Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB1185

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2007
Datum publicatie
06-08-2007
Zaaknummer
23-001050-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsoverweging inzake witwassen. Verdachte heeft een groot geldbedrag (Euro 734.230,--) voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat dit geld - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 420bis, geldigheid: 2007-07-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-001050-05

datum uitspraak: 16 juli 2007

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 15 februari 2005 in de strafzaak onder parketnummer 15-134841-03 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 februari 2005 en op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen en reactie op standpunten van de verdediging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken:

-Verdachte heeft een bedrag van 734.230,- euro verpakt in cornflakes dozen en vervolgens in een koffer en een plastic zak.

-Dit bedrag bestond uit de navolgende coupures:

* 1819 biljetten van 10 euro;

* 3917 biljetten van 20 euro;

* 6464 biljetten van 50 euro;

* 1205 biljetten van 100 euro;

* 185 biljetten van 200 euro;

* 314 biljetten van 500 euro.

-Verdachte heeft dit in pakketten verpakte geldbedrag op 23 september 2003 aldus afgegeven aan [R] teneinde het door haar per vliegtuig op die dag vanaf Schiphol naar Suriname te laten brengen.

-[R] heeft van verdachte voorafgaand aan haar geplande vertrek opdracht gekregen de pakketten af te geven aan een haar onbekende persoon die haar op vliegveld Zanderij, Suriname, zou opwachten met een bordje met haar naam.

-[R] heeft na haar aanhouding op Schiphol vrijwillig afstand gedaan van het geld.

-Verdachte heeft verklaard voor deze verpakkingswijze te hebben gekozen opdat het geld niet op zou vallen. Hij heeft geen verdere afspraken met [R] over dit geld gemaakt en haar geen bewijs laten ondertekenen voor ontvangst.

-Het is een feit van algemene bekendheid dat Suriname en andere landen in Zuid Amerika landen zijn van waaruit grote hoeveelheden cocaïne naar Nederland en elders in Europa worden vervoerd, waartegenover in omgekeerde richting geldstromen staan om de met de verkoop ervan behaalde winsten daarheen te laten terugvloeien en dat voor beide activiteiten de luchthaven Schiphol wordt gebruikt.

-Verdachte drijft een onderneming genaamd “[…]” die zich onder meer bezig houdt met de handel in Surinaamse etenswaren en levensmiddelen, het geven van beleggings- en reisadviezen, de verkoop van vliegtickets en de verkoop van cosmetica en haarproducten. De onderneming heeft een nettowinst van rond de 35.000 euro per jaar.

Verdachte en getuige [B] hebben verklaard dat verdachte dit geld op verzoek van [B] naar Suriname heeft gezonden. Dit bedrag, vermeerderd met een bedrag dat verdachte heeft aangewend voor de aankoop van computers is op 2 september 2003 door verdachte op verzoek van [B] vanuit Suriname naar Nederland vervoerd, eveneens in contanten en in kartonnen dozen. Verdachte moest dit bedrag in Nederland wisselen in US dollars.

Omdat de ontwikkeling van de koers van de euro ten opzichte van de dollar niet gunstig was in de periode dat verdachte het geld onder zich had, heeft [B] op 15 september 2003 aan verdachte opdracht gegeven dit geld persoonlijk terug te brengen naar Suriname. Omdat verdachte geen tijd had dit te doen heeft hij bemiddeling gezocht van [R].

Het bedrag in deze lezing is afkomstig van het bedrijf [bedrijf T], dat voor rekening en verantwoording wordt gedreven door getuige [B] als directeur en vertegenwoordigster van [bedrijf H].

Het geld heeft derhalve volgens de verdachte een kenbare, legale herkomst.

Het hof hecht geen geloof aan de door verdachte geschetste gang van zaken, aangezien de risico’s verbonden aan transporten van grote bedragen contant geld, zoals verlies of diefstal, niet opwegen tegen het veiliger alternatief van overmaking per bank. Dat aan een dergelijke overmaking kosten zijn verbonden, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard, doet hier niet aan af.

Vervolgens is niet goed voorstelbaar, dat, indien verdachte het onder [R] in beslag genomen geld inderdaad van Suriname naar Nederland had gebracht, er geen afspraken zouden zijn gemaakt, zoals verdachte heeft verklaard, over een beloning voor verdachte, de vergoeding van zijn reiskosten en mogelijke andere kosten en aansprakelijkheid bij verlies of diefstal.

Andere redenen om verdachte niet te volgen in zijn lezing van de feiten zijn dat:

- Verdachte heeft verklaard dat hij bij de heenreis toen hij naar eigen zeggen het geld al bij zich had, op het vliegveld te Suriname het geld aan de douane heeft getoond en zo zou hebben mogen doorlopen, terwijl in Suriname een deviezenregeling van kracht is die dergelijke geldtransporten verbiedt;

- Eenmaal in Nederland aangekomen, verdachte geen enkele bank heeft benaderd om te onderzoeken aan welke vereisten en formaliteiten moest worden voldaan om een dergelijke hoeveelheid geld te kunnen wisselen, terwijl zijn kennis en ervaring op het gebied van geld wisselen, naar zijn zeggen, niet verder strekt dan het wisselen van geld voor vakantie;

- Uit politieonderzoek blijkt dat de koersontwikkeling van de Amerikaanse dollar, anders dan verdachte heeft verklaard, in de betreffende periode juist gunstig verliep, zodat geen reden bestond het bedrag ongewisseld te retourneren naar Suriname;

- Verdachte niet heeft willen zeggen waar hij in Nederland precies het geld heeft bewaard;

- Verdachte, naar zijn zeggen, vergeten is [R] documenten mee te geven om de herkomst van het geld aan te kunnen tonen (naar het hof begrijpt: aan de douane of andere autoriteiten);

- Verdachte, nadat het geld in beslag was genomen, alsnog een bedrag van €90.000,-- in contanten – naar zijn zeggen uit eigen zak – naar [B] heeft willen brengen in Suriname om het verlies van het bij [R] in beslag genomen geld enigszins goed te maken, (waarbij verdachte op weg naar Paramaribo op Schiphol is aangehouden) terwijl over het onder [R] in beslag genomen geld nog niet onherroepelijk was beslist, geen afspraken waren gemaakt over de aansprakelijkheid van verdachte voor het transport van het geld van [B] en het bezit van een dergelijk geldbedrag in contanten niet verklaard kan worden uit het inkomen en de vermogenspositie van verdachte.

In de loop van het onderzoek en ook nog ter terechtzitting in eerste aanleg is een aantal stukken overgelegd waaruit zou moeten blijken dat het in beslag genomen geld bedrijfskapitaal van [B] is en afkomstig van [bedrijf T].

Ook deze stukken en de verklaringen van [B] op dit punt hebben het hof niet kunnen overtuigen dat de lezing van de feiten van verdachte juist is.

- Niet aannemelijk is geworden dat [B] handelingsbevoegd was ten aanzien van de onderneming [bedrijf T]. Weliswaar is uiteindelijk bij pleidooi in eerste aanleg een afschrift van een overeenkomst overgelegd waaruit dit zou kunnen worden afgeleid, maar hiertegenover staat dat [B] bij de Kamer van Koophandel niet staat ingeschreven als gevolmachtigde of bestuurder.

- De onderneming [bedrijf H] zou op 27 augustus 2003 een bedrag van 2.242.500.000 Sf (Surinaamse guldens) met een tegenwaarde van 750.000 euro hebben geleend aan [bedrijf T]. Op 1-9-03 zou vervolgens volgens de balans van [bedrijf T] een bedrag van 2.238.500.000 zijn geleend aan verdachte, terwijl volgens de notariële verklaring van [notaris] van 29 september 2003 er sprake van is dat de inbeslaggenomen gelden aan [B] zouden toebehoren. Uit de jaarstukken blijkt verder dat bij [bedrijf T] een adequate kasadministratie ontbreekt hetgeen niet als argument voor de betrouwbaarheid van de gepresenteerde cijfers kan worden opgevat.

[B] heeft geen leenovereenkomst van deze transactie willen of kunnen overleggen. Zij heeft niet willen verklaren hoeveel geld zij normaal in kas heeft, noch over haar inkomsten, uitgaven en vermogen. Zij heeft slechts gesteld dat dit geld bedrijfsgeld is.

Op grond van de diverse jaarstukken van [bedrijf H] en [bedrijf T] blijkt dat de waarde en het resultaat van de ondernemingen in geen verhouding staat tot het bedrag dat zou zijn uitgeleend door [bedrijf H] aan [bedrijf T].

Het hof hecht dan ook geen geloof aan de hiervoor weergegeven uitleg van verdachte en [B] omtrent de herkomst van het geld.

Een en ander leidt tot het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat het geld afkomstig is van een strafbaar feit dat opzettelijk is begaan, een misdrijf derhalve, en dat verdachte – als opdrachtgever van [R] – hiervan op de hoogte moet zijn geweest.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 23 september 2003 te Amsterdam een voorwerp, te weten een groot geldbedrag (Euro 734.230,--) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geld.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft een grote hoeveelheid geld voorhanden gehad en overgedragen, waarvan hij wist dat het van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft in ernstige mate inbreuk gemaakt op de in het financiële en economische verkeer vereiste integriteit en transparantie, door het mogelijk te maken dat de opbrengst van misdrijven aan het zicht van justitie wordt onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft.

Anderzijds is het hof uit het verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 april 2007 gebleken, dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een werkstraf van na te melden aantal uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 420 bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.A.J. Dun, mr. J.F. Nijboer en mr. J.P. Splint, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van der Drift, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2007.