medeweten van zijn werkgever, de Bank, ook in eigen persoon in ruime mate verdiende naar aanleiding van zijn bijdrage aan de totstandkoming van de transacties in winstvennootschappen zal hieronder door het hof worden aangetoond.

[naam medeverdachte 1] is naar eigen zeggen opgetreden als ‘broker’ van verkoperzijde, werkzaam voor de vennootschap BƒT, waarvan hij mededirecteur en aandeelhouder was. Zelf heeft hij verklaard :

“Ik wil benadrukken dat ik geen lid ben van een criminele organisatie, ik wil dat graag nader motiveren. Ik heb nooit positieve wetenschap gehad van wat hier gebeurd is. Ik heb te maken gehad met een zeer gewaardeerde partij, te weten Oxbridge, die mij gepresenteerd is als een zeer welgestelde investeringsmaatschappij, zeer kapitaalkrachtig en met een lange historie en van goede moraliteit. (…).

Naast deze elementen waren er nog andere factoren die een rol speelden, ik bedoel daarmee toen er eenmaal een transactie tot stand kwam ontstonden er marktconforme prijsstellingen.

Ik ben nooit koper of verkoper geweest, ik was degene die de partijen bij elkaar bracht. (…). Ik ging ervan uit dat ik met een goede partij te maken had. Oxbridge is voor mij niet meer geweest dan een goede klant van mij, waar ik graag veel geld aan wilde verdienen, daar ben ik heel eerlijk in. Ik was geen aandeelhouder van Oxbridge. (…). Ik heb bemiddeld bij de transacties, ik heb partijen bij elkaar gebracht en ik heb contracten verzorgd die deze transacties mogelijk hebben gemaakt. Ik heb dus geld verdiend aan transacties met Oxbridge. Ik had echter geen beneficial interest in Oxbridge.”

Vaststaat dat [naam medeverdachte 1] bij alle transacties in winstvennootschappen, dus ook die waarbij de Bank niet was betrokken, als ‘broker’ is opgetreden en partijen bij elkaar heeft gebracht. Bovendien heeft [naam medeverdachte 1] de documentatie (akten e.d.) in concept opgesteld.

Het hof zal hieronder vaststellen dat [naam medeverdachte 1] op enig moment in de periode waarin de transacties in winstvennootschappen plaatsvonden ervan kennis moet hebben gedragen dat het oogmerk van de ‘principles’ van Oxbridge enkel was het verkrijgen van de liquide middelen van de winstvennootschappen, dat zulks werd verhuld met sterk overgewaardeerde immateriële activa zonder intentie van exploitatie ervan, en dat hij, [naam medeverdachte 1], zijn door hem beschreven bijdrage desalniettemin is blijven leveren, alsmede met ingang van de transactie in de aandelen van Rentafixe – naast BƒT – ook in eigen persoon in ruime mate vergoedingen ontving naar aanleiding van de transacties.

Geldstromen

Een onderdeel van het bewijs tegen [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] wordt gevormd door de vaststelling dat de genoemde verdachten zich in kennelijke samenwerking langs versluierde weg persoonlijk hebben verrijkt uit de liquide middelen van de door Oxbridge aangekochte winstvennootschappen voor zover de Bank bij die aankoop als ‘facilitator’ is opgetreden. Deze persoonlijke verrijking staat los van de reguliere ‘fee’ die hun onderscheidene werkgevers, c.q. de vennootschappen waarvan zij (groot)aandeelhouder waren, ontvingen in vervolg op de transactie in de betreffende winstvennootschap. Wat [naam medeverdachte 1] betreft kan ten aanzien van de door de Bank gefaciliteerde transacties in de winstvennootschappen Anterra, Penn en Interbaros niet worden vastgesteld dat hij langs versluierde weg persoonlijk voordeel heeft genoten.

Het hof hecht geloof aan de verklaring van [naam medeverdachte 3] die hieronder ten dele wordt weergegeven, met de uitdrukkelijke aantekening dat de waarheidsgetrouwheid van [naam medeverdachte 3]s verklaring op dit punt uitvoerig zal worden onderbouwd door documenten en verklaringen van anderen.

D. De betaaladressen

Het hof zal hierna een reeks van consecutieve girale overboekingen die onderling in causaal verband staan, betitelen als een ‘geldstroom’.

Allereerst zal het hof voor de begrijpelijkheid van de omtrent die geldstromen getrokken conclusies ingaan op een aantal betaaladressen waarlangs deze geldstromen zijn geleid en op de identiteit van hen die achter deze betaaladressen schuilgaan.

D1. Cititrading

De getuige F.K.J. Hartsuiker heeft op 20 april 2000 over Cititrading B.V. (hierna: Cititrading) verklaard ten overstaan van de FIOD :

“Ik ben bestuurder van vennootschappen, deels op eigen naam, deels als directeur van New Amsterdam Cititrust B.V.. Deze BV is op haar beurt bestuurder van vele vennootschappen. Wij leveren bestuurlijke, administratieve en juridische diensten aan onze cliënten, alles in de ruimste zin des woords. (…).

In feite zijn wij een trustkantoor met voor het grootste deel buitenlandse cliënten. Cititrading BV is een dochtermaatschappij van New Amsterdam Cititrust B.V.”.

Hieronder zal duidelijk worden dat Cititrading in twee gevallen op verzoek van [naam medeverdachte 1] en tegen betaling de taak op zich heeft genomen om op factuur een geldbedrag giraal door te geleiden naar een (ander) betaaladres.

D2. Hubbard en Schaap, Jason S.A.M. / Morgan, Adler / BMC Corp / Case International Finance

Het hof bespreekt in dit omvangrijke subonderdeel een tweetal natuurlijke personen J.D. (Digby) Hubbard en Karl Schaap alsmede een viertal entiteiten, zijnde een trust of een vennootschap.

Jason S.A.M.

Jason S.A.M. is een trustkantoor, gesitueerd op Monaco.

[naam verdachte] heeft over Jason S.A.M. verklaard:

“Meneer Digby Hubbard, die ken ik al heel lang. Hij is van een trustkantoor in Monte Carlo. Zijn trustkantoor is genaamd JASON S.A.M.”

“Schaap is een advocaat en is ooit oprichter geweest van een advocatenkantoor in Rotterdam. Ik ken Schaap vanuit mijn Moret tijd. Schaap is in circa 1980 verhuisd naar Monaco en heeft zich gelieerd aan een trustkantoor, Jason S.A.M. genaamd. Later heeft Digby Hubbard zich bij dit trustkantoor gevoegd. Schaap is zich nu langzamerhand aan het terugtrekken. Hubbard treedt nu meer naar de voorgrond.”

In een uitdraai van 1 juni 2006 over Jason S.A.M., gevestigd te Monaco, uit de database van Dun & Bradstreet Inc. staan o.a. Julian en Kerstin Hubbard genoemd als bedrijfsleiders van Jason S.A.M. Het bedrijf is opgericht in 1976 en is kennelijk nog steeds actief. Diverse hieronder te bespreken documenten bevestigen dat J.D. (Digby) Hubbard en Karl H.P. Schaap als vertegenwoordigers van Jason S.A.M. zijn opgetreden.

Case International Finance Ltd.

Aan een uitdraai over Case International Finance Ltd. uit de database van Dun & Bradstreet Inc. alsmede aan een print uit de bestanden van het Engelse Companies House is te ontlenen dat Case International Finance is opgericht op 13 maart 1985 en is ontbonden op 13 juli 1993. Als ‘company secretary’ fungeerde vanaf 1991 Julian Digby Hubbard, op het adres 30 Boulevard d’Italie, Monaco.

Uit een document van de Engelse ‘Inland Revenue’ van 6 juli 1998 volgt dat Karl Heinz Paul Schaap en Julian Digby Hubbard aan Case International Finance waren verbonden tot de uitschrijving ervan uit de ‘public records’ op 13 juli 1993.

Morgan, Adler & Co

Morgan, Adler & Co (hierna ook: Morgan Adler) is opgericht in 1993 . Omtrent de identiteit van de leidinggevenden en/of personeelsleden van deze vennootschap kunnen niet rechtstreeks gegevens worden onttrokken aan de registers van Dun & Bradstreet, noch aan die van het Engelse Companies House . Desalniettemin zijn er sterke aanwijzingen dat achter deze vennootschap, evenals mede het geval is bij Case International Finance en Jason S.A.M., (mede) het individu Digby Hubbard schuilgaat.

Het hof maakt melding van de volgende aanwijzingen:

- De getuige Hartsuiker heeft verklaard dat [naam medeverdachte 1] hem had gevraagd een betaling via zijn vennootschap Cititrading te laten lopen. De factuur die Hartsuiker in het kader van de Anterra/Penn-transactie ontving betrof een factuur d.d. 15 december 1992 van Case International Finance , onder vermelding van het nummer van een rekening bij de Midland Bank. Het bankafschrift van 31 december 1992 behorende bij het rekeningnummer bij de Midland Bank dat in die factuur is vermeld heeft als tenaamgestelde: “BMC Corporation c/o J.D. Hubbard, 30 Boulevard d’Italie, (…). Monaco”. In het geval van de Interbaros-transactie heeft Hartsuiker eveneens de dienst van het doorsluizen van geld verleend. Hij ontving in dat verband een factuur van Morgan, Adler & Co van 28 oktober 1993 . Beide facturen, die van Case International Finance van 15 december 1992 en die van Morgan Adler van 28 oktober 1993, hebben met andere woorden in de onderscheidene transacties dezelfde functie vervuld.

- Beide facturen vertonen bovendien een opvallende gelijkenis wat betreft lay out, gebruik van lettertypes en andere tekens en het taalgebruik. Het lettertype in het brievenhoofd waarin de namen van Case International Finance enerzijds en Morgan Adler anderzijds wordt weergegeven is vrij bijzonder en bovendien op beide facturen identiek qua grootte en vorm.

- De brief van 28 oktober 1993 namens Morgan Adler aan Hartsuiker/Cititrading betreft het begeleidend schrijven bij de hiervoor besproken factuur van Morgan Adler van gelijke datum, en vermeldt: “As explained we have now completed a lengthy share transaction for Dutch clients and prefer for commercial reasons to invoice them through your goodselves for our intermediary services.” Deze brief is ondertekend met een handtekening die identiek is aan, dan wel grote gelijkenis vertoont met de handtekening op de faxbrief van 8 november 1993 (“ref BMC Corp”) van J.D. Hubbard namens Jason S.A.M., en die op de faxbrief van 10 november 1993 (“ref BMC Corp”), die namens Jason S.A.M. is ondertekend (eveneens) door J.D. Hubbard.

- De adressant van de bankafschriften d.d. 29 oktober 1993 en 30 november 1993 behorende bij een rekening bij Midland Bank ten name van Morgan, Adler & Co is Jason S.A.M. Deze bankafschriften vermelden immers “Morgan Adler & Company, c/o Jason SAM (...) Monaco”.

BMC Corporation

Omtrent de identiteit van de leidinggevenden, personeelsleden en/of de ‘trustee’ van deze vennootschap zijn geen rechtstreekse gegevens bekend. Desalniettemin zijn er sterke aanwijzingen dat achter deze vennootschap, zoals eveneens het geval is bij Morgan Adler, Case International Finance en Jason S.A.M., de individuen Digby Hubbard en/of Karl Schaap (mogelijk als ‘trustee(s)’) schuilgaan.

Het hof maakt melding van de volgende aanwijzingen:

- Zoals reeds overwogen vermeldt het bankafschrift van 31 december 1992 ten name van BMC Corporation het ontvangstadres “J.D. Hubbard, 30 Boulevard d’Italie (…) Monaco”. Het rekeningnummer dat aan deze bankrekening is gekoppeld betreft het rekeningnummer dat is vermeld op de factuur d.d. 15 december 1992 van Case International Finance. Case International Finance (Schaap/Hubbard) laat zich dus betalen op een bankrekening ten name van BMC Corporation.

- De brief van de ‘compliance manager’ van de private bank Close International van 22 januari 2001 bevat de mededeling dat “the correspondence address (...) of BMC Corporation (...) are care of Jason, S.A.M., Monaco and that the Hubbards are shown of being authorised signatories (...).”

- De al eerder genoemde faxbrieven van Hubbard/Jason S.A.M. van 8 november en van 10 november 1993 aan bankinstelling Rea Brothers (hof: thans Close International) hebben betrekking op BMC Corp. De faxbrieven vermelden telkens “REF BMC Corp NLG A/C 167903”. Hubbard treedt kennelijk ten behoeve van BMC Corp op, want hij is op de hoogte van de ontvangst van een substantieel geldbedrag op genoemde bankrekening, hij geeft vervolgens overboekingsopdrachten ten laste van deze bankrekening van BMC Corp – o.a. naar de ‘clients account’ van Havelet Trust -, en die opdrachten worden ook uitgevoerd.

- De factuur van BMC Corp aan “Babel limited c/o Havelet Trust Company” d.d. 7 september 1995 voor $ 6.100.000 vanwege: “Intermediary fee for services rendered to Oxbridge Investments Ltd., regarding acquisition of shares in Dutch liability company”, vermeldt in het faxhoofd: “de Jason Monaco”.

- De factuur van 7 september 1995 van BMC Corp vermeldt handgeschreven ter hoogte van de woorden ‘BMC Corp’: ‘not Morgan Adler”. Kennelijk is verwarring zeer wel mogelijk.

- De hiervoor beschreven factuur is blijkens een telefoonnotitie die door David Rowlinson (werkzaam bij Havelet Trust) is vastgelegd op 8 september 1995, door [naam verdachte] in een telefoongesprek met hem, Rowlinson, in het vooruitzicht gesteld . De telefoonnotitie meldt: “We will receive an invoice from Carl Sharp in Monte Carlo addressed to Babel Limited for US$ 6.100.000. This money will be transferred to Carl Sharp. He will keep US$ 100.000 and then 20% of those funds, US$ 1.200.000, will be transferred to the Barbizon Trust. (...).” Klaarblijkelijk is deze factuur afkomstig van BMC Corp opgesteld door – naar het hof begrijpt - Karl Schaap en vervolgens aan Havelet Trust verzonden door middel van een faxapparaat van Jason S.A.M.

- De factuur van BMC Corp aan “Babel limited c/o Havelet Trust Company” d.d. 26 september 1996 voor $ 3.800.000 vanwege “Intermediary fee for services rendered to Oxbridge Investments Ltd., regarding acquisition of shares in Dutch liability company” vermeldt in het faxhoofd “Jason”.

- In een ‘file note’ van de hand van Jacqui Le Noury, werkzaam bij Havelet Trust, van 26 september 1996 over een telefoongesprek dat zij een dag tevoren heeft gevoerd met [naam verdachte] is aangetekend als mededeling van laatstgenoemde: “Mr. Schaap will send us an invoice for 3.8 Million Dollars but we are not to pay the money away to him until Mr. [naam verdachte] calls and confirms that we can do.” Klaarblijkelijk is de hiervoor genoemde factuur afkomstig van BMC Corp opgesteld door Karl Schaap en vervolgens aan Havelet Trust verzonden door middel van een faxapparaat van Jason S.A.M.

- De twee hiervoor besproken facturen van BMC Corp van 7 september 1995 en 26 september 1996 vertonen allebei wat betreft lay out, het gebruik van letter- en leestekens, en taalgebruik grote gelijkenis met de al eerder besproken factuur van 15 december 1992 van Case International Finance, en die van Morgan Adler van 28 oktober 1993 , beide gericht aan Cititrading.

- Twee financiële overzichten behorende bij rekeningnummer 179183 van BMC Corp ‘Epsilon’ vermelden beide als adres “c/o Jason SAM (…) Monaco”.

Uit voorgaande gegevens kan naar ’s hofs oordeel worden afgeleid dat de hem, [naam verdachte], bekende Digby Hubbard en Karl Schaap, beiden werkzaam voor het trustkantoor Jason S.A.M., financieel georiënteerde activiteiten ontplooiden ten name van achtereenvolgens de entiteiten Case International Finance, Morgan Adler en BMC Corp. Een trustkantoor acteert in de regel op eigen naam ten behoeve van een ander.

Versluiering door Jason op verzoek van [naam verdachte]

Er vallen meer conclusies te trekken uit de hiervoor opgesomde documenten.

a. [naam verdachte] heeft blijkens de telefoonnotitie van Rowlinson van 8 september 1995 Karl Schaap daadwerkelijk ingezet om op naam van BMC Corp een factuur te verzenden aan Havelet Trust/Babel Ltd. [naam verdachte] heeft Rowlinson vervolgens opdrachten gegeven op welke wijze hij verder zal hebben te handelen met het door Havelet Trust ontvangen bedrag van $ 6,1 miljoen, waarover hij klaarblijkelijk zeggenschap heeft. Op de gang van zaken rond dit bedrag, de bestemming ervan en de vaststelling van de zeggenschap van [naam verdachte] komt het hof nog terug.

b. Een gelijke conclusie kan worden getrokken op basis van de ‘file note’ van 26 september 1996 van Jacqui Le Noury: Schaap stuurt weliswaar een factuur aan Havelet, maar die mag niet eerder worden betaald dan nadat [naam verdachte] heeft gebeld en heeft bevestigd dat betaling moet plaatsvinden.

Deze vaststelling wordt voorts bevestigd door een andere ‘file note’ van 26 september 1996 van de hand van Jacqui Le Noury. Daarin staat vermeld:

“PVDK confirmed that when the money arrives which should be for value 24th September 1996 we are to place the funds which total US$ 3,814,460 on an overnight deposit until we hear from him as to how much we are to pay to Mr. Schaap, our commission and how much will be split between Paul [naam verdachte] and Hans [naam medeverdachte 1].”

De aanwijzing dat Jason S.A.M. op verzoek van [naam verdachte] een aandeel heeft gehad in de gegenereerde (en hieronder te bespreken) geldstromen, alsmede in de versluiering ervan, komt eveneens tot uitdrukking in een drietal andere documenten die in onderling verband moeten worden bezien.

c. Op 9 augustus 1999 heeft Jacqui Le Noury aan [naam verdachte] een faxbericht gestuurd met de volgende tekst:

“Further to our telephone conversation on Friday, please find to follow the draft letter transferring the assets of Babel Limited to Opus Management & Trading Limited.

Perhaps you could pass this on to your client in order that he may arrange for its signature and fax a copy of the original to ourselves in order that we may liaise with Insinger Trust Company to ensure a speedy transfer.”

Klaarblijkelijk heeft [naam verdachte] aan Le Noury (telefonisch) opgedragen de vermogensbestanddelen van Babel Ltd., een hieronder te bespreken rechtspersoon die [naam verdachte] vanaf een zeker moment ten eigen behoeve mocht aanwenden, over te boeken naar een op de Maagdeneilanden gevestigde rechtspersoon, Opus Management & Trading Ltd. Toegegeven zij dat Le Noury in haar bericht aan [naam verdachte] spreekt over ‘your client’, hetgeen erop zou kunnen duiden dat [naam verdachte], overeenkomstig zijn stellingen in hoger beroep, in deze kwestie enkel werkzaam is geweest voor een – door hem niet bij name genoemde – cliënt. Op het hiernavolgende berust evenwel ’s hofs oordeel dat de verwijzing naar ‘your client’ enkel bedoeld is om de waarheid te verhullen.

d. Gevoegd bij deze brief van Le Noury aan [naam verdachte] is een conceptbrief d.d. 9 augustus 1999 aan Insinger Trust (Guernsey) Limited waarin J.D. Hubbard aan de directie van Insinger - conform het hiervoor onder c besprokene - verzoekt om de bezittingen van Babel over te boeken naar het management van Opus Management & Trading Ltd.

e. Klaarblijkelijk heeft Insinger Trust op enig moment deze laatstgenoemde brief inderdaad ontvangen, want zij reageert bij op 15 september 1999 verzonden fax aan [naam verdachte] met betrekking tot het onderwerp “Babel Limited”:

“We have received an instruction from JDH (hof: J.D. Hubbard) requesting all assets held in the above noted company be transferred to the management of Opus Management & Trading Limited. However, in May of this year we discussed this impending transfer and we were advised that until the stock held in the American entity was floated on NASDAQ, we should keep the company in good standing and remain as administrators.

Could you please confirm that we should now proceed with the transfer and if so, could you please confirm the location of the share certificates for the American Corporation.”

De instructies zoals verwoord door “JDH”, zijnde Julian Digby Hubbard, bij (concept)brief van 9 augustus 1999 riepen, zo begrijpt het hof, van de zijde van Insinger Trust vragen op die klaarblijkelijk alleen door [naam verdachte] konden worden beantwoord. Insinger vraagt om bevestiging van de zijde van [naam verdachte], hoewel het verzoek van de kant van Hubbard uitblinkt in eenvoud. Het hof put hieruit een aanwijzing dat Hubbard niet de achterliggende cliënt of eigenaar was, maar dat het optreden van Hubbard slechts diende ter versluiering van de werkelijkheid dat [naam verdachte] zelf zeggenschap had over de vermogensbestanddelen van Babel Ltd. Hubbard is dus in deze kwestie bereid gebleken om (in de hoedanigheid van trustee) op te treden als ‘cliënt’ van degene die werkelijk beslissingsbevoegd was: [naam verdachte].

Onderbouwing van dit oordeel vindt het hof bovendien in een drietal nader aan de orde te stellen omstandigheden die gestaafd worden door ander bewijsmateriaal:

(i). In Babel Ltd. waren op dat moment daadwerkelijk vermogensbestanddelen ondergebracht waarover [naam verdachte] volledige zeggenschap had. Een hieronder te adstrueren verslag van een bespreking met o.a. [naam verdachte], Le Noury en Rowlinson vermeldt namelijk onder meer: “ It was also decided that from now on Babel Limited would be used solely for Paul’s transactions and assets.”

(ii). Hieronder zal aan de orde komen een ‘filenote’ d.d. 12 november 1997 van Havelet Trust naar aanleiding van een gesprek met [naam verdachte]. In die notitie is een kennelijke opdracht van [naam verdachte] vastgelegd, namelijk dat: “All telephone conversation and correspondence should refer to ‘our client’ and not PVK” . Het hof leidt hieruit af dat de verwijzing van Le Noury bij brief van 9 augustus 1999 naar ‘your client’ geenszins betekent dat [naam verdachte] werkelijk ten behoeve van één zijner cliënten is opgetreden. Het was de medewerkers van Havelet immers duidelijk gemaakt dat zij bij hun telecommunicatie iedere mededeling waaruit het economisch eigendom van [naam verdachte] kon worden afgeleid moesten vermijden.

(iii). Gelden afkomstig van Oxbridge c.s. ‘stromen’ feitelijk langs de betaaladressen van de hierboven beschreven entiteiten waarachter Hubbard en Schaap schuilgaan in het vermogen van uiteindelijk [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2]. Deze omstandigheid zal hierna uitvoerig aan de orde komen.

Ook voor het onderwerp ‘versluiering van rechthebbenden’ zal het hof wederom aandacht vragen. Thans wordt volstaan met de conclusie dat Hubbard en Schaap bereid zijn gebleken op enig moment ten behoeve van [naam verdachte] bij te dragen aan het maskeren van de werkelijke rechthebbende op het vermogen van een bepaalde entiteit.

D3. Havelet Trust

Havelet Trust Company (International) Ltd. (hierna: Havelet of Havelet Trust) is een op Guernsey gevestigd trustkantoor alwaar onder meer David Rowlinson, Jacqueline (Jacqui) Le Noury en Neil Duquemin werkzaam zijn (geweest).

De volgende verklaring van David Williams leidde tot de verdenking dat via Havelet gelden die voor [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] waren bestemd langs versluierde weg werden weggesluisd. Williams heeft verklaard :

“Ik heb begrepen dat er een Amerikaanse groep en een Nederlandse groep is, die waarschijnlijk onmiddellijk betaald kreeg. [naam verdachte] was de betaalmeester voor de Nederlandse groep. (…..)

Havelet geld is Nederlands geld, dat weet ik zeker.”

Deze verklaring is door [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] betwist.

[naam verdachte] heeft verklaard naar aanleiding van een vraag over een vermelding van onder meer Havelet Trust in een hem toebehorend adresboekje :

“Ja dit is de Havelet Trust die ik bedoel. Havelet bestaat nu niet meer, zij is overgenomen door een ander trustkantoor . (…). De andere namen die u leest zijn van medewerkers van Havelet, die zijn allemaal weg inmiddels: David Rowlinson, is een soort contact persoon, hij was de eerste contact persoon bij Havelet in die tijd. Met Rowlinson heb ik nog steeds zakelijke contacten. (…). Jacky Le Noury is ook een aanspreekpunt voor mij bij Havelet, ook zij is vertrokken. Beide zijn nu werkzaam bij Nerine Trust, die (u) ook in mijn agenda zult aantreffen.”

[naam verdachte] heeft hierover opgemerkt dat zijn bemoeienissen met een door Havelet beheerde trust genaamd Minerva Trust (louter) hebben plaatsgehad ten behoeve van een cliënt of cliënten van wie hij de naam niet wenst prijs te geven. [naam verdachte] heeft gelijke verklaringen afgelegd over andere hieronder nog te bespreken ‘trusts’. Met uitzondering van zijn aandelen in ‘Peachtree’ heeft hij naar zijn zeggen nimmer belangen gehad in Havelet Trust c.q. door deze ‘trust’ beheerde (andere) ‘trusts’ of vennootschappen.

Het hof komt tot andere conclusies.

Hieronder bespreekt het hof een aantal ‘trusts’ die op Guernsey werden beheerd door Havelet Trust.

Het hof maakt melding van de relevant geachte documenten en bespreekt daarna de verklaringen van trustmedewerkers.

Voor de leesbaarheid: het hof zal oordelen dat [naam verdachte] volledige zeggenschap heeft over (het vermogen van) The Minerva Trust, en Camrose Services Ltd. en dat hij (vanaf juli 1995 exclusief) Babel Limited naar eigen inzicht mocht aanwenden. The Barbizon Trust en Barbreck Holdings Limited behoren (in economisch opzicht) toe aan [naam medeverdachte 1].

De hier genoemde rechtspersonen vertonen onderling een vaste structuur; de Minerva Trust (van [naam verdachte]) en de Barbizon Trust (van [naam medeverdachte 1]) worden beheerd door de ‘trustees’ van Havelet Trust. Camrose Services Ltd. (van [naam verdachte]) en Barbreck Holdings Ltd. (van [naam medeverdachte 1]) betreffen vennootschappen die in handen zijn van respectievelijk de Minerva Trust en de Barbizon Trust, en waarvan het secretariaat c.q. het beheer wordt gevoerd door (wederom) Havelet Trust. Een en ander wordt meer duidelijk aan de hand van de verklaringen van Rowlinson en Le Noury, die worden weergegeven na de bespreking van de documenten.

Het hof acht onder meer de volgende documenten relevant.

a. Een uitdraai uit de ‘secretarial database’ van Insinger Trust (de rechtsopvolger van Havelet Trust Company) betreffende The Minerva Trust vermeldt naast het kopje “advisor”: “PVDK” en onder ‘principal beneficiaries’: “{EMJVDK} MRS E M J [NAAM VERDACHTE]”. Het hof begrijpt dat hier melding wordt gemaakt van respectievelijk Paul [naam verdachte] en zijn echtgenote. Dat niet zozeer de echtgenote van [naam verdachte], maar [naam verdachte] zelf de ‘beneficiary’ is geweest van de Minerva Trust zal hieronder in afdoende mate blijken.

b. Een document van 25 juli 1995 , opgemaakt door – naar het hof begrijpt - Jacqui Le Noury van Havelet Trust bevat onder meer de volgende passages:

“Notes of a Meeting between D.A. Rowlinson, J.M. Le Noury, Paul [naam verdachte] and Hans [naam medeverdachte 1] held at Golden Tulip Barbizon Centre Hotel, on the 20th July, 1995, 5:00pm.

PVDK introduced Mr. [naam medeverdachte 1] as a colleague he has been working with for sometime who is in the business of purchasing Cash Holding Companies for resale and they are currently negotiating a deal in the United States whereby a substantial sum of money will be received into Paul’s Trust which is to be split between PVDK and Mr. [naam medeverdachte 1]. Paul has advised Mr. [naam medeverdachte 1] that he thought it would be a good idea for him to set up a Trust in Guernsey, the name of this Trust is to be the Barbizon Trust with a standard deed for a discretionary Trust with Paul [naam verdachte] as the protector. A letter of wishes and deed is to be sent to Paul and the Trust is to be set up as soon as possible.

In connection with Paul’s business he wants us to check who the protector is of the Minerva Trust and send him a new letter of whishes so that he can change his instructions with regards to distributions of the income of the Trust.

It was also decided that from now on Babel Limited would be used solely for Paul’s transactions and assets. (…).

We are to arrange for Babel to be owned by the Minerva Trust.”

Vanaf juli 1995 zal Babel Limited dus exclusief worden gebruikt voor [naam verdachte]s transacties en vermogensbestanddelen, en deze rechtspersoon zal eigendom worden van de Minerva Trust. Hieruit leidt het hof af dat de Minerva Trust eveneens in economisch opzicht toekomt aan [naam verdachte]. De Barbizon Trust is, zo leidt het hof uit dit document af, eigendom van [naam medeverdachte 1].

c. De hierboven al besproken telefoonnotitie van David Rowlinson, werkzaam bij Havelet Trust, van 8 september 1995 betreft een telefoongesprek van Rowlinson met [naam verdachte] . Herhaald zij dat de telefoonnotitie meldt:

“We will receive an invoice from Carl Sharp in Monte Carlo addressed to Babel Limited for US$ 6,100,000. This money will be transferred to Carl Sharp. He will keep US$ 100,000 and then 20% of those funds, US$ 1,200,000 will be transferred to The Barbizon Trust. (...).”

Rechtsboven staat met de hand geschreven: “Minerva”. Het hof acht dit een aanwijzing dat de hierbij vastgelegde opdrachten van [naam verdachte] (volgens Rowlinson) betrekking hebben op de door Havelet Trust ten behoeve van [naam verdachte] beheerde Minerva Trust.

d. De voorgaande oordelen over [naam verdachte]s Minerva Trust en [naam medeverdachte 1]s Barbizon Trust vinden bevestiging in de :

“Notes of a meeting between Paul [naam verdachte], Hans [naam medeverdachte 1], Neal Duquemin and Jacqui Le Noury, 9th november 1995, held at Havelet House

The meeting began by looking at Mr. [naam medeverdachte 1]'s case the Barbizon Trust and the completion of the initial documents from when the Trust was created.

The letter of whishes was completed and was for the benefit for Mr. [naam medeverdachte 1] and upon his death his wife and then upon her death their three children. Paul [naam verdachte] signed the letter consenting to act Protector and Mr. [naam medeverdachte 1] signed the letter appointing the Protector.

Mr. [naam medeverdachte 1] explained that the Trust would be making investments in various companies and after some discussion with Neal it was decided that he would take a BVI Company which would be placed under the Trust to make all the investments. Barbreck Holdings limited was chosen and it was arranged that Barbreck would invest $ 200,000.00 of the Trust's fund into Greenfield Capital Partners. JLN (hof: Jacqui Le Noury) to prepare the subscription documents and arrange for $200,000.00 to be transferred to Greenfield's account in Holland.

Mr. [naam medeverdachte 1] said he was happy that all the cash which was held in the Trust Fund remained in the name of the Trust and that the BVI Company should only be used for investments. (...).

JLN handed over 75,000 Guilders to Mr. [naam medeverdachte 1] which he had asked for in cash.

Mr. [naam medeverdachte 1] asked for a Credit Card to be issued in the name of Barbreck Holdings Limited for him to use when he is outside of the Netherlands. Obviously the funds for the Credit Card would be taken from the Trust's bank account.

The Minerva Trust

Paul has decided to change the Protector on the Minerva Trust. (...) Paul also whishes to change his letter of whishes.

(..).

Paul explained that he has a couple of Million dollars held at Bank Scandinave in Switzerland which is his share of the 6 Million dollar deal that went through in September, 1995, Paul feels that because Bank Scandinave are a small Bank he feels fairly uncomfortable that all his money should be there and he is thinking seriously of maybe leaving half a Million dollars with them, he is Meeting the Manager at Bank Scandinave in the next few days and has decided to incorporate a BVI Company called Mursley Holding Limited which we to prepare the incorporation documents and keep here until Bank Scandinave and Mr. Schilling telephones us and asks us for the details of the Company. Paul wants the money in the Company and will confirm to us where and which Banks he will decide to place the funds at.”

Barbreck Holdings Limited behoort kennelijk toe aan [naam medeverdachte 1]. Door tussenvoeging van deze ‘BVI-company’ vinden zijn investeringen plaats. [naam medeverdachte 1] wenst voorts de beschikking over een creditcard die hij voor betalingen buiten Nederland kan gebruiken.

(Paul) [naam verdachte] neemt volgens dit gespreksverslag uiteenlopende beslissingen over The Minerva Trust. Hij wil de persoon van de ‘Protector’ wijzigen en hij wil zijn ‘letter of wishes’ aanpassen.

e. Voorts bevat het dossier een akte van 25 juli 1995 afkomstig van de ‘Settlor’ van de Barbizon Trust , waarin [naam verdachte] als ‘Protector’ van de Barbizon Trust wordt aangesteld. Hierbij is gevoegd een schrijven van [naam verdachte] , die daarin te kennen geeft zijn aanstelling als ‘Protector’ van de Barbizon Trust te aanvaarden. Deze stukken zijn beide gedagtekend 25 juli 1995 . De handtekening van de ‘Settlor’ van de Barbizon Trust is identiek aan die van de ondertekenaar van de ‘Letter of Wishes’ betreffende de Barbizon Trust, gedateerd 8 november 1995 . De inhoud daarvan maakt duidelijk dat het document is ondertekend door [naam medeverdachte 1]:

“I desire that the Trust fund be applied as follows:

For the duration of my life 100% of the trust und should be for the benefit of myself Hans Jacobus Peter [naam medeverdachte 1].”

In geval van zijn dood gaan de bezittingen naar [naam medeverdachte 1]s (toenmalige) echtgenote en na haar dood naar hun drie kinderen. Een en ander bevestigt ’s hofs vaststellingen omtrent de identiteit van degene aan wie de Barbizon Trust toekomt: [naam medeverdachte 1].

f. Deze conclusies worden nader onderbouwd door een memorandum van 13 oktober 1995 van David Rowlinson, die zoals gezegd werkzaam is voor Havelet Trust. Daarin staat vermeld dat hij, Rowlinson, [naam verdachte] heeft gesproken en dat [naam verdachte] hem onder meer heeft meegedeeld dat de “Settlor” van Barbizon, Hans [naam medeverdachte 1], naar Guernsey zal komen op 9 november 1995. Tevens staat in dit memorandum vermeld dat [naam medeverdachte 1] een bedrag in cash wil opnemen. Een bijgevoegd schrijven van Havelet aan Barclays Bank te Guernsey aangaande een kasopname van ƒ 75.000 afkomstig van de Barbizon Trust-account, bevestigt hetgeen is weergegeven in het verslag van het bewuste gesprek van 9 november 1995. Daarin is immers te lezen dat Jacqui Le Noury aan [naam medeverdachte 1] ƒ 75.000 heeft overhandigd, zijnde het bedrag dat [naam medeverdachte 1] in cash had opgevraagd.

g. Uit een document van Havelet Trust inzake Barbreck Holdings Limited van 10 november 1995 blijkt dat de ‘company secretary’ van Barbreck Holdings Limited zal worden verzorgd door "HTC BVI", naar het hof begrijpt Havelet Trust Company, filiaal British Virgin Isles.

Het document bevat de mededeling: "Declarations of trust are to be issued in favour of the Beneficial Owners below." Onder de kop "Details of Beneficial Owner(s)" staat vermeld onder "Name": "Hans J.P. [naam medeverdachte 1]". Als “advisor” is vermeld: “Paul [naam verdachte]”. Aan laatstgenoemde is bij brief van 10 november 1995 door Jacqui Le Noury een set met documenten over Barbreck Holdings Limited toegezonden .

h. Het hof zal niet hier, maar bij de bespreking van de verklaring van David Williams meer uitvoerig stilstaan bij een ‘File Note’ van 20 maart 1996 waarin Jacqui Le Noury aantekeningen heeft vastgelegd van een telefoongesprek dat zij heeft gevoerd met [naam verdachte]. Laatstgenoemde heeft daarin meegedeeld dat hij en [naam medeverdachte 1] een ‘joint venture’ willen aangaan met Prudential Securities en dat de Minerva Trust en de Barbizon Trust voor bedragen van $ 500.000 en $ 250.000 zullen investeren.

i. Reeds genoemd is de ‘file note’ van de hand van Jacqui Le Noury, werkzaam bij Havelet Trust, van 26 september 1996 over een telefoongesprek dat zij een dag tevoren heeft gevoerd met [naam verdachte]. Daarin was – zoals reeds ten dele geciteerd – vermeld als mededeling van [naam verdachte]:

“Paul confirmed that we (are) to leave the money at Hanson Bank until we hear from him. Mr. Schaap will send us an invoice for 3.8 Million Dollars but we are not to pay the money away to him until Mr. [naam verdachte] calls and confirms that we can do.”

Met grote letters is boven deze passage weergegeven (onderlijning in het origineel):

“THE MINERVA TRUST”

[naam verdachte] geeft blijkens deze notitie aan een medewerkster van Havelet Trust onmiskenbaar opdrachten die de vermogenspositie van de betreffende Minerva Trust rechtstreeks beïnvloeden. Daartoe is alleen de rechthebbende bevoegd, dan wel iemand die namens de rechthebbende optreedt. Over dat laatste hieronder meer.

j. Een ‘file note’ uit november 1997 zal in een ander subonderdeel nader aan de orde worden gesteld, doch reeds hier vrijwel volledig worden aangehaald:

“File note of a meeting between: Neal A. Meader and Paul [naam verdachte], date: 12th November 1997

A brief discussion about the changes at HTC (hof: Havelet Trust Company) took place. PVK (hof: [naam verdachte]) started putting business with Havelet in the Minet days, and had a good relationship with the Directors DAR and JMLN (hof: David Rowlinson en Jacqui Le Noury). He has introduced many clients to HTC .

Minerva Trust

PVK explained why he wished the Trust files sent to the BVI and enquired if this had yet been done. (....- onleesbaar gemaakt - ...).

PVK through his offices had for several years operated a legitimate scheme in Holland whereby a tax profit company was purchased into which an asset was placed. Dutch tax law allows full depreciation of the asset in one day. In 1994 this scheme was used for the transfer of some mining rights by an American company. A fee of USD 1,800,000 was charged by PVK which was put through HTC trust account for Minerva. This fee should have been paid by the client from Bermuda but was in fact paid by ABN Amro from Holland. The sum was paid in two amounts, one of USD 400,000 and the other of USD 1,400,000. Upon payment of the USD 1,400,000 the error was noticed and this payment was returned the next day and subsequently paid from Bermuda. The USD 400,000 was not so returned however and PVK believes may have been shown as a tax deducible expense at some time. PVK is of the opinion that he has ironed out this difficulty by obtaining the co-operation of a Swedish gentleman who is non resident of Holland and now resides in Monte Carlo. The funds were sent by him to HTC. PVK very concerned about Dutch tax authorities as instead of using fiscal laws to approach other jurisdictions for investigations, they are using the law of fraud.

Both the amounts paid have and still are being investigated by the authorities, amongst other transactions. Arthur Andersen is representing the US client, Ernst Young ABN AMRO. PVK is of the opinion that nothing will come of these enquiries but feels happier that the trust files are moved to the BVI. HTC are moving the Trust due to the restructuring of the Company.

(... – onleesbaar gemaakt - ..).

Camrose Services

The underlying company of Minerva has a portfolio with PB Securities. NAM (hof: Neal A. Meader) showed PVK the last valuation and again PVK will contact NAM the next day for a total valuation, both securities and leverage.

(...).

The Protector of the Minerva Trust is his brother-in-law who is MD of a bank in Brussels, failing whom his sister. PVK whishes NAM to meet this Protector in January 1998.

A new Trust Deed should be drafted and the Minerva Trust collapsed once files have been moved. NAM to draft this and forward to PVK.

Note: Is Minerva a Guernsey Trust? If so change jurisdiction.

All telephone conversation and correspondence should refer to ‘our client’ and not PVK

(... – onleesbaar gemaakt - ...)

Babel Limited

This company is used by PVK and associates. NAM to find out how the shares are held. Is this ultimately owned by Minerva?

De mededelingen die in dit gespreksverslag zijn vastgelegd vormen sterke aanwijzingen dat [naam verdachte] volledige zeggenschap heeft (gehad) over de Minerva Trust en Camrose Services.

[naam verdachte] heeft Neal Meader klaarblijkelijk het een en ander toegelicht over de handel in winstvennootschappen. Dat het hier een “legitimate scheme” betreft is een oordeel dat in casu niet door het hof wordt gedeeld. [naam verdachte] heeft medegedeeld dat deze fiscale structuur was “operated through his offices”, voorts heeft hij melding gemaakt van de aankoop van een “asset” (“mining rights”) en de afschrijvingen daarop. Geen mededelingen over een voorgenomen exploitatie. Wel mededelingen over de ontvangst van een ‘fee’ van 1,8 miljoen dollar (waarop het hof hieronder terugkomt) die per abuis rechtstreeks is geleid naar de rekening van Minerva, terwijl voor die gelden door [naam verdachte] een omweg via Bermuda was voorzien.

De passages over Camrose behoeven geen commentaar. Dat een ander dan [naam verdachte] zeggenschap heeft over deze vennootschap verhoudt zich naar ‘s hofs oordeel niet met het hier geciteerde.

Bevestiging dat Babel Limited in gebruik is bij [naam verdachte] vindt het hof onder het kopje ‘Babel Limited’. Weliswaar verwijst deze passage eveneens naar ‘associates’ van [naam verdachte], maar uit de hierboven reeds aangehaalde ‘file notes’ van 25 juli 1995 (van een gesprek van 20 juli 1995) maakt het hof op dat voorafgaande aan 20 juli 1995 [naam verdachte] en ook andere cliënten van Havelet gebruik hebben gemaakt van Babel Limited en dat [naam verdachte] nadien exclusief gebruik heeft gemaakt van deze rechtspersoon.

k. Een faxbrief van Raymond Page van Insinger Trust (Guernsey) Limited van 21 april 1999 aan [naam verdachte] is aangetroffen in de auto van [naam verdachte] . De brief heeft als onderwerp: “Camrose Services Limited”. In die brief wordt aan [naam verdachte] informatie gegeven over een banksaldo van ‘the company’, Camrose Services. Ten slotte meldt de brief:

“I confirm that the books and files for this company, Babel and the Minerva Trust will be transferred to Nerine this week.”

Dat [naam verdachte] op de hoogte wordt gesteld van een banksaldo van Camrose Services, en van de verblijfplaats van de boekhouding van Camrose Services, Babel Limited en de Minerva Trust is naar ’s hofs oordeel een aanwijzing dat hij, [naam verdachte], rechthebbende is van en zeggenschap heeft over deze vennootschappen, dan wel dat hij optreedt voor een – door [naam verdachte] niet bij name genoemde - ander die vrijwel alle werkzaamheden aan [naam verdachte] heeft overgelaten. In het licht van hierboven en hierna weergegeven bevindingen acht het hof de tweede mogelijkheid evenwel dermate onwaarschijnlijk dat het hof hieraan voorbij gaat.

Als bijlage bij deze brief heeft Raymond Page aan [naam verdachte] gezonden “a copy of the most recent Prudential valuation”, hetgeen heeft betroffen het overzicht van Prudential Securities inzake de bij die financiële instelling aangehouden rekening van Camrose Services . Bij die financiële instelling was David Williams als manager werkzaam. Zijn door dit gegeven ondersteunde verklaring komt hieronder nog aan de orde.

l. In het onderdeel over de bijdrage van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5] is reeds meer uitgebreid gesproken over de brief van [naam medeverdachte 5] aan [naam medeverdachte 3] van 28 september 1997 . Daarin wordt melding gemaakt van een ‘cash contribution’ ter hoogte van $ 300.000 aan de liquide middelen van Oxbridge c.s., afkomstig van ‘Paul en Hans’, naar het hof begrijpt [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1]. In dit verband is van belang te melden dat ten gunste van Kentucky Land and Exploration , een dochtervennootschap van Oxbridge , op 24 september 1997 inderdaad een bedrag ter hoogte van $ 300.000 is afgeschreven van de bankrekening die Camrose Services Limited aanhield bij Barclays Bank te Guernsey. Een ‘file note of a Telephone conversation’ van 23 september 1997 en een overschrijvingsformulier van 24 september 1997 laten er geen twijfel over bestaan dat [naam verdachte] tot deze overboeking ten laste van Camrose Services opdracht heeft gegeven.

De hier bedoelde ‘file note of a Telephone conversation’ betreft een telefoongesprek tussen Sara R. Goodyear en [naam verdachte]. De notitie maakt in de aanhef melding van ‘Minerva Trust’ en ‘Camrose Services Limited’. Naast de vermelding van ‘Camrose’ is met de hand een kruisje geplaatst. Voorts houdt de notitie in:

“PVK (hof: Paul [naam verdachte]) asked SRG (hof: Sara R. Goodyear) to make a transfer to the following: USD 300,000.00 to (...) in favour of Kentucky Land and Exploration Company, accountnumber (...). PVK emphasized that this transfer was very urgent, and SRG confirmed that it would be made first thing on Wednesday 24th September 1997.”

In dit verband is enkel van belang de vaststelling dat het [naam verdachte] is die opdracht heeft gegeven tot de overboeking van een substantieel bedrag ten laste van de bankrekening van Camrose Services.

Verklaringen van (voormalige) medewerkers van Havelet Trust

a. David Rowlinson heeft vanaf 1987 tot september 1997 gewerkt voor Havelet Trust. Daarna heeft hij gewerkt als directeur van Nerine Trust.

Over bijlage D/586 heeft Rowlinson verklaard:

“PVDK is Paul [naam verdachte]. Ik weet niet zeker wie de insteller is geweest. Misschien dat Neal het weet. De Minerva Trust is waarschijnlijk opgericht in 1979, wat ik mij herinner. Het was altijd Paul [naam verdachte] die de instructies inzake de Minerva Trust gaf. Wat betreft de informatie: de instructies in de Minerva Trust werden alleen gegeven door Paul [naam verdachte], waaruit je zou kunnen afleiden dat het zijn trust is. Ik heb de Letter of Wishes [Brief met richtlijnen van insteller van een trust aan de trustbeheerder] en de trustakte gezien. Maar ik kan mij niet herinneren wie de insteller was en wie de begunstigden waren. Ik herinner mij een Letter of Wishes te hebben gezien waarin zijn familie en een aantal charitatieve instellingen als de begunstigden worden genoemd.

Paul [naam verdachte] zal wel weten wat het doel van de Minerva Trust is en waarom hij het heeft opgericht. Het gebruik is waarschijnlijk op papier vastgelegd, maar dat weet ik niet. Ik weet niet of het nog bestaat. Minerva is geen cliënt van Nerine en ook nooit geweest.”

Over D/589:

“DAR, dat ben ik. JMN, dat is Jackie. Volgens D/590 is Camrose op 3 oktober 1995 op de Britse Maagdeneilanden opgericht als rechtspersoon. Jackie was degene die zich dagelijks bezighield met Camrose. (…). Document D/589 zegt dat Paul [naam verdachte] de economisch eigenaar is. Paul [naam verdachte] zal Jackie instructies hebben gegeven om Camrose te gebruiken, maar zeker weten doe ik dat niet. (…).

Jackie zal deze informatie niet voor niets hebben opgeschreven. Zij zal daartoe wel opdracht hebben gekregen van Paul [naam verdachte]. Jackie gaat zoiets niet verzinnen. Ik kan mij niet herinneren dat Paul [naam verdachte] zich ooit bij mij heeft beklaagd dat wij een slordige boekhouding hadden. D/589 is een intern document dat Jackie heeft ingevuld na instructies te hebben gekregen.”

Inzake document D/603, D/605 en D/606

(Hof: notulen van een bespreking tussen Rowlinson, Le Noury, [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1], gehouden in het Golden Tulip Barbizon Centre Hotel, op 20 juli 1995; Letter of Wishes d.d. 8 november 1995 van de Barbizon Trust aangaande de trustfondsen die ten gunste van Hans [naam medeverdachte 1] zouden komen; Correspondentie van Havelet waarin [naam verdachte] wordt aangesteld, vermoedelijk door Hans [naam medeverdachte 1], als vertrouwenspersoon van de Barbizon trust en Paul [naam verdachte] de benoeming tot vertrouwenspersoon van de Barbizon trust aanvaardt.):

“De notulen van de bespreking zullen door Jackie zijn gemaakt.

Het is interessant dat in de notulen van de bespreking, D/605, Paul [naam verdachte] verwijst naar de Letter of Wishes van de Minerva Trust. (..).

Op grond van de documenten kan ik bevestigen dat [naam medeverdachte 1] de insteller van de Barbizon Trust is. Nadat ik dit document heb gelezen kan ik mij deze bespreking vaag herinneren. Deze bespreking in 1995 was de eerste keer dat ik Hans [naam medeverdachte 1] ontmoette.

Het lijkt mij dat Hans [naam medeverdachte 1] een begunstigde van de Barbizon Trust is. Hij was een begunstigde omdat zijn familie ook genoemd wordt als de andere begunstigden.

Ik kan bevestigen dat Paul [naam verdachte] ten tijde van de oprichting van de Barbizon Trust de vertrouwenspersoon van de Barbizon Trust was.

Ik weet niet met welk doel de Barbizon Trust is gecreëerd.

De bespreking was in Amsterdam. Ik ben niet speciaal voor deze bespreking naar Amsterdam gegaan. Na lezing van dit document herinner ik mij dat de bespreking in het Barbizon Hotel was. Waarschijnlijk is de naam van de Barbizon Trust gekozen omdat wij de bespreking in het Barbizon Hotel hadden.”

Inzake document D/587A en D/591:

“DAR, dat ben ik. JMN, dat is Jackie.

Volgens document D/592 pagina 2 is Barbreck als rechtspersoon opgericht op 14 september 1995 op de Britse Maagdeneilanden. Op grond van document D/587A lijkt het mij dat Barbreck eigendom was van de Barbizon Trust. Dus Barbreck/Barbizon zou eenzelfde structuur kunnen hebben gehad als Minerva/Camrose. Dit is een heel normale structuur. De tegoeden worden ondergebracht bij een firma en de firma is eigendom van een Trust. Normaal gesproken is het iets eenvoudiger om beleggingen te doen namens een firma, want mensen begrijpen een Trust niet altijd. Het heeft niets van doen met een bankrekening, want een Trust kan ook een bankrekening aanhouden.

Ik weet niet of Barbreck nog bestaat. En ook hier: het wordt niet aangehouden bij Nerine.

Op basis van de documenten die u mij toont, in het bijzonder D/580 pagina 5, kan ik zeggen dat er in dit document "Minerva Trust” staat geschreven in mijn handschrift en dat de instructies voor alle transacties inzake de Minerva Trust altijd werden gegeven door Paul [naam verdachte].

Een transactie in Nederlandse guldens via de cliëntenrekening van Havelet en in verband met de Minerva Trust was altijd in opdracht van Paul [naam verdachte].

Ik kan alleen maar zeggen dat de instructies inzake de Minerva Trust werden gegeven door Paul [naam verdachte]. Iemand moest Jackie instrueren en haar informeren wat zij Oxbridge moest vertellen, ik bedoel het bankrekeningnummer en het bedrag.

De file note D/583 pagina 5 handelt over een telefoongesprek tussen Paul [naam verdachte] en mij. De notities zijn heel duidelijk. Boven deze file note staat ook weer geschreven ‘Minerva’. Ook boven pagina 7 staat geschreven ‘Minerva’.

In de file note heb ik geschreven dat een bedrag van $1,2 miljoen zal worden overgemaakt van de BMC rekening naar de Barbizon Trust. Al het geld ging naar BMC. Ik heb het telefoongesprek dat ik met Paul [naam verdachte] heb gehad gewoon vastgelegd. Ik kan er niets meer over vertellen.”

b. Jacqueline Margerite Le Noury heeft van november 1992 tot augustus 1997 voor Havelet gewerkt. Sinds oktober 1997 werkt zij voor Nerine Trust, eveneens gevestigd op Guernsey.

“De Minerva Trust is opgericht vele jaren voordat ik bij Havelet kwam werken. Ik ben niet betrokken geweest bij de vorming van de Minerva Trust. In mijn herinnering is de heer [naam verdachte] de insteller geweest van de Minerva Trust. Maar voor een officiële bevestiging van die informatie zou ik de ‘Letter of Wishes’ moeten zien. De Letter of Wishes wordt normaal gesproken ondertekend door de insteller.

U vertelt mij dat op dit document de naam van mevrouw [naam verdachte] staat vermeld als hoofdbegunstigde. Ik heb mevrouw [naam verdachte] nooit ontmoet. Ik heb daar geen commentaar op. Ik ken alleen de heer [naam verdachte] in relatie tot de Minerva Trust.

De insteller is degene die de trust vormt. De insteller is niet altijd de begunstigde. De begunstigde is degene die profiteert van de tegoeden van de Trust. De begunstigde kan de insteller zijn. Ik weet niet wie de begunstigde van de Minerva Trust is.

Ik ken deze documenten, D/589. Ik heb ze geschreven. Ik herken mijn handschrift.

De datum van oprichting als rechtspersoon zou moeten staan op het Certificate of Incorporation. Deze D/589 is een intern document. Dit document wordt opgesteld om een factuur te versturen. De datum van dit document is niet noodzakelijkerwijs de datum dat het in werking is getreden. Het hoeft niet op die datum met zijn werkzaamheden te zijn begonnen. In dit document kun je niet de oprichtingsdatum zien.

U toont mij D/590. Dat is het Certificate of Incorporation van Camrose. Dit document toont aan dat Camrose als rechtspersoon is opgericht op de Britse Maagdeneilanden op 3 oktober 1995.

Instructies inzake het gebruik van Camrose Services en haar fondsen kreeg ik van Paul [naam verdachte]. De economisch eigenaar van Camrose Services was de Minerva Trust. Camrose had 1 toonderaandeel uitgegeven. Ik weet nog dat dit toonderaandeel van Camrose in het bezit was van de Minerva Trust.

Havelet Trust was de trustbeheerder van Minerva. Ik geloof dat Paul [naam verdachte] de insteller van de Minerva Trust is geweest. Dat is de reden dat ik de naam van Paul [naam verdachte] als economisch eigenaar heb gezet op D/589, pagina 3. Wat mij betreft was Paul [naam verdachte] de insteller van de Minerva Trust.”

Nogmaals over D/589:

“Het is geen juridisch document. Het is een intern document. Maar Paul [naam verdachte] heeft mij opdracht gegeven Camrose Services als rechtspersoon op te richten en alles te doen wat nodig was voor de oprichting van Camrose als rechtspersoon.

U toont mij document D/603, D/605 en D/606.

De file note D/605 laat zien dat de heer [naam medeverdachte 1] de Barbizon trust wilde opzetten. Het is jaren geleden dat ik [naam medeverdachte 1]s handtekening voor het laatst heb gezien. Dus de handtekening op de Letter of Wishes en de aanstellingsbrief van de vertrouwenspersoon herken ik niet.

Ik herinner mij het gesprek niet, maar ik heb deze file note geschreven of gedicteerd.

Voor zover ik weet is de heer [naam medeverdachte 1] de insteller van de Barbizon trust. Uit de Letter of Wishes blijkt dat [naam medeverdachte 1] een begunstigde van de Barbizon Trust was.

Wie de vertrouwenspersoon is staat normaal gesproken in de trustakte. Gezien D/606 pagina 2 aanvaardde [naam verdachte] de benoeming tot vertrouwenspersoon van de Barbizon Trust.

Ik weet niet meer waarom de Barbizon Trust is opgezet. Blijkens de file note heeft Paul [naam verdachte] Hans [naam medeverdachte 1] geadviseerd en voorgesteld de Barbizon Trust op te zetten.

De instructies inzake de Barbizon Trust en haar fondsen kreeg ik van [naam medeverdachte 1].

De vertrouwenspersoon van een Trust is een professional, iemand die begrijpt hoe een Trust werkt, en de vertrouwenspersoon is er primair voor de insteller en weet wat de insteller met de Trust wil.

U vraagt mij of er bankrekeningen voor deze Trust zijn geopend. Er is een bankrekening geopend voor de Barbizon Trust.

U toont mij een fax aan Carl Sharp , Jason S.A.M. D/607; dit zijn de gegevens van die bankrekening van de Barbizon Trust. Ik weet niet waarom ik deze D/607 aan Sharp heb gestuurd. Ik zal opdracht hebben gekregen, van [naam verdachte] of [naam medeverdachte 1], om deze gegevens aan Sharp te sturen. Van andere personen zou ik geen opdrachten hebben geaccepteerd.

De naam Sharp is mij bekend, maar ik ken hem niet. Ik heb Sharp nooit ontmoet. Ik zal opdracht hebben gekregen, van [naam verdachte] of [naam medeverdachte 1], om deze gegevens aan Sharp te sturen.

Ik weet niet of ik D/587A heb geschreven. Maar één van ons, Neal of ik moet het hebben geschreven, want wij waren beide bij deze bespreking aanwezig. Normaal gesproken staat er onderaan de pagina een kenmerk, en dan kun je zien wie het heeft geschreven.

(…).De structuur van Barbreck/Barbizon was dezelfde als de structuur Camrose/Minerva.

Op het Certificate of Incorporation kunt u zien op welke datum Barbreck als rechtspersoon is opgericht. Ik herken mijn handschrift op D/591, dus ik heb dit interne document geschreven.

Ik geloof dat Barbreck als rechtspersoon is opgericht op de Britse Maagdeneilanden. Ik verwijs naar de notulen van de bespreking, daar kunt u zien dat er een BVI firma is gekozen.

Ten tijde van deze bespreking was Barbizon Trust de begunstigde van Barbreck. D/591 zegt dat er één toonderaandeel in bezit was. In mijn herinnering was aandeel in bezit van Barbizon.

Ik weet niet wat het doel was van de Barbreck. Na lezing van de file note zou ik zeggen dat Barbreck tot doel had enkele beleggingen te doen.

De instructies inzake het gebruik van Barbreck en haar fondsen kreeg ik van Hans [naam medeverdachte 1].

Ik weet niet of Barbreck nog bestaat.”

Over D/609 :

“U toont mij een file note van een telefoongesprek d.d. 19 maart 1996 met Paul [naam verdachte] en Jacky Le Noury, waarin sprake is een belegging van Minerva van $500.000 en van Barbizon van $250.000 in Prudential, en toont mij een brief aan de Hanson Bank waarin staat dat deze betalingen allebei zijn voldaan vanuit de Barbizon Trust. Beide beleggingen voor Camrose en Barbreck zijn gedaan vanuit de Barbizon trustrekening, zoals de brief zegt. Camrose en Barbreck wilden beide een rekening openen bij Prudential. Er zijn twee afzonderlijke rekeningen geopend bij Prudential, maar zij werden betaald vanuit een rekening van Barbizon. Ik weet niet waarom de betalingen zijn gedaan vanuit de Barbizon trust. Ik kan mij dit niet herinneren. [naam medeverdachte 1] moet degene zijn geweest die mij opdracht heeft gegeven voor deze betalingen want [naam medeverdachte 1] is de insteller van de Barbizon trust, of Paul [naam verdachte], die de vertrouwenspersoon van Barbizon was.”

Inzake document D/605:

“Ik weet niet wanneer Babel als rechtspersoon is opgericht. Babel was eigendom van de Havelet Groep. De aandelen van Babel waren eigendom van de Havelet Groep, maar de economische transacties gebeurden niet uit naam van Havelet, maar voor cliënten. Het was een firma die wij voor diverse cliënten gebruikten. [naam verdachte] gebruikte Babel voor bepaalde transacties.

Babel was een firma gevestigd in Ierland. Toen de wet werd veranderd in Ierland wilde Havelet geen gebruik meer maken van Babel. Wat betreft de file notes, wij hebben dit met Paul [naam verdachte] besproken, hij wilde Babel behouden. Dus hebben wij besloten Babel te behouden, uitsluitend voor gebruik door Paul [naam verdachte].

D/581 pagina 4 moet door mij zijn opgesteld, gezien mijn kenmerk bovenaan. Ik herinner mij niet dat ik het heb opgesteld.(…). Maar instructies inzake de Minerva Trust kreeg ik van [naam verdachte]. Als ik een instructie van een cliënt of een adviseur had gekregen dan had ik een file note gemaakt. Ik kan mij niets van deze transactie herinneren. De naam Racime herinner ik mij wel, maar verder weet ik er niets van.

Als wij geld binnenkrijgen op een cliëntenrekening van Havelet dan krijgen we normaal gesproken eerst een telefoontje, dat het geld eraan komt en wat wij ermee moeten doen. Op het bankafschrift moet je kunnen zien wat er met het geld is gebeurd nadat het op de cliëntenrekening van Havelet is aangekomen. Er moet een file note zijn waarin de cliënt ons instrueert wat er met het geld moet gebeuren of er is een geschreven instructie hiervan.

De file note D/587 pagina 2 betreft de Minerva Trust en D/583 pagina 7 betreft eveneens de Minerva Trust. Zij handelen beide over een transactie van 6 miljoen dollar, beide in dezelfde periode in het jaar 1995. Ik kan u zeggen dat ik in die periode slechts één transactie van 6 miljoen dollar heb behandeld. De instructies inzake de Minerva Trust kreeg ik alleen van Paul [naam verdachte].

Van de cliënt moet ik de instructie hebben ontvangen om deze fax (hof: D/607) te sturen, met het verzoek aan hun om geld naar de Barbizon te sturen. Inzake Barbizon kreeg ik alleen maar instructies van [naam medeverdachte 1] of Paul [naam verdachte] als de vertrouwenspersoon van Barbizon. U toont mij D/583 pagina 5. In deze file note kunt u lezen dat Paul [naam verdachte] heeft gezegd wat er zou gebeuren. Het is mogelijk dat [naam verdachte] de instructies heeft gegeven, want hij was de vertrouwenspersoon van Barbizon.

Het openen van de US dollar rekening kan op instructies van een van beiden zijn gebeurd, Paul [naam verdachte] of Hans [naam medeverdachte 1].

U toont mij D/584 pagina 4. In deze file note staat wat ik met de fondsen moet doen. Dit is op instructie van Paul [naam verdachte]. Het enige dat ik kan zeggen: ik ben door Paul [naam verdachte] opgebeld in verband met de fondsen die zouden binnenkomen, want dat staat in mijn file note.”

De verklaringen van Le Noury en Rowlinson en de inhoud van de documenten die het hof hiervoor heeft weergegeven en waarvan de betrouwbaarheid niet door deze getuigenverklaringen is aangetast, brengen het hof tot de conclusie dat [naam verdachte] zeggenschap had over en de werkelijke ‘beneficiary’ was van de Minerva Trust en Camrose Services Ltd., alsmede dat hij vanaf 20 juli 1995 Babel Limited naar eigen inzichten kon gebruiken, al dan niet ten eigen behoeve. Op gelijke gronden acht het hof vaststaan dat [naam medeverdachte 1] kon beschikken over de Barbizon Trust en Barbreck Holdings Ltd. en dat hij daarvan de werkelijke ‘beneficiary’ was.

De verklaring van David Williams over Camrose en Barbreck

Voorgaande conclusie staaft de hiervoor aangehaalde verklaring van David Williams III. Williams blijkt dus een geloofwaardige verklaring te hebben afgelegd. Ook meer specifiek blijkt zijn verklaring te kunnen worden onderbouwd met onafhankelijk bewijsmateriaal.

Gevraagd naar Camrose heeft David Williams verklaard:

“Ik was in Nederland in 1996 of 1997, dat moet omstreeks de Egg I of Egg II deal zijn geweest. Toentertijd sprak ik met [naam verdachte] en ik vroeg [naam verdachte] om mij een kans te geven om een account voor [naam verdachte] te krijgen. Vervolgens zei [naam verdachte] oké en gaf mij aan dat hij twee accounts zou openen, één voor hemzelf en één voor [naam medeverdachte 1]. [naam verdachte] vertelde mij dat ik door iemand gebeld zou worden die de noodzakelijk informatie zou hebben.

Kort na mijn terugkomst in de Verenigde Staten werd ik gebeld door Jacqui Le Noury.

Le Noury legde mij uit dat zij werkzaam was voor Havelet, gesitueerd in Guernsey.

Le Noury verklaarde mij dat zij de contactpersoon was die in opdracht van [naam verdachte] de rekeningen moest openen. Er werden twee rekeningen geopend, de eerste voor $500.000 op naam van Camrose, en de tweede voor $250.000, ik herinner mij de naam niet.

Gedurende één van de “Belasting seminars” in Cabo San Lucas, Mexico waren [naam medeverdachte 1] en ik in gesprek. Hans [naam medeverdachte 1] vertelde mij dat zij, Paul [naam verdachte] en hijzelf, mij zo aardig vonden, dat ze het niet erg vonden als ik al hun geld zou kwijtraken. Op dat moment was het mij duidelijk dat de kleine account aan Hans [naam medeverdachte 1] toebehoorde, hoewel ik nooit documenten heb gezien waaruit dat bezit zou blijken. Later begon Paul een schild tussen zichzelf en de rekening op te trekken. In plaats van te zeggen “hoe sta ik ervoor?” begon hij te zeggen “hoe staat mijn cliënt ervoor?”.

Hierbij overhandig ik u de documenten van de Camrose account bij Oppenheimer, u mag ze hebben. U kunt zien dat er een opdracht is om de account te beëindigen en het geld naar Barclays Bank in Guernsey over te boeken. De tekengerechtigden voor de account zijn Woodleigh Limited en Ameleine Limited. Zij wilden de rekening van Camrose naar Opus Management and Trading Limited verplaatsen. Omdat zij de papieren niet ondertekenden, is dit nooit gebeurd. (…).”

De verklaring van Williams wordt bovendien ondersteund door de ‘File Note’ van 20 maart 1996 van de hand van Jacqui Le Noury over een telefoongesprek dat zij een dag tevoren heeft gevoerd met [naam verdachte]. Hierin is vermeld:

“The Minerva Trust

The Barbizon Trust

Paul said that himself and Hans [naam medeverdachte 1] are going into a joint venture with Prudential Securities in Miami whereby the Barbizon Trust would want to invest a 250,000.00 dollars and the Minerva Trust 500,000.00 dollars in this company.

The contact in Miami is Mr. David Williams, telephone number (...).

JLN said that it would probably be better if Hans [naam medeverdachte 1] used his BVI company to invest this money. ( ... – onleesbaar gemaakt - ...).

Paul said that he was happy to do that and wants JLN to put everything in place. David Williams has been told to contact JLN to give details of where the money is to be sent and by what date.”

Bij brief van Havelet Trust aan Hanson Bank te Guernsey van 4 april 1996 wordt opdracht gegeven tot overboeking van $ 250.000 en $ 500.000 naar Morgan Guarantee Bank te New York onder vermelding van Barbreck Holdings Limited, respectievelijk Camrose Services Limited. In de brief wordt verwezen naar de ‘USD Fixed Deposit-account’ van de Barbizon Trust, hetgeen inderdaad de ‘BVI company’ van [naam medeverdachte 1] is.

Uit de verklaring van Williams kan wederom een aanwijzing worden geput dat [naam verdachte] welbewust tracht te verhullen dat hij zeggenschap had over en de economisch eigenaar was van Camrose Services Ltd. Williams beschrijft immers dat [naam verdachte] na verloop van tijd ‘een schild begon op te trekken’ tussen hem en zijn rekening.

Uit de volgorde waarin het hof het bewijsmateriaal aangaande de zeggenschap en het economisch eigendom van de door Havelet Trust beheerde rechtspersonen heeft besproken, te weten (1) de documenten, (2) de verklaringen van twee trustmedewerkers naar aanleiding van die documenten, en pas daarna de verklaring van Williams, die opnieuw – en dan wat betreft de overboekingen en de bron van de gelden – gestaafd wordt door een tweetal documenten, kan reeds worden opgemaakt dat ’s hofs oordeel omtrent de zeggenschap over en het economisch eigendom van de rechtspersonen Minerva en Camrose, onderscheidenlijk Barbizon en Barbreck niet berust op de verklaringen van Williams. De verklaring van Williams wordt juist onderbouwd door de peilers waarop ’s hofs oordeel rust. Dat Williams bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris in elk geval ten aanzien van de Camrose-account van [naam verdachte] aanzienlijk minder stellig is en geen directe wetenschap zegt te hebben dat ‘Camrose’ de persoonlijke rekening van [naam verdachte] zou hebben betroffen, doet aan de fundamenten van ’s hofs oordeel dus niets af. Overigens is Williams bij gelegenheid van datzelfde verhoor in antwoord op vragen die de rechter-commissaris hem voorhoudt nog immer betrekkelijk stellig over de eigendom van de Barbreck-account:

Weet u (of u) wel of niet ooit een rekening namens de heer [naam medeverdachte 1] heeft beheerd?

“Ja dat heb ik gedaan (…) Het was een offshore rekening onder de naam Barbreck die hij ooit opende – geloof ik, via Admiral Trust . En de reden waarom ik meen dat deze van de heer [naam medeverdachte 1] was, was omdat hij mij vertelde dat dit zo was. (…) Ik geloof in Mexico.”

Heeft hij u dit op deze manier expliciet verteld dat deze rekening van hem was?

“Ik herinner mij niet zijn precieze woorden. Ik geloof dat de rekening van hem was. Ik bedoel, u vraagt naar een gesprek dat zeven jaar geleden plaats vond. Mijn indruk van het gesprek met hem was (…) dat het zijn rekening of zijn geld was, of (..).”

Maar u heeft dit nooit willen verifiëren?

“Dat heb ik nooit geprobeerd. (…) Mijn antwoord op de vraag is: mijn indruk van de heer [naam medeverdachte 1], in een sociale setting waarbij wij met zijn tweeën onder elkaar waren, was dat Barbreck zijn rekening was en dat hij het prima vond als ik die beheerde.”

De omstandigheid dat Williams tijdens zijn verhoor als getuige door het hof weer minder stellig heeft verklaard over zijn wetenschap van de (economische) eigendom van de Barbreck-account , doet om de hiervoor weergeven redenen evenmin af aan de fundamenten van ‘s hofs oordeel.

D4. BMC Corp, subaccount ‘Epsilon’

BMC Corp is reeds aan de orde gekomen in het subonderdeel over Jason S.A.M. Het dossier bevat een tweetal financiële overzichten behorende bij rekeningnummer 179183 van BMC Corp ‘Epsilon’ (beide met het postadres “c/o Jason SAM (…) Monaco”), en wel van 3 februari 2000 en van 1 januari 1999 .

Het overzicht van 3 februari 2000 is aangetroffen in de attachékoffer van [naam verdachte] .

Op de achterzijde daarvan is een handgeschreven cijferopstelling gemaakt waarvan de verbalisanten van de FIOD hebben opgemerkt daarin het handschrift van [naam verdachte] te herkennen . Te zien is dat er na enkele rekenkundige bewerkingen die kennelijk staan voor de optelling van de waarden van vermogensbestanddelen en/of over te boeken bedragen, wordt vermeld: “daarna kan Epsilon geliquideerd worden”.

Het hof begrijpt uit de reactie van [naam verdachte] nadat hem dit document is getoond dat deze cijferopstelling op de achterzijde van het bij hem aangetroffen overzicht inderdaad van zijn hand is:

“Dit is een vermogenspositie van een cliënt van mij. In dit overzicht herken ik drie namen van vermogensposities. Camden, Lingford en Epsilon. Dit betreft één cliënt. Ik tel hier de vermogensposities bij elkaar op. Het is zo duidelijk als het maar zijn kan. De investering PBS die u net aan mij toonde en die ik aftrok van het overzicht D/367 tel ik hier bij de totale positie van mijn cliënt.”

Inmiddels moge duidelijk zijn dat het hof niet zonder meer kan uitgaan van de juistheid van mededelingen van [naam verdachte] dat hij ten aanzien van een bepaalde vennootschap, trust of account enkel is opgetreden als adviseur ten behoeve van één van zijn cliënten. De handgeschreven opmerking “daarna kan Epsilon geliquideerd worden” laat zich naar ’s hofs oordeel eerder begrijpen als een voornemen van de zijde van een rechthebbende dan als een voorgenomen advies aan een cliënt. Desalniettemin acht het hof deze overwegingen van te weinig gewicht om te oordelen dat [naam verdachte] gerechtigd was tot het vermogen dat is gestald op de subaccount ‘Epsilon’ van BMC Corp.

Thans kan worden volstaan met de vaststelling dat [naam verdachte] toegang had tot gegevens over deze subaccount en minst genomen daaromtrent adviezen kon uitbrengen. Deze vaststelling is van belang ter ondersteuning van de bewijsoverwegingen over een rekening met het nummer 179.116 bij de Banque Scandinave en Suisse, aangezien deze bankrekening, gelijk het geval is bij de subaccount ‘Epsilon’, is geadministreerd op naam van BMC Corp. Betreft ‘Epsilon’ mogelijk een cliënt van [naam verdachte], mogelijk hemzelf, voor zowel ‘Epsilon’ als voor de thans te bespreken bankrekening is BMC Corp met medeweten van c.q. ten behoeve van [naam verdachte] opgetreden als dekmantel.

D5. Banque Scandinave en Suisse, rekeningnummer 179.116

In het traject van de geldstromen die hieronder zullen worden besproken is in vier gevallen plaats ingeruimd voor de bankrekening met nummer 179.116 op naam van BMC Corp bij de Banque Scandinave en Suisse, te Geneve. Zoals hierboven is vastgesteld, gaat achter BMC Corp het trustkantoor Jason S.A.M. schuil, alsmede de daaraan verbonden individuen Karl Schaap en Digby Hubbard. Een trustkantoor kan op eigen naam, c.q. op naam van een door hem beheerde vennootschap een bankrekening aanhouden ten behoeve van een andere persoon, in wiens vermogen het saldo van die bankrekening valt.

Voor de stelling dat de genoemde bankrekening bij Banque Scandinave en Suisse in werkelijkheid toebehoort aan [naam verdachte] zijn sterke aanwijzingen. Het hof zal die overigens niet in chronologische volgorde bespreken.

a. September 1995: de geldstroom na de Egg-transactie

De telefoonnotitie van David Rowlinson (werkzaam bij Havelet Trust) van 8 september 1995 vermeldt dat [naam verdachte] in een telefoongesprek met hem, Rowlinson, een bepaalde factuur aankondigt. Uit de mond van [naam verdachte] is opgetekend:

“We (hof: Havelet) will receive an invoice from Carl Sharp in Monte Carlo addressed to Babel Limited for US$ 6.100.000. This money will be transferred to Carl Sharp. He will keep US$ 100.000 and then 20% of those funds, US$ 1.200.000, will be transferred to the Barbizon Trust. (...).”

Inderdaad bevat het dossier een factuur van BMC Corp aan “Babel limited c/o Havelet Trust Company” d.d. 7 september 1995 ter attentie van Rowlinson strekkende tot betaling van $ 6.100.000 vanwege:

“Intermediary fee for services rendered to Oxbridge Investments Ltd., regarding acquisition of shares in Dutch liability company”

Als begunstigde is vermeld:

“Please send by S.W.I.F.T. to

BMC Corp

A/C 179.116

Banque Scandinave en Suisse

(…) Geneva.”

Van ‘Carl Sharp’, oftewel Karl Schaap, is vastgesteld dat hij werkzaam is voor BMC Corp. De factuur van 7 september 1995 is klaarblijkelijk de factuur die door [naam verdachte] is bedoeld in zijn telefoongesprek met Rowlinson van Havelet Trust.

Bij brief van 8 september 1995 van Havelet Trust aan Hanson Bank te Guernsey geeft Havelet Trust overeenkomstig voorgaande factuur de opdracht tot betaling van een bedrag van $ 6,1 miljoen ten laste van de ‘Clients USD Account’ van Havelet naar de genoemde rekening op naam van BMC Corp bij Banque Scandinave en Suisse te Geneve, nr. 179.116.

Met andere woorden: [naam verdachte] geeft Havelet Trust opdracht om naar aanleiding van een door hem op voorhand aangekondigde factuur van BMC Corp, die is gericht aan de door [naam verdachte] aangewende vennootschap Babel Ltd., een bedrag van $ 6,1 miljoen over te boeken naar de bankrekening in Zwitserland met nummer 179.116.

In de ‘file note’ met betrekking tot een gesprek dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] op 9 november 1995 hadden met Duquemin en Le Noury van Havelet Trust is onder meer het volgende te lezen:

“Paul explained that he has a couple of Million dollars held at Bank Scandinave in Switzerland which is his share of the 6 Million dollar deal that went through in September, 1995, Paul feels that because Bank Scandinave are a small Bank he feels fairly uncomfortable that all his money should be there and he is thinking seriously of maybe leaving half a Million dollars with them, he is Meeting the Manager at Bank Scandinave in the next few days and has decided to incorporate a BVI Company called Mursley Holding Limited which we to prepare the incorporation documents and keep here until Bank Scandinave and Mr. Schilling telephones us and asks us for the details of the Company. Paul wants the money in the Company and will confirm to us where and which Banks he will decide to place the funds at.”

De dollarrekening nr. 179.116 bij Banque Scandinave en Suisse moge op naam van BMC Corp zijn gesteld, het geld op enige rekening bij die bank blijkt van [naam verdachte] te zijn. Het hof gaat er dan ook van uit dat [naam verdachte] omstreeks 1995 zeggenschap had over een bankrekening bij genoemde bank in Zwitserland. Dat [naam verdachte] met zijn mededeling over ‘a couple of Million Dollars held at Bank Scandinave en Switserland’ specifiek het oog had op de rekening bij Banque Scandinave en Suisse met bovenvermeld nummer acht het hof in voldoende mate komen vast te staan. De ruim $ 6 miljoen is op die rekening overgeboekt, en hierna zal blijken dat drie andere geldstromen ten gunste van [naam verdachte] eveneens langs de rekening met dat nummer zijn geleid.

b. September 1996: de geldstroom na de Egg II-transactie

Bij de bespreking van de geldstroom na de Eg II-transactie zal blijken dat op 24 september 1996 $ 3,814,460 miljoen wordt overgemaakt van een bankrekening van Oxbridge naar de ‘clients account’ van Havelet Trust bij Hanson Bank op Guernsey.

In een bij Havelet Trust aangetroffen gespreksnotitie betreffende “Telephone conversation JLN (hof: Jacqui Le Noury) and Paul [naam verdachte]” vastgelegd op 26/9/96 staat vermeld :

“PVDK confirmed that when the money arrives which should be for value 24th September 1996 we are to place the funds which total US$ 3,814,460 on an overnight deposit until we hear from him as to how much we are to pay away to Mr. Schaap, our commission and how much will be split between Paul [naam verdachte] and Hans Kolhmann.”

In een andere gespreksnotitie van Havelet Trust, betreffende “Telephone conversation JLN and Paul [naam verdachte], 25th September 1996”, eveneens vastgelegd op 26 september 1996 staat vermeld :

“ The Minerva Trust

Paul confirmed that we to leave the money at Hanson Bank until we hear from him. Mr. Schaap will send us an invoice for 3.8 Million Dollars but we are not to pay the money away to him until Mr. [naam verdachte] calls and confirms that we can do.”

Inderdaad heeft Havelet Trust een factuur d.d. 26 september 1996 ontvangen, en wel afkomstig van BMC Corp en gericht aan Babel Limited c/o Havelet Trust ter attentie van David Rowlinson. De factuur strekt tot betaling van $ 3.800.000 wegens "Intermediary fee for services rendered to Oxbridge Investments Ltd., regarding acquisition of shares in a Dutch Limited Liability Company.” Het bedrag dient te worden overgemaakt op rekeningnummer 179.116 ten name van BMC Corp bij Banque Scandinave en Suisse.

Bij brief van Havelet Trust (“JMLN”) van 10 oktober 1996 wordt de Hanson Bank overeenkomstig voorgaande factuur geïnstrueerd om $ 3.800.000 over te boeken naar de dollarrekening met het nummer 179.116 ten name van BMC Corp bij Banque Scandinave en Suisse. Klaarblijkelijk heeft [naam verdachte] tussen 26 september en 10 oktober 1996 Le Noury, althans Havelet Trust, verzocht de betaling te doen plaatsvinden.

Op dezelfde dag als waarop deze overboeking is gerealiseerd (15 oktober 1996) wordt een bedrag in dollars ter waarde van ƒ 1,5 miljoen overgemaakt naar een bankrekening van de aan [naam medeverdachte 1] toekomende Barbizon Trust.

Het bedrag dat [naam verdachte] zichzelf heeft toebedeeld is derhalve aantoonbaar terechtgekomen op de rekening met het nummer 179.116 bij de Banque Scandinave en Suisse, ten name van BMC Corp. Een deel ter hoogte van ƒ 1,5 miljoen is doorbetaald aan [naam medeverdachte 1].

c. Januari 1996: Geldstroom van uitgevoerde betalingen uit de nagekomen gelden van Rentafixe.

Ten aanzien van deze geldstroom valt hetzelfde beeld waar te nemen. Een bedrag in dollars ter waarde van ƒ 2,3 miljoen wordt overgemaakt van een rekening van Oxbridge naar de ‘client account’ van Havelet Trust bij Hanson Bank, en vervolgens (vrijwel geheel) overgemaakt naar de bewuste dollarrekening met nummer 179.116 ten name van BMC Corp. Vervolgens worden niet lang daarna de hieronder te bespreken rekeningen van (naar zal blijken) [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] bij Crédit Européen gevoed met gelden afkomstig van BMC Corp bij Banque Scandinave en Suisse.

d. Oktober 1993: geldstroom na de Interbaros-transactie

Opnieuw een gelijke waarneming. Van een rekening ten gunste van de Minerva Trust (van [naam verdachte]) wordt een bedrag van ruim $ 760.000 overgemaakt naar de bewuste dollarrekening ten name van BMC Corp bij Banque Scandinave en Suisse, nummer 179.116. Enkele dagen later ontvangt [naam medeverdachte 2] op zijn rekening in Luxemburg een bedrag van ruim $ 390.000 “van Banque Scandinave en Suisse, order of: un client”

Op voorgaande bewijsmiddelen en overwegingen berust ’s hofs oordeel dat de rekening met nummer 179.116 bij Banque Scandinave en Suisse (Geneve) is gesteld ten name van BMC Corp, maar strekt ten gunste van [naam verdachte]. [naam verdachte] heeft daarover volledige zeggenschap. Kortom, [naam verdachte] heeft de medewerking van BMC Corp daadwerkelijk benut om te verhullen dat hij rechthebbende is van het saldo van deze dollarrekening. De tenaamstelling van de rekening is een dekmantel.

D6. Bankrekeningen bij Crédit Européen te Luxemburg

a. [naam medeverdachte 2]

De uitvoering van rechtshulpverzoek aan het Groothertogdom Luxemburg heeft ertoe geleid dat bankafschriften beschikbaar kwamen van bankrekeningen ten name van S. [naam medeverdachte 2] bij de bank Crédit Européen te Luxemburg. Bij [naam medeverdachte 2] thuis zijn dergelijke bankafschriften niet aangetroffen.

Een aan Crédit Européen gericht verzoek van de hand van [naam medeverdachte 2] en zijn echtgenote (inclusief een kopie van zijn en haar paspoort) tot het openen van een bankrekening bevindt zich bij de processtukken. De handtekeningen van [naam medeverdachte 2] en zijn echtgenote zijn geplaatst in het bijzijn van Marie-Christine Lambin , naar hieronder zal blijken [naam medeverdachte 2]s relatiebeheerder bij die bank. Het cliëntnummer dat met de hand is geplaatst op diverse pagina’s van dit formulier komt overeen met een gedeelte van het hierna vermelde rekeningnummer: 512-791. Blijkens een door [naam medeverdachte 2] ondertekend formulier waarmee hij de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden accepteert, alsmede een datumstempel op pagina 3 is de aanvrage gedaan op 15 november 1990 .

Op naam van [naam medeverdachte 2] staan de volgende rekeningen:

Nummer Vanaf Einde/laatste mutatie Valuta

10-512-791-0-3/040 November 1990 Augustus 1999 ƒ

12-512-791-0-3/000 Juni 1993 Augustus 2001 BEF, LUF, Euro

12-512-791-0-3/050 November 1994 Augustus 2001 CHF

14-512-791-0-3/010 November 1993 April 2000 $

10-522-793-0-3/010 December 1995 Oktober 2000 $

11-522-793-1-3/010 Februari 1995 Oktober 2001 $ (VISA).

12-522-793-2-3/010

16-522-793-2-3/040 Januari 1996

Geen mutaties Oktober 2000 $

Onderzoek naar bankrekeningen van [naam medeverdachte 2] in Luxemburg werd geëntameerd na de ontdekking van handgeschreven – naar het het hof voorkomt – gecodeerde informatie in de agenda’s van [naam medeverdachte 2]. De getallen worden hieronder weergegeven op de wijze zoals zij in de agenda’s van [naam medeverdachte 2] waren vastgelegd; ogenschijnlijk betrekkelijk eenvoudige rekensommen. Samengevat betreft dit informatie op de hierna beschreven locaties in de agenda’s van 1993, 1994 en 1995 . In de onderste rij van het schema wordt vermeld welke informatie (doorkiesnummer of rekeningnummer, etc.) op deze wijze werd gecamoufleerd.

31 augustus 1993

D/268

29 december 1994

D/269

1995

achterzijde voorkant van agenda

D/270 13 september 1995

D/270

352

4499

1688 Credit Europeen

Tel 352 44991688/44991604

Fax 352 442068

512

791

1303

352

4499

1688

6539

4420

68

4488

26

51

77

442

519 352

4499

1688

2489

512791

442068

954859

352

4499

1688

6539

Landnummer+

Doorkiesnummer

Crédit Européen in Luxemburg Landnummer+

Doorkiesnummers

(2e: filiaal rue d’Esch)

Crédit Européen in Luxemburg+

Rekening nummer

Landnummer+

Doorkiesnummer+

faxnummer

Doorkiesnummer+

Rekeningnummer+

Faxnummer+

Doorkiesnummer

b. [naam medeverdachte 1]

Ten aanzien van [naam medeverdachte 1] is eveneens het bestaan van bankrekeningen op zijn naam bekend geworden, en wel bij dezelfde bank, de Crédit Européen te Luxemburg. Het betreft de rekeningen:

Nummer Vanaf Einde/laatste mutatie Valuta

12-522-799-0-3/010 Januari 1996 December 1999 USD

18-522-799-0-3/040 Mei 1996 Oktober 2001 ƒ

24-522-799-0-3/010 Mei 1998 Januari 2001 $

Een aan Crédit Européen gericht verzoek van de hand van [naam medeverdachte 1] (inclusief een kopie van zijn paspoort) tot het openen van een bankrekening bevindt zich bij de processtukken. De handtekening van [naam medeverdachte 1] is op 28 december 1995 geplaatst in het bijzijn van Marie-Christine Lambin , naar hieronder zal blijken een relatiebeheerder bij die bank. Het cliëntnummer dat met de hand is geplaatst op diverse pagina’s van dit formulier komt overeen met een gedeelte van het hiervoor vermelde rekeningnummer: 522-799. Een maand later zou de eerste betaling op deze rekening binnenkomen waarvan het hof vaststelt dat zij afkomstig is van Oxbridge c.s.

In de agenda’s van [naam medeverdachte 1] is op – volgens het hof – gecamoufleerde wijze melding gemaakt van [naam medeverdachte 1]s rekeningnummer(s) bij de Luxemburgse bank: op een ‘post it’-briefje voorin in de agenda van [naam medeverdachte 1] over het jaar 1996 staat onder meer vermeld: “12-522-799-03-010”. In een agenda op naam van [naam medeverdachte 1] over het jaar 1997 staan op de dag van 3 januari 1997 bij wijze van een rekensommetje onder elkaar vermeld de cijfers: “12”, “522” en “799”.

Verhoor medewerkers van Crédit Européen en overige bewijsmiddelen

(Voormalige) medewerkers van Crédit Européen zijn door de FIOD gehoord.

De heer Rudy Desmicht, relatiebeheerder, heeft verklaard (weergegeven in cursief schrift) op vragen van de FIOD (weergegeven in rechtopstaand schrift):

“Ik ken de heer [naam medeverdachte 2] persoonlijk sinds medio 1998 toen ik de cliëntenportefeuille overnam van een collega die bij de bank wegging. Sinds die tijd ontmoette ik de heer [naam medeverdachte 2] eens in de drie of vier maanden. De heer [naam medeverdachte 2] wist precies wat hij wilde, hij heeft nooit om ons advies of meningen gevraagd, maar gaf uitsluitend opdrachten. Ik gaf hem alleen uitleg over de uitvoering van de verstrekte opdrachten. De (hof: laatste) keer dat ik hem ontmoette was 1 augustus 2001. Een paar weken geleden heb ik hem telefonisch gesproken, maar hij heeft toen niets tegen mij gezegd over zijn problemen met de Nederlandse autoriteiten.

Kent u Jan van Haaften als een cliënt? Hoe bent u met hem in contact gekomen? Kent u hem persoonlijk of alleen van naam? Sinds wanneer?

“Ik ken hem als mijn cliënt. [naam medeverdachte 2] heeft hem voorgesteld, begin 1999, omdat de heer [naam medeverdachte 2] mij vertelde dat de heer Van Haaften een zeer belangrijk persoon in zaken was en een zeer goede vriend van hem was. (…). Via zijn enige rekening was Van Haaften van plan beleggingen te doen, samen met de heer [naam medeverdachte 2]. Deze beleggingen zijn naderhand gedaan.”

Kent u de namen American Energy (vennootschappen), BMC Corp en de naam Oxbridge?

“Ik heb alleen iets gehoord inzake de naam BMC. In het dossier zag ik dat er gelden zijn overgemaakt van BMC naar de rekening van de heer [naam medeverdachte 2], maar dat was een hele tijd geleden.”

Waarom heeft [naam medeverdachte 2] niet zelf het geld geïnvesteerd in deze beleggingen en liet hij het Van Haaften doen?

“[naam medeverdachte 2] zei tegen mij dat hij niet wilde dat zijn naam voorkwam, noch in Holland noch in Zwitserland, om redenen van geheimhouding.”

Getoond een overboeking van USD 2.699.983 van BMC Corp, Banque Scandinave en Suisse naar rekening 14-512-791 van [naam medeverdachte 2], d.d. 19-09-1995. Gevraagd om commentaar. Wat zijn de procedures voor deze overboekingen? Heeft de cliënt BMC contact met u opgenomen inzake deze girale overboeking? Zo ja, wie?

“Deze documenten laten zien dat op 21 september 1995 de heer [naam medeverdachte 2] heeft bericht aan Marie-Christine Lambin (destijds relatiebeheerder bij Credit Européen) dat een bedrag van USD 2.700.000 zou worden verstuurd door Banque Scandinave Genève, in opdracht van hun cliënt BMC Corp, naar de rekening van de heer [naam medeverdachte 2] bij Credit Européen Luxembourg. Als omschrijving IBLC wordt vermeld “Commission sur opération financière”.”

Getoond een telex ontvangen van Banque Scandinave en Suisse, inzake een overboeking van USD 259.000, d.d. 29-01-1996 naar rekening 12-522-799 van [naam medeverdachte 1]. Gevraagd om commentaar. Wat zijn de procedures voor deze overboekingen?

“Het is een normale overboeking van Banque Scandinave en Suisse, in opdracht van hun cliënt BMC Corp, naar de rekening van de heer [naam medeverdachte 1] bij Credit Européen Luxembourg.”

Christophe Ommeganck, relatiebeheerder over de periode 1990 tot 31 augustus 1998, heeft verklaard (weergegeven in cursief schrift) op vragen van de FIOD (weergegeven in rechtopstaand schrift):

“Ik ken de heer [naam medeverdachte 2] persoonlijk (beroepsmatig) sinds medio 1995 of 1996 toen ik een bepaald deel van de cliëntenportefeuille overnam van een voormalige collega, Marie-Christine Lambin, na een herstructurering van de private banking bij Credit Européen. Ik denk dat ik hem 1 of 2 keer heb ontmoet. Ik heb nooit telefonisch met hem gesproken. Hij had een buitengewoon defensieve portefeuille en niet een erg actieve. Men vertelde mij dat hij een topbankier was in Holland.”

Deed de heer [naam medeverdachte 2] veel kasopnames? Wij tonen u de volgende bijlage 1a tot 1d ?

“Ja, dat is mijn handtekening.”

Het hof begrijpt dit antwoord in het licht van de verdere verklaring van de getuige aldus dat [naam medeverdachte 2] veel kasopnames deed en dat de getuige zijn (eigen) handtekening herkent op een viertal bijlagen.

Kunt u ons de procedure inzake deze kasopnames uitleggen?

“De cliënt verzoekt om een kasopname, ik vulde dan het opnameformulier in, ik ondertekende het ook en doorgaans ging ik dan met de cliënt naar de kas en daar ontving de cliënt het geld rechtstreeks.”

Dus u hebt hem vaker dan één of twee keer ontmoet.

“Ja, en dat verbaast mij, ik herinnerde het mij niet zo.”

Kent u Jan van Haaften als een cliënt? Hoe bent u met hem in contact gekomen? Kent u hem persoonlijk of alleen van naam? Sinds wanneer?

“Nee, ik ken hem niet.”

Een weergave van een door de FIOD op 6 april 2000 uitgeluisterd telefoongesprek tussen de echtgenote van [naam medeverdachte 2] (Liesbeth) en hun zoon Robert Jan vermeldt :

Liesbeth: ja papa die komt trouwens …die gaat naar Luxemburg om te checken wat je aan het uitgeven bent. Ik zou me een beetje gaan inhouden als ik jou was.

Robert Jan: oh je bedoelt ik moet snel wat even opnemen voor de vakantie.

Verklaring [naam medeverdachte 2] en conclusies inzake deze bankrekeningen

[naam medeverdachte 2] heeft over deze rekening onder meer verklaard :

“Ik wil allereerst terugkomen op wat u mij getoond hebt in mijn agenda’s betreffende het telefoonnummer van de Luxemburgse bank. Dat betreft inderdaad de Credit Européen, te Luxemburg stad. Ikzelf ben formeel eigenaar van een bankrekening welke bij die bank gehouden wordt. (…). Ik heb wel een VISA kaart welke gekoppeld is aan deze rekening, die kaart staat op mijn naam. Mijn vrouw had ook een kaart gekoppeld aan deze rekening maar zij is die kaart kwijtgeraakt. (…) Het enige waar ik deze rekening voor heb gebruikt zijn consumptieve uitgaven voor mijzelf. (…). De uitgaven die ik heb gedaan zijn bijvoorbeeld: vakantie uitgaven, restaurants en hotels etc.(…). U hebt gelijk, mijn zoon Robert-Jan studeert in Zuid Afrika, hij heeft inderdaad een eigen VISA kaart voor deze bankrekening in Luxemburg. Mijn zoon heeft vanaf januari 2000 deze VISA kaart tot zijn beschikking. Ik weet dat hij deze rekening inderdaad gebruikt voor zijn levensonderhoud.

Voorts heeft [naam medeverdachte 2] verklaard dat hij weliswaar juridisch eigenaar is van deze bankrekening(en), maar niet de economisch eigenaar. Dat zou een goede vriend van hem betreffen, met wie hij al sinds 1992 een ‘rekening courant’-verhouding zou hebben gehad. De naam van deze vriend heeft [naam medeverdachte 2], naar zijn zeggen na overleg met deze persoon, niet willen prijsgeven.

[naam medeverdachte 2] heeft bovendien te kennen gegeven dat deze bankrekening niets van doen heeft met Oxbridge c.s. en de handel in winstvennootschappen.

Over het afgeluisterde telefoongesprek tussen zijn vrouw en hun zoon heeft [naam medeverdachte 2] verklaard dat hij voornemens was om bij de bewuste vriend/economisch eigenaar van de rekening te informeren wat zijn zoon aan het spenderen was.

Het hof acht echter niet aannemelijk geworden dat een ander dan [naam medeverdachte 2] economisch eigenaar is van de bewuste rekeningen.

Het hof bespreekt de door [naam medeverdachte 2] aangedragen argumenten.

(i). Het hof heeft zich afgevraagd of een zekere Van Haaften de bewuste economisch eigenaar van de rekening zou kunnen zijn, maar de verklaringen van Ommeganck en Desmicht maken dit bepaald niet aannemelijk. Het is [naam medeverdachte 2] die Van Haaften heeft geïntroduceerd, en de bankrekeningen zijn niet geopend tezamen met die vriend (zoals [naam medeverdachte 2] verklaart). Met Van Haaften hadden de gehoorde relatiebeheerders (vrijwel) geen contact. Van Haaften had een eigen bankrekening bij Crédit Européen en samen met Van Haaften heeft [naam medeverdachte 2] (op naam van Van Haaften) investeringen gedaan. Van Haaften is gehoord en heeft ontkend economisch eigenaar te zijn van de bankrekeningen ten name van [naam medeverdachte 2].

(ii). Dat deze bankrekeningen wel degelijk relevant zijn voor de vaststelling van geldstromen die werden gevoed uit de liquide middelen van de door Oxbridge aangekochte winstvennootschappen zal hieronder blijken. Deze geldstromen zijn namelijk ten dele terechtgekomen op deze bankrekeningen ten name van [naam medeverdachte 2]. Indien de door [naam medeverdachte 2] niet bekend gemaakte ‘vriend’ geen enkele bemoeienis zou hebben gehad met Oxbridge c.s. is onverklaarbaar waarom hij, als economisch eigenaar van de bewuste bankrekeningen, zou moeten profiteren van de opbrengst van de handel in winstvennootschappen. Dat [naam medeverdachte 2] in persoon heeft geprofiteerd van deze frauduleuze constructie is daarentegen zeer wel verklaarbaar. Het hof komt daarop – uiteraard – nog terug.

(iii). Uit het hierboven weergegeven afgeluisterde telefoongesprek kan worden afgeleid dat [naam medeverdachte 2] in eigen persoon naar Luxemburg zou gaan om te informeren naar de uitgaven van zijn zoon op die bankrekeningen, en niet dat hij – naar hij zelf verklaart – enkel zou informeren bij zijn vriend, de vermeende economisch eigenaar van die rekening.

Conclusies inzake de Luxemburgse bankrekeningen

In weerwil van [naam medeverdachte 2]s verklaring dienaangaande houdt het hof [naam medeverdachte 2] niet alleen voor de tenaamgestelde van de bankrekening(en) bij Crédit Européen. Het saldo van deze rekeningen valt binnen het vermogen van [naam medeverdachte 2]. Dat een ander economisch eigenaar zou zijn is hoogst onwaarschijnlijk.

Het hof houdt [naam medeverdachte 1] voor de eigenaar van de hem betreffende bankrekeningen bij Crédit Européen. Het hof kan geen verklaringen van de zijde van [naam medeverdachte 1] bespreken, aangezien hij hierover nimmer een verklaring heeft willen afleggen.

Dat [naam verdachte] bekend was met de bank Crédit Européen en met de relatiebeheerder van [naam medeverdachte 2] blijkt uit een aantekening van de hand van [naam verdachte] op een enveloppe die bij de doorzoeking van zijn woonadres is aangetroffen :

“Rudy Desmicht

Credit Europeen

0352-44 99 1361

52, Route d'Esch

Lux

Fax 0352-442068"

Deze bekendheid van [naam verdachte] met de Crédit Européen en met de relatiebeheerder van [naam medeverdachte 2] strookt met ’s hofs (hieronder te onderbouwen) oordeel dat [naam verdachte] is opgetreden als ‘Paymaster’ van ‘de Nederlanders’.

E. Vervolg: de geldstromen

Thans komt het hof toe aan de bespreking van de onderscheidene door het hof als zodanig gekwalificeerde ‘geldstromen’.

Het hof zal de bespreking van iedere geldstroom aanvangen met een schematische weergave van een reeks van overboekingen. Het hof hanteert het volgende schema:

Naam winstvennootschap datum verkoop aan Oxbridge c.s. omvang liquide middelen

Verzendende entiteit bedrag Ontvangende entiteit Datum overboeking bewijsmiddelen

E 1. Anterra & Penn d.d. 9 december 1992 ƒ 15.181.771

Anterra & Penn ƒ 6.400.000 Hauck Banquiers te Luxemburg/Dangoor D/61 Betalingsopdracht d.d. 9 december 1992 van [naam medeverdachte 3] ter zake van “Prism Navigation System”

Hauck Banquiers (Dangoor) ƒ 6.087.711 Van Doyer & Kalff B.V. (hierna: VDK) Conform fiscale notitie D/218 van [naam medeverdachte 2] en de hieronder weergegeven verklaring van [naam medeverdachte 2] verkrijgt VDK een fee van ƒ 1 miljoen. Noro krijgt ƒ 2, 5 miljoen.

Zie voor het totaalbedrag AH/01, p. 5 en 6.

VDK ƒ 2.587.711 BƒT

10/12/92 D/47 factuur d.d. 9 december 1992 van BƒT aan VDK (t.a.v. [naam medeverdachte 2]) wegens: “bemiddeling bij de aandelentransactie inzake Anterra en Penn”

D/520-5: dagafschrift bankrekening VDK

BƒT ƒ 1.250.000 Cititrading B.V. 15/12/92 D/48–4: dagafschrift ABN AMRO Bank betreffende rekeningnummer 54.03.12.134 ten name van Cititrading BV waarop een bijschrijving voorkomt van ƒ 1.250.000 met de omschrijving ‘Aand. Trans Act Penn/Ant.’

D/48–2: Factuur d.d. 15 december 1992 gezien het briefhoofd afkomstig van Cititrading BV te Amsterdam, ten bedrage van ƒ 1.250.000, gericht aan BƒT Nederland B.V. te Naarden, voorzien van de omschrijving: ‘bemiddeling inzake aandelen transactie Anterra Beheer Amsterdam B.V. en Penn (Iberia)’.

D/48-1 Bankafschrift en overschrijvings-formulier van (bankrekening van) BƒT.

D/306: brief van Case International Finance aan Cititrading d.d. 18 november 1992

Cititrading B.V. ƒ 1.230.000 verzonden;

Case/BMC

ontvangt

ƒ 1.229.830

Case International Finance Ltd

Rnr 353.62.199 bij Midland Bank (tnv BMC Corporation C/O J.D. Hubbard)

21/12/92 D/48–3 factuur d.d. 15 december 1992 van Case International Finance aan Cititrading wegens “sale of shares of” Anterra/Penn” thv ƒ 1.230.000

D/48– 4: dagafschrift ABN AMRO Bank rekeningnummer 54.03.12.134 ten name van Cititrading BV te Amsterdam waarop een afschrijving voorkomt ad ƒ 1.230.000 met de omschrijving “Share Transaction Anterro/Penn”, begunstigde Case international Finance Ltd.

D/552-2: afschrift Midland Bank rnr 35.362.199: betaling Cititrading aan Case/Bmc “share transaction Anterra/Penn .. 1.230.000 less bkch”

D/552-1: afschrift van rekeningnr. 353.62.199 ten name van BMC Corporation c/o JD Hubbard. Bijschrijving van ƒ 1.229.830 afkomstig van Cititrading.

Zie de “reinvoice”genoemd in brief D/306 van 18 november 1992 van Case International aan Cititrading/Hartsuiker.

Case International Finance Ltd ƒ299.691,69 Crédit Européen

Rnr 10-512-791

(guldenrekening [naam medeverdachte 2]) 24/12/92 D/618: spreadsheet van bankrekening [naam medeverdachte 2]. Omschrijving: “Van Case International Finance Ltd”

D/618A-1/2: bancaire stukken

Case International Finance Ltd

ƒ299.769,53 Havelet Trust Company / Minerva Trust Ltd. (Guernsey)

Rnr 0150.1071 23/12/92 D/568B-1: bankoverzichten van Lloyds Bank Finance (Guernsey) Ltd., betreffende rekeningen met nummers: 0150.1071 en 0150.1072 gehouden door het trustkantoor Havelet voor de cliënt Minerva trust (zie AH/104, p. 19 en 20).

“Posting 19921223 (..) Case Int Finance ref 299769.53”

Havelet Trust Company / Minerva Trust

Rnr 0150.1071 ƒ300.087,80 Havelet Trust Company / Minerva Trust

Rnr 0150.1072 04/01/93 D/568B-3: bankoverzichten Lloyds Bank Finance (Guernsey) Ltd., guldenrekeningen: 0150.1071 en 0150.1072 gehouden door het trustkantoor Havelet voor de cliënt Minerva trust. Omschrijving: “HTC re Minerva”

Havelet Trust Company / Minerva Trust

Rnr 0150.1072 1. ƒ 150.000

2. ƒ 150.000 1. “Paul [naam verdachte]”

2. Swiss Bank Corp 05/01/93 D/568B-3: 1. “T/T Paul [naam verdachte]”

2. “T/T Swiss Bank Corp”

Zie AH/104, p. 19 en p. 20.

Over de rol van Cititrading heeft de al eerder genoemde Hartsuiker van Cititrading B.V. het volgende verklaard :

“Ik werd op een gegeven moment, dat is een tijd geleden, in ieder geval voor 15 december 1992, benaderd door [naam medeverdachte 1], die ik al kende uit de periode dat hij bij Staal Bankiers werkte. Hij kent mij als trustee. Ik weet niet meer op welke wijze ik door hem ben benaderd. Als ik mij goed herinner had hij het probleem dat hij een rekening niet naar een bepaalde partij kon sturen en hij heeft mij toen gevraagd of dat via een vennootschap van mij kon lopen. Het staat me niet meer bij wat het probleem precies was. Hij had een transactie, waarvan hij zei: “kan jij daar tussen?”. Ik weet niet meer precies wat zijn bewoordingen waren.

Ik neem aan dat mij toen helder was wat er van mij werd verwacht, thans weet ik dat niet meer. Ik herinner me dat er betalingen zijn binnengekomen en zijn uitgegaan en wij hebben daar een fee aan verdiend.”

(Wij, verbalisanten, tonen de gehoorde bijlage D/48 3/5, factuur van Case aan Cititrading, en vragen hem daarop een toelichting te geven):

“Voor zover ik mij kan herinneren heb ik met Case International niets anders te maken gehad dan in deze zaak. In de aan u verstrekte brief d.d. 18 november 1992 staat dat ik contact heb gehad met Case International, dus dat zal dan wel, maar ik kan mij er niets van herinneren.”

(Wat dient verstaan te worden onder de omschrijving die op de factuur is vermeld, wat zijn de diensten die u heeft verricht):

“Voor zover ik mij herinner hebben de enige diensten van mijn kantoor eruit bestaan op te treden als intermediair bij de facturering, dat wil zeggen het uitsturen van een factuur naar BFT, uw bijlage 48 2/5, het naar aanleiding daarvan ontvangen van het door ons gefactureerde bedrag, en het vervolgens ontvangen van een inkomende factuur van Case International en het aan deze onderneming betalen van een bedrag ad f 1.230.000,-. Als kantoor hebben wij niets te maken gehad met de koop of verkoop van aandelen Anterra Beheer Amsterdam B.V. en/of Penn (Iberia) B.V., voor zover ik mij herinner. Voor zover ik mij herinner kende ik die vennootschappen voordien ook niet.

(Wij, verbalisanten, tonen de gehoorde bijlage D/48 2/5, factuur van Cititrading aan BƒT, en vragen hem daarop een toelichting te geven)

“(…). Bij BFT heb ik alleen met [naam medeverdachte 1] te maken gehad, voor zover ik mij herinner.”

(Wij, verbalisanten tonen de gehoorde bijlage D/48 4/5, kopie van bankafschrift nr. 151 en vragen waar refnr. 92294 betrekking op heeft bij de betaling van BƒT aan Cititrading ad ƒ 1.250.000.)

“Deze ontvangst heeft betrekking op de uitgaande factuur van ons kantoor aan BFT.(..).”

(Wij, verbalisanten, vragen de gehoorde of het bedrag ad ƒ 1.230.000 na de overboeking naar Case International nog bij hem is teruggekomen)

“Ik heb onze administratie nagekeken vanaf 15 december 1992 tot eind maart 1993 en heb geconstateerd dat er niets is teruggekomen.”

(Is het verschil tussen beide facturen uw fee?)

“Dat neem ik aan. Ik neem ook aan dat ik die fee heb afgesproken met [naam medeverdachte 1]. Fees liggen meestal in deze orde van grootte, het is een kwestie van onderhandelen.”

De brief van Case International Finance Ltd. aan Hartsuiker van Cititrading B.V. van 18 november 1992 houdt het volgende in:

“I confirm our telephone conversation several days ago.

I am about to finalise a sale of shares. For commercial reasons I cannot invoice the people in Holland for my intermediary services. You agreed I could invoice Cititrading B.V., which will add the agreed fee and reinvoice for the intermediairy services to B.F.T. Nederland B.V. in Naarden for an amount not to exceed Dfl 1,250,000.--”

In de agenda van [naam medeverdachte 1] over het jaar 1992 staat onder de datum van 25 augustus 1992 de naam Hartsuiker vermeld.

[naam medeverdachte 1] heeft het volgende verklaard over deze kwestie:

“Ik kreeg de mededeling van [naam verdachte] dat ik niet mijn 3% commissie zou ontvangen bij BƒT doch een hoger bedrag. Daarbij gaf [naam verdachte] aan dat een gedeelte van dit bedrag naar het buitenland overgeboekt diende te worden. (...). Ik heb tegen [naam verdachte] gezegd dat hij moest zorgen voor een Nederlandse factuur, die wilde ik wel doorbetalen. (…). Ik kon de BƒT factuur aan ABN AMRO Bank met dat bedrag verhogen, zodat mijn commissie gelijk bleef, BƒT fungeerde als tussenpersoon voor de doorbetaling van uiteindelijk ƒ 1.250.000 aan Cititrading. (…). Ik ken Hartsuiker van Cititrading. (…). Ik kan mij niet herinneren of ik dit zelf met Hartsuiker heb geregeld of dat dit via [naam verdachte] is gegaan. (…). [naam verdachte] heeft deze constructie aangedragen en ik weet dat het via Hartsuiker geregeld is.”

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard :

“[naam medeverdachte 1] heeft mij voor de transactie heel duidelijk gezegd dat de upcount die hij van ABN/AMRO zou krijgen niet alleen voor hem bestemd was. Er waren nog meer partijen betrokken bij de aanbreng van Oxbridge als aankopende partij. De fee die de bank voorafgaand aan de hele transactie gestort kreeg van Oxbridge, heeft de bank zodanig doorbetaald aan BfT dat er bij de ABN/AMRO een miljoen gulden zou blijven hangen. (…). Verder kreeg NORO een upcount doorbetaald uit het bedrag dat Oxbridge had gestort. (…) Het miljoen dat ABN/AMRO er aan overgehouden heeft is een flat fee, een van te voren overeengekomen bedrag. Het was niet gerelateerd aan kosten die ABN/AMRO aan de overdracht gehad zou hebben. Gerelateerd aan het vermogen van de onderneming had het in mijn ogen zelfs nog iets meer kunnen zijn.

(…). Ik heb wel aan de bank gemeld dat er in mijn ogen een extreem hoge fee werd betaald aan BfT, omdat [naam medeverdachte 1] mij heeft gezegd dat er meerdere partijen betrokken waren bij de aanbreng van Oxbridge, welke hiervoor uit deze fee ook een deel zouden krijgen. Ik heb dit gemeld, omdat ik hier later geen vervelende vragen over wilde krijgen.”

(Wie heeft de bank opdracht gegeven om de bedragen voor de VpB-schuld naar de rekeningen van Anterra en Penn over te maken?)

“Ik weet niet wie de berekeningen heeft gemaakt. Bij latere transacties is dit op de afdeling Special Finance van de ABN/AMRO gebeurd. Ik heb de opdracht gegeven dat de VpB, behorende bij de rente-imputatie, op de rekeningen van Anterra en Penn terecht moest komen. De rekeningnummers zal ik van NORO gekregen hebben, van wie specifiek weet ik niet meer.”

Het hof maakt uit [naam medeverdachte 2]s verklaring op dat hij degene is geweest die opdracht heeft gegeven tot de betaling van de fee van Van Doyer & Kalff B.V. (VDK) aan BƒT. Dit ligt ook in de lijn der verwachting, aangezien [naam medeverdachte 2] de alleenbevoegde directeur was van VDK en als zodanig intensief was betrokken bij de transactie in Anterra en Penn .

Een hier niet weergegeven gedeelte van [naam medeverdachte 2]s verklaring acht het hof gelogen. [naam medeverdachte 2] heeft namelijk verklaard dat hij niet wist aan welke andere partijen het verhoogde deel van de feebetaling van VDK aan BƒT toekwam. Een gedeelte van bijna ƒ 300.000 kwam hemzelf toe. Op de hoogte van de fee voor VDK als zodanig (ƒ 1 miljoen) komt het hof nog terug. Nu valt echter op te merken dat de extra gelden die VDK in het kader van ‘de verhoogde fee’ aan BƒT heeft betaald (ƒ 1,25 miljoen) méér bedraagt dan de ‘flat fee’ die de verkopende partij, VDK zelf, (bruto) is toegekomen.

Voorgaande bewijsmiddelen leiden tot de volgende vaststellingen:

(i). [naam verdachte] heeft [naam medeverdachte 1] verzocht om een verhoging van de factuur die hij, [naam medeverdachte 1], wegens de aan BƒT verschuldigde commissie zou indienen bij de verkoopster van Anterra en Penn, VDK. Dit extra bedrag moest volgens [naam verdachte] aan ‘het buitenland’ worden overgemaakt.

(ii). [naam medeverdachte 1] was niet bereid dit extra bedrag op factuur te betalen aan een in het buitenland gevestigde instelling. [naam medeverdachte 1] was echter wél bereid om op factuur te betalen voor diensten die in werkelijkheid niet waren geleverd indien de factuur zou zijn gesteld ten name van een instelling die was gevestigd in Nederland.

(iii). [naam medeverdachte 1] is in contact getreden met Hartsuiker en heeft hem verzocht Cititrading te laten optreden als tussenschakel in een geldstroom naar het buitenland.

(iv). Hartsuiker heeft zich hiertoe bereid verklaard tegen een commissie van ƒ 20.000.

(v). Hartsuiker heeft enkele dagen voor 18 november 1992 telefonisch contact gehad met een medewerker van Case International Finance Ltd., een instelling waarachter Karl Schaap en Digby Hubbard schuilgaan. Dit betreft bekenden van [naam verdachte] van wie het hof heeft vastgesteld dat zij (ook) bij een andere gelegenheid bereid zijn gebleken op verzoek van [naam verdachte] in een versluieringstraject als tussenschakel te fungeren.

(vi). Uit de brief van 18 november 1992 volgt dat Hartsuiker BƒT zou factureren voor een bedrag van ƒ 1.250.000 en dat Case International Finance op haar beurt Cititrading zou factureren.

(vii). Het hiertoe strekkende verzoek heeft [naam medeverdachte 1], anders dan hij zelf heeft verklaard, dus niet aan Hartsuiker gedaan slechts enkele dagen voorafgaande aan 9 december 1992, de dag van de transactie in de aandelen van Anterra en Penn, maar ten minste ruim drie weken tevoren, mogelijk reeds in augustus 1992.

(viii). VDK heeft het verhoogde bedrag op de factuur aan BƒT betaald.

(ix). Cititrading heeft BƒT daadwerkelijk gefactureerd voor een bedrag van ƒ 1.250.000 wegens – niet door haar verrichte – werkzaamheden bij gelegenheid van de aandelentransactie in Anterra en Penn. Case International Finance heeft op haar beurt Cititrading daadwerkelijk gefactureerd voor een bedrag van ƒ 1.230.000 wegens – niet door haar verrichte – werkzaamheden inzake diezelfde aandelentransactie. Het verschil tussen beide bedragen vormt de fee voor Hartsuiker. De onderscheidene bedragen (minus bankkosten) zijn overeenkomstig deze facturen overgeboekt.

(x). Case International Finance heeft kort daarop twee vrijwel gelijke bedragen van bijna ƒ 300.000 overgemaakt, en wel (1) op de guldenrekening van [naam medeverdachte 2] bij Crédit Européen in Luxemburg, en (2) op de guldenrekening van de door Havelet beheerde Minerva Trust, waarvan [naam verdachte] de economisch eigenaar is.

(xi). Na een overboeking naar een andere rekening van de Minerva Trust is de helft van dit bedrag van ƒ 300.000 overgemaakt naar een verder onbekend gebleven rekening van [naam verdachte]. Verrichtingen van Havelet Trust inzake de Minerva Trust vonden altijd en alleen plaats in opdracht van [naam verdachte].

Het hof trekt de volgende conclusies.

Langs versluierde weg zijn geldbedragen die per saldo zijn gefinancierd uit de door VDK ingebrachte liquide middelen van Anterra en Penn toegekomen aan [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2], de directeur van VDK.

[naam medeverdachte 1] heeft op verzoek van [naam verdachte] het eerste deel van dit traject in gang gezet door Hartsuiker te benaderen met het verzoek om BƒT - valselijk - te factureren voor in werkelijkheid niet verleende diensten. [naam medeverdachte 1] heeft zich bovendien bereid getoond om (1) namens BƒT een te hoge – en dus valse - factuur in te dienen bij VDK, (2) de betaling te ontvangen en (3) voorts te betalen op de factuur van Cititrading, wetende dat het een valse factuur betrof.

Een deel van het bewuste bedrag is door Case International Finance overgeboekt naar een bankrekening van de Minerva Trust en vervolgens door Havelet – in opdracht van [naam verdachte] - overgemaakt naar een andere rekening van [naam verdachte]. Een ander deel van het bedrag is door Case International Finance rechtstreeks overgemaakt naar een bankrekening van [naam medeverdachte 2] in Luxemburg. Gelet op de chronologie, de identiteit van de uiteindelijke genieters van de gelden (aantoonbaar: [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte]), de identiteit van de leidinggevenden van Case International Finance (Schaap en Hubbard), alsmede hun in andere kwesties vastgestelde bereidheid om op verzoek van [naam verdachte] als dekmantel te fungeren, acht het hof het vaststaan dat [naam verdachte] in casu Case International Finance ten eigen behoeve heeft aangestuurd. Zonder de door [naam verdachte] ingeroepen medewerking van Case International Finance was het initiëren van het hier geschetste versluieringstraject immers zinloos en de ontvangst van de gelden door degenen voor wie zij waren bestemd bepaald onzeker.

[naam medeverdachte 2] heeft opdracht gegeven tot de betaling door VDK aan BƒT van het op verzoek van [naam verdachte] met ƒ 1,25 miljoen verhoogde bedrag aan ‘fee’ voor BƒT. Een deel van dit bedrag, te weten bijna ƒ 300.000, is vijftien dagen later terechtgekomen op een bankrekening van [naam medeverdachte 2] in Luxemburg. Het hof acht het dermate onwaarschijnlijk dat dit bedrag zonder voorafgaand medeweten van [naam medeverdachte 2] – dus bij wijze van verrassing – langs een complex versluieringstraject op zijn rekening is gestort dat bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel mag worden aangenomen dat het gunnen van deze toelage voorafgaand aan de transactie met [naam medeverdachte 2] is afgesproken. Het hof komt op de onderbouwing van dit oordeel nog terug bij de bespreking van de gang van zaken voorafgaande aan deze transactie in de aandelen van Anterra/Penn.

[naam medeverdachte 2] heeft hieromtrent verklaard dat hij in persoon geheel geen gelden heeft ontvangen en dat de op zijn naam gestelde bankrekening in Luxemburg in werkelijkheid niet aan hem toebehoorde. Het hof heeft deze twee onderdelen van zijn verklaringen reeds weerlegd.

Ten slotte blijkt uit [naam medeverdachte 2]s eigen verklaring dat hij binnen de bank een toelichting heeft gegeven over de hoge ‘fee’ die in zijn opdracht aan BƒT moest worden betaald, al was het maar om “vervelende vragen” voor te zijn. Gegeven [naam medeverdachte 2]s wetenschap dat hij zelf één van de genieters zou zijn van de verhoogde ‘fee’ aan BƒT, kan het hof [naam medeverdachte 2]s handelwijze niet anders duiden dan als een poging om zich vooraf in te dekken tegen vragen van de zijde van zijn leidinggevenden. Ook hierop komt het hof nog terug.

E2. Interbaros d.d. 27 oktober 1993 ƒ 16.443.432

Interbaros

ƒ 16.208.432 Oxbridge 27/10/93 D/111 A-formulier van [naam medeverdachte 3]. Overboeking naar rekening van Oxbridge bij ABN AMRO Bank: "Downpayment for Production payment and advance royalty fee for and on behalf of American Energy B.V”

D/687 Uitdelingsschema van [naam medeverdachte 3]. ƒ 235.000 ‘left in company’

Oxbridge ƒ 7.054.328 Van Doyer & Kalff D/103 koopovereenkomst aandelen Interbaros d.d. 27 oktober 1993. Betreft de upcount voor VDK.

1. Fee voor VDK ƒ 1.200.000

2. ƒ 2,7 mio naar Bevanel (zie D/102, p. 1). Restant naar BƒT.

Van Doyer & Kalff ƒ 3.154.328 BƒT D/114: factuur BƒT aan [naam medeverdachte 2] (VDK) van 27 oktober 1993 (“bemiddeling bij aandelentransactie inzake Interbaros …..”). Met de hand is geschreven: “accoord .. 27-10-‘93”

Oxbridge ƒ 1.408.365 BƒT D/157: factuur van BƒT aan [naam medeverdachte 3] van Oxbridge van 27 oktober 1993 (“our intermediary activities at the transfer of shares …..Interbaros…”)

BƒT ƒ 1.527.164 Cititrading

29/10/93 D/113: factuur Cititrading aan BƒT van 27 oktober 1993 : “bemiddeling bij aandelentransactie Interbaros”;

Fee van ƒ 15.000 voor Cititrading

D/207: ABN AMRO bankafschrift rekeningnr 54.03.12.134 ten name van Cititrading (onderste helft)

Cititrading

ƒ 1.512.213,50

(van Cititrading)

ƒ 1.512.043,50

(ontvangen door Morgan Adler) Morgan Adler & Co

c/o Jason S.A.M. 29/10/93

29/10/93

D/112: factuur Morgan, Adler & Co aan Cititrading d.d. 28 oktober 1993 “Intermediary services with respect to share transaction. Dfl 1,512,043.50.” Zie ook brief D/211.

D/207: ABN AMRO bankafschrift rnr 54.03.12.134 ten name van Cititrading. Aan “Morgan Adler Co .. share transaction”, afschrijving van ƒ 1.512.213,50. (bovenste helft).

D/553–1: bankafschrift Midland Bank rnr 36661062 tnv “Morgan Adler .. Company c/o Jason SAM .. Monaco”,

bedrag afkomstig van “Cititrading BV”

Morgan Adler & Co

c/o Jason S.A.M.

ƒ 1.507.929,06 BMC Corp Rnr. 167903 bij Rea Brothers

03/11/93

09/11/93 ontvangen D/553–2: bankafschrift Midland Bank tnv “Morgan Adler .. Company c/o Jason SAM .. Monaco ”, afgeschreven bedrag naar “BMC Corp”

D/553-3: vervolg bankafschrift Midland Bank.: “share transaction commission”, “BC: BMC Corp”

D/573-1: brief van Close Bank (voorheen Rea Brothers): ƒ 1.507.929,06 op 9 november 1993 ontvangen via HBU ten gunste van BMC Corp.

D/573-6 en D/580-2: Bankafschrift Rea Brothers tnv BMC Corp. Rnr 167903 “Funds per Morgan Adler” ƒ 1.507.929,06.

BMC Corp

Rnr. 167903 bij Rea Brothers

ƒ 1.446.782,22

(verzonden door BMC Corp)

ƒ 1.446.762,43 (ontvangen door Havelet) Havelet Trust

Client account

rnr. 1501071

Bij Lloyds Bank

‘Minerva’

12/11/93

15/11/93 D/573-1 brief van Close bank. Conform instructie van Hubbard (zie hieronder) ƒ 1.446.842,22 (minus kosten) overgemaakt naar Havelet Trust client account nr. 1501071.

D/573-4: Hubbard geeft per fax van 10 november 1993 (na “HBU’s delay”) REA Brothers opdracht ƒ 1.446.842,22 minus kosten over te maken naar Havelet Trust client account bij Lloyds Bank.

D/573-6: genoemd bankafschrift. “Payment fav. Havelet Trust client A/C”. Afschrijving van ƒ 1.446.782,22.

D/580-3: bankafschrift Lloyd’s Bank Plc. te Guernsey van Havelet Trust Company rekening nr. 1501071; ontvangen van “BMC Corp”. Handgeschreven “Minerva”

Hof: mede blijkens D/568B en AH/104, p.19 en 20 wordt deze rekening door Havelet gehouden ten behoeve van Minerva Trust.

Havelet Trust

Client account

rnr. 1501071

‘Minerva’ ƒ 1.446.762,43

omgezet in $ 760.053,81 BMC Corp

rekening 179116 bij Banque Scandinave en Suisse 19/11/93 D/580-4: bankafschrift van Lloyd’s Bank tnv Havelet Trust client account: “in favour of BMC Corp/Geneva”. Omgezet in dollars.

D/580-5: opdracht van Havelet Trust d.d. 12/11/93 (DAR (=David Rowlinson)) aan Lloyds Bank om bedrag van ƒ 1.446.782,22 om te zetten in $ en over te maken naar Banque Scandinave en Suisse ten gunste van BMC Corp (rnr 179116)

Rechtsboven is handgeschreven: “Minerva tst”

Banque Scandinave en Suisse $ 390.040,37

(ƒ 751.022) Crédit Européen

14-512-791/

$-rekening van [naam medeverdachte 2] 24/11/93 D/620 en D/620A-2

“van Banque Scandinave en Suisse, order of: un client”

Hartsuiker van Cititrading heeft over zijn rol in deze transactie verklaard:

“Ook hier speelt weer dat ons kantoor heeft opgetreden als intermediair omdat iemand een tussenliggende partij wilde hebben ten behoeve van zijn facturering. Ik neem aan dat die iemand wederom [naam medeverdachte 1] was. In mijn herinnering is alles via [naam medeverdachte 1] gelopen en heeft [naam medeverdachte 2] er richting mij niets mee te maken gehad.

Ik ken het kantoor Morgan, Adler & Co niet anders dan uit deze casus. Ik ken er geen mensen.

Ik weet niet meer hoe ik de factuur (hof: D/112) heb ontvangen. Voor deze factuur geldt hetzelfde als voor de inkomende factuur van Case International .

(…).

Hiervoor (hof: D/113) geldt hetzelfde als bij de eerste transactie, ook voor de totstandkoming van de fee.”

De brief van Morgan Adler aan Cititrading van 28 oktober 1993 is het begeleidend schrijven bij de factuur van gelijke datum (D/112) en is ondertekend door Hubbard . De brief houdt onder meer in:

“We are writing to confirm our discussions on 27th October, 1993.

As explained we have now completed a lengthy share transaction for Dutch clients and prefer for commercial reasons to invoice them through your goodselves for our intermediary services.”

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard :

“Analoog aan hoe ik gisteren heb verklaard met betrekking tot de Anterra & Penn transactie is mij medegedeeld de fee van BƒT aan de ABN AMRO Bank te verhogen met een bedrag dat ik zou vernemen via een factuur van Cititrading. Ik heb dit vernomen van [naam verdachte], hij heeft mij in 1993 tijdens deze transactie medegedeeld dat BƒT een factuur van Cititrading zou ontvangen. Ik kon de 3% commissie die BƒT in rekening kon brengen aan de ABN AMRO Bank verhogen met het bedrag van de factuur van Cititrading. (…). U vraagt mij of ik of [naam verdachte] Hartsuiker heb ingelicht dat er weer een bedrag doorbetaald diende te worden via Cititrading. Of ik of [naam verdachte] die bespreking gevoerd heeft met Hartsuiker weet ik niet meer.

U vraagt mij of [naam medeverdachte 2] van de ABN AMRO Bank hier ook vanaf moest weten. Ja dat zal wel moeten, maar het staat mij niet meer precies voor ogen hoe dat is gegaan. Er zijn mij in ieder geval geen vragen gesteld door [naam medeverdachte 2] toen ik namens BƒT een hogere factuur verzond aan de ABN AMRO Bank. Er zal destijds zeker iets besproken zijn met [naam verdachte] over dit factuur traject naar Cititrading, maar daar staat mij helemaal niets meer van bij. Ook het hogere bedrag dat BƒT in rekening kon brengen naar de ABN AMRO Bank zal besproken zijn, maar ook daarvan staat mij nu niets meer bij.”

David Rowlinson van Havelet Trust heeft verklaard:

“BMC werd niet beheerd door Havelet. Ik weet niets van BMC. Iemand zal mij ongetwijfeld instructies hebben gegeven. De naam BMC kan ik mij vaag herinneren, maar ik kan mij er niet veel van herinneren. Op basis van de documenten die u mij toont, in het bijzonder D/580 pagina 5, kan ik zeggen dat er in dit document "Minerva Trust” staat geschreven in mijn handschrift en dat de instructies voor alle transacties inzake de Minerva Trust altijd werden gegeven door Paul [naam verdachte]. Een transactie in Nederlandse guldens via de cliëntenrekening van Havelet en in verband met de Minerva Trust was altijd in opdracht van Paul [naam verdachte].”

Rudy Desmicht, relatiebeheerder bij Crédit Européen, heeft verklaard (in cursief schrift) op vragen van de FIOD (opstaand schrift):

Getoond documenten inzake de overboeking van USD 390.040 van Banque Scandinave en Suisse, d.d. 23-11-1993, op rekening 512 971 [naam medeverdachte 2]. Wat wordt bedoeld met “un client ”, wat weet u hiervan?

“De Zwitserse bank houdt zijn cliënt geheim.”

Voorgaande bewijsmiddelen leiden tot de volgende vaststellingen:

(i). Gelijk de Anterra/Penn-transactie heeft [naam medeverdachte 1] op instigatie van [naam verdachte] aan Hartsuiker van Cititrading verzocht om als betaaladres op te treden. Hartsuiker diende daartoe te factureren aan BƒT. Het was [naam medeverdachte 1] bekend dat Cititrading in werkelijkheid geheel niet had bemiddeld bij de totstandkoming van de transacties in de aandelen van Interbaros. Cititrading heeft BƒT dus een valse factuur, en wel ter hoogte van ƒ 1.527.164, doen toekomen.

(ii). [naam medeverdachte 1] heeft aan [naam medeverdachte 2], als directeur van VDK, een met dit bedrag verhoogde factuur doen toekomen. [naam medeverdachte 2] heeft de betaling op deze factuur namens VDK geaccordeerd.

(iii). BƒT heeft op haar beurt de overeengekomen verhoging betaald aan Cititrading.

(iv). Cititrading heeft het bewuste bedrag (minus een commissie van ongeveer 1%) op factuur betaald aan Morgan Adler. Achter Morgan Adler gaat in dit geval Hubbard schuil. Dit volgt uit de brief van 28 oktober en de fax van 10 november 1993.

(v). Hubbard draagt kort daarop zorg voor de overmaking van dit bedrag (minus bankkosten) naar een rekening van BMC Corp, een instelling waarachter Hubbard eveneens schuilgaat. Uit genoemde stukken blijkt immers dat Hubbard in deze optreedt voor zowel Morgan Adler als voor BMC Corp. Vervolgens heeft Hubbard opdracht gegeven tot overboeking van een bedrag van eenzelfde orde van grootte van de rekening van BMC Corp naar een rekening die Havelet Trust ten behoeve van de Minerva Trust aanhoudt bij Lloyd’s Bank op Guernsey.

(vi). Gelet op ’s hofs vaststellingen omtrent het economisch eigendom van de Minerva Trust vloeit het hiervoor bedoelde bedrag van ƒ 1.446.782,22 (minus transactiekosten) derhalve rechtstreeks in het vermogen van [naam verdachte]. Het betreft hier overigens dezelfde bankrekening als die waarop [naam verdachte] naar aanleiding van de Anterra/Penn-transactie meer dan ƒ 300.000 ontving. Daarvan liet hij bij die gelegenheid de helft overboeken naar een bankrekening op zijn eigen naam.

(vii). [naam verdachte] heeft Rowlinson van Havelet Trust opdracht gegeven dit bedrag te converteren in US-dollars en dit vervolgens over te maken naar een rekening van – wederom – BMC Corp, echter niet op Guernsey maar te Geneve, en wel bij de Banque Scandinave en Suisse. Het betreft de dollarrekening met nummer 179.116, waarvan het hof heeft vastgesteld dat [naam verdachte] daarover volledige zeggenschap heeft.

(viii). Een bedrag in dollars van ongeveer de helft van het hiervoor bedoelde bedrag in dollars is enkele dagen later binnengekomen op de dollarrekening van [naam medeverdachte 2] bij Crédit Européen in Luxemburg. De Zwitserse bank houdt de identiteit van de opdrachtgever geheim.

Mede gelet op de gang van zaken bij voorgaande transactie in Anterra/Penn en de hierna nog te bespreken opvolgende transacties acht het hof het volgende bewezen.

[naam medeverdachte 1] heeft op verzoek van [naam verdachte] een versluieringstraject in gang gezet door in contact te treden met Hartsuiker en hem te verzoeken op gelijke voet als bij de Anterra/Penn-transactie te fungeren als tussenliggend betaal- en factuuradres. [naam medeverdachte 1] wist dat daartoe gebruik werd gemaakt van valse facturen. [naam verdachte] heeft het vervolgtraject gearrangeerd met de hulp van Digby Hubbard (Morgan Adler en BMC Corp) en Havelet Trust. Via een ten behoeve van de Minerva Trust aangehouden bankrekening is het geld aantoonbaar toegevloeid aan [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte].

[naam medeverdachte 2] heeft ingestemd met de betaling door VDK van een verhoogde factuur afkomstig van BƒT. Deze toedracht is kortom vrijwel een herhaling van het traject waarlangs de geldstroom na de Anterra/Penn-transactie is gelopen. Ook wat betreft de Interbaros-transactie acht het hof het, mede vanwege het repetitieve karakter van het gebruikte geldstroomtraject, uitgesloten dat [naam medeverdachte 2] niet op voorhand wist dat hem in persoon gelden ten deel zouden vallen.

E3. Rentafixe d.d. 15 november 1994 ƒ 9.105.352

Rentafixe ƒ 1.490.160

Havelet

Ontvangt

ƒ 1.490.000

c.q.

ƒ 1.489.980,66 Havelet Trust

Ten gunste van guldenrekening 1501072 bij Lloyds Bank te Guernsey: “RE Minerva Trust” 15/11/94

17/11/94 D/310: ABN AMRO- bankafschrift van rekening 43.36.10.387 van Rentafixe: bedrag naar “Havelet Trust International” cf. ‘invoice nov 15 1994’.

D/311: debetnota van die bank, ter hoogte van ƒ 1.490.000, vermeerderd met transactie kosten ƒ 160. Ten gunste van Havelet Trust rekeningnr. 1501072 bij Lloyd’s Bank Guernsey. “Invoice Nov 15 1994 American Energy Trading BV”.

D/572-1: bankafschrift Lloyds Bank mbt rnr 1501072 van Havelet Trust “RE the Minerva Trust”. Omschrijving : “rentafixe invoice nov 15 1994 American Energy”

D/581-2 bankafschrift van Havelet “Re the Minerva Trust” bij Lloyds Bank. Gelijk D/572-1.

Havelet Trust

Ten laste van rekeningnr 1501072 bij Lloyds Bank te Guernsey: “RE Minerva Trust”

1. ƒ 496.660 omgezet in:

DM 442.464,27

later omgezet in CHF 372.509)

2. ƒ 993.320

omgezet in:

DM 442.464,27

(opdracht van Lloyds Bank Jersey)

+

CHF 372.509

(via Swiss Bank Corporation en in opdracht van Lloyds Bank Jersey)

In favour of

“P [naam verdachte]”

Swiss Bank Corporation,

Rnr P4 626 7993

Crédit Européen

10-512-791

(bankrekening

[naam medeverdachte 2])

21/11/94

29/11/94

25/11/94 D/572-2: bankafschrift Lloyds Bank mbt rnr 1501072 van Havelet Trust (“RE the Minerva Trust”)

1. ƒ 496.660 omgezet in DM 442.464,27 ten gunste van “P [naam verdachte]”

2. ƒ 993.320 omgezet in CHF 745.081,34

“Telegraphic transfer in favour of Racime”

D/581-3 Gelijkluidend bankafschrift van Havelet “RE the Minerva Trust” bij Lloyds Bank

D/581-4: brief van Havelet Trust “Re The Minerva Trust” van 18 november 1994 aan Lloyds Bank Guernsey met instructie om van de guldenrekening 150.1072:

1. een bedrag van ƒ 496.660 om te zetten in Zwitserse Franken en vervolgens over te boeken naar rekening nummer P4 626 7993 bij Swiss Bank Corporation, "In favour of: Paul [naam verdachte]";

2. een bedrag van ƒ 993.320 om te zetten in Duitse Marken en vervolgens over te boeken naar rekening nummer 512791 bij Crédit Européen Luxembourg, "In favour of: Racime" en ter attentie van "Mrs. Lambin".

Hof: dit betreft een bankrekening van [naam medeverdachte 2]. Mrs. Lambin was volgens Ommeganck en Desmicht indertijd de relatiemanager van [naam medeverdachte 2] bij Crédit Européen.

D/581-5: Brief van Havelet Trust “Re The Minerva Trust” aan Lloyd’s Bank van 18 november 1994 met instructie voorgaande betalingen te storneren.

D/581-6: Brief van Havelet Trust “Re The Minerva Trust” aan Lloyd’s Bank van 24 november 1994 met instructie om van de rekening 150.1072 CHF 372.509 over te boeken naar rek.nr. P4 626 7993 bij Swiss Bank Corporation, "In favour of: Paul [naam verdachte]" en om een gelijk bedrag over te boeken naar rek.nr. 512791 bij Crédit Européen Luxembourg, "In favour of: Racime" en ter attentie van "Mrs. Lambin".

D/581-7: Brief van Havelet Trust “Re The Minerva Trust” aan Lloyd’s Bank van 25 november 1994 met instructie om van de rekening 150.1072 DM 442.464,27 over te boeken naar rek.nr 512791 bij Crédit Européen Luxembourg, "In favour of: Racime" en ter attentie van "Mrs. Lambin".

D/618: spreadsheet van rnr 10-512-791 van [naam medeverdachte 2] bij Crédit Européen: “Van Havelet Trust company”

“DEM 442.464,27 per 29-11-94 Lloyds Bank”

“CHF 372.509 per 25-11-94 Swiss Bank Corporation”

D/618B: bancaire stukken conform voorgaande, waarvan met name D/618B, p. 7 en p. 10.

Jacky Le Noury van Havelet Trust is gehoord over haar werkzaamheden in het kader van deze transactie. Zij verklaarde ter zake:

“D/581 pagina 4 moet door mij zijn opgesteld, gezien mijn kenmerk bovenaan. Ik herinner mij niet dat ik het heb opgesteld. Maar instructies inzake de Minerva trust kreeg ik van [naam verdachte].”

Ten opzichte van de geldstromen bij voorgaande transacties manifesteert zich bij gelegenheid van de Rentafixe-transactie een opvallende wijziging in het geldstroomschema. Met ingang van de Rentafixe-transactie wordt het voor [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] bestemde bedrag aan verhulde vergoedingen in rekening gebracht aan Oxbridge middels een zogenoemde ‘Havelet-factuur’. Dit betreft een factuur die is gericht aan Oxbridge en is gesteld op naam van Havelet Trust.. De betaling waartoe de factuur strekt begunstigt – naar zal blijken – de Minerva Trust. In het dossier bevindt zich een tweetal faxberichten aan Oxbridge, afkomstig van Havelet Trust, met daarin de overboekingsinstructies ter uitvoering van dergelijke Havelet-facturen . In deze faxberichten wordt aangegeven naar welke bankrekening (een ‘clients account’ op naam van Havelet Trust) de desbetreffende betaling moet worden overgeboekt. Van de factuur inzake Rentafixe is alleen de datum bekend: 15 november 1994. De in het dossier aanwezige faxberichten met overboekingsinstructies zijn gericht aan John King, die (op de Bahama’s) World Wide Trust vertegenwoordigt, de formele eigenaar van Oxbridge. [naam medeverdachte 3] heeft evenwel verklaard dat hij voor de betaling van deze facturen zorg droeg. Het hof hecht hieraan geloof, aangezien een dergelijke handeling geheel past binnen de taak die [naam medeverdachte 3] zich inzake Oxbridge had toebedeeld.

[naam medeverdachte 1] heeft over de betaling van de Havelet-factuur verklaard :

“Oxbridge was het eens over de prijs en de 80% regeling en ik heb standaard contracten weer opgesteld voor alle partijen. Ik heb vervolgens de ABN AMRO Bank geïnformeerd over de prijs die Oxbridge wilde betalen voor Rentafixe en toen is mij door Serge [naam medeverdachte 2] medegedeeld dat de bank voor dergelijke vennootschappen een ‘fixed fee’ in rekening bracht. In mijn herinnering is de hoogte van een dergelijke ‘fixed fee’ afhankelijk van het vermogen van de vennootschap.

(…).

Daarna is mij medegedeeld dat het verschil tussen de upcount en het bedrag dat de bank wilde hebben, de ‘fixed fee’, gedeclareerd zou worden door een trust aan Oxbridge. Ik had op dat moment nog geen naam van de betreffende trust. U vraagt mij wie mij dat heeft medegedeeld. Ik wil dat in het midden laten. We komen nu op een punt dat ik mij om redenen van mijn procespositie zal moeten beroepen op mijn zwijgrecht . (…). Deze gang van zaken heeft door deze handelwijze het volgende resultaat gehad. Deze constructie heeft geresulteerd in een splitsing van de betaling van de upcount door Oxbridge. Eén deel van de upcount stond vermeld in de akte van koop en verkoop, het andere deel werd betaald aan de trust. Op een bepaald moment is deze voorstelling aan [naam medeverdachte 3] medegedeeld. Er was namelijk reeds eerder door [naam medeverdachte 5] medegedeeld dat de prijs voor Oxbridge 80% van de belaste winst zou zijn. Door deze splitsing van de betaling van upcount door Oxbridge veranderde cijfermatig, in totalen, niets voor Oxbridge. (..). Voor [naam medeverdachte 3] dan wel [naam medeverdachte 5], was deze splitsing geen reden om van de transactie af te zien.

(…) .

Ik heb vervolgens van [naam medeverdachte 5] vernomen dat Oxbridge akkoord was met de aankoop en de betaling van de prijs 80% van de belaste winst. Door die prijs wordt de upcount 15% van de belaste winst. Ik heb deze mededeling daarop doorgegeven aan [naam medeverdachte 2] van ABN AMRO Bank. Daarna kwam de mededeling van [naam medeverdachte 2] dat de ABN AMRO Bank voor dergelijke vennootschappen een fixed fee rekende. U moet weten dat het hier handelde om een eigen vennootschap waar de bank een eigen en vast beleid voor hanteerde.

Hier ontstond dus een gat, een surplus: de koper was bereid meer te betalen dan de verkoper, in casu de bank wenste te ontvangen, de fixed fee van de bank was namelijk lager dan de upcount berekening.

Vervolgens kreeg ik de mededeling dat Oxbridge wel de volledige upcount zou betalen maar dat een deel door de ABN AMRO Bank in rekening gebracht zou worden, namelijk ter hoogte van de fixed fee. Het andere deel zou via een trust aan Oxbridge in rekening gebracht worden.

Zoals gezegd, ik laat in het midden wie dat aan mij heeft medegedeeld, maar ik laat daarnaast in het midden wie deze mededeling aan Oxbridge heeft gedaan. (…).

U vraagt mij of [naam medeverdachte 2] op de hoogte was van de splitsing van de upcount. [naam medeverdachte 2] was op de hoogte dat Oxbridge bereid was de volledige upcount te betalen, zoals dat ook bij de vorige transacties gebeurd was. U vraagt mij of [naam medeverdachte 2] wist dat het surplus door een trust gedeclareerd zou gaan worden en dus dat Oxbridge wel de volledige upcount zou betalen, ja dat wist [naam medeverdachte 2].”

Anders dan [naam medeverdachte 1] zal het hof niet in het midden laten van wie deze ten behoeve van de Minerva Trust opgestelde Havelet-facturen afkomstig waren. Dat ligt op basis van hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent het economisch eigendom van de Minerva Trust voor de hand: [naam verdachte]. Op zijn verzoek was het Cititrading-traject in gang gezet, thans wordt de Havelet-factuur door hem in stelling gebracht. [naam medeverdachte 3] heeft [naam verdachte] van aanvang af aangewezen als de persoon van wie hij de Havelet-factuur kreeg uitgereikt, en hij is in hoger beroep bij die verklaring gebleven. Het hof zal [naam medeverdachte 3]s verklaringen pas bespreken na bewijsoverwegingen over de geldstromen.

De hiervoor weergegeven verklaring van [naam medeverdachte 1] acht het hof uiterst belastend voor [naam medeverdachte 2]. Het was [naam medeverdachte 2] die de beslissing omtrent de ‘fixed fee’ namens de Bank aan [naam medeverdachte 1] meedeelde. Ook dat ligt voor de hand. [naam medeverdachte 2] trad in de transacties met winstvennootschappen op als ‘facilitator’, namens de ABN AMRO Bank (de Bank) en met het aan die bank toebehorende vehikel Van Doyer en Kalff B.V. (VDK). [naam medeverdachte 2] was beslissingsbevoegd, maar zal hieromtrent overleg hebben gehad met zijn superieuren. Als het hoofd fiscale zaken van de Bank (dat de directie voerde over VDK) het standpunt is toegedaan dat de Bank met een ‘fixed fee’ genoegen zou moeten nemen, heeft dat grote invloed op het besluitvormingsproces binnen de Bank. [naam medeverdachte 2]s stem was wellicht niet doorslaggevend, maar wel zeer invloedrijk. Hierop komt het hof terug bij de bespreking van de functie en bevoegdheden van [naam medeverdachte 2]. Het moge evenwel duidelijk zijn dat als de Bank ervan op de hoogte zou zijn geweest dat [naam medeverdachte 2] rijkelijk zou meedelen in de opbrengst van de transacties in winstvennootschappen, de Bank niet akkoord zou zijn gegaan met de voorstellen van [naam medeverdachte 2]. In geen van de vele interne documenten van de Bank die het strafdossier inmiddels rijk is heeft het hof enige mededeling van de zijde van [naam medeverdachte 2] aangetroffen dat hij zijn werkgever heeft geïnformeerd over de splitsing van de upcount en over de identiteit van de natuurlijke personen die zichzelf langs deze weg persoonlijk zouden verrijken. Dit wordt [naam medeverdachte 2] in het tenlastegelegde onder 5 ook afzonderlijk verweten.

[naam medeverdachte 2] wist dus van de splitsing in de upcount en hij wist dat hij zelf hiervan (veel) beter zou worden. Daarmee heeft hij niet alleen het vertrouwen van zijn werkgever ernstig geschonden, hij heeft de Bank ook financieel tekort gedaan.

Het hof acht van onwaarde het deel van de verklaring van [naam medeverdachte 1] waarin hij pretendeert dat hem ter ore kwam dat de bank met slechts een ‘fixed fee’ genoegen nam, en er dus – als het ware vanzelf – een surplus ter beschikking kwam: het verschil tussen hetgeen Oxbridge bereid was te betalen en datgene waarmee de bank tevreden was. Hierop komt het hof terug.

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen doet het hof de volgende vaststellingen:

(i). Op een factuur van 15 november 1994 ten name van Havelet Trust betaalt de winstvennootschap Rentafixe uit haar liquide middelen een bedrag van bijna anderhalf miljoen gulden, i.e. ongeveer een zesde van het op dat moment beschikbare kasgeld, op een ten behoeve van de Minerva Trust aangehouden rekening bij Lloyd’s Bank op Guernsey.

(ii). Vervolgens wordt dit bedrag verdeeld tussen [naam medeverdachte 2] (2/3e) en [naam verdachte] (1/3e) op bankrekeningen in het buitenland .

(iii). [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] werken hierin nauw samen. [naam medeverdachte 2] neemt namens de Bank ‘genoegen’ met een fixed fee. [naam verdachte] arrangeert met behulp van zijn contacten met Havelet dit factureringstraject en biedt [naam medeverdachte 3] de betreffende factuur aan. [naam medeverdachte 1] doet zijn gebruikelijke werk (bemiddelen en opstellen van contracten) in de wetenschap dat er – naar analogie van eerdere trajecten met Cititrading – door een (andere) trust wordt gefactureerd voor diensten die niet zijn geleverd door de entiteit van wie de factuur afkomstig is, en dat op deze wijze - wederom - gelden worden afgeroomd.

E4. Rentafixe nagekomen gelden d.d. 11 december 1995 ƒ 5.608.499 (teruggave Vpb 1994)

Rentafixe (thans: American Energy Resources)

ƒ 1.870.000 Havelet Trust

“ref: Jacky at Havelet” 18/12/95 D/323: Bankafschrift d.d. 11 december 1995 waaruit blijkt van de teruggave van Vpb 1994 ter hoogte van ƒ 5.608.499

D/324: Faxbrief van 18 december 1995 van [naam medeverdachte 3] aan Bert Korfage van de ABN-Amro Bank.

“Dear Bert, Please make the following Transfers from American Energy Resources NV Account Number 43.36.10.387. (...) Havelet Trust International Ltd. Please Change DFL 1.870.000,00 to the USD equivalent and transfer

to: Barclays Bank, St Petersport, Guernsey, Account Number: 48.17.72.66”

D/325: Doorgehaald A-formulier ondertekend door [naam medeverdachte 3] ten laste van Rentafixe N.V.: “Consulting fees voor acquisition of company” en voorts:

"Rek.nr 48.17.72.66

Naam Havelet Trust International Ltd.

St. Petersport, Guernsey

Ref. "Jacky at Havelet"

Mededeling voor begunstigde:

“Consulting fees on corporate acquisition and strategic planning” "

D/326: Bankopdracht formulier overeenkomstig voorgaande, en kosten ter hoogte van ƒ 170.

D/327: AA-bankafschrift Rentafixe met afschrijving van ƒ 1.870.170 ter zake van “consulting fees on corporate …”

Stornering van het bedrag van

En uiteindelijk verzending naar Oxbridge op de Bahama’s. ƒ 1.870.000

($

1.159.824,89)

Oxbridge Invest-ments

Barclays Banks te Bahamas D/328: tweede fax van [naam medeverdachte 3] d.d. 18 december 1995 aan Korfage van ABN AMRO, waarop met grote letters "urgent please" is vermeld. "Dear Bert

I have just been informed by our client Havelet Trust that the previous wire instructions and DFL amount given me are incorrect. Please change the wire transfer order given you dated 18 December 1996 to the following:

Hanson Bank Limited, (..) Guernsey (...).

Account Name: Havelet Trust (..) clients.

The amount to be wired is the USD equivalent of DFL 2.300.000,00 not the DFL 1.870.000,00 as previously stated in my earlier fax."

D/332: Op de dollarrekening 61.92.93.861, ten name van American Energy Resources NV (Rentafixe), wordt met valuta datum 22/12/95 de overboeking naar Havelet gestorneerd. Dagafschrift en creditnota. Als omschrijving is op beide vermeld: " HAV TST RE MINERVA "

D/333: Het bedrag ad ƒ 1.870.000 (in $: 1.159.824,89) wordt blijkens dagafschrift p. 2 op 28 december 1995 met valutadatum 22/12/95 afgeboekt van rekening 61.92.93.861, en overgeboekt naar de andere door Korfage geopende (dollar)rekening 61.92.97.050 t.n.v. Oxbridge (cf. D/334, dagafschrift dollarrekening).

D/335: Dagafschrift en debetnota. Op 2/1/96 wordt $ 1.159.924,51 van deze dollarrekening afgeboekt (incl. bankkosten). De debetnota vermeldt verzending naar de Oxbridge-rekening bij Barclays Bank (Bahama’s) van een iets lager bedrag $ 1.159.824,89 (het saldo van de dollarrekening) naar de bankrekening van Oxbridge bij Barclays Bank op de Bahama's.

Hof: het andere bedrag, ƒ 430.000, is rechtstreeks overgeboekt van de guldenrekening van Rentafixe naar de bankrekening van Oxbridge bij Barclays Bank op de Bahama's. Zie D/611-3.

D/582-2: afschrift Barclays Bank, rnr 48.177.266 tnv Havelet Trust “re Minerva Trust” met zowel de bijschrijving als de afschrijving van USD 1.159.860,46, “American Energy”.

D/582-4: Brief van Havelet van 20/12/95 aan Barclays Bank met opdracht $ 1.159.860,46 van rnr 48177266 tnv “Havelet re: Minerva trust” over te boeken op rekening van American Energy Resources (Rentafixe).

Aangaande de geldstroom die zich manifesteert na de terugbetaling door de fiscus van de op voorlopige aanslag betaalde Vpb over 1994 is onder meer het volgende relevant.

De brief van [naam medeverdachte 2] (“concerndirecteur”) van 11 november 1994 op briefpapier van ABN AMRO houdt onder meer het volgende in met betrekking tot de “voorlopige aanslag Rentafixe N.V. 1994”:

“Op 30 juli 1994 ontvingen wij de voorlopige aanslag 1994 van bovengemelde vennootschap met 5 betaaltermijnen ultimo augustus tot en met ultimo december. Inmiddels zijn 2 termijnen voldaan.

Gezien het feit dat deze vennootschap op zeer korte termijn activa zal verwerven waarbij de rentelast over 1994 de rente-opbrengst zal overtreffen, zal het belastbare resultaat 1994 nihil of negatief zijn.

Indien de verwerving van activa niet meer in 1994 plaatsvindt, zal Rentafixe N.V. alsnog fiscaal worden gevoegd met de fiscale eenheid ABN AMRO Holding N.V. per 01-01-1994, zodat in dat geval geen belastingplicht over 1994 aanwezig is.

Ergo, wij verzoeken u uitstel van betaling van de resterende 3 termijnen in afwachting van uw spoedige teruggaaf van de reeds betaalde termijnen, nadat u de voorlopige aanslag ambtshalve tot nihil heeft teruggebracht.”

Deze brief zal nader aan de orde komen bij de bespreking van de rol van [naam medeverdachte 2]. Thans kan worden volstaan met de opmerking dat [naam medeverdachte 2] met deze brief heeft bijgedragen dan wel heeft willen bijdragen aan de terugbetaling van de door Rentafixe op voorlopige aanslag betaalde termijnen Vpb 1994. Uit het hierna weer te geven schema van uitgevoerde betalingen naar aanleiding van de teruggave van de reeds betaalde termijnen Vpb, volgt dat [naam medeverdachte 2] ongeveer 1/5e deel van de terugbetaling in eigen persoon heeft opgestreken.

Bij faxbrief van David Rowlinson van Havelet Trust van 19 december 1995 aan [naam medeverdachte 1] bevestigt hij aan [naam medeverdachte 1] dat Havelet Trust Barclays Bank heeft geïnstrueerd om het bedrag $ 1.159.860 terug te boeken naar de bankrekening van American Energy Resources (Rentafixe). Rowlinson bevestigt voorts dat na ontvangst van het bedrag van ƒ 430.000 bij de Hanson Bank, dit bedrag eveneens zal worden teruggeboekt.

“Dear Hans,

We hereby confirm that we have instructed Barclays to re-transfer the sum of US$ 1,159,860 to American Energy Resources N.V., via ABN AMRO Bank, Amsterdam. Further on receipt of DFL 430,000 at Hanson Bank, these funds will also be returned.”

Deze brief is in zoverre opvallend dat dit schrijven is gericht aan [naam medeverdachte 1] en niet aan [naam verdachte]. Hieruit maakt het hof op dat de in deze brief weergegeven informatie voor hem, [naam medeverdachte 1], relevant werd geacht, en dat er met hem, [naam medeverdachte 1], overleg is gevoerd over deze kwestie. Hieronder zal blijken dat [naam medeverdachte 1] in persoon korte tijd later op zijn rekening in Luxemburg een bedrag van bijna ƒ 430.000 gedoneerd kreeg. Met een bedrag van ƒ 430.000 is het oorspronkelijk voorziene bedrag van ƒ 1.870.000 verhoogd tot in totaal ƒ 2,3 miljoen. Klaarblijkelijk is besloten de Havelet-fee te verhogen, en dit in samenspraak met [naam medeverdachte 3]. Hij, [naam medeverdachte 3], geeft immers aan Korfage van ABN AMRO betalingsinstructies voor het verhoogde bedrag, na overleg met ‘zijn cliënt’ Havelet Trust . Deze trust handelt in dit verband alleen in opdracht van [naam verdachte]. Het hof leidt uit de hele gang van zaken af dat [naam medeverdachte 1]s deel uit de alsnog vrijgekomen liquide middelen van Rentafixe niet ten koste mocht gaan van het deel van [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte]. In zoverre is de inhoud van de brief voor [naam medeverdachte 1] dus inderdaad relevant geweest en kan adressering van de brief niet worden afgedaan als een vergissing van de zijde van Havelet Trust.

Voorts kan aan deze brief van Rowlinson worden ontleend dat [naam medeverdachte 1] (naast zijn bekendheid met de ‘gesplitste upcount’ en de betaling van een surplus aan een trust) op de hoogte is van een voortgezet deel van het versluierde betalingstraject. Hem wordt immers bevestigd de stornering van de bedragen die – naar zal blijken - bestemd zijn voor hemzelf, [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2].

Deze vaststelling doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de volgende verklaring van [naam medeverdachte 1] ter zitting van dit hof :

“Van de andere afgeplakte posten (hof: op het door hem gecorrigeerde ‘verbeterde geldstroomschema’ D/698e2), waaronder ook de ‘op en neer’- betaling aan Minerva Trust, had ik geen wetenschap.”

Hieronder zal worden aangetoond dat de bedragen van de ‘op en neer’-betaling alsmede van ƒ 430.000 later alsnog – doch ditmaal via een bankrekening van Oxbridge op de Bahama’s - zouden worden overgeboekt naar een bankrekening (‘client account’) van Havelet Trust en vervolgens aan dit drietal ten goede zouden komen.

Het is ook geen toeval dat [naam medeverdachte 1] enkele maanden voor de verzending van deze brief door [naam verdachte] was geïntroduceerd bij Havelet Trust. [naam medeverdachte 1] finaliseerde op 9 november 1995 zijn aanschaf van een door Havelet beheerde trust, alsmede van een op de Britse Maagdeneilanden gevestigde investeringsmaatschappij (respectievelijk de Barbizon Trust en Barbreck Holdings Ltd.). Eind december 1995 heeft [naam medeverdachte 1] zich bovendien een (geheimgehouden) Luxemburgse bankrekening aangemeten. Een en ander laat zich alleen begrijpen indien het [naam medeverdachte 1]s bedoeling was verscheidene financiële activiteiten buiten het zicht van (onder andere) de fiscus te houden.

Ten slotte volgt uit deze brief de bekendheid van [naam medeverdachte 1] met de herkomst van de verhulde ‘fees’: zij zijn onttrokken aan (de vrijgekomen liquide middelen van) Rentafixe, de verkochte winstvennootschap, en dus niet van Oxbridge of Interbaros (de koper van Rentafixe).

De verklaring van [naam medeverdachte 3] over de gestorneerde betaling:

“De Nederlanders wilden om de een of andere reden het geld eerder hebben, en toen kregen ze het geld van de ABN AMRO Bank in plaats via Liechtenstein. Daarmee werd die betaling zichtbaar.”

zal later worden besproken.

E5. Uitgevoerde betalingen nagekomen gelden Rentafixe

Oxbridge

ABN AMRO-rekening $ 1.159.824,89

(ƒ 1.870.000) Oxbridge -

Rekening bij Barclays Bank te Bahamas 02/01/96

D/611-1: overboekingsdetails van Barclays Bank te Bahama’s rekeningnr 1811503 ten name van Oxbridge.

D/611-3: dagafschrift Barclays Bank te Bahamas rnr 1811503 ten name van Oxbridge, waarop $ 1.159.824,89 wordt bijgeschreven.

Rentafixe

(thans: American Energy Resources) $ 265.690,20

(ƒ 430.000) Oxbridge -

Barclays Bankrekening te Bahamas 04/01/96 D/611-2: overboekingdetails van Barclays Bank te Bahamas van Rentafixe bij ABN AMRO naar rekeningnr. 1811503 ten gunste van Oxbridge.

D/611-3: dagafschrift Barclays Bank te Bahamas rnr 1811503 tnv Oxbridge, waarop $ 265.690,20 wordt bijgeschreven.

Oxbridge

Barclays Bankrekening te Bahamas $ 1.425.515,10

(ƒ 2.300.000)

Havelet Trust

‘Clients’

Rnr 807.546 bij Hanson Bank Guernsey

08/01/96 D/611-3: dagafschrift Barclays Bank te Bahamas rnr 1811503 tnv Oxbridge, waarop $ 1.425.845,10 wordt afgeschreven

(incl. commission $ 300 en swift $ 30, zie D/611-5).

D/611-4: Brief van Oxbridge aan Barclays Bank te Bahamas, van 5 januari 1996, met opdracht om $ 1.425.515,10 over te boeken van de Oxbridge rekening bij die bank naar de rekening met nummer 807.546 tnv Havelet Trust – ‘Clients’ bij Hanson Bank te Guernsey.

Overeenkomstig:

D/611-5: handgeschreven overboekingsopdracht.

D/611-6: overboekingsdetails.

D/616: lijsten van Hanson Bank te Guernsey:

D/616-1: “Jackie/Hav” en “$2,3 m or NLG Equiv 3.7m” , “Havelet clients coming from $ 1.425.515,10 b/o Oxbridge Inv, ref 807546”.

D/616-2: batch-transaction report: bedrag bij “TT Havelet”

Havelet Trust

‘Clients account 807.546 bij Hanson Bank Guernsey’

$ 1.420.000 BMC Corp

(Banque Scandinave en Suisse rnr 179116)

11/01/96

(valutadatum 16/1/96) D/616-3: brief van 10 januari 1996 van Havelet (Jacky Le Noury) aan Hanson Bank met opdracht $ 1.420.000 over te boeken naar “Banque Scandinave en Suisse … accountname BMC Corp accountnumber 179116”

D/616-4: overboekingsdetails, nr. 7.

BMC Corp

(Banque Scandinave en Suisse) $ 657.000

(ƒ 1.077.480) Crédit Européen

14-512-791

($-rekening

[naam medeverdachte 2]) 31/01/96 D/620: spreadsheet van rnr 14-512-791 op naam van [naam medeverdachte 2]

“van Banque Scandinave en Suisse, BMC Corp per 29-1-96”

D/620D-1/2: bancaire stukken van rekening op naam [naam medeverdachte 2].

BMC Corp

(Banque Scandinave en Suisse)

$ 259.000

(ƒ 424.760) Crédit Européen

12-522-799

($-rekening

[naam medeverdachte 1]) 31/01/96 D/626: spreadsheet van rekeningnummer 12-522-799 op naam [naam medeverdachte 1] “Banque Scandinave en Suisse”, “van BMC Corp”

D/626A-1/2: bancaire stukken van rekening op naam [naam medeverdachte 1].

Een document dat al eerder aan de orde is gesteld betreft :

“File note of a meeting between: Neal A. Meader and Paul [naam verdachte], date: 12th November 1997

(...).

Minerva Trust

(...).

PVK (hof: [naam verdachte]) through his offices had for several years operated a legitimate scheme in Holland whereby a tax profit company was purchased into which an asset was placed. Dutch tax law allows full depreciation of the asset in one day. In 1994 this scheme was used for the transfer of some mining rights by an American company. A fee of USD 1,800,000 was charged by PVK which was put through HTC trust account for Minerva. This fee should have been paid by the client from Bermuda but was in fact paid by ABN Amro from Holland. The sum was paid in two amounts, one of USD 400,000 and the other of USD 1,400,000. Upon payment of the USD 1,400,000 the error was noticed and this payment was returned the next day and subsequently paid from Bermuda. The USD 400,000 was not so returned however and PVK believes may have been shown as a tax deducible expense at some time. PVK is of the opinion that he has ironed out this difficulty by obtaining the co-operation of a Swedish gentleman who is non resident of Holland and now resides in Monte Carlo. The funds were sent by him to HTC. PVK very concerned about Dutch tax authorities as instead of using fiscal laws to approach other jurisdictions for investigations, they are using the law of fraud.

Both the amounts paid have and still are being investigated by the authorities, amongst other transactions. Arthur Andersen is representing the US client, Ernst Young ABN AMRO. PVK is of the opinion that nothing will come of these enquiries but feels happier that the trust files are moved to the BVI. HTC are moving the Trust due to the restructuring of the Company.”

Het document is uit 1997. Desalniettemin sluit hetgeen [naam verdachte] blijkens deze gespreksnotitie heeft meegedeeld aan Meader vrijwel naadloos aan op de transactie in de aandelen van Rentafixe, inderdaad in 1994. [naam verdachte] beschrijft de achterliggende principes van de handel in winstvennootschappen ‘through his offices’. Hij maakt melding van de inbreng van een ‘asset’, in casu ‘mining rights’ (hof: inderdaad op kolenvelden in Kentucky), en van de ‘fee’ die [naam verdachte] heeft gedeclareerd ‘through HTC Trust account for Minerva’ (het hof begrijpt: de zwarte ‘fee’ via Havelet/Minerva). Deze is in twee tranches betaald, en wel één daarvan rechtstreeks over de rekening die de cliënt bij ABN AMRO in Nederland aanhield, terwijl de bedoeling was dat de cliënt die ‘fee’ van het saldo van een bankrekening in Bermuda zou betalen. Alleen de valuta waarin de bedragen zijn weergegeven, $ 1,4 miljoen en $ 0,4 miljoen, en de bedragen zelf zijn niet (geheel) juist. In guldens luiden de bedragen: ƒ 1,87 miljoen en ƒ 0,43 miljoen. De vergissing is (volgens de notitie) hersteld, en ook dat is juist gebleken. [naam verdachte] heeft volgens de notitie de hulp ingeroepen van “a Swedish gentleman … who now resides in Monte Carlo” en dat kan naar ‘s hofs oordeel in deze context alleen [naam medeverdachte 5] zijn.

Het hof acht de inhoud van dit document dan ook een betrekkelijk accurate beschrijving van hetgeen de bancaire bescheiden betreffende de geldstroom van de Rentafixe-nabetaling zelf laten zien.

Het hof stelt op basis van voorgaande bewijsmiddelen het volgende vast:

(i). [naam medeverdachte 2] heeft de fiscus bij brief op papier van ABN AMRO verzocht om teruggave van de door Rentafixe op voorlopige aanslag betaalde termijnen Vpb 1994.

(ii). Nadat op 11 december 1995 het op voorlopige aanslag betaalde bedrag van ƒ 5,6 miljoen door Rentafixe is ontvangen, maakt [naam medeverdachte 3] een week later ƒ 1,87 miljoen over van de Rentafixe-rekening bij ABN AMRO naar de door Havelet beheerde rekening van de Minerva Trust, toebehorend aan [naam verdachte]. Dit betreft een deel van de ‘fee’ die [naam verdachte] heeft gedeclareerd.

(iii). Klaarblijkelijk heeft [naam medeverdachte 3] zich vergist, en zou de volledige ‘fee’ (verhoogd tot in totaal ƒ 2,3 miljoen) via de Oxbridge-rekening op de Bahama’s worden overgemaakt aan [naam verdachte].

(iv). De betaling van ƒ 1,87 miljoen wordt met medewerking van Havelet Trust (dus in opdracht van [naam verdachte] ) gestorneerd en dit bedrag (in dollars) wordt vervolgens via de daartoe geopende dollarrekening van Oxbridge bij ABN AMRO overgemaakt naar de rekening van Oxbridge bij Barclays Bank op de Bahama’s.

(v). Het bedrag van ƒ 0,43 miljoen (in dollars) wordt door [naam medeverdachte 3] overgemaakt van een Rentafixe-rekening bij ABN AMRO naar de Oxbridge-rekening op de Bahama’s.

(vi). De som van beide tranches, ƒ 2,3 miljoen in dollars, wordt overgemaakt naar de ‘clients account’ van Havelet Trust.

(vii). Dit bedrag minus een zekere vergoeding wordt overgemaakt naar de dollarrekening van BMC Corp bij de Banque Scandinave en Suisse, nummer 179.116. Hier is een parallel zichtbaar met de geldstroom na de Interbaros-transactie: ook in dat geval maakte Havelet Trust ten laste van de Minerva Trust een bedrag over naar dezelfde bankrekening van BMC Corp bij Banque Scandinave en Suisse . Deze rekening is weliswaar gesteld op naam van BMC Corp, maar behoort toe aan [naam verdachte].

(viii). Gelijk aan de geldstroom bij Interbaros wordt niet lang daarna door de Banque Scandinave en Suisse een bedrag overgemaakt ten laste van een – niet bekend geworden - rekening op naam van BMC Corp naar een rekening van [naam medeverdachte 2] bij Crédit Européen in Luxemburg (i.c. meer dan ƒ 1 miljoen). Thans wordt door de Banque Scandinave en Suisse tevens een bedrag overgemaakt ten laste van een – niet bekend geworden - rekening op naam van BMC Corp naar een rekening van [naam medeverdachte 1] bij Crédit Européen in Luxemburg (bijna ƒ 425.000). Vanwege (1) het evidente verband tussen de personen [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1], (2) de chronologie van de overboekingen, (3) de omvang en valuta van de bedragen die een plausibele verdeling van $ 1,42 miljoen tussen [naam medeverdachte 2] ($ 657.000), [naam medeverdachte 1] ($ 259.000) en [naam verdachte] (het restant, namelijk $ 504.000) mogelijk maakt, alsmede (4) de gang van zaken bij eerdere en latere transacties in winstvennootschappen, acht het hof vaststaan dat de hier bedoelde rekening op naam van BMC Corp bij Banque Scandinave en Suisse de bewuste rekening met het nummer 179.116 heeft betroffen en dat de vergoedingen aan [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] via deze bankrekening zijn overgemaakt.

Het hof concludeert dat [naam verdachte] zich zowel uit de eind 1994 vrijgekomen liquide middelen van Rentafixe als uit de nagekomen gelden van de Vpb-teruggave aan Rentafixe een verhulde ‘fee’ heeft laten betalen, zijnde in het tweede geval (ten hoogste) het verschil tussen ƒ 2,3 miljoen enerzijds en de voor [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] bestemde bedragen anderzijds (in totaal ƒ 1,5 miljoen). [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hebben zich eveneens verrijkt uit de nagekomen gelden. Daaraan heeft ieder van hen een bijdrage geleverd. [naam verdachte] door het indienen van een zogeheten Havelet-factuur en door het instrueren van de medewerkers van Havelet Trust en Jason S.A.M.. [naam medeverdachte 2] heeft de terugbetaling van de op voorlopige aanslag betaalde bedragen geëntameerd, wetende dat in ieder geval hijzelf daarvan groot voordeel zou hebben. [naam medeverdachte 1] is op de hoogte gesteld van en heeft in elk geval overleg gehad met Havelet Trust over de hiervoor geschetste problemen in het betalingsverkeer.

E6. Egg d.d. 1 september 1995 ƒ 33.430.520

Egg ƒ 26.845.520 Oxbridge (Bank in Liechtenstein) AH/06, p. 12 en D/698f.

Oxbridge (Bank in Liechenstein) ƒ 10.025.577

Omgezet in:

$ 6.106.840 Havelet Trust

‘clients account’

“Minerva Trust”

06/09/95 D/583-2/3: fax van Havelet (Jacky Le Noury) van 30/08/95 aan Oxbridge (Bahama’s) tav John King. Rechtsboven op deze fax staat ‘Minerva trust ’ met de hand geschreven. Verzoek om een bedrag van ƒ 10.025.577, omgerekend in $ naar de bankrekening 807546 bij de Hanson Bank Guernsey tnv Havelet Trust Company (International) Limited – Clients over te boeken.

D/583-4: Bankafschrift van Hanson Bank d.d. 6/9/95 nr. 807546 tnv Havelet – clients A/C.

Bijschrijving afkomstig van Oxbridge:

$ 6.100.748,36 en $ 6.091,87 [= $ 6.106.840,23].

Havelet Trust

‘clients account’

“Minerva Trust”

(Babel) $ 6.100.000 BMC Corp

nr 179.116 bij Banque Scandinave en Suisse 13/09/95 D/583-6: factuur van BMC Corp Panama van 7/9/95 gericht aan Babel Limited c/o Havelet Trust tav David Rowlinson.

"Intermediary fee for services rendered to Oxbridge Investments Ltd. regarding acquisition of shares in a Dutch Limited Liability Company. US$ 6,100,000.—"

BMC Corp a/c 179.116 bij Banque Scandinave en Suisse.

D/583-7: opdrachtbrief van Havelet aan Hanson Bank d.d. 8/9/95 om bedrag $ 6,1 miljoen over te boeken van $-rekening 807546 naar Banque Scandinave en Suisse

“account name BMC Corp”

“account number 179.116”

Handgeschreven rechtsboven: “Minerva”

D/583-8: bankafschrift Hanson Bank tnv Havelet (..) clients a/c rnr 807546 met afschrijving $ 6.100.000 (“TT BMC Corp Geneva”).

BMC Corp

Rekening-nummer 179116 bij Banque Scandinave en Suisse $ 1.200.000 Havelet Trust

Re

The Barbizon Trust

([naam medeverdachte 1])

13/9/95 D/607-1: fax d.d. 11/9/95 van Havelet (Jacky le Noury) aan “Jason SAM”/”Carl Sharp”: “upon receipt of USD 6,100,000 from our account please arrange (..) the transfer of USD 1,200,000 to Barclays Bank, Guernsey (..), accountnumber: 76658477, accountname Havelet Trust (..), re The Barbizon Trust”

D/607-2: brief van Le Noury d.d. 11/9/95 aan Barclays Bank ter bevestiging van opening van $-acount 76658477 “re The Barbizon Trust”

D/607-3: Memorandum of addition d.d. 13 september 1995 van Havelet als trustees van The Barbizon Trust (“established by declaration of 25th July 1995”) van “USD 1.199.983,38 in cash”.

BMC Corp

Banque Scandinave en Suisse $ 2.699.983

(ƒ 4.427.972) Crédit Européen

$-rekening

14-512-791

tnv [naam medeverdachte 2] 20/09/95 D/620: spreadsheet bankrekening 14-512-791:

Bedrag afkomstig van Banque Scandinave en Suisse, BMC Corp, “In favour of Racine accountnumber 512 791” met omschrijving “commission sur operation financière”.

D/620C-2/3/4: bancaire bescheiden op basis waarvan de relevante entry op de spreadsheet is gemaakt

Het hof maakt voorts melding van de volgende bewijsmiddelen.

Ook in geval van de geldstroom na de Egg-transactie werd de ‘upcount’ gesplitst en betaalde Oxbridge een surplus aan Havelet Trust. Een deel van dat surplus is toegekomen aan [naam medeverdachte 1]. [naam medeverdachte 1] heeft over ‘de splitsing van de upcount’ verklaard :

“Bij deze transactie kan ik mij herinneren dat ik zelf de mededeling aan [naam medeverdachte 5] heb gedaan dat de upcount weer moest worden gesplitst, op dezelfde wijze als bij de Rentafixe-transactie. Op het moment dat ik van de Bank te horen kreeg dat zij weer een fixed fee zou vragen, heb ik de toe te passen splitsing kenbaar gemaakt aan [naam medeverdachte 5]. Dát er weer een splitsing zou moeten plaatsvinden is mij door iemand medegedeeld (…).”

De telefoonnotitie van David Rowlinson (werkzaam bij Havelet Trust) van 8 september 1995 houdt in dat [naam verdachte] in een telefoongesprek met hem, Rowlinson, een bepaalde factuur heeft aangekondigd. Uit de mond van [naam verdachte] is door Rowlinson opgetekend:

“We (hof: Havelet) will receive an invoice from Carl Sharp in Monte Carlo addressed to Babel Limited for US$ 6,100,000. This money will be transferred to Carl Sharp. He will keep US$ 100,000 and then 20% of those funds, US$ 1,200,000 will be transferred to The Barbizon Trust. Next week we will have to commence pole instructions for the US$ 1,200,000. Funds can be transferred direct to The Barbizon Trust from which we can pay our fees.”

De bewuste factuur is als bijlage D/583-6 in het dossier gevoegd. Inderdaad wordt vervolgens een bedrag van $ 6,1 miljoen overgemaakt naar de bankrekening die BMC Corp (Karl Schaap) ten behoeve van [naam verdachte] aanhoudt bij de Banque Scandinave en Suisse. Vervolgens wordt van die rekening overeenkomstig deze telefoonnotitie een bedrag van $ 1,2 miljoen overgemaakt. Dit bedrag minus bijna $ 87, naar het hof begrijpt de administratiekosten van de zijde van Havelet Trust, wordt gestort op een rekening van de Barbizon Trust van behoeve van [naam medeverdachte 1].

De al eerder geciteerde gespreksnotitie over een bijeenkomst op 9 november 1995 in het kantoorpand van Havelet Trust, waarbij aanwezig zijn [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1], alsmede (van Havelet Trust) Neal Duquemin en Jacqui Le Noury houdt onder meer het volgende in:

“The Minerva Trust

Paul explained that he has a couple of Million dollars held at Bank Scandinave in Switzerland which is his share of the 6 Million dollar deal that went through in September, 1995, Paul feels that because Bank Scandinave are a small Bank he feels fairly uncomfortable that all his money should be there and he is thinking seriously of maybe leaving half a Million dollars with them, he is Meeting the Manager at Bank Scandinave in the next few days and has decided to incorporate a BVI Company called Mursley Holding Limited which we to prepare the incorporation documents and keep here until Bank Scandinave and Mr. Schilling telephones us and askes us for the details of the Company. Paul wants the money in the Company and will confirm to us where and which Banks he will decide to place the funds at.”

Ten slotte bevat het proces-verbaal van verhoor op 22 november 2001 van Rudy Desmicht, de relatiemanager bij Crédit Européen van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] de volgende antwoorden (cursief) op vragen van de FIOD (rechtopstaand):

Getoond een overboeking van USD 2.699.983 van BMC Corp, Banque Scandinave en Suisse naar rekening 14-512-791 van [naam medeverdachte 2], d.d. 19-09-1995. Gevraagd om commentaar. Wat zijn de procedures voor deze overboekingen? Heeft de cliënt BMC contact met u opgenomen inzake deze girale overboeking? Zo ja, wie?

“Deze documenten laten zien dat op 21 september 1995 de heer [naam medeverdachte 2] heeft bericht aan Marie-Christine LAMBIN (destijds relatiebeheerder bij Credit Européen) dat een bedrag van USD 2.700.000 zou worden verstuurd door Banque Scandinave Genève, in opdracht van hun cliënt BMC Corp, naar de rekening van de heer [NAAM MEDEVERDACHTE 2] bij Credit Européen Luxembourg. Als omschrijving IBLC wordt vermeld “Commission sur opération financière”.”

Getoond een telex ontvangen van Banque Scandinave en Suisse, inzake een overboeking van USD 259.000, d.d. 29-01-1996 naar rekening 12-522-799 van [naam medeverdachte 1]. Gevraagd om commentaar. Wat zijn de procedures voor deze overboekingen?

“Het is een normale overboeking van Banque Scandinave en Suisse, in opdracht van hun cliënt BMC Corp, naar de rekening van de heer [NAAM MEDEVERDACHTE 1] bij Credit Européen Luxembourg.”

Het hof doet de volgende vaststellingen:

(i). Uit de liquide middelen van Egg wordt een substantieel bedrag overgemaakt naar een bankrekening van Oxbridge. Vanaf de rekening van Oxbridge wordt een bedrag van ruim $ 6,1 miljoen overgemaakt naar een bankrekening van Havelet Trust, dit ten gunste van de Minerva Trust (van [naam verdachte]).

(ii). [naam medeverdachte 1] heeft [naam medeverdachte 5] kenbaar gemaakt dat boven de ‘upcount’ aan de Bank een surplus zou moeten worden betaald aan een trust, analoog aan de betaling van een surplus bij gelegenheid van de Rentafixe-transactie.

(iii). [naam verdachte] arrangeert dat door Karl Schaap (werkzaam voor BMC Corp) een factuur van BMC Corp wordt verstuurd naar Havelet Trust. Als grondslag wordt vermeld de ten behoeve van Oxbridge verrichte werkzaamheden in verband met een transactie in aandelen in een besloten vennootschap. Havelet Trust gaat in opdracht van [naam verdachte] over tot de betaling van deze factuur.

(iv). Havelet Trust stort het bewuste bedrag van $ 6,1 miljoen op de ten behoeve van [naam verdachte] aangehouden rekening met nummer 179.116 bij Banque Scandinave en Suisse. Deze rekening wordt beheerd door en is gesteld ten name van BMC Corp.

(v). [naam verdachte] instrueert Havelet Trust om Karl Schaap (Jason/BMC Corp) op te dragen een bedrag van $ 1,2 miljoen over te maken naar een door Havelet Trust bij Barclays Bank op Guernsey aangehouden rekening ten behoeve van de Barbizon Trust (van [naam medeverdachte 1]). Overboeking vindt inderdaad plaats.

(vi). Opvallend is dat het bedrag van $ 6,1 miljoen afkomstig is van een rekening van Havelet Trust (betreffende de Minerva Trust) en via een rekening ten name van BMC Corp weer terugkomt op een andere rekening van Havelet Trust, thans ten behoeve van de Barbizon Trust. Deze overboekingen zijn klaarblijkelijk louter gemaakt om het achterhalen van het betalingstraject door de fiscus te bemoeilijken.

(vii). Voorts wordt een bedrag van bijna $ 2,7 miljoen overgemaakt van een rekening van BMC Corp bij de Banque Scandinave en Suisse naar een op naam van [naam medeverdachte 2] gestelde rekening bij de Crédit Européen te Luxemburg. Gelijksoortige overwegingen als die het hof heeft gebezigd bij de geldstroom na de Vpb-teruggave aan Rentafixe brengen het hof tot de vaststelling dat dit bedrag van bijna $ 2,7 miljoen afkomstig is van de rekening met nummer 179.116.

Op basis hiervan concludeert het hof dat [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] ieder persoonlijk hebben geprofiteerd van de transactie in de winstvennootschap Egg. De betreffende bedragen zijn per saldo afkomstig uit de liquide middelen van Egg. [naam verdachte] heeft het versluieringstraject als zodanig gearrangeerd, met hulp van [naam medeverdachte 1].

E7. Egg II d.d. 11 september 1996 ƒ 25.888.867

Egg II B.V.

ƒ 24.500.000

ontvangen:

ƒ 24.250.000 Oxbridge Investments (Bank in Liechtenstein) 11/09/96 D/698f

D/602H jo AH/105: door Oxbridge ontvangen: ƒ 24.250.000.

Oxbridge Investments

(Bank in Liechtenstein)

ƒ 6.511.660

omgezet in $ 3.814.460 Havelet Trust Cliënts a/c

807546

bij Hanson Bank te Guernsey 24/09/96 D/584-2: fax van Havelet Trust (Jacky Le Noury) van 13 september 1996 aan Oxbridge (Bahamas) tav John King met verzoek om ƒ 6.511.660 omgerekend in $ naar bankrekening 807546 van Havelet Trust (bij Hanson Bank) over te schrijven.

D/584-5: bankafschrift Hanson Bank depositaccount ten name van Havelet Trust, voor één dag nl. van 24 tot 25 september 1996 bedroeg het saldo: $ 3.814.460 (verhoogd met $ 529,79 aan rente). “Deal no. 8075-2387/00”.

[in opdracht van] “Bank in Liechtenstein”.

Babel Limited c/o Havelet Trust

Rekening nr.

807546

bij Hanson Bank te Guernsey

$ 3.800.000 BMC Corp

Rnr 179.116 Banque Scandinave en Suisse 15/10/96 D/584-7: factuur van BMC Corp van 26 september 1996 aan Babel Limited c/o Havelet Trust tav David Rowlinson. Te betalen: $ 3.800.000 wegens "Intermediary fee for services rendered to Oxbridge Investments Ltd., regarding acquisition of shares in a Dutch Limited Liability Company.”

aan: rnr 179.116 ten name van BMC Corp bij Banque Scandinave en Suisse.

D/584-8: brief van Havelet Trust/JMLN van 10 oktober 1996 met instructie aan Hanson Bank om $ 3.800.000 over te boeken naar nr. 179.116 tnv BMC Corp bij Banque Scandinave en Suisse. Vermelding van: “USD Deal 8075-2387/08”.

D/584-9: bankoverzicht Hanson Bank d.d. 15/10/96 rnr 807546 tnv Havelet Trust – clients a/c.

Afschrijving (“today”): $ 3.800.000 ten gunste van BMC Corp, “TT BMC Corp”.

BMC Corp

$ 882.624

(ƒ 1.500.000) Barbizon Trust

Rnr 3449032/..61

Bij Banque Scandinave en Suisse 15/10/96 D/608-1: bankoverzicht van Banque Scandinave en Suisse d.d. 31/12/96 rnr 3449032/..61 tnv “Havelet Trust (Intl) Ltd as trustees of Barbizon Trust”.

Bijschrijving van $ 882.624 van “BMC Corp”

Het hof maakt voorts melding van de volgende bewijsmiddelen.

Jacky Le Noury heeft verklaard:

“U toont mij D/584 pagina 4. In deze file note staat wat ik met de fondsen moet doen. Dit is op instructie van Paul [naam verdachte]. Het enige dat ik kan zeggen: ik ben door Paul [naam verdachte] opgebeld in verband met de fondsen die zouden binnen komen, want dat staat in mijn file note.”

De al eerder besproken gespreksnotitie van Jacqui Le Noury (JLN) van Havelet, inzake de “Telephone conversation JLN and Paul [naam verdachte]”, vastgelegd op 26 september 1996 houdt onder meer in:

“PVDK confirms that when the money arrives which should be for value 24th September 1996 we are to place the funds which total US$ 3,814,460 on an overnight deposit until we hear from him as to how much we are to pay away to Mr. Schaap, our commission and how much will be split between Paul [naam verdachte] and Hans [naam medeverdachte 1].”

De eveneens al eerder geciteerde gespreksnotitie die Jacqui Le Noury eveneens heeft vastgelegd op 26 september 1996 houdt in:

“Telephone conversation JLN and Paul [naam verdachte] 25th September 1996 11.30 a.m..

The Minerva Trust

Paul confirmed that we to leave the money at Hanson Bank until we hear from him. Mr. Schaap will send us an invoice for 3.8 Million Dollars but we are not to pay the money away to him until mr. [naam verdachte] calls and confirms that we can do.”

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

(i). Bijna het gehele bedrag aan liquide middelen van Egg II wordt gestort op een rekening van Oxbridge. Van dit bedrag wordt $ 3.814.460 overgemaakt naar de ‘clients account’ van Havelet Trust, zulks op verzoek van Havelet Trust.

(ii). Op factuur van BMC Corp, gericht aan de door [naam verdachte] aangewende vennootschap Babel Limited c/o Havelet Trust, stort Havelet Trust dit bedrag vrijwel geheel op de ten behoeve van [naam verdachte] door BMC Corp aangehouden rekening onder nummer 179.116 bij Banque Scandinave en Suisse.

(iii). BMC Corp maakt vervolgens bijna $ 900.000 over op een door Havelet Trust ten behoeve van [naam medeverdachte 1]s Barbizon Trust aangehouden bankrekening bij Banque Scandinave en Suisse. Opnieuw blijkt [naam verdachte]s rekening 179.116 de sluitpost waarvandaan (in casu) [naam medeverdachte 1] zijn verhulde vergoeding ontvangt.

Conclusie van het hof is dat uit de liquide middelen van Egg II gelden zijn toegevloeid aan [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1]. Mede gelet op de gang van zaken bij voorgaande geldstromen heeft [naam verdachte] Havelet Trust en BMC Corp (Schaap of Hubbard) aangestuurd teneinde de hiervoor beschreven overboekingen te bewerkstelligen. [naam verdachte] is ook de geestelijke vader, of meer strikt geformuleerd: de vertrouwens-persoon/’protector’ van de Barbizon Trust, in de oprichting waarvan [naam verdachte] [naam medeverdachte 1] heeft begeleid. Dat naar aanleiding van deze transactie gelden zijn toegevloeid aan [naam medeverdachte 2] is niet kunnen worden aangetoond.

Conclusies inzake de geldstromen

Op basis van het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd acht het hof vaststaan dat [naam verdachte] in alle gevallen van transacties in winstvennootschappen waarbij [naam medeverdachte 2] namens zijn werkgever als ‘facilitator’ was betrokken, van die transactie in aanzienlijke mate persoonlijk heeft geprofiteerd.

Afgezien van de transactie in Egg II kan ten aanzien van [naam medeverdachte 2] eveneens worden aangetoond dat hij in persoon en buiten zijn werkgever om in meer dan aanzienlijke mate heeft geprofiteerd van die transacties in winstvennootschappen waarbij VDK als partij was betrokken. [naam medeverdachte 1] heeft, naast de bij de genoemde transacties telkens aan BƒT betaalde “officiële” ‘fees’, eveneens persoonlijk meegedeeld in de opbrengst van deze transacties met ingang van september 1995 (Egg), waaronder begrepen de geldstroom die na de mede door [naam medeverdachte 2] bewerkstelligde Vpb-teruggave aan Rentafixe (januari 1996) is ontstaan.

De desbetreffende gelden waren telkens onttrokken aan het vermogen van de winstvennootschap waarop de transactie betrekking had. De overheveling van gelden geschiedde binnen korte tijd nadat Oxbridge over deze gelden de beschikking had gekregen.

De overboekingen vonden plaats in opeenvolgende reeksen en als betaaladressen fungeerden instellingen waarvan de naam niet valt terug te brengen tot degenen in wier vermogen de bedragen uiteindelijk vielen. Het op deze wijze verhullen van de werkelijk rechthebbenden werd in volle omvang gearrangeerd door [naam verdachte]. Daartoe werden valse facturen gebezigd, te weten facturen op naam van instellingen die geen enkele bemoeienis hadden met de totstandkoming van de bewuste transacties in winstvennootschappen. Bij gelegenheid van de transacties in de aandelen van Anterra en Penn, alsmede van Interbaros heeft [naam medeverdachte 1] een significante bijdrage geleverd door het betaaladres Cititrading te organiseren en het welbewust door BƒT laten uitbetalen van een kunstmatig verhoogde – valse - factuur aan Cititrading. Met ingang van de Rentafixe-transactie werd door [naam verdachte] een Havelet-factuur ingediend ten behoeve van de betalingen aan (de) Nederlanders. [naam medeverdachte 1] wist daarvan en heeft de splitsing van de ‘upcount’ en het indienen van de Havelet-factuur op enig moment besproken met [naam medeverdachte 5].

Opvallend is voorts het ontbreken van de geldstromen naar het vermogen van [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 1] na de twee transacties waarin VDK en de Bank niet als ‘facilitator’ optrad: de transacties inzake Kanaken en Boertien. Het hof leidt hieruit af dat er een verband is tussen beide. [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] kregen alleen een beloning indien de Bank als tussenschakel fungeerde.

Vooruitlopend op het tweede onderdeel van hoofdstuk 3

De hier getrokken conclusie behelst dus kort gezegd (i) dat [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en op enig moment ook [naam medeverdachte 1] direct na de ‘closing’ van een transactie meedeelden in de liquide middelen, alsmede (ii) het repetitieve karakter van deze gang van zaken, en (iii) hun actieve bijdrage in het bewerkstelligen ervan.

In het tweede onderdeel van dit hoofdstuk zullen omstandigheden worden besproken die naar ’s hofs oordeel de conclusie onvermijdelijk maken dat het samenwerkingsverband van [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] door bij herhaling het eigen aandeel van de liquide middelen van de winstvennootschap weg te sluizen via het door henzelf opgezette versluieringstraject, waarschijnlijk eerder maar in elk geval vanaf Rentafixe wel moesten weten dat een en ander door het samenwerkingsverband [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] alleen nog kon worden afgedekt door onjuiste Vpb-aangiften. Het direct na de ‘closing’ wegsluizen van de gelden betrof immers geen “toevallig zich voordoend, bijkomend IB-voordeeltje” of iets dergelijks, maar de kern – het oogmerk - van de gehele fraude-opzet.

Alvorens het tweede onderdeel van hoofdstuk 3 aan te vatten bespreekt het hof enkele door de verdachten betwiste verklaringen waarvan het hof de juistheid door het voorgaande eerste onderdeel van hoofdstuk 3 in voldoende mate onderbouwd acht.

Verklaringen van [naam medeverdachte 3]

[naam medeverdachte 3] heeft van begin af aan verklaard dat de zogeheten Havelet-facturen afkomstig waren van [naam verdachte]. In zijn ‘clarifications’ op V1/06 die [naam medeverdachte 3] het hof per e-mail heeft doen toekomen heeft [naam medeverdachte 3] bij wijze van commentaar opgemerkt:

“The Havelet invoice was given to me by [naam verdachte] and a payment went to Havelet.”

[naam medeverdachte 3] heeft ter zitting van het hof op 7 juni 2006 verklaard:

“[AG:] U heeft vandaag gesproken over betalingen aan Havelet trust. Is het juist dat u namens Oxbridge opdracht heeft gegeven voor dergelijke betalingen?

Ja.

Weet u nog op basis waarvan u tot die opdrachten bent overgegaan? Wat heeft ten grondslag gegeven aan die opdrachten?

Ik begreep dat Havelet de consultant van de ABN AMRO Bank was en dat het een deel van de aankoopprijs was, een van de fees die Oxbridge moest betalen.

Van wie heeft u dat vernomen?

Ik denk dat ik dat van [naam medeverdachte 5] heb gehoord.

En heeft hij nog meer informatie gegeven?

Nee, het was een extra kostenpost voor het doen van zaken in Nederland.

Ik neem als voorbeeld Rentafixe, de transactie van 15 november 1994. De op dat moment aanwezige liquide middelen in de vennootschap bedroegen iets meer dan ƒ 9.000.000,-. Als ik u er dan op wijs dat de betaling die Rentafixe die dag heeft gedaan aan Havelet een bedrag van ƒ 1.500.000,- bedroeg, dat wil zeggen 1/6 deel van de op dat moment aanwezige liquide middelen, vindt u dat dan niet een hoog bedrag voor additionele kosten?

Inderdaad.

Wilt u dan niet meer weten van dat soort betalingen voordat u opdracht geeft om die betaling te doen uitgaan?

Het bedrag was niet onderhandelbaar.

Heeft er een document ten grondslag gelegen aan de betaling, in de zin van een factuur of iets dergelijks?

Ja, er was een factuur.

Dus als ik het samenvat, u kreeg een factuur, u heeft de factuur betaald en de informatie daaromtrent kreeg u van [naam medeverdachte 5].

[naam medeverdachte 5] was er in zijn keten van brokers die met de ABN AMRO Bank zaken deed over geïnformeerd dat dit een nieuwe fee was. Dit was kennelijk de nieuwe fee.

Bent u ervan op de hoogte dat iets meer dan een jaar later nog meer geld is betaald aan Havelet trust in verband met de Rentafixe transactie?

Ja, dat was een closing die in twee delen plaatsvond.

(…)

Heeft u in dat verband contact gehad met de ABN AMRO Bank?

Ik had geen reden contact op te nemen met de ABN AMRO Bank, behalve om de betaling te doen.

Heeft u bij uw weten een fax gestuurd aan Bert Korfage van de ABN AMRO Bank met betrekking tot deze betaling?

Ik heb heel veel faxen verstuurd aan Bert Korfage in verband met betalingen. Dit kan goed één van die faxen zijn.

Kan het zijn dat u daarbij opdracht heeft gegeven tot het doen van deze betaling en dat u dezelfde dag nog een fax heeft gestuurd met de mededeling dat er iets mis is gegaan?

Ja. Ik denk dat ik het verkeerde rekeningnummer ingevuld of zoiets dergelijks.

Het is wel bij Havelet aangekomen. Zou het dan een bedrag betreffen dat naar een andere trust had moeten worden overgemaakt?

Niet bij mijn weten.

Ik houd u document D/328 voor. Zegt u dat iets?

Ja, dat komt me bekend voor.

Weet u nog met wie u contact heeft gehad bij Havelet trust?

Ik kan me de naam niet herinneren.

Ik wil verwijzen naar een formulier dat u niet heeft opgemaakt, D/325. Dat is een zogeheten A-formulier. Daarop staat informatie die mogelijk afkomstig is van de opdrachtgever. Er staat vermeld als kennelijk reden voor overboeking ‘consulting fees on corporate acquisition and strategic planning’.

Dat klinkt juist.

Had er niet koopsom of iets dergelijks moeten staan?

Zoals ik zei dacht ik dat Havelet consultant van de ABN AMRO Bank was en konden deze bedragen wat mij betreft omschreven worden als consulting fees.

U zei mij zojuist dat u niet meer wist met wie u contact heeft gehad bij Havelet trust, maar heeft u wel eens persoonlijk contact gehad met iemand van Havelet trust?

Dat kan ik me niet herinneren. Het zou niet helpen als u een naam noemde.

U zei dat de Rentafixe transactie in twee delen werd gesloten. Als u dan kijkt naar de bedragen die zijn betaald aan Havelet trust, bijna ƒ 1.500.000 en bijna ƒ 1.900.000, en het bedrag dat door Oxbridge is betaald aan Van Doyer & Kalff, dan ziet u dat de bedragen die dan kennelijk te maken hebben met ‘consulting fees’ alleen al verre de koopsom overstijgen. Was dat voor u aanleiding om meer informatie in te winnen bij [naam medeverdachte 5]?

Ik denk dat dat geen zin had. In Amerika is het heel gewoon dat de juridische kosten het bedrag van de deal overstijgen. We zijn gewend aan hoge juridische en consultingkosten.

Advocaat-generaal: Heb ik het goed begrepen dat u zei dat er op een gegeven moment een nieuwe fee kwam en dat was de fee van Havelet?

Dat is juist.

Advocaat-generaal: Kunt u aangeven of u voor de Anterra/Penn transactie een factuur van Havelet heeft ontvangen?

Nee.

Advocaat-generaal: En voor de Interbaros transactie?

Nee.

Advocaat-generaal: Op een gegeven moment kwam er bij een nieuwe transactie wel een factuur van Havelet. Havelet was niet bij de vorige transacties betrokken geweest. Kunt u aangeven welke bijdrage Havelet leverde aan de totstandkoming van de transactie?

Nogmaals, ik was in de veronderstelling dat Havelet de consultant van de ABN AMRO Bank was en dat zij juridisch en fiscaal advies leverden. Banken schuiven de commissies die zij moeten betalen doorgaans door naar de koper, en dat was ik.

Advocaat-generaal: U heeft verklaard dat dit een nieuwe fee was. Verdwenen er gelijktijdig ook andere fees?

Nee, in mijn herinnering niet. Dit was een extra fee bovenop de reeds bestaande fees.

(…)

De jongste raadsheer leidt zijn vraag in over de factuur van de Havelet trust bij Egg I transactie en stelt daartoe onder meer: Als ik een factuur van 10 miljoen gulden uitreik zou ik, als ik die factuur in persoon uitreik, deze kort toelichten. U lijkt niet het type persoon dat zonder vragen of commentaar 10 miljoen gulden gaat overmaken. In uw correcties op de Fiod-verklaringen hebt u vermeld dat u die factuur persoonlijk kreeg overhandigd van [naam verdachte]. Is er geen enkele toelichting geweest bij de factuur?

[naam verdachte] was niet aanwezig bij de closing van de transactie. Ik ontmoette hem in een kamer vol mensen na de closing. Toen heeft hij mij de factuur overhandigd. Dat is wat ik me er van kan herinneren. Ik heb het in mijn koffer gedaan. Als er problemen over waren zou ik waarschijnlijk [naam medeverdachte 4] hebben gevraagd contact op te nemen met [naam verdachte]. Dat is alles wat ik met er van kan herinneren. Ik spreek nu over de Egg I transactie.

U spreekt nu over de Egg I transactie?

Ik geloof het wel ja.

Dat was de derde of de vierde keer dat er zo’n factuur van Havelet kwam. De eerste keer was bij Rentafixe. Is er toen niet een korte uitleg geweest of een gesprek over hoe de factuur geplaatst moest worden?

Ik wist dat er een vergoeding betaald moest worden aan Havelet en ben er bijna zeker van dat ik ook op de hoogte was van het bedrag. Ik dacht dat het te maken had met werk dat verricht was ten behoeve van de ABN AMRO Bank. Ik wist niet precies wat voor werk verricht was, maar ik wist wel dat ik die factuur moest betalen.

Op blz. xix van het door u becommentarieerde Fiod-verhoor V01/6, hebt u in rood aangegeven: “These two paragraphs above make no sense. The Havelet invoice was given to me by [naam verdachte] and a payment went to Havelet. BFT Nederland instructions were given to me by Hans [naam medeverdachte 1], and payments were made to BFT Nederland.”

Moet ik dat zo begrijpen dat u Hans [naam medeverdachte 1] vereenzelvigde met BƒT Nederland en de door BƒT Nederland verrichte prestaties. Moet ik het voorts zo begrijpen dat u de werkzaamheden van [naam verdachte] associeerde met Havelet?

Dat klopt. Beide zinnen zijn correct.”

Het hof leidt uit het hiervoor aangehaalde deel uit de getuigenverklaring van [naam medeverdachte 3] af dat het telkens [naam verdachte] was die aan [naam medeverdachte 3] een zogeheten Havelet-factuur deed toekomen, en dat [naam medeverdachte 3] vervolgens heeft zorg gedragen voor de betaling ervan. Daarmee bevestigt [naam medeverdachte 3] dat [naam verdachte] een centrale rol toekwam in het wegsluizen van gelden die voor hem zelf, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] waren bestemd.

Ondersteuning voor deze mededeling van [naam medeverdachte 3] is te vinden in de vaststellingen onder E3, E4, E5, E6 en E7 dat [naam medeverdachte 3] namens Oxbridge c.s. daadwerkelijk betalingen heeft verricht aan Havelet Trust, en dat deze betalingen – mede gelet op de vaststellingen onder D3, D5 en D6 - uiteindelijk ten goede zijn gekomen van [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 1].

Dat [naam medeverdachte 3] echter nooit heeft gevraagd om een toelichting, c.q. dat hij geen wetenschap had van de bestemming van de gelden die door betaling op deze facturen werden vrijgegeven acht het hof echter dermate ongeloofwaardig dat daaraan voorbij wordt gegaan. Geen directeur, noch van een investeringsbedrijf met een boekwaarde van miljarden, noch van een op de Bahama’s gevestigde plankvennootschap zal zonder enige toelichting overgaan tot betaling op facturen ter hoogte van anderhalf miljoen tot tien miljoen gulden. Veel waarschijnlijker is dat hij wel degelijk op de hoogte was van de bestemming van de gelden ([naam verdachte] c.s.). [naam medeverdachte 3]s oorspronkelijke verklaringen stroken daarmee:

“Ik weet nu achteraf dat [naam verdachte] ook bij deze transactie al betrokken was. [naam verdachte] heeft mij persoonlijk verteld dat hij bij deze transactie feitelijk van meerdere walletjes had gegeten.

[naam verdachte] vertelde mij dat hij geld kreeg van alle kanten: hij ontving geld van Noro, de verkoper van Anterra en Penn. Ook ontving hij geld van Doyer en Kalf en ook ontving hij geld van Oxbridge. Ik heb [naam verdachte] bij diverse gelegenheden ontmoet, tijdens meerdere van deze ontmoetingen vertelde [naam verdachte] mij dit. Waarom [naam verdachte] geld kreeg van de bank weet ik niet, ik neem aan als een consultant. Dat hij geld kreeg van Oxbridge weet ik omdat hij mij dat zelf verteld heeft, dat moet dan via BƒT betaald zijn aan [naam verdachte]. Ik weet van betalingen aan BƒT en Bayard. (…).

Het werd niet aangegeven dat [naam verdachte] formeel bij de Oxbridge groep hoorde, maar ik had wel de indruk dat hij op de achtergrond acteerde.

Later vertelde [naam verdachte] mij dat ik gelijk had. [naam verdachte] heeft altijd op de achtergrond geacteerd via [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2]. Hij stuurde deze personen aan.

Het werd voor mij officieel dat [naam verdachte] bij Oxbridge hoorde toen [naam verdachte] feitelijk Havelet werd. Dat was toen [naam verdachte] met de eerste Havelet factuur kwam, dat was een heel hoge factuur. Dat moet de eerste transactie na Boertien zijn, de Interbaros transactie. Toen ontving ik de eerste Havelet factuur . (…). [naam verdachte] gaf mij zelf die factuur, hij overhandigde mij persoonlijk die factuur. Dat gebeurde tijdens een lunch in een restaurant dat iets als “Het kleine paardje” of zoiets heette . Dat was een restaurant waar de vrouw van [naam medeverdachte 1] werkte. Daar kreeg ik persoonlijk die factuur overhandigd.

[naam verdachte] heeft mij ook later persoonlijk verteld dat hij altijd op de achtergrond betrokken was geweest tijdens de diverse Oxbridge transacties. We hebben ooit eens een gesprek waarin ik [naam verdachte] vroeg waarom ik voor de eerdere transacties geen Havelet facturen had gekregen. [naam verdachte] vertelde mij toen dat hij voor zijn activiteiten apart was betaald voor de andere transacties. (…).”

“Deze zelfde procedure geldt voor de onderhandelingen van de fee die Havelet kreeg. Deze onderhandelingen werden ook door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 5] gedaan. Dit gebeurde natuurlijk ook in samenspraak met [naam verdachte]. Ook de fee voor Havelet werd onderhandeld tussen [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 1]. Ik stel deze verklaring iets bij nu ik er wat meer over nadenk. Er viel voor [naam medeverdachte 1] eigenlijk weinig te onderhandelen. De Havelet fee was feitelijk meer een vast bedrag, dat werd gewoon door [naam verdachte] bepaald. [naam medeverdachte 1] deelde eigenlijk gewoon mede aan [naam medeverdachte 5] wat [naam verdachte] wilde. [naam verdachte] bepaalde gewoon hoeveel hij wilde hebben. Je moet het zien als een soort partnership tussen [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2]. Zij bepaalden gedrieën hoeveel geld ze nodig hadden om de transactie door te laten gaan. Als ze niet genoeg geld zouden krijgen dan zouden ze er gewoon uit stappen. Zo gaat dat nu eenmaal. Maar ik zeg eerlijk dat er nooit geruzied is over de fees. Iedereen wist wat ze kregen, en iedereen was daar tevreden mee. U vraagt mij waarom ik specifiek naar [naam verdachte] wijs, maar [naam verdachte] is gewoon de leidende figuur bij de Nederlanders. [naam verdachte] stelde ook de Havelet facturen op. Ik kreeg die Havelet factuur van [naam verdachte]. Ook had [naam verdachte] mij persoonlijk verteld dat hij zorgde voor de betalingen aan [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2].”

“[naam medeverdachte 1] ontving geld omdat BƒT als tussenpersoon optrad tussen ABN AMRO Bank en Oxbridge. BƒT kreeg ook grote betalingen. Daarnaast ontving [naam medeverdachte 1] ook geld via Havelet. Dat was gewoon aanvullende manieren om geld uit de transacties te halen voor [naam medeverdachte 1]. Ik neem aan dat de BƒT betalingen de zichtbare betalingen waren, BƒT maakte ook veel kosten denk ik. [naam medeverdachte 1] ontving daarnaast privé gelden.

[naam medeverdachte 2] kreeg zijn geld voor zijn bemoeienis als bankdirecteur, zonder [naam medeverdachte 2] of de ABN AMRO Bank had het allemaal niet kunnen plaatsvinden. Het is belangrijk te begrijpen dat Serge stond voor ABN AMRO Bank, ik dacht dat hij werkte in zijn functie bij de bank.

Het was een soort luilekkerland en was de ABN AMRO Bank was koning van dit luilekkerland. De ABN AMRO Bank had controle over de gelden. Dat [naam medeverdachte 2] geld ontving in privé vond ik niet vreemd.”

“Er was geld na de transactie beschikbaar: eerst werden normale kosten betaald, zoals Bayard en BFT etc. en tevens werd er geld ter beschikking gesteld voor de normale kosten van Oxbridge. Na deze kosten werd het restant verdeeld in de Oxbridge groep:

Eerst ging een deel naar Havelet, dat was voor de Nederlanders, Van de Krabben, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2]. Die ontvingen een percentage van de onbelaste cash, het kasgeld op de bank van de vennootschap volgens de balans van de verkoper. (cash at the bank before the discount). Ik kan mij het percentage voor de Nederlanders niet meer herinneren, het was een aanzienlijk bedrag. U heeft één van die Havelet facturen in uw dossier. De Nederlanders wilden om de een of andere reden het geld eerder hebben, en toen kregen ze het geld van de ABN AMRO Bank in plaats via Liechtenstein. Daarmee werd die betaling zichtbaar. Dat was een eenmalig iets. Afgesproken was dat het geld via Liechtenstein naar Guernsey zou gaan, maar omdat de Nederlanders het geld direct wilden hebben vertelde, vermoedelijk Van de Krabben mij, dat het geld direct naar Havelet moest.

Het geld dat overbleef na de betaling aan Havelet werd als volgt verdeeld. (…).”

“Ik was vooral een uitvoerder van de werkzaamheden en bezig met de algemene organisatie.

Voorafgaand aan de jaarlijkse transacties werd een verdeellijst opgesteld van de aanwezige gelden in de vennootschappen. Die lijst stelde ik op samen met [naam medeverdachte 4] en maakte gebruik van de cijfers die ik vooraf door kreeg. De deelnemers dienden een factuur in. [naam verdachte] diende een Havelet factuur in, dat was een vaststaand feit. [naam verdachte] gaf aan hoeveel de Nederlanders moesten hebben voor de transactie. [naam verdachte] zorgde voor de doorbetaling aan [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2].

(…). Ik regelde de overboekingen van het aanwezige kasgeld naar de door deze personen opgegeven rekeningen.

(…). Iedereen keek naar het begin bedrag, het “untaxed cash before discount” bedrag, verder had niemand meer interesse. Het bedrag van [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] stond ook vast, dat was reeds bepaald.”

Het hof beseft dat de hiervoor aangehaalde verklaringen van [naam medeverdachte 3] enigszins verder reiken dan wordt onderbouwd door ’s hofs vaststellingen op basis van de geldstroomschema’s. Dat [naam verdachte] een centrale rol heeft bij het arrangeren van het versluieringstraject dat met de Havelet-facturen (en de verhoogde fee van BƒT) in gang werd gezet en evenzeer bij het doorbetalen van de gelden die voor ‘de Nederlanders’ waren bestemd, komt uit de verklaringen van [naam medeverdachte 3] helder naar voren. ’s hofs geloof in dat deel van [naam medeverdachte 3]s verklaringen berust – zoals reeds overwogen - in hoge mate op de vaststellingen inzake de ‘geldstromen’. Op de andere aspecten van [naam medeverdachte 3]s verklaringen, met name dat de voor ‘de Nederlanders’ bestemde bedragen voorafgaand en in samenspraak met [naam verdachte] werden bepaald, alsmede de onderscheidene rollen van [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] komt het hof hieronder terug.

Ten slotte nog een enkele overweging over de betaalsystematiek voorafgaande aan de Rentafixe-transactie. [naam medeverdachte 3] verklaarde op een vraag van de FIOD naar aanleiding van het in hoofdstuk 2 besproken document D/687:

En hem gevraagd op pagina 1 van D/687 is te lezen: “3% fee to BƒT from Oxbridge ABN". Is dit geld bestemd geweest voor de Nederlanders zoals u eerder verklaarde?)

“Ja ik denk dat deze 3% bestemd was voor de drie Nederlanders, maar dat weet ik niet zeker. En ik wil nu toevoegen aan mijn eerdere verklaringen dat ik ook geld kreeg uit het deel wat naar [naam medeverdachte 4] ging. Ik heb het idee dat uw bijlage D/687 niet geheel compleet is, het lijkt erop dat het incompleet is. Pagina 2 is een samenvatting van pagina 1, wat ook slechts één pagina is. Maar het bedrag wat genoemd is als 3% te betalen aan BƒT is vermoedelijk voor de Nederlanders. Bij latere deals was er een Havelet factuur. Bij deze Interbaros deal nog niet. Er zou een BƒT factuur moeten zijn voor dit bedrag van 3%. Nu zie je, bij de verdeling van de Interbaros gelden, dat er een betaling wordt gereserveerd voor BƒT, een percentage van 3% van de onbelaste cash. Mijn idee als de betaalmeester is inderdaad dat deze 3% voor de Nederlanders, [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] bestemd was. Het was hun deel voor de Interbaros deal.”

De aarzeling die [naam medeverdachte 3] ten toon spreidt over de vraag of deze 3% fee bestemd is voor de Nederlanders, is terecht. Bestudering van de onderscheidene betalingen leert dat de 3% fee waarvan het hier genoemde handgeschreven document D/687 (een verdeellijst) melding maakt enkel een reguliere ‘fee’ betreft die BƒT claimde bij Oxbridge c.s., zulks náást de verhoogde ‘fee’ die BƒT indiende bij [naam medeverdachte 2]/VDK. Die laatste komt hierna ter sprake.

Kern van de zaak is dat [naam medeverdachte 3] verklaart ervan op de hoogte te zijn dat [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] langs versluierde weg in persoon meedeelden uit de opbrengst van de transactie in de betreffende winstvennootschap, en dit via een BƒT-factuur. Hij vergist zich alleen in de vraag wèlke van de twee facturen, (1) die rechtstreeks aan Oxbridge c.s. dan wel (2) de BƒT-factuur aan VDK.

Het blijkt de laatste te zijn geweest. Bovendien bevestigt [naam medeverdachte 3] nogmaals (zonder dat hij hierop in enige ‘clarification’ is teruggekomen) dat bij latere ‘deals’ – dat wil zeggen ná de hier besproken Interbaros-deal, dus met ingang van de Rentafixe-transactie – een zogeheten Havelet-factuur werd ingediend om de versluierde geldstroom op gang te brengen.

De verklaringen van [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 5]

In meer algemene zin is ook [naam medeverdachte 5] klaarblijkelijk op de hoogte van betalingen aan [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1]. Bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris van 11 augustus 2003 verklaart hij immers op vragen naar betalingen aan [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1]:

“U houdt mij voor dat [naam medeverdachte 3] ook heeft verklaard dat [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] 30% van het geld kregen. Welk geld bedoelt hij dan? Zij kwamen steeds aanzetten met facturen voor verrichte diensten. Die werden betaald.”

[naam medeverdachte 5] verklaart in meervoud over de facturen van [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] wegens verrichte diensten, terwijl de enige reguliere facturen werden ingediend door [naam medeverdachte 1] namens BƒT. Het hof leidt hieruit af dat [naam medeverdachte 5] weet heeft van de betalingen op andere facturen, het hof begrijpt: de Havelet-facturen.

Voor [naam medeverdachte 6] gelden gelijke overwegingen. Hij heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris verklaard :

“U vraagt mij naar de transactie m.b.t. Egg-II. U vraagt mij of de Nederlanders [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] in die periode beneficial owners waren van Oxbridge of optraden als dienstverleners die daarvoor declareerden. Dat laatste. Ik weet zeker dat ze op factuur betaald kregen. (…).”

De verklaringen van Williams

De oorspronkelijke verklaring van Williams vindt aldus bezien eveneens bevestiging in de vaststellingen aangaande de geldstromen.

“Ik heb begrepen dat er een Amerikaanse groep en een Nederlandse groep is, die waarschijnlijk onmiddellijk betaald kreeg. [naam verdachte] was de betaalmeester voor de Nederlandse groep. Ik weet niet waar het geld vandaan kwam. Ik dacht dat er geld zat in de ondernemingen die zij kochten. (…). Ik denk dat het geld een dag na het sluiten van de deals werd overgeboekt. (…). Ik heb de lijst met overboekinginstructies van [naam medeverdachte 4] gezien, deze lijst bevatte bankinformatie, bedragen en initialen, ik dacht van de personen die geld ontvingen. De lijst was met de handgeschreven. Ik kon de exacte initialen en bedragen niet zien.

Ik weet dat de Nederlanders niet naar dezelfde bank als [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] gingen. Het geld werd Nederland uitgevoerd. Havelet geld is Nederlands geld, dat weet ik zeker.”

Voor zover Williams – in het hiervoor aangehaalde – niet verklaart uit eigen wetenschap, heeft hij zijn informatie indertijd grotendeels verkregen van [naam medeverdachte 3]. Dat neemt niet weg dat zijn verklaring volkomen juist is. (i) [naam verdachte] was de ‘Paymaster’ van de Nederlanders, (ii) het geld zat in de ondernemingen die door Oxbridge werden aangeschaft, (iii) de betreffende liquide middelen van de winstvennootschappen werden zeer kort daarna overgeboekt naar diverse rekeningen, (iv) er werd gebruik gemaakt van handgeschreven verdeellijsten, (v) de Nederlanders gingen niet naar dezelfde bank als [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3], (vi) het geld werd uitgevoerd en (vii) ‘Havelet geld’ is ‘Nederlands geld’. Wederom blijkt Williams aanvankelijk een betrouwbare verklaring te hebben afgelegd. Dit was al naar voren gekomen in het subonderdeel over [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 4], alsmede in het subonderdeel over Camrose en Barbreck.

Onderdeel 2

F. Thematische bespreking van het aandeel van [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1]

F1. De functie en bevoegdheden van [naam medeverdachte 2] en de rol van de Bank

a. [naam medeverdachte 2]

Van Doyer en Kalff B.V. (VDK) werd telkens (mede) door [naam medeverdachte 2] vertegenwoordigd bij de aankoop- respectievelijk verkoopovereenkomsten inzake de aandelen in Anterra , Interbaros , Rentafixe , en Egg , en naar het hof begrijpt ook inzake de aandelen in Penn en Egg II. [naam medeverdachte 2] heeft over alle transacties in deze winstvennootschappen verklaard ter zitting van dit hof:

“Ik was bij de transacties betrokken namens de Bank.”

[naam medeverdachte 2] heeft over zijn taken en functies verklaard:

“Ik ben bijna 12 jaar hoofd fiscale zaken geweest bij de ABN/AMRO. Ik ben daar uit dienst getreden op 1 januari 1999. (…). Op 1 mei 1987 ben ik in dienst getreden bij de ABN/AMRO. Een andere functie als hoofd fiscale zaken heb ik daar nooit bekleed. (…).

Van Doyer & Kalff B.V. was een dochteronderneming van ABN/AMRO. Ik ben daarvoor als een van de directeuren aangesteld, maar dit was slechts een functie in naam. Het ging er om dat ik, samen met de andere directeuren, stukken van Van Doyer en Kalff ondertekende. (…). De activiteiten van Van Doyer & Kalff bestonden voornamelijk uit het stallen van vennootschappen voor kortere of langere tijd. Omdat er vaak nog niet direct een koper was voor een aangekochte vennootschap werden deze vennootschappen dus vaak voor langere tijd onder Van Doyer & Kalff gehangen. Het gebeurde uiteraard wel dat ze snel verhandeld werden. Meestal betroffen dit het lege vennootschappen die aangekocht werden van derden. Met leeg bedoel ik dat er geen activiteiten meer plaats vonden, maar wel kan er bijvoorbeeld wel een vordering op de moedermaatschappij aanwezig zijn. De aan- en verkoop van kasgeld BV’s viel bij de ABN/AMRO onder de verantwoording van het hoofd fiscale zaken, onder mij dus. Ik werd er echter pas bij betrokken als er sprake was van specifiek fiscale problematiek en bij vennootschappen met een groot balanstotaal. (…).

Aan- en verkopen werden altijd gedaan in overleg met mijn bazen. (…). Ik neem aan dat er ook altijd wel twee handtekeningen onder de stukken stonden. (...).

Van Doyer & Kalff moet u meer zien als een onderdeel van ABN/AMRO waar incidenteel aan- en verkoop van kasgeld BV’s plaats vond en waar aangekochte vennootschappen in gestald werden.”

Samengevat leidt het hof uit het voorgaande af dat [naam medeverdachte 2] in zijn dienstbetrekking als hoofd fiscale zaken (en concerndirecteur ) bij de ABN AMRO Bank N.V. uit dien hoofde tevens als statutair directeur van Van Doyer en Kalff B.V. was aangesteld. Van Doyer en Kalff B.V. is een dochtervennootschap van ABN AMRO Bank N.V. waarover door de afdeling Fiscale Zaken de directie werd gevoerd. Ten einde VDK te binden volstond één bevoegdelijk geplaatste handtekening. Er bestond dus géén ‘twee-handtekeningensysteem’, althans niet voorafgaande aan de invoering daarvan conform afspraken van 26 juni 1996. De notitie van 1 juli 1996 van J. Boon van de Concern Accountantsdienst vermeldt onder meer:

“De statuten van VDK zullen worden aangepast om een twee-handtekeningensysteem te realiseren. (…). De door het management van VDK geïnitieerde transacties zullen ook in de toekomst binnen VDK vastgelegd blijven. Hiervoor heeft het management van VDK ook uitdrukkelijk toestemming gekregen. Afgesproken is dat deze transacties in het vervolg via een voorstel ter fiattering worden voorgelegd c.q. gemeld aan het CKC of Raad van Bestuur en dat de communicatie met de afdeling Deelnemingen zal verbeteren middels adequate informatie-verstrekking.”

[naam medeverdachte 2] heeft dit ter zitting van het hof bevestigd:

“U houdt mij voor dat ik in mijn eerste verklaring bij de FIOD heb verklaard dat aan- en verkopen door Van Doyer & Kalff (hierna: VDK) werden gedaan in overleg met mijn bazen en dat ik daarvoor niet alleen bevoegd was en vraagt mij of dat betekent dat er altijd twee paar ogen keken naar de overeenkomsten die ik sloot. Ik was wel bevoegd om te tekenen. Dat gebeurde bij VDK door minimaal twee personen, behoudens bij dat ene optiecontract. Er bestond geen twee handtekeningensysteem binnen VDK.”

Het hof leidt uit een en ander af dat [naam medeverdachte 2] in beginsel bevoegd was om zelfstandig VDK te verbinden. Voorbeelden daarvan betreffen de twee overeenkomsten van koop/verkoop van aandelen in Anterra, die namens VDK door alleen [naam medeverdachte 2] zijn ondertekend. De andere hierboven expliciet genoemde koopovereenkomsten zijn ondertekend door [naam medeverdachte 2] en Schrijvers samen.

De interne notitie van de heren Germ en Eussen van de afdeling Financial Engineering van ABN AMRO Bank aan Mulder d.d. 29 augustus 1995 behelst onder meer de volgende passage over de aanstaande transactie in aandelen van Egg:

“Onder leiding van Fiscale Zaken (Serge [naam medeverdachte 2]) zijn wij thans doende met de volgende transactie. [naam medeverdachte 2] heeft toestemming van Dir. Gen., W. ten Berg (DGPC) en acht dit voldoende.”

Hiermee geeft [naam medeverdachte 2] derhalve blijk van betrekkelijk zelfstandig optreden, zij het ook weer niet geheel zonder het afleggen van enige verantwoording aan superieuren. Transacties in de bedoelde winstvennootschappen voorafgaand aan juli 1996 zijn door [naam medeverdachte 2] niet aan de Centrale Krediet Commissie van de Bank voorgelegd, omdat er geen kredietaspecten aan verbonden waren . Transacties in winstvennootschappen behoefden overeenkomstig interne afspraken pas vanaf juli 1996 in een ‘Fiscal Ethical Committee’ te worden besproken. In overeenstemming hiermee is de transactie in de aandelen van Egg II voorgelegd aan De Jong en op 3 september 1996 aan de orde geweest in dit ‘Fiscal Ethical Committee’, waarvan De Jong ook deel uitmaakte. Andere ‘credit proposals’ met betrekking tot de verkoop van aandelen in winstvennootschappen aan Oxbridge heeft het hof in het dossier niet aangetroffen.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat [naam medeverdachte 2] binnen de Bank bij de uitoefening van zijn dienstbetrekking betrekkelijk – maar ook niet geheel – vrij was om naar eigen inzicht te beslissen inzake transacties in winstvennootschappen. Het hof gaat ervan uit dat hij hieromtrent geregeld overleg zal hebben gehad met zijn meerderen.

Het hof houdt voor juist hetgeen [naam medeverdachte 2] daarover zelf heeft opgemerkt als verdachte ter zitting van dit hof:

“Ik had zeer regelmatig contact met De Jong, Groenink, de voorzitter van de Raad van Bestuur, met name Kalff, directeur-generaal Ten Berg en alle betrokkenen bij de transacties. Ik moest ook zeer regelmatig verantwoording afleggen voor mijn handelen.”

Zulks neemt echter niet weg dat de instemming en medewerking van [naam medeverdachte 2] zelf van eminent belang is voor het bewerkstelligen van een transactie in winstvennootschappen waarbij de Bank als ‘facilitator’ zou moeten optreden. Ook indien iedere besproken transactie in winstvennootschappen had moeten worden voorgelegd aan een toezichthoudende commissie binnen de Bank of de instemming had moeten hebben van een meerdere van [naam medeverdachte 2], zou de instemming en medewerking van [naam medeverdachte 2] zelf nog steeds van essentieel belang zijn geweest. Het had immers evenzeer binnen de kaders van [naam medeverdachte 2]s taak en functie gelegen om onder omstandigheden niet in te stemmen met een bepaalde transactie en daaraan geen verdere medewerking te verlenen. Een hoofd fiscale zaken zal hebben beschikt over de technische vaardigheden om aan zijn superieuren binnen de Bank geloofwaardig uiteen te zetten om welke reden een bepaalde transactie géén doorgang zou mogen vinden, bijvoorbeeld vanwege een te lage ‘fee’, of vanwege onvoldoende bekendheid met de koper, en de (daarmee samenhangende) fiscale risico’s.

Een voorbeeld daarvan is de Egg III-transactie. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat [naam medeverdachte 2] voor het discontinueren van de reeks transacties in winstvennootschappen de instemming van zijn superieuren behoefde.

b. de rol van de Bank

Een kapitaalkrachtige bank was noodzakelijk om de transacties in winstvennootschappen te faciliteren. Aangezien Anterra en Penn ieder een renteloze vordering op hun aandeelhouder hadden, was het met terugwerkende kracht rentedragend maken van deze lening vereist om deze vennootschappen te laten kwalificeren als winstvennootschap. Een bank diende de hier bedoelde ‘rente-imputatie’ op zich te nemen en ten laste te brengen van haar eigen belastbare winst. De vermindering van de uit anderen hoofde door de bank verschuldigde belasting zou in de vorm van liquide middelen terecht komen bij de winstvennootschap.

Dit noopte tot het verkrijgen van het fiat van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Amsterdam, in de persoon van de inspecteur onder wie de beoogde bank, ABN AMRO, ressorteerde: Bruins Slot. Bij gelegenheid van een bespreking ten kantore van de Belastingdienst heeft deze inspecteur toestemming gegeven voor de bedoelde ‘rente-imputatie’ met terugwerkende kracht, en met een toepassing van de deelnemingsvrijstelling die strikt genomen in strijd was met (de bewoordingen van) de bankenrichtlijn .

Bij deze bespreking van 24 november 1992 waren behalve Bruins Slot ook aanwezig [naam verdachte] als adviseur van Noro, de aandeelhouder van Anterra en Penn, en [naam medeverdachte 2] namens de beoogde bank . De verklaringen omtrent wie nu precies verantwoordelijk is voor het fiscaal haalbaar maken van deze transactie lopen niet geheel synchroon. Duidelijk is wel dat de toestemming van Bruins Slot mede voortvloeide uit de souplesse die de Belastingdienst placht te betrachten jegens deze grootbank.

Bruins Slot verklaarde hierover:

“Daarnaast stond de ABN/AMRO bank als belastingplichtige bij mij in hoog aanzien. Daarnaast zou ik niet weten waar ik moeilijk over zou doen als de ene partij de rente aan geeft en de andere partij dat aftrekt, terwijl beide partijen belasting betalen. Fiscaal zou deze rente-imputatie dus volledig neutraal werken. Wat de achterliggende bedoelingen waren van deze rente-imputatie heb ik me op dat moment absoluut niet gerealiseerd. Achteraf bezien had ik misschien wel achterdocht moeten hebben, maar dat zie je pas op het moment dat je constateert dat er misbruik is gemaakt van de afspraak. Maar nogmaals, de goede betrekkingen tussen de ABN/AMRO bank en de fiscus gaf geen aanleiding om achterdochtig te zijn. Het gesprek heeft plaats gevonden op initiatief van de bank.”

Ten slotte merkt het hof op dat de hiervoor geschetste taak en functie van [naam medeverdachte 2] alsmede het door hem geïnstigeerde optreden van de Bank als ‘facilitator’ van transacties in winstvennootschappen op zichzelf beschouwd strafbaar, noch strafwaardig was. Dit betekent echter geenszins dat de hier ontvouwde schets van [naam medeverdachte 2]s werkzaamheden geen strafrechtelijke implicaties kan hebben. Strafbaarheid kan intreden indien bijvoorbeeld [naam medeverdachte 2]s optreden als bankdirecteur mede is ingegeven door persoonlijk gewin dat hem in het vooruitzicht was gesteld en dat zou voortvloeien uit de opbrengst van fraude in de sfeer van de vennootschapsbelasting, die aldus eveneens door de Bank was gefaciliteerd.

F2. De bijdrage van [naam verdachte]

[naam verdachte] heeft verklaard dat zijn bijdrage aan de totstandkoming van de transacties in winstvennootschappen uitermate summier is geweest. Zijn aandeel is beperkt gebleven tot het verkrijgen van het fiat van de Belastingdienst (in de personen van de inspecteurs Guiljam en Bruins Slot) voor de zogeheten ‘rente-imputatie’ met terugwerkende kracht, en toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling op de deelnemingwinst.

[naam verdachte] is de auctor intellectualis van de brief van 17 augustus 1992 van F.P.J. Rubingh, namens Noro (Nederland) B.V., aan belastinginspecteur Guiljam, welke brief onder meer inhoudt:

“(...).

Momenteel zijn wij (..) niet in staat een gevolg te geven aan ons oorspronkelijke voornemen (uit 1989) om beide vennootschappen te gebruiken als een nieuw Noro-fonds en ondernemen wij reeds geruime tijd diverse pogingen beide vennootschappen in de markt te verkopen. (…). De mogelijke koper is bereid beide vennootschappen over te nemen naar de toestand per 1 januari 1992, hetgeen betekent dat de geldleningen vanaf 1 januari 1992 rentedragend dienen te zijn.

Het resultaat van Noro (Nederland) BV over 1992 is echter van een geringere omvang dan de rentelast over de geldleningen. Wij zijn dan ook voornemens een derde bij de verkoop van de aandelen te betrekken. Deze derde, naar verwachting een bankinstelling, zal deze rentelast wel moeten kunnen afzetten tegen het resultaat 1992.

Gelet op het bovenstaande verzoeken wij u toe te staan dat vanaf 1 januari 1992 de geldleningen rentedragend zullen zijn en dat de gehele rentelast (vanaf 1 januari 1992) in mindering mag komen op het resultaat van de derde, zijnde degene die tijdelijk de aandelen zal gaan houden. De deelnemingsvrijstelling zal op de door Noro (Nederland) BV behaalde verkoopwinst c.q. vergoeding niet van toepassing zijn. (…).”

Deze brief is door Guiljam voor akkoord ondertekend.

Voorts was [naam verdachte] aanwezig bij de bespreking met Bruins Slot op 24 november 1992, waarin laatstgenoemde als belastinginspecteur die ABN AMRO in zijn portefeuille had eveneens toestemming gaf voor rente-imputatie (met terugwerkende kracht) en toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling.

[naam verdachte] heeft dus inderdaad bijgedragen aan het verkrijgen van het fiat van de Belastingdienst. Hierop doelt [naam verdachte] als hij verklaart:

"Juist omdat ik die bijzondere band had met BfT en de basis had gelegd voor de fiscale haalbaarheid van dergelijke transacties. Ik heb in de jaren daarna nauwelijks werkzaamheden voor de "Oxbridge - ABN AMRO Bank" transacties verricht."

Bij de FIOD had [naam verdachte] eerder al verklaard:

“Met betrekking tot Anterra en Penn heb ik niets van doen gehad met Oxbridge.

Ten aanzien van de fee voor de overdracht van Anterra en Penn heb ik via Moret Ernst & Young een rekening van volgens mij f 100.000,- aan BfT laten sturen, gedurende de jaren 1992 en 1993. In 1994 heb ikzelf via [naam verdachte] Beheer BV een rekening van f 100.000,- aan BfT gezonden. Deze rekening mocht ik insturen omdat BfT ondernemingen had verkocht aan Oxbridge. De rekening is niet gebaseerd geweest op uren. [naam medeverdachte 1] is een persoon die vindt dat als hij ergens goed aan heeft verdiend in dit geval ikzelf er ook een stukje van mag hebben.”

“Partijen waren het er over eens dat deze verkoopmogelijkheden aan onder meer Oxbridge voortvloeiden uit de afspraken met Guiljam en Bruins Slot. Door mijn betrokkenheid bij deze afspraken mocht ik een forfaitair bedrag van f 100.000,- bij BfT declareren. Feitelijk heb ik geen bemoeienissen gehad met Rentafixe, EGG en EGG II.”

Ten overstaan van het hof heeft [naam verdachte] als verdachte verklaard:

“Bij Interbaros, Rentafixe, Egg I en Egg II heb ik telkens een vaste fee van rond 100.000 gulden gedeclareerd. Het meeste werk heb ik verricht inzake Anterra en Penn voor de ruling met Guiljam en het gesprek met Bruins Slot. Bij NORO heb ik mijn uren gedeclareerd namens Moret. De fee van 100.000 gulden was extra en kon ik vragen vanwege de ruling en de goede band die ik had met [naam medeverdachte 1]. Ik had een bijzondere band met [naam medeverdachte 1] in verband met de oprichting van BƒT.

Het gesprek met Bruins Slot had betrekking op rente-imputatie en deelnemingsvrijstelling. Bij de latere transacties speelde dat alleen nog bij Interbaros. De overige vennootschappen werden door de ABN AMRO Bank opgericht. Desondanks kreeg ik toch telkens een fee. [naam medeverdachte 1] is in dat opzicht altijd zeer genereus geweest.

Ik heb dus geen fiscale adviezen meer gegeven na de Anterra en Penn transactie. Er was geen sprake van fiscale begeleiding mijnerzijds van de ABN AMRO Bank, BfT en/of Oxbridge. Eigenlijk heb ik na Anterra en Penn heel weinig gedaan. Bij Interbaros heb ik nog wel het contact gelegd maar bij de volgende vennootschappen was mijn rol volledig uitgespeeld.”

[naam verdachte] heeft derhalve bij diverse gelegenheden verklaard dat hij zich alleen zou hebben bemoeid met het verkrijgen van het fiat van de fiscus inzake de rente-imputatie en deelnemingsvrijstelling. [naam verdachte]s aandeel daarin acht het hof vaststaan, al heeft het aandeel van [naam medeverdachte 2] in het gesprek met Bruins Slot gevoegd bij de omstandigheid dat hij, [naam medeverdachte 2], hierbij de ABN AMRO Bank vertegenwoordigde, niet ondergedaan voor dat van [naam verdachte].

Thans komt aan de orde om welke reden [naam verdachte] zogeheten vervolg-‘fees’ heeft mogen toucheren. Deze vervolg-‘fees’ werden gedeclareerd door tussenkomst van het advieskantoor waarvoor [naam verdachte] werkzaam was: Moret Ernst & Young, en vanaf de Egg-transactie, toen [naam verdachte] inmiddels zelfstandig adviseur was, door tussenkomst van de vennootschap [naam verdachte] Beheer B.V. Voor de goede orde, het betreft hier legale (witte) inkomsten voor Moret Ernst & Young c.q. [naam verdachte] Beheer B.V.

Ter beantwoording van deze vraag heeft [naam verdachte] zoals gezegd in de eerste plaats gewezen op het bewerkstelligen van de fiscale haalbaarheid van de transacties in winstvennootschappen: het fiat van de belastinginspecteurs Guiljam en Bruins Slot.

De raadslieden van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] hebben hieraan toegevoegd dat het bij dit soort transacties heel gebruikelijk is om oorspronkelijke “aanbrengers” van bepaalde contacten vervolg-‘fees’ toe te kennen bij latere, vergelijkbare transacties met dezelfde partijen, ook al hebben zij bij die latere transacties nauwelijks tot geen werkzaamheden verricht.

[naam verdachte]s eerste stelling kan echter geen verklaring bieden voor de toekenning van vervolg-‘fees’ bij gelegenheid van de transacties in aandelen van Rentafixe, Egg en Egg II, aangezien deze vennootschappen geen rente-imputatie behoefden om te kwalificeren als winstvennootschap. Deze vennootschappen waren al winstvennootschappen en zij waren tevens reeds zodanig lang eigendom van de Bank dat de toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling automatisch voortvloeide uit de geldende regelgeving. In de woorden van [naam medeverdachte 1] :

“Rentafixe is een vennootschap uit de portefeuille van de ABN AMRO Bank, het was reeds een winstvennootschap omdat er een groot vermogen dat rentedragend uitstond inzat, het hoefde derhalve niet onder de regeling met de Belastingdienst te vallen.”

De vraag rijst derhalve waarop de vervolg-‘fees’ dan wel kunnen zijn gebaseerd, waarbij voorts nog in aanmerking moet worden genomen dat [naam verdachte] door tussenkomst van Moret Ernst & Young bij gelegenheid van de Rentafixe-transactie geen ‘fee’ van ƒ 100.000, doch van maar liefst ƒ 250.000 ontving.

Het gebruik om aan de “aanbrengers” bij latere transacties met dezelfde partijen een vervolg-‘fee’ toe te kennen is als grondslag daarvoor problematisch, aangezien Bayard geen gelijke behandeling ten deel viel .

In de woorden van [naam medeverdachte 1] over de Rentafixe-transactie:

“Bij deze overeenkomst was Bayard niet meer betrokken. Bayard begreep ook wel dat hun relatie met betrekking tot deze transacties minimaal was en dat zij dus geen commissie meer konden claimen, daar was geen discussie over.”

Evenmin kreeg Lodewijk & Wijma een vervolg-‘fee’ na de Boertien-transactie. [naam medeverdachte 1] verklaarde over de Interbaros-transactie :

“Lodewijk en Wijma heeft in het geheel geen commissie ontvangen omdat zij geen partij waren, hetgeen anders is dan bij de vorige transacties. Met Lodewijk en Wijma was geen afspraak over een fee, bovendien waren zij aandeelhouder van BƒT, dus zij deelde op die manier mee. ”

De vennootschappen Anterra en Penn zijn in de aanbieding gekomen bij [naam medeverdachte 1] c.q. BƒT door tussenkomst van E. Lodewijk (van Lodewijk & Wijma), die [naam medeverdachte 1] en (de nog te noemen) P.J.F. Bouten financieel heeft gesteund bij de oprichting van een eigen kantoor dat later BƒT is gaan heten . Deze Lodewijk was op zijn beurt benaderd door Mouthaan van Noro (Nederland) B.V., de eigenaar van Anterra en Penn.

Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat [naam verdachte], als fiscaal adviseur van Noro, Mouthaan heeft geadviseerd om met het oog op de verkoop van Anterra en Penn in contact te treden met de hem bekende Lodewijk en (vervolgens) [naam medeverdachte 1], is nog immer niet inzichtelijk om welke reden [naam verdachte] ook na de Interbaros-transactie vervolg-‘fees’ is blijven ontvangen. Indachtig de stelling van de verdediging van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] dat “aanbrengers” naar goed gebruik blijven delen in de opbrengsten van latere, vergelijkbare transacties tussen dezelfde partijen, moet worden geconstateerd dat Noro na Anterra en Penn niet meer in beeld geweest als verkoper van winstvennootschappen, en zich nadien dus geen transactie met gelijke – door [naam verdachte] aangebrachte – partijen meer heeft voorgedaan.

Het contact tussen [naam medeverdachte 1] en Oxbridge kan evenmin de grondslag zijn voor reguliere vervolg-‘fees’ aan [naam verdachte]. Ten eerste heeft [naam verdachte] dat contact niet (ook niet indirect) tot stand gebracht. In de tweede plaats heeft Moret Ernst & Young – naar het hof begrijpt om die reden – evenmin gedeclareerd na de totstandkoming van de transacties in de aandelen van Kanaken en Boertien, waarbij [naam medeverdachte 1] heeft bemiddeld en Oxbridge als koper is opgetreden.

De bemiddeling van de zijde van [naam verdachte] tussen Frans Deijs van het Amsterdamsch Trustee’s Kantoor (eigenaar van Trillium/Interbaros) en de ABN AMRO Bank c.q. [naam medeverdachte 1] betreft eveneens een incidentele gebeurtenis, aangezien ATK nadien geen enkele rol meer heeft vervuld bij de Oxbridge-transacties.

Met andere woorden, het betalen van de bedoelde vervolg-‘fees’ door BƒT is niet begrijpelijk op basis van de verklaringen van [naam verdachte].

De verklaringen van [naam medeverdachte 1] bieden evenmin helderheid:

“Ik zie dat Moret een vergoeding ontvangt (van) ƒ 250.000 die door BƒT is betaald. Maar die betaling staat mij niet meer voor de geest. Ik weet niet van een relatie van Moret met de vennootschap Rentafixe. Ik weet slechts van een relatie tussen [naam verdachte] en Moret. U vraagt mij naar de rol van [naam verdachte] bij deze transactie. Dat staat mij niet bij, ik kan mij geen betrokkenheid herinneren van [naam verdachte] met Rentafixe. Op dit moment schiet mij niet te binnen wat de rol van of Moret of [naam verdachte] is geweest bij de Rentafixe transactie.”

[naam medeverdachte 1] heeft het volgende verklaard met betrekking tot de transactie in Egg :

“Ik weet dat [naam verdachte] een vergoeding heeft ontvangen van ƒ 100.000 via zijn vennootschap [naam verdachte] Beheer. U vraagt mij waarom hij deze vergoeding heeft ontvangen, maar dat staat mij niet bij. U vraagt mij naar de betrokkenheid van [naam verdachte] bij de Egg transactie. Laat ik het zo zeggen, ik weet dat [naam verdachte] niet betrokken is geweest bij de aankoop van de aandelen Egg door Oxbridge. Meer wil en kan ik er niet over verklaren.”

Ter zitting van het hof van 6 juni 2006 heeft [naam medeverdachte 1] als getuige verklaard dat de grondslag van de hem voorgehouden betalingen van BƒT aan Moret Ernst & Young, respectievelijk [naam verdachte] Beheer B.V. na de totstandkoming van de Rentafixe- en Egg-transacties was gelegen in “het ter beschikking stellen van het netwerk van [naam verdachte]”, alsmede “(er) op (was) gericht netwerken te onderhouden en toekomstige transacties veilig te stellen”.

Aldus had [naam medeverdachte 1] nog niet eerder verklaard. Het hof acht deze verklaring niet plausibel. Noch van verkoperzijde, noch van koperszijde is het netwerk van [naam verdachte] bij die gelegenheden door [naam medeverdachte 1] benut. Zoals gezegd, [naam medeverdachte 1] was ten aanzien van andere partijen aanzienlijk minder vrijgevig. Nota bene Bayard had het contact tussen [naam medeverdachte 1] en Oxbridge tot stand had gebracht. Dat contact lag juist wél aan de basis van alle transacties in winstvennootschappen.

Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat de verklaringen van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] over de grondslag van de toekenning van reguliere vervolg-‘fees’, te betalen door BƒT aan [naam verdachte] (door tussenkomst van Moret Ernst & Young c.q. [naam verdachte] Beheer B.V.) als onaannemelijk moeten worden gepasseerd. Herhaald zij dat [naam verdachte] naast deze reguliere ‘fees’ zich ook langs versluierde weg ‘zwart’ liet betalen bij gelegenheid van alle transacties waarbij de Bank was betrokken, en wel voor aanmerkelijk meer omvangrijke bedragen dan die van de hier besproken reguliere vervolg-‘fees’.

Het hof put hieruit een aanwijzing dat de bijdrage van [naam verdachte] aan de totstandkoming van transacties in winstvennootschappen een andere is geweest dan [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] willen doen geloven.

Er zijn bovendien rechtstreekse aanwijzingen voor een andere, meer directieve rol van [naam verdachte] te ontlenen aan de hierna volgende bewijsmiddelen onder a tot en met d, alsmede (i) uit de gang van zaken bij de hieronder te bespreken ‘Egg III-lunch’ en (ii) een brief van [naam medeverdachte 5] aan [naam medeverdachte 3], waarbij eveneens zal worden stilgestaan.

a. [naam medeverdachte 6] heeft verklaard dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] in juni 1996 hem in Londen hebben opgezocht, “om de Oxbridge transacties te bespreken”, en in een Londens hotel hebben verbleven, waarvan de kosten zijn gedeclareerd aan Oxbridge.

Meer concreet heeft [naam medeverdachte 6] verklaard:

“Scania factureerde aan Oxbridge omdat Oxbridge de eigenaar was van Scania. Het was zijn plicht om Scania in leven te houden. Ik denk dat het betaald zal zijn bij de Barclays Bank op Piccadilly, Engeland. Ik weet niet meer waar het geld vandaan kwam.

Ik neem aan dat ik Scania heb gebruikt om mijn persoonlijke onkosten terug te krijgen. De onkosten voor Serge en Paul zijn onkosten voor een hotel in Engeland in juni 1996. Dit waren onkosten voor de Oxbridge transacties. Ik heb Serge [naam medeverdachte 2] niet ontmoet in verband met de financiering van de vastgoedtransacties. Serge [naam medeverdachte 2] en Paul [naam verdachte] moeten naar Engeland zijn gekomen voor de gezelligheid en om de Oxbridge transacties te bespreken.”

Een factuur van Scania Land aan Oxbridge d.d. 12 juni 1996 over de periode van 20 mei 1996 tot 10 juni 1996 behelst onder meer het volgende:

“GT Expenses

(…).

The Cadogan Hotel £ 608.88

(Serge and Paul)

(…).”

Uit deze verklaring van [naam medeverdachte 6] kan worden afgeleid dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] eind mei of begin juni 1996 naar Londen zijn gereisd om met Gareth [naam medeverdachte 6] (“GT”) te spreken over de Oxbridge-transacties. Deze gang van zaken geeft blijk van een verregaande betrokkenheid van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] gezamenlijk bij de totstandkoming van – gelet op de chronologie – de transactie in Egg II. [naam medeverdachte 2]s aanwezigheid maakt het te meer onaannemelijk dat deze bijeenkomst betrekking had op vastgoedtransacties (zoals [naam verdachte] heeft verklaard).

Weliswaar heeft [naam medeverdachte 6] na telefonisch overleg met de raadsman van [naam verdachte] schriftelijk voorafgaande aan en vervolgens bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris een aantal passages uit zijn eerdere verklaring bij de FIOD teruggenomen, maar daaronder valt niet bovenstaande verklaring inzake de bijeenkomst in 1996.

In de brief van [naam medeverdachte 6] aan prof. mr. Wladimiroff van 9 april 2003 rectificeert hij het moment waarop hij [naam verdachte] voor het eerst zou hebben ontmoet. Dat zou pas zijn geweest in november 1994, bij gelegenheid van de lunch betreffende de Rentafixe-deal. Onder het kopje “Misunderstanding about the period” schrijft [naam medeverdachte 6] vervolgens over [naam verdachte]:

“the conclusion I have drawn as recorded on p. 9 that he should be regarded as one of the leading characters must be rectified. For the period 1991 – Oct. 1994.”

Met andere woorden voor de periode erna handhaaft [naam medeverdachte 6] zijn conclusies. Daaronder valt ook zijn mededeling :

“[naam medeverdachte 4] en [naam verdachte] waren het brein van de organisatie (…).”

Met name neemt [naam medeverdachte 6] evenmin terug zijn hieronder te bespreken observaties tijdens de zogenoemde Egg III-lunch. Het hof bezigt [naam medeverdachte 6]’ verklaring over het bezoek van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] tot het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde.

b. Monique Dekking heeft verklaard:

“Ik ben door [naam verdachte] aan Serge [naam medeverdachte 2] voorgesteld tijdens een lunch in Hotel L’Europe. Toen werkte Serge bij de ABN AMRO Bank. Paul organiseerde daar een lunch, waar ik ook voor uitgenodigd was. Niet als zakelijke partner, maar omdat ik de heren had beloofd een boottochtje te maken met mijn boot. Op die lunch was ook Serge aanwezig. (…) ik dacht verder geen Nederlanders, maar wel een Zweed en twee Amerikanen, waarvan één advocaat en een broker of zo. U noemt mij de naam [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4]. Ik denk dat [naam medeverdachte 3] de Amerikaan is die daar bij aanwezig was. De naam [naam medeverdachte 4] zegt mij ook wel iets, ik dacht dat hij de advocaat was. U noemt mij de naam Williams, ja dat weet ik zeker, die was er ook bij, die Williams komt volgens mij uit Miami (hof: correct). U vraagt mij of [naam medeverdachte 1] er ook bij was. Die naam zegt mij niets.

Ik kwam dit groepje de avond daarvoor tegen in een kroegje in Amsterdam. Ze waren heel vrolijk en Paul vroeg mij of ik mee uit eten ging. Dat wilde ik niet, dat vond ik te ver gaan. Maar Paul [naam verdachte] vroeg wel of ik dan de volgende dag mee wilde lunchen, want het waren gasten van Paul. Het waren de relaties van Paul [naam verdachte]. De lunch werd door Paul [naam verdachte] georganiseerd voor zijn relaties. De Amerikanen en de Zweed die ik ontmoet heb tezamen met Serge [naam medeverdachte 2] waren relaties van Paul [naam verdachte].

Toen ik hen ontmoette in die kroeg was Serge [naam medeverdachte 2] er niet bij. (…). Ik heb toen in die kroeg beloofd dat ik de volgende dag zou mee lunchen en dat we aansluitend een boottochtje op de Amstel zouden maken met mijn boot.

Toen ik bij die lunch kwam was het zakelijk gedeelte al achter de rug. Ik weet dat ze wat te vieren hadden, maar wat weet ik niet. Ze waren erg vrolijk. Ik hoorde wel dat het een grote deal betrof. [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] zijn niet mee geweest met de boottocht. Ik had alleen de buitenlanders mee op de boot. Ik had zo’n 5 of 6 mannen op de boot. Ik heb geen zakelijke gesprekken opgevangen. (…). Die lunch was op vrijdag 2 augustus 1996.”

Monique Dekking verklaart derhalve door [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 2] te zijn voorgesteld tijdens de lunch in Hotel l’Europe op 2 augustus 1996, dus ruim een maand vóór de closing van de Egg II-transactie op 11 september 1996. Tijdens deze lunchbijeenkomst was [naam verdachte] volgens Dekking gastheer van o.a. [naam medeverdachte 3], Williams, [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 2]. Dekking werd verteld dat zij zojuist met succes een grote deal hadden afgerond.

[naam verdachte] heeft over de identiteit van de aanwezigen verklaard :

“Ik bedoel met wij: [naam medeverdachte 3], Williams, [naam medeverdachte 4], (…), en ik dacht [naam medeverdachte 5]. Verder was [naam medeverdachte 6] erbij aanwezig. (…).U vraagt mij naar de rol van [naam medeverdachte 2], het zou zo kunnen zijn dat [naam medeverdachte 2] erbij was vanwege zijn rol in Egg II, die draaide in september. Mogelijk dat [naam medeverdachte 2] vanuit die rol bij de lunch aanwezig was. Het moet kloppen dat ik [naam medeverdachte 2] aan Monique Dekking heb voorgesteld. Dat zal dan (…) geweest zijn tijdens die lunch op de volgende dag. Als ik het nu moet inschatten zou het de eerste dag over Internoc gegaan zijn en de tweede dag over Egg II, dat verklaart de aanwezigheid van [naam medeverdachte 2] op de tweede dag. Ik kan de verklaring van Monique Dekking in dit kader nu zo gereconstrueerd plaatsen, het klopt wat zij verklaart.”

Kortom, aanwezig waren in elk geval [naam verdachte] zelf, [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 3], Williams, [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 4]. Volgens [naam verdachte] was het onderwerp voorafgaande aan deze lunchbijeenkomst ‘Oxbridge’. Dat ook [naam medeverdachte 2] deze bijeenkomst op 2 augustus 1996 associeert met Oxbridge kan worden afgeleid uit een vermelding in zijn agenda van 1996 , op 2 augustus:

“via M. Dekking

(…)

boot/Oxbridge”

De verklaring van Dekking spoort echter in het geheel niet met het standpunt van [naam verdachte] dat hij na de Anterra en Penn-transactie (op wat contactwerk voor Interbaros na) geen werkzaamheden meer zou hebben verricht ten behoeve van de Oxbridge-deals.

De verklaring van Dekking vormt een sterke aanwijzing van rechtstreeks overleg tijdens een bijeenkomst tussen de genoemde personen ruimschoots voorafgaand aan de formele ‘closing’. De betrokkenen, zowel – kort gezegd – de buitenlanders als de Nederlanders (onder wie [naam verdachte] en in casu uitgezonderd [naam medeverdachte 1]) troffen elkaar in Nederland voor overleg met betrekking tot Oxbridge. Dat overleg leidde – zo volgt uit de verklaring van Dekking - tot overeenstemming, ruim een maand voordat daadwerkelijk werd overgegaan tot het tekenen van de koopakte betreffende de aandelen in Egg II.

[naam verdachte] had klaarblijkelijk bepaald een aandeel in de totstandkoming van de Egg II-transactie.

c. Ook hetgeen [naam verdachte] op 12 november 1997 aan Neal Meader van Havelet Trust Company (“HTC”) heeft medegedeeld wijkt sterk af van de rol die [naam verdachte] (“PVK”) zichzelf tijdens het strafproces toedicht. Meader tekent immers uit de mond van [naam verdachte] op dat hij, [naam verdachte],

“through his offices had for several years operated a legitimate scheme in Holland whereby a tax profit company was purchased into which an asset was placed. (…) In 1994 this scheme was used for the transfer of some mining rights by an American company. A fee of USD 1,800,000 was charged by PVK which was put through HTC trust account for Minerva.”

Met andere woorden, [naam verdachte] presenteert hier tegenover Meader een beduidend actievere betrokkenheid (“through his offices (…) operated a legitimate scheme”) dan hij thans ingang wil doen vinden. Het betreft de transactie in Rentafixe , waarmee [naam verdachte] naar eigen zeggen en naar zeggen van [naam medeverdachte 1] niets van doen zou hebben gehad.

d. F. Mouthaan, voormalig directeur van Noro (Nederland) B.V. en directeur beleggingen van Greenfield Capital Partners B.V. heeft verklaard:

“De relatie tussen de heer [naam verdachte], [naam medeverdachte 3] en de heer [naam medeverdachte 1] is vrij intensief geweest, dat weet ik omdat ik de agenda van de heer [naam verdachte] goed ken in verband met het afstemmen van de internationale reizen. (…). Ik weet dat de heer [naam verdachte] en de heer [naam medeverdachte 1] actief op zoek waren naar vennootschappen op verzoek van [naam medeverdachte 3]. Dat heb ik gehoord van één van de drie heren, ik weet niet meer door welke.”

“De relatie tussen [naam medeverdachte 3] en [naam verdachte] ken ik niet, behalve dat [naam medeverdachte 3] de heer [naam verdachte] gebruikte als zijn fiscale adviseur in Nederland. De rol van [naam medeverdachte 1] zie ik hetzelfde als die van [naam verdachte], ook fiscaal adviseur van [naam medeverdachte 3] in Nederland. Verder link ik als Nederlander slechts de heer [naam medeverdachte 2] aan [naam medeverdachte 3], maar daar kan ik weinig over verklaren want ik ken [naam medeverdachte 2] niet goed. Ik weet dat deze drie, [naam medeverdachte 1], [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] wel gezamenlijk naar Amerika gingen, naar [naam medeverdachte 3] toe.”

Deze verklaring van Mouthaan sluit goed aan bij het beeld dat oprijst uit de brief van [naam medeverdachte 5] aan [naam medeverdachte 3] van 28 september 1997, die hieronder wordt besproken, en de gang van zaken bij de zogeheten Egg III-lunch.

Deze verklaringen worden door het hof in onderling verband en samenhang bezien. Zij versterken de conclusie dat [naam verdachte] ‘achter de schermen’ een veel substantiëlere rol had dan hij wil doen voorkomen. Hij voert besprekingen voorafgaande aan transacties waarmee hij naar eigen zeggen geheel geen bemoeienis had. Voorgaande bewijsmiddelen ondersteunen in hoge mate hetgeen [naam medeverdachte 3] over het aandeel van [naam verdachte] heeft verklaard.

Voor de vervulling van die meer substantiële rol van [naam verdachte] is niet noodzakelijk dat hij in persoon aanwezig is bij de formele ‘closing’ van de transactie. Daartoe is alleen de aanwezigheid vereist van de personen die hun handtekening plaatsen op de aktes behelzende de vervreemding van aandelen in de betreffende winstvennootschap.

F3. De gang van zaken voorafgaande aan de Anterra/Penn-transactie en de hoogte van de vaste ‘fee’ aan de Bank

Het dossier bevat een handgeschreven notitie d.d. 6 oktober 1992 van de hand van de zakenpartner van [naam medeverdachte 1], P.J.F. Bouten. Zijn naam is hiervoor onder meer gevallen naar aanleiding van de verklaring van E.R. Lodewijk, die [naam medeverdachte 1] en Bouten financieel heeft gesteund bij het opzetten van een onderneming die werd gedreven door een rechtspersoon die na enige tijd de naam BƒT Nederland B.V. is gaan dragen. [naam medeverdachte 1] was met Bouten werkzaam binnen BƒT. Over de American Energy-winstvennootschappen heeft Bouten verklaard :

“Dit zijn de vennootschappen die allemaal door [naam medeverdachte 1] zijn bemiddeld. Daar heb ik geen enkele werkzaamheid in verricht. Hij heeft mij natuurlijk wel op de hoogte gehouden. (…). [naam medeverdachte 1] heeft ook onderhandelingen met de belastingdienst gevoerd over het af kunnen zetten van bestaande rentewinsten binnen vennootschappen tegen verliezen die de nieuwe eigenaren gingen maken. Daar is ook een akkoord over gesloten met de belastingdienst Utrecht.”

Over de hier besproken notitie van 6 oktober 1992 heeft Bouten verklaard:

“Op D/225 staat mijn handschrift.

Deze notitie heb ik gemaakt toen [naam medeverdachte 1] op een IFA congres was in Cancun, Mexico.

Jaarlijks organiseerde de IFA congressen die wij ook bezochten in verband met onze contacten. In dat jaar was Hans [naam medeverdachte 1] naar dat congres.

Ik heb hem waargenomen. Volgens mij is dit een telefoonnotitie maar ik weet niet meer met wie ik toen gesproken heb. Ik denk met iemand van NORO. Misschien Peter Jan Rubingh of iemand van Bayard. Ik heb niet meer gedaan dan opgeschreven wat men tegen mij heeft verteld. Ik voelde mij niet genoeg thuis in deze materie om daar zelf onderhandelingen in te doen. Nu ik ook de naam [naam verdachte] zie denk ik dat dit een weergave is van meerdere gesprekken die ik over deze materie heb gevoerd. Ik zie ook de naam van Bearfield, een Zweedse koper, maar die is het uiteindelijk niet geworden.”

De notitie bevat de volgende passages. Als uitgangspunt wordt genomen een intrinsieke waarde van Anterra/Penn ter hoogte van ƒ 470 miljoen, zijnde de omvang van de geldlening aan de aandeelhoudster Noro. De notitie houdt vervolgens onder meer het volgende in :

(hof: huidige toestand:) Ruling: moeder/dochter geen rente alsof het een (fiscale eenheid) zou zijn.

Insp(ecteur) verzocht (om) ruling ongedaan te maken.

Terug naar 1-1-’92, waarbij aandelen economisch zijn overgedragen aan een bankinstelling waarbij rentelast (ten laste van het) resultaat v.d. bank komt en dochter zelfstandig bel(asting) plichtig is.

Stel: 1% rentevergoeding p. maand. Transactiedatum 1-11-92 heeft tot gevolg 10 x 1 = 10% van 470 = 47 miljoen rentewinst gemaakt.

Koopsomberekening:

Intrinsieke waarde 1-1-’92 ƒ 470.000.000

85% van 47 mio is ƒ 39.950.000

Bearfield AG (Zweden) betaalt ƒ 509.950.000

Intrinsieke waarde is op dat moment ƒ 500.550.000

ƒ 9.400.000

Fee (BFT + L+W Bayard) is 5%

Van ƒ 47.000.000 ƒ 2.350.000

Voor verkopers (ABN/AMRO

en Noro) ƒ 7.050.000

(…). (ieder ½) ƒ 3.525.000

(…).

Eigen winst ABN/AMRO ƒ 3.525.000

(…)

Van der Krabbe ƒ 200.000 (vast bedrag)

(…)

Serge [naam medeverdachte 2] ABN/AMRO (concernzaken)

Kontakten hiermee lopen via Peter Jan Rubing

Paul v.d. Krabbe (niet Cancun, wel in BM) pleegt overleg met Bruins Slot voor ABN/AMRO

(PvK heeft Serge [naam medeverdachte 2] uitgebreid gesproken) om uitzondering op de regel te krijgen van 12 mnd’s termijn.

(…).

Bij groen licht voor voorraadbegrip:

- NORO en ABN/AMRO stellen contract voor verkoop op

- ABN/AMRO moet verklaring geven omtrent af te geven fee aan BFT voor 5%.”

De hiervoor ten dele weergegeven telefoonnotitie van de hand van Bouten is door hem opgesteld zonder dat hij kennis droeg van alle ‘ins’ en ‘outs’ van de door hem beschreven kwestie. ‘Oxbridge’ betrof kort gezegd de portefeuille van [naam medeverdachte 1]. Het komt het hof voor dat Bouten dan ook des te meer belang had bij het nauwkeurig noteren van de besproken zaken om het een en ander goed te kunnen terugrapporteren. Het hof gaat er om die reden van uit dat de notitie een betrouwbare weergave is van hetgeen hem, Bouten, is medegedeeld.

Uit de notitie valt op te maken dat de verkopers van Anterra/Penn, namelijk Noro (aan de Bank) en vervolgens de Bank (aan Bearfield AG), ieder een fee zouden ontvangen van 7,5% van de belastbare winst over het lopende boekjaar. De bemiddelaars zouden in totaal 5% ontvangen. Het restant, 15%, komt in dat geval toe aan de koper (het Zweedse Bearfield AG). Opvallend is dat de Bank in deze constellatie een aanzienlijk groter deel van de upcount krijgt toegewezen dan het bedrag waarmee de Bank bij monde van [naam medeverdachte 2] uiteindelijk genoegen heeft genomen, te weten een vaste fee van ƒ 1 miljoen .

De brief van 20 augustus 1992 van [naam medeverdachte 1] aan Ruijmgaart en Melsert van Bayard Management (Netherlands) B.V. is gestoeld op dezelfde notie als waarvan de telefoonnotitie van Bouten getuigt:

“One of our clients is the owner of the shares in two companies A and B, with a share capital + share premium of resp. Dfl. 330.000.000,- (A) and Dfl. 140.000.000,- (B) . The assets of the companies are receivables (loans) from the only shareholder. The interest is subject to the profit for the fiscal year as of January 1, 1992 till December 31, 1992. (…). The purchase price of the companies as follows: (…). Add: 85% of the profit before taxes (periode Jan. 1992 – Sept. 1992). (…).”

Voor de koper resteert derhalve 15% van de belastbare winst lopend boekjaar.

Guiljam, de belastinginspecteur waaronder Noro viel, is op 9 oktober 1992 akkoord gegaan met de rente-imputatie . Bruins Slot, de belastinginspecteur waaronder ABN AMRO Bank ressorteerde is akkoord gegaan bij gelegenheid van een gesprek dat [naam medeverdachte 2], [naam verdachte] en Langereis met hem hadden op 24 november 1992

Op 9 december 1992 is de transactie in de aandelen van Anterra en Penn gesloten, waarbij niet Bearfield AG maar Oxbridge als koper is opgetreden.

De belastbare winst van Anterra/Penn tezamen bleek enigszins geringer dan de hiervoor ‘losjes’ becijferde ƒ 47 miljoen, namelijk ƒ 43.305.060 . Bij gelijke percentages als genoemd in de notitie van Bouten zou de Bank derhalve aan vergoeding een bedrag van bijna ƒ 3,25 miljoen ontvangen.

In percentages van de belastbare winst over het lopende boekjaar zijn uiteindelijk de volgende bedragen uitgekeerd :

Bayard 3%

[naam medeverdachte 5] (naar eigen zeggen) 3%

Lodewijk en Wijma (L&W) 1,5%

Moret Ernst & Young (via L&W) ƒ 75.000

BƒT ƒ 637.711 = 1,47%

Noro ƒ 2.500.000 = 5,77%

De Bank ƒ 1.000.000 = 2,3%

De Bank heeft dus in enig stadium ‘genoegen genomen’ met minder dan een derde van het percentage dat aan Bouten is meegedeeld. Voorts valt op dat aan Bouten is meegedeeld dat voor [naam verdachte] (het hof begrijpt: Moret Ernst & Young, waarvoor [naam verdachte] werkzaam was) een ‘vast bedrag’ van ƒ 200.000 was voorzien, terwijl Moret Ernst & Young uiteindelijk ƒ 75.000 toebedeeld heeft gekregen. De overige partijen hebben daarentegen weinig tot vrijwel niets hoeven inleveren van de oorspronkelijk aan hen bedachte vergoedingen. Voor deze verlagingen van het voor de Bank (en Moret Ernst & Young) bestemde deel is door geen der betrokkenen een plausibele verklaring aangedragen.

Verder komt uit de notitie naar voren dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] elkaar uitgebreid hebben gesproken.

Het is het hof niet ontgaan dat [naam medeverdachte 2] heeft ontkend van de notitie van Bouten te hebben kennis genomen op een eerder moment dan na lezing van het strafdossier. Anderzijds zijn afspraken, al dan niet in concept, met het Zweedse Bearfield niet geheel aan [naam medeverdachte 2] voorbij gegaan. [naam medeverdachte 2] verklaarde immers als getuige ter zitting van het hof:

“Het verbaasde mij in eerste instantie dat er twee Zweden aan tafel zaten. Aan de andere kant verbaasde het mij ook weer niet, want alles was zo snel gegaan na Cancun. Eerst zou er verkocht gaan worden aan een Zweedse partij. Daarna is dat in twee of drie weken veranderd in een definitieve ommezwaai naar wat ik maar gemakshalve de Amerikanen zal noemen, Oxbridge.”

Kern van de zaak is dat op enig moment in het onderhandelingstraject met een aspirant-koper van Anterra en Penn ten behoeve van de Bank een bedrag was voorzien ter hoogte van 7,5% van de onbelaste winst lopend boekjaar. Gelet op de functie die de Bank had te vervullen, te weten (i) het kopen van een vennootschap met een groot eigen vermogen, (ii) het imputeren van rente, (iii) het absorberen van de rentelast en (iv) het inbrengen van liquide middelen ter hoogte van de materiële Vpb-schuld, en (v) het verkopen van de (aldus gecreëerde) winstvennootschap, komt het hof dit percentage als vergoeding niet onbegrijpelijk voor. Het optreden van de Bank mag met recht het predicaat ‘faciliterend’ dragen. Daarmee is op zichzelf niets mis. Zoals eerder overwogen wordt met het hier bedoelde faciliteren van transacties in winstvennootschappen in beginsel niet buiten de kaders van de wettelijke mogelijkheden getreden. Met het bieden van deze faciliteit draagt de Bank echter tevens een financieel risico, welk zich in deze overigens ook heeft verwezenlijkt.

Uit de upcount die de Bank aan Oxbridge in rekening heeft gebracht, heeft zij een met ƒ 1.250.000 verhoogd bedrag van ƒ 2.587.711 betaald aan BƒT . BƒT heeft op haar beurt de verhoging van ƒ 1.250.000 overgemaakt aan Cititrading. [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] hebben zich uit het laatste bedrag verrijkt voor (ten minste) ƒ 300.000 per persoon. [naam verdachte] heeft met de hulp van [naam medeverdachte 1] een versluieringstraject gearrangeerd. [naam medeverdachte 2] heeft ingestemd met de betaling door VDK van het verhoogde bedrag aan BƒT. Dat [naam medeverdachte 2] heimelijk zwart is betaald, is dus georganiseerd door [naam verdachte]. Hij was immers ‘Paymaster’.

Het hof heeft hierboven reeds uiterst onaannemelijk geoordeeld dat [naam medeverdachte 2] dit bedrag als het ware bij verrassing in de schoot kreeg geworpen. Zonder voorafgaande afspraken daaromtrent, waarvoor [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] alle gelegenheid hebben gehad (zo blijkt uit Boutens notitie), valt immers voor in elk geval [naam verdachte] niet goed te voorspellen hoe [naam medeverdachte 2] zou reageren op de ontvangst van dit (alsdan) onverhoedse geschenk van aanzienlijke omvang. Een integer bankdirecteur zou niet alleen hebben geweigerd met deze gang van zaken in te stemmen, hij zou ook hebben geweigerd voortaan nog zaken te doen met (rechts)personen die zich bezondigen aan niet-ambtelijke omkoping en corruptie. Hij zou zijn werkgever bovendien hebben geïnformeerd. Daarmee zou één van de grootste banken van Nederland verloren zijn gegaan voor het relatienetwerk van zowel [naam verdachte] als [naam medeverdachte 1].

Kortom, [naam medeverdachte 2] moet voorafgaand aan de transactie in Anterra en Penn hebben geweten dat hij in persoon mocht meedelen in de opbrengst.

Deze illegale toelage diende echter wel te worden bekostigd. Het hof acht het buitengewoon onaannemelijk dat [naam verdachte] een verlaging van de vergoeding voor de Bank en de toelage voor [naam medeverdachte 2] in persoon niet als één ‘package deal’ aan [naam medeverdachte 2] heeft aangeboden. Een integer bankdirecteur zou zich namelijk onmiddellijk hebben gerealiseerd dat het hem persoonlijk aangeboden geld zijn werkgever toekomt, en dat hij daarmee zijn werkgever per definitie tekort doet.

Hiermee komt de rol van [naam medeverdachte 2] in volle omvang voor het voetlicht. Inherent aan de vorm van corruptie waaraan [naam medeverdachte 2] zich bij deze transactie heeft schuldig gemaakt is dat [naam medeverdachte 2] ervoor diende te zorgen dat de Bank daadwerkelijk zou fungeren als ‘facilitator’ èn dat de Bank genoegen zou nemen met het verlaagde bedrag aan vergoeding. [naam medeverdachte 2] heeft de kennis en vaardigheden om binnen de Bank fiscaal gemotiveerde transactievoorstellen te initiëren die door de leidinggevenden binnen de Bank als lucratief zouden worden beschouwd, uiteraard zonder hun mede te delen dat een hoger bedrag aan vergoeding binnen het bereik van de Bank was geweest. Bovendien diende hij ervoor te zorgen dat de Bank als ‘facilitator’ kon blijven fungeren door kritische vragen van de kant van zijn collega’s en leidinggevenden voor te zijn.

Het hof wijst in dit verband op de verklaring van [naam medeverdachte 2] :

“[naam medeverdachte 1] heeft mij voor de transactie heel duidelijk gezegd dat de upcount die hij van ABN/AMRO zou krijgen niet alleen voor hem bestemd was. Er waren nog meer partijen betrokken bij de aanbreng van Oxbridge als aankopende partij. De fee die de bank voorafgaand aan de hele transactie gestort kreeg van Oxbridge, heeft de bank zodanig doorbetaald aan BfT dat er bij de ABN/AMRO een miljoen gulden zou blijven hangen. Wie de partijen waren aan wie [naam medeverdachte 1] weer moest doorbetalen is mij niet bekend. Verder kreeg NORO een upcount doorbetaald uit het bedrag dat Oxbridge had gestort. (…) Het miljoen dat ABN/AMRO er aan overgehouden heeft is een flat fee, een van te voren overeengekomen bedrag. Het was niet gerelateerd aan kosten die ABN/AMRO aan de overdracht gehad zou hebben. Gerelateerd aan het vermogen van de onderneming had het in mijn ogen zelfs nog iets meer kunnen zijn.

Buiten de bedragen die uit de totale betaling van Oxbridge aan ABN/AMRO doorbetaald werden aan BfT, NORO en wat er bij de ABN/AMRO bleef hangen weet ik niet welke fees aan welke partijen verder werden door betaald. Ik heb wel aan de bank gemeld dat er in mijn ogen een extreem hoge fee werd betaald aan BfT, omdat [naam medeverdachte 1] mij heeft gezegd dat er meerdere partijen betrokken waren