Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB2376

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
06/00257
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2006:AX9512, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BK3060, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het ontbreken van voorzieningen op een adequaat niveau in één eigendom leidt er op zichzelf niet toe dat dat eigendom een samenstel vormt met een ander eigendom waarin die voorzieningen wel aanwezig zijn.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 16, onderdeel d, geldigheid: 2007-08-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1645
FutD 2007-1655
Belastingblad 2007/1083
V-N 2007/59.1.4

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P06/00257

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de directeur Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de gemeente Utrecht, de heffingsambtenaar,

tegen

de uitspraak in de zaak nr. SBR 05/3667 van de rechtbank Utrecht van 2 juni 2006 in het geding tussen

X te Z, belanghebbende,

gemachtigde AX te Z, de gemachtigde,

en

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij twee in één geschrift, gedagtekend 28 februari 2005, verenigde beschikkingen ingevolge artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet Woz) de waarde van elk van de onroerende zaken a-1 en a-straat 2 te Q voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 naar de waardepeildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 325.000.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 23 november 2005, de beschikkingen gehandhaafd.

Bij uitspraak van 2 juni 2006, verzonden op 7 juni 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen binnen zes weken na de bekendmaking van de uitspraak een nieuwe uitspraak op het bezwaar te doen .

Tegen deze uitspraak heeft de heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 6 juli 2006, bij het Hof op dezelfde datum ingekomen.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft in reactie op het verweerschrift van belanghebbende een conclusie van repliek ingediend en in reactie op het incidentele hoger beroep een verweerschrift.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, gedagtekend 18 september 2006 en 5 februari 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is aangehecht.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

2.1.1. De onroerende zaken a-straat 1 en nummer 2 (hierna: de panden of huisnummer 1 en huisnummer 2) te Q zijn afzonderlijke kadastrale percelen.

2.1.2. Op de begane grond van beide panden bevindt zich achter de voordeur een gang, waarin in de aldaar aanwezige gangkast de achtermuur (dat is de tussenmuur van beide panden) is weggebroken, waardoor een interne doorgang is ontstaan. Op dezelfde wijze is een doorgang ontstaan op de eerste verdieping. De op de zolderverdieping van beide huisnummers aan de achterkant aangebrachte dakkapel is van buitenaf gezien één doorlopende constructie. De achtertuin van beide huisnummers is één geheel. De voorgevels van de panden op de benedenverdieping zijn afwijkend van de voorgevels van de belendende panden en zijn in één stijl uitgevoerd.

2.1.3. Belanghebbende heeft het genot krachtens eigendom van beide panden.

2.1.4. Belanghebbende heeft op huisnummer 1 de begane grond in gebruik alwaar zich een woon- en slaapkamer, een keuken en een toilet bevinden.

Op de eerste verdieping van huisnummer 1 bevinden zich drie kamers en een toilet.

Op de zolderverdieping van huisnummer 1 bevinden zich twee kamers en een keuken, waarin een douche is geplaatst.

De begane grond van huisnummer 2 is in gebruik bij de zoon van belanghebbende, AX (hierna ook: de zoon), alwaar zich een woon- en slaapkamer en een toilet bevinden.

Op de eerste verdieping van huisnummer 2 bevinden zich twee kamers en een badkamer. Op de zolderverdieping van huisnummer 2 bevinden zich 2 kamers en een keuken.

Belanghebbende verhuurt de op de verdiepingen gelegen 9 kamers aan studentes, die voor het gebruik van keuken en badgelegenheid zijn aangewezen op de keukens en sanitaire voorzieningen op de verdiepingen.

2.1.5. Belanghebbende heeft een taxatierapport laten opmaken. Daarin is de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van het "dubbele woonhuis"- dat wil zeggen: van de huisnummers 1 en 2 tezamen als één object- per de waardepeildatum vastgesteld op € 570.000.

2.2. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de panden een samenstel vormen in de zin van artikel 16d van de Wet woz, gelijk belanghebbende stelt en de heffingsambtenaar betwist. Indien het gelijk op dit punt aan de heffingsambtenaar is, zijn de bij de beschikkingen vastgestelde waarde in geschil. Voorts is in dat geval in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van het taxatierapport, gelijk belanghebbende in incidenteel hoger beroep heeft gesteld.

2.3. Oordeel van de rechtbank

Op het door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat de panden een samenstel vormen als bedoeld in artikel 16d van de Wet. Zij heeft daartoe overwogen:

"(...) acht de rechtbank met name van belang dat de voorzieningen, zoals een keuken en een badkamer, zelfstandig per woning bekeken, niet op een zodanig adequaat niveau verkeren, zoals die minimaal aanwezig geacht worden te zijn in een eengezinswoning. Gebleken is bijvoorbeeld dat a-straat 1 geen beschikking heeft over een badkamer en dat uitsluitend op de zolderverdieping sprake is van een douchecel in een keuken. Eiseres die op de begane grond van nummer 1 woont en de bewoners van de eerste verdieping van nummer 1 maken dan ook gebruik van de douche van nummer 2. Voorts is gebleken dat in a-straat 2 geen keuken aanwezig is, behoudens een oude zolderkeuken.

Met name nu de woningen door verweerder als eengezinswoning zijn getypeerd, zijn de beide woningen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ieder apart als zelfstandig object af te bakenen (...)."

2.4. Standpunten van partijen en onderzoek ter zitting

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken, waartoe ook gerekend wordt het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

2.5. Beoordeling van het geschil

2.5.1. Artikel 16 van de Wet luidt voor zover thans van belang:

“Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:

a. een gebouwd eigendom;

(...)

d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a (...) bedoelde eigendommen (...) die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

(...)”

2.5.2. Tussen partijen is niet in geschil is dat de panden elk voor zich gebouwde eigendommen zijn als bedoeld in onderdeel a van voormelde bepaling. Nu belanghebbende stelt dat beide eigendommen een samenstel vormen zoals bedoeld in onderdeel d van die bepaling, is het aan haar om aannemelijk te maken dat is voldaan aan beide in dat onderdeel opgenomen voorwaarden.

2.5.3. Belanghebbende heeft gesteld dat beide panden niet zelfstandig te gebruiken zijn aangezien zij niet beide over, naar de huidige maatstaven gemeten, adequate voorzieningen beschikken. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat tussen beide huisnummers zowel op de begane grond als op de eerste verdieping een doorgang is aangebracht, dat zij en haar zoon voor het gebruik van een badkamer zijn aangewezen op de badkamer op de eerste verdieping van huisnummer 2 en dat de zoon voor het gebruik van de keuken is aangewezen op de keuken op de begane grond van huisnummer 1. De rechtbank heeft op grond van deze omstandigheden geoordeeld dat sprake is van een samenstel. Het Hof volgt dit oordeel van de rechtbank niet, nu het ontbreken van voorzieningen op een adequaat niveau in één eigendom er op zichzelf niet toe leidt dat dat eigendom een samenstel vormt met een ander eigendom waarin die voorzieningen wel aanwezig zijn.

2.5.4. Belanghebbende heeft er voorts op gewezen dat de panden onderling niet afsluitbaar zijn. Belanghebbende heeft zich in dit kader beroepen op jurisprudentie over de afsluitbaarheid van onroerende zaken. Met betrekking tot die afsluitbaarheid merkt het Hof op dat hieraan voor de vraag of sprake is van een samenstel niet de door belanghebbende gestelde betekenis kan worden toegekend. Nu de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie ziet op de vraag of sprake is van een gedeelte van een eigendom, zoals bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet woz, en dus niet op de vraag of sprake is van een samenstel als bedoeld in onderdeel d van deze bepaling, verwerpt het Hof het beroep van belanghebbende op die jurisprudentie.

2.5.5. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven, acht het Hof ook in onderling verband en samenhang beschouwd onvoldoende voor het oordeel dat daaruit een zekere voor derden waarneembare samenhang voortvloeit. Het ontbreken van een erfafscheiding in de achtertuin, de doorlopende bouwkundige constructie van de dakkapellen aan de achterzijde en de gelijkvormige modernisering van de voorgevel op de benedenverdieping maken naar het oordeel van het Hof niet dat een waarnemende buitenstaander de panden als bij elkaar behorend zal aanmerken.

2.5.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat op grond van het ontbreken van een voor derden waarneembare samenhang niet kan worden geoordeeld dat de panden een samenstel vormen in de zin van artikel 16, onderdeel d, van de Wet. Hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden, zodat het Hof daaraan voorbijgaat.

Voorts kan in het midden blijven in hoeverre is voldaan aan de eis dat beide panden bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn

2.6. Slotsom

's Hofs oordeel brengt mee dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven.

Nu partijen eveneens een geschil hebben over de waardering van de huisnummers 1 en 2, de rechtbank zich daarover nog niet heeft uitgelaten en belanghebbende heeft verklaard zijn beroep op dit punt aan de rechtbank te willen voorleggen, zal het Hof de zaak terugwijzen, teneinde de rechtbank in staat te stellen een beslissing te nemen over dit geschilpunt.

Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de rechtbank over die waardering - gelet op haar oordeel in de zaak: uiteraard - nog geen oordeel heeft uitgesproken en een beslissing van het Hof op dat punt, dat bij uitstek van feitelijke aard is, voor partijen verlies van een instantie in de door de wet voorziene gerechtelijke procedure zou inhouden. Een dergelijk verlies kan slechts worden aanvaard als beide partijen daarmee instemmen. Nu belanghebbende die instemming niet heeft gegeven, is aan die voorwaarde niet voldaan.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de proceskosten in hoger beroep. Het in het incidentele hoger beroep opgeworpen geschil over de vraag of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van het taxatierapport dat in haar opdracht is opgemaakt staat ter beoordeling van de rechtbank.

3. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank en

- wijst het geding terug naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van deze uitspraak.

Aldus vastgesteld door mrs. O.B. Onnes, voorzitter van de belastingkamer, P.M.F. van Loon en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 24 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.