Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB1407

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
16-08-2007
Zaaknummer
06/00400
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op het tijdstip van controle was belanghebbendes auto voorzien van twee stoelen in de laadruimte. De plaatsing van daarvan heeft ertoe geleid dat de auto een personenauto is geworden in de zin van artikel 3 Wet BPM. Ingevolge artikel 12a, eerste lid, van de Wet BPM heeft als tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg in Nederland als personenauto te gelden het tijdstip van tenaamstelling van de auto. Terecht is BPM nageheven.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 3
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 12a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00400

uitspraak van de tweede meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z

belanghebbende,

gemachtigde B,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 05/6056 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 22 augustus 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 4 mei 2005 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd ten bedrage van € 9.759.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 12 oktober 2005 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 22 augustus 2006 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 10 oktober 2006, op 10 oktober 2006 ingekomen ter griffie. Belanghebbende concludeert in hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak van de inspecteur en primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2007. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende diens gemachtigde B, tot bijstand vergezeld van belanghebbendes echtgenote, alsmede namens de inspecteur C. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgelezen en overgelegd. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.1.1. Belanghebbende heeft in juli 2001 een nieuwe auto van het merk Mercedes Benz, type Vito 200 CDI (verder: de auto) aangeschaft bij een garagebedrijf in Z. De auto was bij aanschaf voorzien van een vlakke laadvloer als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (verder: Wet BPM). In de laadruimte waren bevestigingspunten aanwezig om autostoelen te kunnen aanbrengen. Als zodanig voldeed de auto aan de eisen welke in de Wet BPM worden gesteld aan een – niet aan heffing van BPM onderworpen – bestelauto.

2.1.2. De datum van eerste toelating van de auto is 19 juli 2001. Het kenteken van de auto, AA-BB-00, is sinds die datum op naam van belanghebbende gesteld en als zodanig opgenomen in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens en stond ten tijde van na te melden controle nog steeds op naam van belanghebbende.

2.1.3. Op 13 maart 2004 hebben ambtenaren van de Belastingdienst bij een controle geconstateerd dat belanghebbende van de openbare weg gebruik maakte van de auto, in de laadruimte waarvan twee stoelen waren aangebracht, vastgemonteerd in de laadvloer door middel van een schaarsysteem en geborgd.

2.1.4. Tot de stukken van het geding behoort een door de controlerend ambtenaren op 18 maart 2004 opgemaakt rapport van de onder 2.1.3. bedoelde controle. Daarin is opgenomen de volgende verklaring van belanghebbende:

“De auto met kenteken AA-BB-00 staat op naam van de zaak. De auto is mijn eigendom. De auto is 2,5 jaar oud. Die stoelen die achterin staan heb ik in Spanje gekocht en laten plaatsen. De stoelen zitten er nu 1,5 jaar in. We rijden met z’n drieën wel 10 x per jaar op en neer a 5000 km per keer naar Spanje. (…). Ik gebruik de stoelen achterin niet in Nederland. Als we naar Spanje rijden klap ik ze in België op. (…). Ik ga er niet om liegen de stoelen zitten vastgemonteerd (…). Sinds kort zijn we terug uit Spanje, ik heb er niet bij stilgestaan dat de stoelen er nog inzitten. (…)”

2.1.5. Van mening dat de auto bij de controle niet voldeed aan de eisen om als bestelauto te worden aangemerkt, met name omdat door de aanwezigheid van de stoelen deze geen laadruimte had die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer als voorgeschreven in artikel 3, derde lid, van de Wet BPM, heeft de inspecteur op de voet van artikel 1, derde lid, van de Wet BPM, de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

2.2. Het geschil

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag de naheffingsaanslag heeft opgelegd.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat het door belanghebbende en de inspecteur gesloten compromis niet mede de BPM betrof.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

2.3.1. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, daartoe overwegende:

“(…) Nu de auto was voorzien van twee stoelen in de laadruimte is de auto op grond van artikel 3, eerste lid en derde lid, van de Wet aan te merken als een personenauto. Gelet hierop en op grond van artikel 5 van de Wet is eiser BPM verschuldigd welke hij niet op aangifte heeft voldaan. Verweerder heeft terecht de onderwerpelijke naheffingsaanslag tot het door hem berekende bedrag opgelegd. (…)”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting van 7 mei 2007.

2.5. Relevante bepalingen

2.5.1. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet BPM wordt de belasting geheven met betrekking tot personenauto’s en motorrijwielen. Artikel 3, eerste lid, van de Wet BPM bepaalt dat als personenauto wordt aangemerkt een motorrijtuig op drie of meer wielen, met uitzondering van – voor zover hier van belang – bestelauto’s.

2.5.2. Om als bestelauto te worden aangemerkt moet het motorrijtuig krachtens artikel 3, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BPM, voorzien zijn van een vlakke laadvloer die – voor zover hier van belang – een lengte heeft van tenminste 200 cm en over ten minste 200 cm van de lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten minste 130 cm.

2.5.3. Op grond van artikel 1, derde lid, van de Wet BPM wordt – voor zover hier van belang – BPM verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 ingeval een geregistreerd ander motorrijtuig dan een personenauto in een zodanige staat wordt gebracht dat het een personenauto is.

2.5.4. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet BPM wordt met betrekking tot een geregistreerde personenauto de belasting geheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld.

2.5.5. Krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet BPM moet de belasting op aangifte worden voldaan en worden betaald voor de aanvang van het gebruik van de weg als personenauto.

2.5.6. De belasting wordt berekend op basis van de catalogusprijs van de (personen)auto. Artikel 9, zevende lid, van de Wet BPM luidt als volgt:

Voor een ander motorrijtuig (…) dat in een zodanige staat wordt gebracht dat het een personenauto (…) is, geldt de catalogusprijs als ware het een personenauto (…) van het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. (…)”

2.5.7. Artikel 12a van de Wet BPM bepaalt in het eerste lid dat in geval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van een feit als bedoeld in artikel 1, derde lid, niet is betaald, de belasting kan worden nageheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld op het moment van constatering. De aanvang van het gebruik van de weg wordt gesteld op het tijdstip van de hiervoor bedoelde tenaamstelling.

Krachtens het tweede lid van evenbedoelde bepaling wordt de aanvang van het gebruik van de weg gesteld op het tijdstip waarop – na de tenaamstelling – het motorrijtuig in een zodanige staat is gebracht dat het een personenauto is, mits degene op wiens naam het kenteken is gesteld zulks aantoont.

2.6. Overwegingen

2.6.1. Vaststaat dat de auto ten tijde van de controle voorzien was van twee stoelen in de laadruimte welke stoelen in de laadruimte gemonteerd en geborgd waren door middel van een schaarsysteem. In aanmerking nemende artikel 3, eerste en derde lid, van de Wet BPM, als aangehaald onder 2.5.1. en 2.5.2. moet worden vastgesteld dat de auto ten tijde van de controle aan te merken was als personenauto, nu deze door het plaatsen van de stoelen niet meer was voorzien van een vlakke laadvloer van de in artikel 3, derde lid, van de Wet BPM vermelde afmetingen. Hieraan doet niet af dat de auto zonder stoelen wel voldoet aan de voorwaarden om als bestelauto te worden aangemerkt, evenmin als hieraan afdoet de omstandigheid dat de stoelen weer verwijderd konden worden.

2.6.2. Uit hetgeen onder 2.6.1. is overwogen vloeit voort dat de auto door het plaatsen van de stoelen in een zodanige staat is gebracht dat deze een personenauto is. Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wet BPM, als aangehaald onder 2.5.3, is dan BPM verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto in Nederland van de weg. Op grond van artikel 12a van de Wet BPM wordt de hier bedoelde aanvang van het gebruik van de weg in Nederland als personenauto gesteld op het tijdstip van de tenaamstelling van de auto, tenzij degene op wiens naam het kenteken is gesteld aantoont dat en op welk tijdstip ná de tenaamstelling de auto in een zodanige staat is gebracht dat het een personenauto is.

2.6.3. Met hetgeen hij heeft aangevoerd heeft belanghebbende, tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur, naar het oordeel van het Hof niet aangetoond wanneer de stoelen in de auto zijn aangebracht. Mitsdien is niet aangetoond op welk tijdstip na de tenaamstelling de auto in een zodanige staat is gebracht dat het een personenauto is. Ingevolge artikel 12a, eerste lid, van de Wet BPM heeft dan als tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg in Nederland als personenauto te gelden het tijdstip van tenaamstelling van de auto.

2.6.4. De auto is op 19 juli 2001 tenaamgesteld. De auto was toen nieuw. Op grond van artikel 9, zevende lid, van de Wet is de BPM verschuldigd naar de catalogusprijs als ware het een personenauto op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, dat wil zeggen op 19 juli 2001. Tussen partijen is voor dat geval de door de inspecteur gehanteerde catalogusprijs niet in geschil.

2.6.5. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij erop mocht vertrouwen dat het zogeheten “herstelbeleid” in dit geval zou worden toegepast.

2.6.6. Het Hof verwerpt belanghebbendes stelling dat de heffing van BPM niet mogelijk is omdat de Staat reeds door naheffing van motorrijtuigenbelasting schadeloos is gesteld voor het plaatsen van de stoelen en de heffing van BPM moet worden aangemerkt als een strafmaatregel, nu deze stelling geen steun vindt in het recht.

2.6.7. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de inspecteur terecht en tot een niet te hoog bedrag BPM van belanghebbende heeft nageheven.

2.7. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht het Hof geen termen aanwezig.

3. De beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. M.E. van Hilten, voorzitter, D.B. Bijl en J.W. Zwemmer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M. van Bakel als griffier. De beslissing is op 29 mei 2007 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.