Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB1206

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
07-08-2007
Zaaknummer
04/3137
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BC9538, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BC9538
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende komt met het vliegtuig uit het buitenland, landt op Schiphol en neemt in zijn handbagage een kostbaar schilderij mee. Op de vraag van de douaneambtenaar of hij iets aan te geven heeft antwoordt belanghebbende ontkennend. Vervolgens wordt een proces-verbaal opgemaakt inzake een strafrechtelijk onderzoek, ingesteld tegen belanghebbende op verdenking van het binnenbrengen van goederen in de Gemeenschap zonder deze aan te brengen bij de douane of daarvan aangifte te doen. Het strafrechtelijk onderzoek is uiteindelijk met een transactie afgewikkeld.

Belanghebbende komt, na zijn door de inspecteur afgewezen bezwaar, in beroep bij de Douanekamer van het Gerechtshof. De Douanekamer overweegt o.a. als volgt:

6.9. Als overwogen in 6.2. moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende is

aangesproken in het groene kanaal. De inspecteur stelt zich op het standpunt - zie 5.3. -

dat, zo belanghebbende eigener beweging de ambtenaar had gemeld dat hij de

tekening welke zich in zijn handbagage bevond tijdelijk invoerde, deze mededeling als

vergunningaanvraag zou zijn behandeld en gehonoreerd. Als weergegeven onder 6.3.

neemt de Douanekamer als vaststaand aan dat belanghebbende de vraag of hij iets aan

te geven had, ontkennend heeft beantwoord. Zo in die vraag nog een

- buitenwettelijke - mogelijkheid besloten ligt om alsnog aangifte te doen, hetgeen

de inspecteur overigens heeft bestreden, heeft belanghebbende daarvan geen gebruik

gemaakt. Van enige andere uitlating van de kant van belanghebbende, waaruit zou

kunnen worden afgeleid dat hij een verzoek om vergunning voor de regeling tijdelijke

invoer met volledige vrijstelling van rechten wenste te doen, is voorts niet gebleken.

Zo belanghebbende bedoelt te stellen dat hem, na het binnentreden van de groene

doorgang, alsnog uitdrukkelijk de gelegenheid had moeten worden geboden om een

beroep te doen op de hier bedoelde vrijstellingsregeling, vindt zulks geen steun in het

recht. Ook op artikel 212bis van het CDW kan in dit verband niet met vrucht een

beroep worden gedaan, reeds omdat, naar de inspecteur terecht heeft gesteld, in het

onderhavige geval geen sprake is van de in deze bepaling bedoelde bijzondere

bestemmingen of vrijstellingen, nog daargelaten, of aan de overige voorwaarden van

deze bepaling is voldaan.

Voorzover belanghebbende zich te dezen op het standpunt stelt dat de inspecteur, door

hem niet de gelegenheid te geven alsnog een beroep op de vrijstellingsregeling te doen,

heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, faalt deze

stelling. Met hetgeen hij heeft aangevoerd heeft belanghebbende - tegenover de

betwisting door de inspecteur - niet aannemelijk gemaakt, dat de douaneambtenaren

hebben gehandeld in strijd met het beginsel van fair play, of dat sprake is van

willekeurig optreden. Evenmin is tegenover de betwisting door de

inspecteur aannemelijk gemaakt dat de ambtenaren hebben gehandeld in strijd met het

gelijkheidsbeginsel; voor wat betreft belanghebbendes verwijzing naar reizigers die

alsnog de gelegenheid krijgen zichtbaar door hen vervoerde accijnsgoederen aan te

geven, niet, omdat daarvan in casu geen sprake is, en voor wat betreft belanghebbendes

verwijzing naar de invoer van een viool niet, omdat belanghebbende dienaangaande

onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd.

6.10. Uit al het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende geen vergunning had de

tekening met toepassing van de regeling tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten

in te voeren. Reeds hierom kan de tekening niet met toepassing van die regeling

worden ingevoerd.

Bovendien is ook aan de materiële vereisten voor toepassing van de vrijstelling

als bedoeld in artikel 578, aanhef en onderdeel a, UCDW niet voldaan, aangezien

belanghebbende ten tijde van het binnenbrengen niet te kennen heeft gegeven dat

de tekening binnen drie maanden zou worden wederuitgevoerd, en zulks ook niet is

gebeurd. Integendeel, de tekening bevond zich op het tijdstip van de nadere

mondelinge behandeling, dat wil zeggen meer dan drie jaren na het binnenbrengen

daarvan, nog steeds hier te lande, zonder dat van enig beletsel voor wederuitvoer

is gebleken.

(...).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/3137 DK

de dato 19 juni 2007

1. De procedure

1.1. Op 12 augustus 2004 is bij de douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van A van B N.V. te C, aangevuld bij brief van 29 november 2004. Het beroep is ingediend namens X te Y, belanghebbende en is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P/ kantoor p (hierna: de inspecteur) van 30 juni 2004, nr. xxxx inzake de aan belanghebbende uitgereikte uitnodiging tot betaling van 25 juni 2003, nr. xxxx, waarbij van belanghebbende een bedrag van € 17.239,56 aan omzetbelasting werd geheven. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Het beroep is bij brieven van belanghebbende van 29 november en 9 december 2004 aangevuld. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht geheven van € 136. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 30 mei 2006. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigden D, E en F, alsmede namens de inspecteur G en H. Partijen hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Douanekamer en aan de wederpartij. De inspecteur heeft de gelegenheid gehad zich uit te laten over de door belanghebbende bij zijn pleitnota overgelegde bijlagen. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s en vermelde bijlagen tot de stukken van het geding.

1.4. De Douanekamer heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. In dat verband heeft op 29 juni 2006 een onderzoek ter plaatse in de zin van artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) plaatsgevonden op de luchthaven Schiphol, aankomsthal 1, bij de uitgang welke zich bevindt tussen de bagagebanden 2 en 4. De griffier heeft van dit onderzoek ter plaatse een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is toegezonden.

1.5. Desgevraagd heeft de inspecteur bij brief van 7 september 2006 gegevens verstrekt omtrent verbouwingen in aankomsthal 1 van de luchthaven Schiphol.

Op 10 en 12 oktober 2006 is namens belanghebbende een nadere schriftelijke reactie met bijlagen ingediend.

1.6. Bij brief van 8 december 2006 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend, welke de Douanekamer tot de gedingstukken rekent.

1.7. Een nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de Douanekamer van 19 december 2006. Aldaar zijn toen verschenen belanghebbende en zijn gemachtigden D en de heer E voornoemd, alsmede, namens de inspecteur G voornoemd en G1.

Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Douanekamer en aan de wederpartij. De inspecteur heeft een pleitnota en een aanvullende pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Douanekamer en aan de wederpartij.

De Douanekamer heeft daarop het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende woont te Y en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is op 16 juni 2003 vanuit L (L1) met vlucht KL …aangekomen op de luchthaven Schiphol. In zijn handbagage bevond zich een tekening van I, voorstellende een landschap met windmolen en andere gebouwen (verder: de tekening). Belanghebbende had de tekening op 25 januari 2002 voor een bedrag van $ 335.750 gekocht op de veiling van J in K (K1).

2.2. Douaneambtenaar H heeft, door de L1 douaneautoriteiten op de luchthaven te L geïnformeerd dat belanghebbende zich op 16 juni 2003 op vlucht KL …. bevond met een tekening van I in zijn bagage, welke tekening voor definitieve uitvoer uit L1 was aangegeven, belanghebbende aangesproken.

2.3. Tot de stukken van het geding behoort een door de ambtenaren M. en H op ambtseed en N op belofte opgemaakt, door belanghebbende ondertekend, handgeschreven proces-verbaal van verhoor van belanghebbende van maandag 16 juni 2003, omstreeks 9:30 uur, waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“ Waarom heeft u de tekening niet aangegeven?

omdat het naar Nederland komt voor restauratie.

Waar komt de tekening oorspronkelijk vandaan?

Uit K1.

Het tekeningetje gaat naar dhr O van het xxx., onderdeel van het N, in Y.

Zou u na restauratie het schilderij terugbrengen?

Nee, omdat het niet bekend is hoelang de restauratie zal gaan duren.

Wie is de eigenaar?

Het is van iemand in K1 ik weet niet wie.

Waar heeft u het schilderij opgehaald?

Ik heb het van de firma Q AG in L in L1 in ontvangst genomen.

Doet u dit vaker?

Nee dit is de eerste keer.

Door wie bent u benaderd om dit schilderij naar Nederland te brengen?

Is dit van belang, ik heb mijn verhaal verteld

U heeft in de balie verteld dat u de tekening had gekocht?

Nee dat is niet waar. U heeft alleen gevraagd wat de waarde is.

U heeft mij verklaard de tekening al geruime tijd geleden te hebben gekocht?

Dat heb ik gezegd dat het voorwerp al geruime tijd geleden is gekocht en dat het hier gerestaureerd moet worden. (…)”.

Voorts is in het proces-verbaal nog een verklaring van belanghebbende opgenomen dat hij niet op de hoogte is van de regels van tijdelijke invoer.

Het verhoor is om 10.00 uur beëindigd.

2.4. Tot de stukken van het geding behoort een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 2 juli 2003, waarin op 16 juni 2003 in het stationsgebouw te Schiphol dienstdoende douane-ambtenaren onder meer als volgt verklaren:

“(…) Op plaats en tijdstip voornoemd (Douanekamer:luchthaven Schiphol, 16 juni 2003, omstreeks 9.00 uur) zag ik, verbalisant H, dat een manspersoon (…) de aankomsthal op Schiphol via de zgn. groene doorgang wilde verlaten. Op mijn vraag of hij iets aan te geven had, antwoordde hij “Nee, niets”. Vervolgens heb ik de man de volgende vragen gesteld:

(…)

Vraag: “heeft u sigaretten of alcohol bij u?”

Antwoord: “Nee”.

Door mij werd verzocht om de meegevoerde bagage, bestaande uit een zgn. kledingtas welke dubbelgevouwen wordt gedragen, op een visitatiebalie te plaatsen en te openen. (…) Bij de daaropvolgende visitatie werd door mij, verbalisant, naast persoonlijke kleding, een ingelijste tekening aangetroffen, verpakt in doorzichtig plastic. Hoewel de wijze van verpakken afwijkend was van die welke door de L1 was aangegeven, zag ik dat op de achterzijde van de lijst onder meer een tekst waaruit bleek dat deze tekening een I zou zijn. (…)

Vervolgens heb ik , verbalisant H, de man gevraagd:

Vraag: “Heeft u de tekening deze reis gekocht?”

Antwoord: “Nee, al geruime tijd geleden”.

Vraag: “Wat heeft u ervoor betaald?”

Antwoord: “Dat weet ik niet meer”

(…)”

2.5. In een door de FIOD-ECD, kantoor px, opgemaakt proces-verbaal inzake een strafrechtelijk onderzoek, ingesteld tegen belanghebbende op verdenking van het binnenbrengen van goederen in de Gemeenschap zonder deze aan te brengen bij de douane of daarvan aangifte te doen, is over de gang van zaken in de aankomsthal onder meer het volgende vermeld:

“Op maandag 16 juni is (Douanekamer: belanghebbende) vanuit L, L1, met KLM-vlucht KL …. binnengekomen op de luchthaven Schiphol. Op dezelfde datum omstreeks 09.00 uur wilde hij de aankomsthal van de luchthaven Schiphol verlaten via de zogenaamde “groene doorgang” (niets aan te geven).” Daar werd (Douanekamer: belanghebbende) door een douaneambtenaar, H, aangesproken met de vraag

of hij iets aan te geven had, waarop hij antwoordde: “nee, niets”.

Het strafrechtelijk onderzoek is uiteindelijk met een transactie (betaling door belanghebbende van een bedrag groot € 8.619) afgewikkeld.

2.6. Met dagtekening 25 juni 2003 heeft de inspecteur de in geschil zijnde uitnodiging tot betaling vastgesteld. Daarin is, voorzover van belang, het volgende vermeld:

“Dit is een uitnodiging tot betaling op grond van artikel 202 van de

Verordening EEG (2913/92) van de Raad. U bent totaal aan rechten

verschuldigd:

(...)

Omzetbelasting: € 17239,56

(...)”.

2.7. Nadat belanghebbende de uitnodiging tot betaling had betaald, is de tekening naar het xxx. in Y gebracht, waar deze is bekeken en beschreven. Daarna is de tekening door de directeur van R B.V. meegenomen naar S en daar in de kluis gelegd. De tekening bevindt zich daar op de datum van de nadere zitting nog steeds.

2.8. Tot de stukken van het geding behoort een ongedateerde brief van T, Head of Old Master Drawings van J in K aan belanghebbende, waarin hij met betrekking tot de tekening het volgende verklaart:

“(..) My recollection of the discussions that we had regarding the condition, and possible restoration, of your I drawing is as follows. Around the time you bought it from us, in K in January 2002, and also subsequently, we discussed the drawing several times; we agreed that it needed restoration, and that this should probably be carried out at one of the major museums in K, but that it would be (…) advisable also to seek advice from other experts and restorers, including those at the N, Y, before proceeding. (..)”

2.9. Bij een tot de gedingstukken behorende brief van 13 juli 2003 heeft U van de K University belanghebbende geschreven over het restauratieplan van de tekening, waarover belanghebbende en U – zo wordt in de brief gereleveerd – in 2002 en 2003 diverse malen hebben gesproken. In deze brief schrijft U voorts dat V, conservatrice bij de W te K, de restauratie van de tekening graag op zich wil nemen in het atelier van het Z.

2.10. Belanghebbende heeft voorts overgelegd:

- een afdruk van een e-mail van 9 juli 2003 van A1, Associate Curator, afdeling Prenten, van het B1 te K, waarin wordt bevestigd dat belanghebbende en hij sinds de aankoop door belanghebbende van de tekening in januari 2002 hebben gesproken over mogelijke restauratie van de tekening in het B1.

- Een brief van 14 juli 2003 van C1, agents & dealers in fine paintings, te L waarin wordt verklaard:

“…I confirm that some months ago you instructed our Gallery to handle the incoming I (…) which you would bring temporarily to the N for a condition report, after which it would immediately come back to our art shippers Q in H, for me to have a look at it as a dealer (…) The drawing would then immediately be shipped bank to K through Q, where the actual specialised restoration would take place as planned (…)”

- Een brief van 8 november 2005 van O aan belanghebbende, waarin, voorzover van belang, het volgende is vermeld:

“Naar aanleiding van de vraag in juni 2003 om mijn bevindingen over het in het B1 in K te restaureren landschap van I op papier te zetten en de vraag nu om de normale werkwijze te verduidelijken het volgende.

(...)

Voordat je aan een risicovolle restauratie begint (...), is het normaal om aan verschillende

deskundigen goede analyses te vragen (...) voordat degene die daadwerkelijk de restauratie zal

uitvoeren een restauratieplan opstelt (...). Zo ook bij deze tekening.

Toen je mij vroeg of ik mijn langjarige expertise wilde geven om tot een restauratieplan

te komen, heb ik ja gezegd (...) onder de voorwaarde dat de I-tekening daarvoor naar

Nederland zou komen (...). Daarvoor moest de tekening dus heen en weer komen vanuit K waar je hem kocht (...).

Het op basis hiervan opgestelde conditierapport zou ik verder met degene die de restauratie

daarna ging uitvoeren in het B1 verder bespreken zodra de tekening daar

weer zou zijn gearriveerd na mijn expertise. Daar is het door al het gedoe nog niet van

gekomen (...)”.

2.11. Bij brief van 1 september 2006 heeft de manager service centre & permits van

Amsterdam Airport Schiphol verklaard dat in of rond 16 juni 2003 zich geen

projecten of werkzaamheden in reclaim 1, aankomst of ook wel aankomst zuid,

reclaimhal zuid hebben afgespeeld; dat in 2003 een verbouwing heeft

plaatsgevonden in aankomsthal 1, bestaande uit het aanbrengen van klaphekjes ter

afsluiting van de beschermde area’s voor de deuren naar de bagagehal, het plaatsen

van CCTV camera’s bij elke uitgang naar de aankomsthal en het plaatsen van

terugloopdeuren. Deze verbouwing is – zo wordt in de brief verklaard – in maart 2003

gereedgekomen. Verder is in de brief vermeld dat de terugloopdeuren er al waren op

16 juni 2003 en dat sinds 16 juni 2003 “behoudens wat kleine wijzigingen er geen

grote veranderingen (zijn) aangebracht of geweest welke van invloed zijn geweest op

bouwtechnische aspecten”.

2.12. Tot de stukken behoort een faxbericht van de Manager Terminal Ontwikkeling

en Projecten van Amsterdam Airport Schiphol van 27 november 2003, waarin onder

meer het volgende is vermeld:

“(...) De 3 poortjes in reclaimhal 1 zijn uiterlijk februari 2003 in hun huidige vorm in

gebruik genomen. Daarbij moet worden aangevuld, dat de linker poort (...) die tijdens

piekperioden als extra “groene doorgang” wordt opengesteld, uiterlijk mei 2003 in gebruik

is genomen, in combinatie met een extra bord “Nothing to declare/Niets aan te geven.”.

Recentelijk, in oktober 2003, zijn uitsluitend de screens van de bedoelde borden in

reclaimhal 1vervangen door nieuwe, duidelijker leesbare screens (...)”.

2.13. Tot de stukken behoort voorts een aan belanghebbende gerichte brief van een

medewerker van R B.V. van 26 november 2003, welke, voorzover van belang, luidt als volgt:

“Zoals gevraagd heb ik de situatie in de “oude” aankomsthal bekeken en naar folder-

en/of beschikbaar fotomateriaal gezocht. De uitgang op zich is niet veranderd in de

afgelopen jaren, zoals de balies en de automatische deuren. Het enige, dat niet zo lang

geleden is veranderd, zijn de borden m.b.t. de uitgangen voor “aan te geven goederen”

en “geen goederen aan te geven”. Tegenwoordig zijn die borden verlicht terwijl deze

vroeger op hout geschilderd waren. Qua afmetingen en duidelijkheid moet ik zeggen,

dat de nieuwe borden niet veel afwijken van de oude borden. Helaas heb ik geen foto-

materiaal van de douaneaankomst-balies kunnen vinden in de diverse folders.”.

2.14. Belanghebbende heeft een drietal schriftelijke verklaringen overgelegd,

namelijk van zijn echtgenote, zijn moeder en zijn zuster, alle gedateerd in oktober

2006, waarin ieder van hen aangeeft dat de staat en de inrichting van aankomsthal 1,

tussen de bagagebanden 2 en 4, nu niet hetzelfde zijn in vergelijking met juni 2003.

Belanghebbendes echtgenote verklaart daarbij met name dat de plek waar de borden

“nothing to declare” hangen en het feit dat ze nu verlicht zijn, anders is. De zuster van

belanghebbende verklaart dat zij in het weekend van 16 augustus 2003 foto’s heeft

gemaakt van de uitgang in aankomsthal 1.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur de uitnodiging tot betaling terecht heeft vastgesteld.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende is primair van mening dat de tekening niet op onregelmatige wijze is binnengebracht en dat daarom ten onrechte belasting van hem is geheven.

Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de weergave van de gang van zaken door de inspecteur onjuist is en dat de feitelijke gang van zaken na aankomst op Schiphol als volgt was: hij verklaart dat een douaneambtenaar naar hem toegekomen is toen hij zich in een rij reizigers bevond die wachtte voor de rode/groene doorgang, en dat hij door deze douaneambtenaar is aangesproken vóórdat hij zich in het groene kanaal op de luchthaven begaf, dat hem toen gevraagd is of hij sigaretten meevoerde, dat hij op die vraag ontkennend heeft geantwoord en toen uit eigen beweging heeft verklaard een waardevolle tekening bij zich te hebben, bestemd voor analyse door het N. De verklaringen van de ambtenaar H zijn niet eenduidig, en vormen een onvoldoende basis voor de door de inspecteur geproduceerde weergave van de feiten.

Het proces-verbaal van 2 oktober 2003 bevat een bijlage met dagtekening 14 oktober 2003, waaruit van slordigheid dan wel valsheid in geschrifte kan blijken.

Belanghebbende biedt aan onder ede te verklaren (aanvullende eed) dat de feiten door hem juist zijn weergegeven.

4.2. Voorts meent belanghebbende dat de inspecteur de wettelijke bepalingen onjuist heeft toegepast. Van een onregelmatige invoer is in casu geen sprake. De gezagvoerder van het vliegtuig waarmee belanghebbende reisde heeft summiere aangifte gedaan, waarna de zich aan boord van het vliegtuig bevindende goederen in tijdelijke opslag waren. Van het ontstaan van een douaneschuld op grond van artikel 202 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) kan geen sprake meer zijn. Belanghebbende heeft voorts niet een handeling verricht als bedoeld in artikel 233 van de Uitvoeringsverordening CDW (hierna: UCDW), immers hij is de groene, noch de rode doorgang gepasseerd, maar is vóór deze doorgangen aangesproken. Het gesprek met de douaneambtenaar kan een mondelinge aangifte in de zin van artikel 201 van het CDW zijn geweest.

Artikel 234 UCDW leent zich niet voor toepassing op een luchthaven, doch werkt alleen aan een echte buitengrens.

4.3. Anders dan de inspecteur stelt, is wél terstond een beroep gedaan op de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling. Dat is gebeurd tijdens het gesprek met de ambtenaar. Belanghebbende heeft nooit zelf douaneformaliteiten vervuld in verband met internationaal vervoer van kunstwerken. Als zijn kunstwerken vervoerd werden, geschiedde dat door tussenkomst van anderen. Belanghebbende had voorts – anders dan de inspecteur stelt – wel de intentie om de tekening na analyse te laten restaureren in K.

4.4. De regeling tijdelijke invoer is van toepassing, zelfs als eerst na het passeren van het groene kanaal de tekening gevonden zou zijn (quod non). Dat blijkt uit de uitspraak van de TC van 20 februari 2001, nr. 0030/2000 TC. Als al aangifte voor het vrije verkeer zou zijn gedaan, zou dat bij vergissing zijn geweest en had op grond van artikel 251 UCDW de aangifte kunnen worden gewijzigd.

4.5. Van een onttrekking in de zin van artikel 203 van het CDW juncto artikel 18, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968) is geen sprake. De douane heeft immers niet het toezicht over c.q. de toegang tot de tekening verloren, ook niet tijdelijk.

Ter zitting van 30 mei 2006 heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven, nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd:

- De ruimte in het groene kanaal was in 2003 kleiner dan tegenwoordig. De door de inspecteur overgelegde

foto’s geven niet de situatie weer zoals die in juni 2003 was. Sindsdien heeft namelijk een verbouwing plaatsgevonden.

- De ambtenaar die in juni 2003 het verhoor afnam wist dat de tekening slechts tijdelijk in Nederland zou zijn. Daar is uitgebreid over gesproken. De verklaring is anders weergegeven. Het was naïef om het

proces-verbaal te tekenen ondanks de onzuiverheden in de weergave van de verklaring.

- Bestreden wordt dat belanghebbende zich in het groene kanaal bevond toen hij werd aangesproken.

Gebruik van de regeling tijdelijke invoer wordt in andere gevallen nog wel toegestaan indien men zich in het

groene kanaal bevindt. Mij is een voorbeeld van een viool bekend. Ik doe een beroep op het

gelijkheidsbeginsel.

- Ik was in L1 en het leek wel zo efficiënt de tekening meteen mee te nemen. Meestal gaat in dergelijke

gevallen een museummedewerker mee.

4.6. Ter zitting van 19 december 2006 heeft belanghebbende nog het volgende – zakelijk weergegeven – verklaard:

- Ik ben in deze raadkamer lang geleden als advocaat beëdigd. In een andere zaal ben ik nog anderszins

beëdigd. Er kan niet aan worden getwijfeld dat ik over de feitelijke toedracht de waarheid heb gesproken.

- Ik toon u een foto van een bord zoals dat bij het groene kanaal hangt, met de regels voor de invoer; dat bord is niet duidelijk.

- F1 van de Belastingdienst Douane heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift gezegd dat zij geloofde dat de tekening terug zou gaan naar K.

- De tekening was zwaar beschadigd, kon absoluut niet zomaar aan de muur worden

opgehangen. Restauratie was een risicovolle activiteit; daarom heb ik mij door

experts laten voorlichten. De heer O heeft exact aangegeven wat er zou

gaan gebeuren.

- Deze feiten zijn keer op keer aan de inspecteur voorgehouden, zonder dat hij zijn

standpunt wilde wijzigen. De inspecteur mag zo niet omgaan met feitelijkheden.

- Het spijt mij oprecht dat de zaak zo is gelopen; ik was onvoldoende op de hoogte

van de geldende douaneregelingen. Maar ik heb steeds te goeder trouw gehandeld.

Ik laat mij door niemand aanpraten dat ik gesmokkeld heb.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De algemene regel voor het aanbrengen van goederen van artikel 40 van het CDW geldt ingevolge artikel 41 van het CDW niet voor reizigersbagage. Indien een passagier met zijn bagage door het groene kanaal gaat, dan geldt ingevolge artikel 234 van de UCDW de fictie dat de bagage geacht wordt bij de douane te zijn aangebracht. Als dan bij controle blijkt dat zich in de bagage goederen bevinden die niet op de wijze bedoeld in artikel 233 van de UCDW hadden mogen worden aangegeven, worden zij geacht onregelmatig te zijn binnengebracht (artikel 234, tweede lid, van de UCDW). De reiziger wordt door deze fictie aangewezen als degene die de goederen onregelmatig heeft binnengebracht. De visie dat de gezagvoerder de goederen bij de douane aanbrengt is onjuist. In dit geval heeft de gezagvoerder géén summiere aangifte gedaan van de bagage van de passagiers. Er is geen luchtvaartmanifest van de vlucht waarmee belanghebbende naar Nederland reisde.

5.2. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van het groene kanaal. Hij is in dat kanaal, dus ná het bord “niets aan te geven” gecontroleerd. Aan de verklaringen van de ambtenaar H, die duidelijk en eenduidig zijn, kan niet worden voorbijgegaan.

De dagtekening van de bijlage bij het proces-verbaal van 2 oktober 2003 is onjuist, maar die slordigheid brengt nog niet mee dat aan de inhoud moet worden getwijfeld.

Betwist wordt dat belanghebbende is aangesproken en gecontroleerd voordat hij bij het groene kanaal kwam. De tekening is op onregelmatige wijze binnengebracht. De tekening voldoet niet aan de voorwaarden als gesteld bij artikel 230, onderdeel a, van de UCDW, evenmin is sprake van een terugkerend goed. Nu belanghebbende in Nederland woonachtig is, is het niet mogelijk de goederen voor tijdelijke invoer aan te geven door middel van gebruikmaking van het groene kanaal. Op grond van artikel 202 van het CDW ontstaat dan een douaneschuld, op grond van de artikelen 1 jo. 18 van de Wet OB 1968 een omzetbelastingschuld.

Het verwijt dat onvoldoende onderzoek naar de feitelijke situatie van het groene kanaal is gedaan, is van iedere grond ontbloot, en bovendien pas in een late fase van de procedure naar voren gebracht. Van handelen in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake.

5.3. Als belanghebbende een aangifte voor de douaneregeling tijdelijke invoer had willen doen, had hij de douane – gelet op de artikelen 84 en 85 juncto 138 van het CDW – vooraf een vergunning moeten vragen. Indien hij voor het rode kanaal gekozen had, dan wel uit eigen beweging naar de douane was toegegaan met de mededeling dat sprake was van tijdelijke invoer, had dat ook nog gekund. Belanghebbende is echter niet eigener beweging naar de douane toegegaan. De regeling van artikel 212bis van het CDW op grond waarvan ook ingeval van onregelmatige invoer een beroep op een begunstigende verrichting kan worden gedaan, geldt niet voor de schorsingsregelingen, waaronder die voor tijdelijke invoer.

5.4. Gezien de bijlagen bij het beroepschrift had belanghebbende hooguit het plan opgevat om de tekening te restaureren, hetgeen misschien in K1 zou plaatsvinden. Die plannen waren echter niet concreet. Betwist wordt dat belanghebbende tegenover de ambtenaren zou hebben verklaard dat de tekening alleen tijdelijk zou worden ingevoerd. Voorts wordt betwist dat belanghebbende niet op de hoogte was van formaliteiten bij invoer. Redelijkerwijs kan van een advocaat als belanghebbende wiens kantoor zich profileert als deskundig op het gebied van internationaal recht en die bovendien kunstkenner is, worden gezegd dat hij had moeten weten dat voor de invoer of tijdelijke invoer van een kunstvoorwerp van aanzienlijke waarde stappen naar de douane moeten worden gemaakt.

Het ligt in de rede ervan uit te gaan dat belanghebbende de kostbare tekening na restauratie aan zijn verzameling wilde toevoegen. Van een vergissing is geen sprake.

5.5. Artikel 237 van het CDW ziet op een verzoek naar aanleiding van een ongeldig gemaakte aangifte. Daarvan is in casu geen sprake. Artikel 237 is dan ook niet van toepassing.

6. De rechtsoverwegingen

De situatie van het groene kanaal

6.1. Gelet op het op 29 juni 2006 uitgevoerde onderzoek ter plaatse, de verklaringen van

de zijde van de luchthaven als weergegeven in 2.11. en 2.12., en de verklaring van een

medewerker van R B.V., bedoeld in 2.13, is de Douanekamer van

oordeel dat in en om het groene kanaal na de dag van aankomst van belanghebbende op

de luchthaven, 16 juni 2003, slechts wijzigingen van ondergeschikt belang hebben

plaatsgevonden, te weten de vervanging en verduidelijking van de screens van de

borden “Nothing to declare/Niets aan te geven”. Aan deze stellige, duidelijke en

gespecificeerde verklaringen kent de Douanekamer meer gewicht toe dan aan de

verklaringen op dit punt van belanghebbende, en de sub 2.14. bedoelde verklaringen van

de moeder, de zuster en de echtgenote van belanghebbende, waarin slechts in algemene

bewoordingen van verschillen melding wordt gemaakt.

Aan dit oordeel doet niet af dat project- en bouwtekeningen van de wijzigingen niet

meer voorhanden zijn.

Dat de plaats waar de groene doorgang (ook aangeduid als het groene kanaal) aanvangt,

niet voldoende duidelijk zou zijn geweest, is - tegenover de gemotiveerde weerspreking

van die stelling door de inspecteur – niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden.

Hetzelfde geldt voor belanghebbendes stelling dat de inspecteur te dezen onvoldoende

onderzoek heeft verricht.

De plaats waar belanghebbende door de ambtenaar is aangesproken

6.2. De douaneambtenaar H verklaart in het sub 2.4. bedoelde, op ambtseed

opgemaakte proces-verbaal, dat hij zag dat een manspersoon - belanghebbende - de

aankomsthal wilde verlaten via de zogenaamde groene doorgang. Die verklaring sluit

- anders dan belanghebbende heeft betoogd - geenszins uit dat belanghebbende zich op

dat moment reeds in die groene doorgang, die deel uitmaakt van de aankomsthal,

bevond.

Uit de verklaringen die de ambtenaar H nadien heeft afgelegd, tegenover de

inspecteur en ter zitting, blijkt dat dit inderdaad de strekking van zijn verklaring in het

proces-verbaal was, en bovendien dat de gangbare praktijk op de luchthaven Schiphol is,

dat personen die zich naar het groene kanaal begeven, eerst worden aangesproken, nadat

zij de groene doorgang zijn binnengegaan.

De Douanekamer heeft geen reden te twijfelen aan de door H afgelegde

verklaringen. Hetgeen belanghebbende dienaangaande heeft aangevoerd geeft geen

aanleiding anders te oordelen, en rechtvaardigt in genen dele zijn stelling, dat in dezen

sprake zou zijn geweest van de zogenoemde “tunnelvisie”. Er moet dan ook in dit

geding van worden uitgegaan dat belanghebbende het groene kanaal is binnengegaan en

aldaar door de ambtenaar H is aangesproken.

De door de ambtenaar gestelde vragen en de door belanghebbende gegeven

antwoorden

6.3. In het sub 2.4. bedoelde proces-verbaal is vermeld dat de ambtenaar H aan

belanghebbende de vraag heeft gesteld of hij iets had aan te geven, en dat

belanghebbende die vraag ontkennend heeft beantwoord.

Deze lezing van de gebeurtenissen komt overeen met hetgeen H nadien

tegenover de inspecteur en ter zitting heeft verklaard, en met de - volgens de

geloofwaardige lezing van de inspecteur - op de luchthaven Schiphol gebruikelijke gang

van zaken. De Douanekamer heeft ook in dit opzicht geen reden aan de door H

afgelegde verklaringen te twijfelen. De Douanekamer neemt in dit verband mede in

aanmerking dat een en ander strookt met belanghebbendes sub 2.3. aangehaalde en door

hem ondertekende verklaring.

De omstandigheid dat in de sub 2.3. bedoelde, handgeschreven versie van het

proces-verbaal deze vraag en dit antwoord niet naar de letter vermelden, geeft geen

aanleiding anders te oordelen, te meer niet nu in deze verklaring vastligt dat hij de

tekening niet heeft aangegeven.

De dagtekening van de bijlage bij het proces-verbaal van 2 oktober 2003 (AH-05, een

toelichting op de regeling “Tijdelijke invoer”) leest de Douanekamer als een kennelijke

vergissing, die aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van H geen

afbreuk doet. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld, doet daaraan niet af.

Aanvullende eed

6.4. Belanghebbende heeft aangeboden bij wege van aanvullende eed te bevestigen dat

zijn lezing van de feiten juist is. Nu zulks zou neerkomen op het horen van een partij als

getuige in zijn eigen zaak, waarvoor in belastingzaken geen wettelijke voorziening

bestaat (vgl. HR 17 juni 1992, nr. 27 048, BNB 1992/295*), wijst de Douanekamer dit

aanbod af.

Toepassing regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling

6.5. Ingevolge artikel 18, derde lid, van de Wet OB 1968, gelezen in samenhang met

artikel 61 van Richtlijn 2006/112/EG (tot 1 januari 2007 artikel 7, derde lid, Zesde

richtlijn), vindt geen invoer plaats indien goederen bij binnenkomst hier te lande

worden gebracht onder - voorzover hier van belang - de douaneregeling tijdelijke

invoer, op grond van welke regeling goederen, welke bestemd zijn om in ongewijzigde

staat te worden wederuitgevoerd, met vrijstelling van douanerechten in de

Gemeenschap kunnen worden gebruikt. Voor het gebruik van de hier bedoelde regeling

is ingevolge de artikelen 84 en 85 juncto 138 van het CDW een vergunning nodig. De

gevallen waarin, c.q. de voorwaarden waaronder, tijdelijke invoer met voorwaardelijke

vrijstelling wordt toegestaan, zijn opgenomen in de artikelen 555 tot en met 578 van de

UCDW.

6.6. Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld dat bij hem steeds de bedoeling heeft

voorgezeten de tekening, na restauratieadvies hier te lande, weder uit te (doen) voeren

naar K1.

Naar de Douanekamer begrijpt doet belanghebbende met betrekking tot de door hem

gestelde tijdelijke invoer van de tekening een beroep op artikel 578 UCDW, op grond

van welke bepaling volledige vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend,

wanneer andere dan de in de artikelen 556 tot en met 577 genoemde goederen, of

goederen die niet aan de voorwaarden van deze artikelen voldoen, (a) incidenteel en

voor een periode van ten hoogste 3 maanden worden ingevoerd, of (b) worden

ingevoerd in bijzondere omstandigheden die geen economische gevolgen hebben.

6.7. De Douanekamer stelt voorop dat gesteld noch gebleken is dat zich in casu de

situatie voordoet van artikel 578, aanhef en onderdeel b, UCDW. Met betrekking tot de

in artikel 578, aanhef en onderdeel a, UCDW bedoelde vrijstelling overweegt de

Douanekamer als volgt.

6.8. Voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van

rechten is een vergunning vereist. Ingevolge artikel 497, derde en vijfde lid, van de

UCDW kan een aanvraag voor een vergunning voor deze regeling worden gedaan door

middel van een mondelinge aangifte voor tijdelijke invoer overeenkomstig artikel 229

van de UCDW - dat wil voor het onderhavige geval zeggen: wanneer de

douaneautoriteiten dit toestaan - op vertoon van een overeenkomstig artikel 499, derde

alinea, UCDW opgesteld document. Vast staat dat belanghebbende niet over een

dergelijk document beschikte.

6.9. Als overwogen in 6.2. moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende is

aangesproken in het groene kanaal. De inspecteur stelt zich op het standpunt - zie 5.3. -

dat, zo belanghebbende eigener beweging de ambtenaar had gemeld dat hij de

tekening welke zich in zijn handbagage bevond tijdelijk invoerde, deze mededeling als

vergunningaanvraag zou zijn behandeld en gehonoreerd. Als weergegeven onder 6.3.

neemt de Douanekamer als vaststaand aan dat belanghebbende de vraag of hij iets aan

te geven had, ontkennend heeft beantwoord. Zo in die vraag nog een

- buitenwettelijke - mogelijkheid besloten ligt om alsnog aangifte te doen, hetgeen

de inspecteur overigens heeft bestreden, heeft belanghebbende daarvan geen gebruik

gemaakt. Van enige andere uitlating van de kant van belanghebbende, waaruit zou

kunnen worden afgeleid dat hij een verzoek om vergunning voor de regeling tijdelijke

invoer met volledige vrijstelling van rechten wenste te doen, is voorts niet gebleken.

Zo belanghebbende bedoelt te stellen dat hem, na het binnentreden van de groene

doorgang, alsnog uitdrukkelijk de gelegenheid had moeten worden geboden om een

beroep te doen op de hier bedoelde vrijstellingsregeling, vindt zulks geen steun in het

recht. Ook op artikel 212bis van het CDW kan in dit verband niet met vrucht een

beroep worden gedaan, reeds omdat, naar de inspecteur terecht heeft gesteld, in het

onderhavige geval geen sprake is van de in deze bepaling bedoelde bijzondere

bestemmingen of vrijstellingen, nog daargelaten, of aan de overige voorwaarden van

deze bepaling is voldaan.

Voorzover belanghebbende zich te dezen op het standpunt stelt dat de inspecteur, door

hem niet de gelegenheid te geven alsnog een beroep op de vrijstellingsregeling te doen,

heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, faalt deze

stelling. Met hetgeen hij heeft aangevoerd heeft belanghebbende - tegenover de

betwisting door de inspecteur - niet aannemelijk gemaakt, dat de douaneambtenaren

hebben gehandeld in strijd met het beginsel van fair play, of dat sprake is van

willekeurig optreden. Evenmin is tegenover de betwisting door de

inspecteur aannemelijk gemaakt dat de ambtenaren hebben gehandeld in strijd met het

gelijkheidsbeginsel; voor wat betreft belanghebbendes verwijzing naar reizigers die

alsnog de gelegenheid krijgen zichtbaar door hen vervoerde accijnsgoederen aan te

geven, niet, omdat daarvan in casu geen sprake is, en voor wat betreft belanghebbendes

verwijzing naar de invoer van een viool niet, omdat belanghebbende dienaangaande

onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd.

6.10. Uit al het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende geen vergunning had de

tekening met toepassing van de regeling tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten

in te voeren. Reeds hierom kan de tekening niet met toepassing van die regeling

worden ingevoerd.

Bovendien is ook aan de materiële vereisten voor toepassing van de vrijstelling

als bedoeld in artikel 578, aanhef en onderdeel a, UCDW niet voldaan, aangezien

belanghebbende ten tijde van het binnenbrengen niet te kennen heeft gegeven dat

de tekening binnen drie maanden zou worden wederuitgevoerd, en zulks ook niet is

gebeurd. Integendeel, de tekening bevond zich op het tijdstip van de nadere

mondelinge behandeling, dat wil zeggen meer dan drie jaren na het binnenbrengen

daarvan, nog steeds hier te lande, zonder dat van enig beletsel voor wederuitvoer

is gebleken.

Invoer

6.11. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet OB 1968, wordt, voorzover hier van

belang, als invoer van goederen aangemerkt het in Nederland brengen van goederen

die niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 (Douanekamer: thans

23 en 24) van het EG-verdrag en het in Nederland beëindigen van dan wel het in

Nederland onttrekken van goederen aan een douaneregime. Nu de tekening niet is

gebracht onder de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van rechten,

en gesteld noch gebleken is dat de tekening door belanghebbende in het groene

kanaal onder enig ander douaneregime als bedoeld in artikel 18, tweede lid,van de Wet

OB 1968 is gebracht, moet worden geoordeeld dat de tekening in Nederland is

ingevoerd in de zin van de artikelen 1, eerste lid, onderdeel d, en artikel 18, eerste lid,

van de Wet OB 1968.

Wijze van heffing/belastingschuldige

6.12. Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet OB 1968, welke bepaling in

overeenstemming moet worden geacht met artikel 10, derde lid, van de Zesde richtlijn

(sinds 1 januari 2007 artikel 71, tweede lid, van Richtlijn 2006/112/EG), zijn ter zake

van de heffing van omzetbelasting bij invoer de bepalingen van het CDW en de UCDW

van overeenkomstige toepassing. Met (overeenkomstige) toepassing van die bepalingen

dient derhalve te worden beoordeeld of belanghebbende terecht als belastingschuldenaar

is aangemerkt.

6.13. Krachtens artikel 59 van het CDW moet voor goederen die bestemd zijn om onder

een douaneregeling te worden geplaatst, aangifte tot plaatsing onder deze

douaneregeling worden gedaan. Ingevolge artikel 61, aanhef en onderdeel c, van het

CDW kan - indien daarin in de volgens de procedure van het Comité vastgestelde

bepalingen is voorzien – de douaneaangifte onder meer worden gedaan door middel van

enige andere handeling (dan mondelinge of schriftelijke aangifte) waarmee de houder

van de goederen de wens te kennen geeft deze onder een douaneregeling te plaatsen.

Voor goederen die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 230 tot en met 232

van de UCDW kan de handeling die als douaneaangifte wordt aangemerkt ingevolge

artikel 233, eerste lid, onderdeel a, eerste streepje, UCDW bestaan uit het gebruik van

het groene kanaal. De desbetreffende goederen worden dan ingevolge artikel 234 van de

UCDW geacht bij de douane te zijn aangebracht in de zin van artikel 63 van het CDW,

terwijl de aangifte geacht wordt te zijn aanvaard en de vrijgave van de goederen geacht

wordt te hebben plaatsgevonden op het tijdstip waarop - in casu - het groene kanaal

wordt gebruikt.

6.14. De onderhavige tekening voldoet niet aan de voorwaarden van de artikelen 230

tot en met 232 van de UCDW, omdat zij niet behoort tot één van de categorieën

goederen waarop deze bepalingen betrekking hebben. Gelet op het bepaalde in artikel

234, tweede lid, van de UCDW komt de Douanekamer tot het oordeel dat de tekening

geacht moet worden op onregelmatige wijze te zijn binnengebracht. Daarvoor is

- anders dan belanghebbende heeft aangevoerd - niet vereist dat de groene doorgang

geheel is doorlopen. De in artikel 233 van de UCDW gebezigde term “gebruik” biedt

voor die stelling geen steun. De stelling van belanghebbende dat artikel 234 van de

UCDW niet op een luchthaven kan worden toegepast, vindt naar het oordeel van de

Douanekamer geen steun in het recht en wordt mitsdien verworpen.

6.15. Uit hetgeen in 6.14 is overwogen, vloeit voort dat geen sprake is van een

douaneaangifte in de zin van het CDW en de UCDW. De door belanghebbende

aangevoerde, in artikel 251 van de UCDW neergelegde mogelijkheid tot wiiziging

van de aangifte, komt reeds daarom niet aan de orde. Ook belanghebbendes beroep op

artikel 237 van het CDW faalt om die reden.

6.16. Nu de tekening als overwogen sub 6.14. op onregelmatige wijze is binnengebracht,

moet, gelet op artikel 202, derde lid, van het CDW, gelezen in verbinding met artikel

22, eerste lid, van de Wet OB 1968 geoordeeld worden dat belanghebbende als degene

die de tekening heeft binnengebracht, terecht is aangesproken voor de ter zake van de

invoer verschuldigde omzetbelasting, waarvan het bedrag op zichzelf niet in geschil is.

Ten overvloede

6.17. De Douanekamer overweegt nog het volgende. Gelet op het

bepaalde in artikel 234 van de UCDW is er geen plaats voor de in de literatuur wel

verdedigde zienswijze dat het aanbrengen van de goederen - waaronder door passagiers

meegevoerde goederen - door de gezagvoerder geschiedt, waarna de goederen zich in

tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 50 van het CDW bevinden.

Daarbij verdient opmerking dat artikel 45 van het CDW erin voorziet dat voor door

reizigers ingevoerde goederen wordt afgezien van een summiere aangifte, en dat naar

de inspecteur gemotiveerd - onder overlegging van een ambtelijke verklaring van

douaneambtenaar F1 d.d. 9 februari 2005 - heeft gesteld, geen goederen van

vlucht KL …. - waarmee belanghebbende op 16 juni 2003 binnenkwam - door de

KLM (gezagvoerder) zijn aangegeven.

Indien, veronderstellenderwijs, van de zienswijze zou worden uitgegaan dat de tekening

zich na summiere aangifte in tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 50 van het CDW

bevond, dan zou zulks niet tot een voor belanghebbende gunstig resultaat leiden. Alsdan

zou immers moeten worden geoordeeld dat de tekening, na op regelmatige wijze te zijn

binnengebracht, niet meer behoefde te worden aangebracht, maar nog wel moest worden

aangegeven. Nu ervan moet worden uitgegaan dat dit laatste niet is geschied, is de

tekening in deze zienswijze onttrokken aan het douaneregime (te weten tijdelijke opslag

als bedoeld in vorengenoemd artikel 50 CDW; vgl. artikel 18, tweede lid, onderdeel a,

van de Wet OB 1968).

Door de tekening zonder aangifte voor het vrije verkeer mee te nemen van de plaats van

de tijdelijke opslag, met de tekening het groene kanaal te betreden en ontkennend te

antwoorden op de vraag of hij iets aan te geven had, heeft belanghebbende een situatie

tot stand gebracht waarin de bevoegde douaneautoriteiten - al was het maar tijdelijk -

geen toegang tot de tekening, die in de verborgenheid van de tas van belanghebbende

werd meegevoerd, hadden.

Die handelingen zijn als onttrekkingshandelingen aan te merken (Arrest van het HvJ

van 1 februari 2001, Wandel, C-66/99, Jurispr. blz. I-873, en van 11 juli 2002,

Liberexim, C-371/99, Jurispr. blz. I-6227). Hieraan doet niet af dat de komst van

belanghebbende door de L1 douane was gemeld, en dat de Nederlandse douane

naar hem uitkeek. Indien de hier geschetste zienswijze zou worden gevolgd, dan zou

moeten worden vastgesteld dat de tekening aan het douanetoezicht was onttrokken in de

zin van artikel 203 CDW jo. artikel 18, lid 1, aanhef en onderdeel c, in welk geval

belanghebbende evenzeer terecht zou zijn aangesproken voor de ter zake van (deze vorm

van) invoer verschuldigde omzetbelasting.

.

Conclusie

6.18. Het gelijk is aan de zijde van de inspecteur, zodat het beroep ongegrond dient te

worden verklaard.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten

als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 19 juni 2007 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. M.E. van

Hilten en mr. E.M. Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Grando,

griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in

geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de

Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het

volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in

cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de

proceskosten.