Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB2202

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
06/00346
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Successierecht: voor waardering van aandelen op een lagere waarde dan de intrinsieke waarde is alleen reden als op enigerlei wijze sprake is van onderrentabiliteit.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 21, geldigheid: 2007-08-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1636
FutD 2007-1657

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00346

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Amsterdam, belanghebbende,

gemachtigde mr. A (... hierna: de gemachtigde)

tegen de uitspraak in de zaak nr. AWB 05/5532 van de rechtbank Haarlem van 19 juli 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 16 juli 2003 aan belanghebbende ter zake van het overlijden op 10 augustus 2000 van B een aanslag in het recht van successie (aanslagnummer ...) opgelegd naar een belastbare verkrijging van ƒ 8.699.933 (€ 3.947.857).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 13 september 2005, de aanslag gehandhaafd.

Bij uitspraak van 19 juli 2006, verzonden op 21 juli 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belaste verkrijging van ƒ 8.233.972 (€ 3.736.414).

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van zijn gemachtigde van 28 augustus 2006, bij het Hof op dezelfde datum ingekomen, aangevuld bij brief van 13 oktober 2006. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak is meegezonden. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

2.1.1. Het Hof verwijst naar de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld en in de bestreden uitspraak als volgt zijn weergegeven en door partijen in hoger beroep niet zijn betwist:

“2.1. Op 10 augustus 2002 (Hof: bedoeld zal zijn 2000) is B overleden. Erflater was ten tijde van zijn overlijden in gemeenschap van goederen gehuwd met C. Erflater heeft bij testament, verleden op 30 mei 1996, eiser (Hof: door het Hof aangeduid met: belanghebbende) als enige erfgenaam van zijn nalatenschap benoemd.

2.2. Tot de nalatenschap behoren een eigen woning, roerende zaken, banktegoeden, vorderingen, certificaten van aandelen (hierna: de aandelen ) in B Holding BV (hierna: de BV), overige effecten en diverse schulden.

2.3. Erflater was ten tijde van zijn overlijden samen met zijn echtgenote eigenaar van 91% van de aandelen in de BV. Eiser was reeds eigenaar van 9% van de aandelen in de BV. Als gevolg van het overlijden van erflater heeft eiser daarnaast 45,5% (50% van 91%) van de aandelen van de BV verkregen. De BV houdt alle aandelen in C Beheer BV, DB BV en EB Holding BV. C Beheer B.V. houdt zich bezig met de exploitatie en het beheer van onroerende zaken.

2.4. Eiser heeft op 14 maart 2002 aangifte gedaan voor het recht van successie naar een belastbare verkrijging van ƒ 2.555.082. In de aangifte is – voor zover hier van belang – voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap als waarde van de eigen woning aan de a-straat 1 te Q (hierna: de eigen woning) ƒ 498.000 en als waarde van de aandelen in de BV ƒ 3.887.291 opgenomen.

2.5. Verweerder heeft de aanslag opgelegd naar een belastbare verkrijging van ƒ 8.699.933. Daarbij heeft verweerder de waarde van de eigen woning gesteld op ƒ 1.295.781 en de waarde van de (91%) aandelen in de BV op ƒ 15.379.213. Bij de bepaling van de waarde van de aandelen is verweerder uitgegaan van een Vpb-latentie van 35%.

Belastbare verkrijging volgens aangifte ƒ 2.555.082

bij: meerwaarde eigen woning 50% x (1.295.781 -/- 498.000) 398.890

bij: meerwaarde aandelen 50% x (15.379.213 -/- 3.887.291) 5.745.961

aanslag opgelegd naar belastbare verkrijging ƒ 8.699.933

2.6. Na een minnelijke waardering van de eigen woning en de onroerende zaken die ten tijde van het overlijden van erflater in eigendom waren bij C Beheer BV, zijn partijen hangende de bezwaarprocedure overeengekomen dat de waarde van de eigen woning moet worden bepaald op ƒ 1.156.948 en de waarde van de onroerende zaken die ten tijde van het overlijden van erflater eigendom waren van de BV op f 32.467.810.

2.7. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder de aanslag gehandhaafd. (…)

3.2.3. Bij brief van 20 juni 2006 heeft eiser de rechtbank laten weten dat hij instemt met de door verweerder bij brief van 25 april 2006 ingezonden aangepaste berekening (...).

3.3. (...)Verweerder berekent die waarde (Hof: van de aandelen in de BV) - blijkens zijn bij brief van 25 april 2006 ingezonden berekening - aldus:

Verhuurd onroerend goed ƒ 32.467.810

Overige activa 11.402.543

Vpb-latentie over meerwaarde verhuurd onroerend goed 35% -/- 8.500.796

Overige passiva -/- 18.302.270

ƒ 17.067.287

Latente AB-claim 6,25% x (17.067.287 -/- 450.000) -/- 1.038.580

Waarde aandelen ƒ 16.028.707

Hiervan 91% ƒ 14.586.123

Verweerder heeft voorts bij brief van 25 april 2006 de belaste verkrijging - met waardering van 91% van de aandelen op ƒ 14.586.123 en waardering van de eigen woning op ƒ 1.156.948 - berekend op ƒ 8.233.972.”

2.1.2. In het geding voor de rechtbank (gedeelte van bijlage 2 bij het beroepschrift) en voor het Hof (bijlage 20 bij het beroepschrift) heeft belanghebbende delen van een door F Finance BV uitgevoerde 'Waarde-analyse vastgoedportefeuille X', gedagtekend 21 mei 2001, ingebracht. In deze analyse beloopt de volgens de discounted cash flow-methode (hierna: de DCF-methode) bepaalde waarde van 100% van de aandelen ƒ 1.715.714. Deze waardebepaling heeft plaatsgevonden ten behoeve van de vaststelling van het vermogen van belanghebbende in het kader van zijn echtscheidingsprocedure.

2.2 Geschil

Tussen partijen is in geschil de waarde van de certificaten van aandelen in B Holding BV (hierna: de aandelen).

2.3 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de belaste verkrijging vastgesteld op ƒ 8.233.972. Voor de aan deze beslissing ten grondslag liggende overwegingen, verwijst het Hof naar de uitspraak van de rechtbank.

2.4 Standpunten van partijen

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de waarde van de aandelen dient te worden bepaald op basis van een mix van tweemaal de intrinsieke waarde en eenmaal de waarde volgens de DCF-methode. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat op de intrinsieke waarde een vermindering van 20% dient te worden toegepast. Meer subsidiair bepleit belanghebbende een vermindering van 10%.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van de intrinsieke waarde.

2.5 Beoordeling van het geschil

2.5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de intrinsieke waarde van de verkregen aandelen ƒ 7.765.616 (45,5% x ƒ 17.067.288) bedraagt. Belanghebbende bepleit een waardering van de betreffende aandelen door middel van een formule waarbij tweemaal de intrinsieke waarde en eenmaal de waarde volgens de DCF-methode in de weging wordt meegenomen. Belanghebbende wijst in dit verband naar de onder 2.1.2. aangehaalde taxatie, welke heeft plaatsgevonden ten behoeve van de vaststelling van het vermogen van belanghebbende in het kader van een echtscheidingsprocedure, waarin hij destijds was verwikkeld. Zijn aandelenpakket (9%) is destijds gewaardeerd door waarde-experts van F Finance BV..De DCF-waarde van de door belanghebbende verkregen aandelen bedraagt volgens deze berekeningswijze 45,5% x ƒ 1.715.714 = ƒ 780.650.

2.5.2. B Holding BV en haar dochtermaatschappijen houden zich voornamelijk bezig met de exploitatie en het beheer van onroerende zaken. De ...handel die werd gedreven in DB BV was reeds beëindigd ten tijde van het overlijden van de erflater. Bij de betreffende vennootschappen zijn naar belanghebbende ter zitting heeft verklaard momenteel ca. 6 personen in dienstbetrekking werkzaam. Zij dragen zorg voor het beheer en de exploitatie van de onroerende zaken. Belanghebbende heeft ter zitting voorts verklaard dat ultimo 1999 B en twee administratieve medewerkers in de vennootschappen werkzaam waren.

2.5.3. De waarde van de aandelen wordt bepaald door de prijs die de meest biedende gegadigde na de best voorbereide verkoop op het meest geschikte moment voor deze aandelen zou willen betalen. Aangenomen moet worden, dat de gegadigden voor het gehele aandelenpakket in B Holding BV, waarvan naar vaststaat, de bezittingen volgens de geconsolideerde balans nagenoeg geheel bestaan uit courante onroerende zaken, zich in hun bod op dat aandelenpakket in beginsel zullen laten leiden door de intrinsieke waarde van de bezittingen en schulden van de BV.

2.5.4. Belanghebbende is van oordeel dat de ‘going-concerngedachte’ meebrengt dat niet zonder meer op de intrinsieke waarde mag worden gewaardeerd. De door hem voorgestane formule, waarin de waarde volgens de DCF-methode wordt betrokken, leidt ertoe dat de waarde in het economische verkeer beneden de intrinsieke waarde uitkomt. Hiervoor is echter alleen reden als op enigerlei wijze sprake is van onderrentabiliteit. Belanghebbende heeft als waardeverminderende factoren aangevoerd ‘verplichtingen jegens het personeel indien de gehele onderneming (onroerende zaken, financiering, beheer, personeel, kostenstructuur, etc.) aan de hoogst biedende koper verkocht zou worden’.

Het Hof is van oordeel dat verkoop van de aandelen geen bijzondere verplichtingen jegens het personeel meebrengt. Dit is anders als liquidatie van de vennootschap binnen afzienbare termijn is te verwachten. Daar is echter in onderhavig geval geen sprake van. Het primaire standpunt van belanghebbende faalt derhalve.

2.5.5. Subsidiair betoogt belanghebbende dat de intrinsieke waarde dient te worden verminderd met 20% en meer subsidiair met 10%. Hiertoe voert belanghebbende aan dat mogelijke risico’s, zoals leegstand, moeten worden verdisconteerd evenals verplichtingen jegens het personeel. Bij de waardering van verhuurde panden wordt het risico van leegstand verdisconteerd in de waarde van het pand en van verplichtingen jegens het personeel is niet gebleken, nu liquidatie van de vennootschap niet binnen afzienbare termijn is te verwachten. Het hof ziet ook overigens geen reden om een vermindering van de intrinsieke waarde toe te staan. Het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van belanghebbende falen derhalve.

2.5.6. Gezien het vorenoverwogene is er geen reden voor een andere beslissing dan die welke de rechtbank in de thans bestreden uitspraak heeft genomen. Het Hof zal die uitspraak daarom bevestigen.

2.6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, P.M.F. van Loon, lid en I.J.F.A. van Vijfeijken, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 17 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.