Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BB0676

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
31-07-2007
Zaaknummer
869/06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Devolutieve werking hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 8 maart 2007 in de zaak met rekestnummer 869/06 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. J.W. Rijswijk,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 7 juni 2006 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 8 maart 2006 van de rechtbank te Utrecht, met kenmerk 195830/FA RK 05-2878.

1.3. De man heeft op 20 juli 2006 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel appel ingesteld.

1.4. De zaak is op 18 december 2006 ter terechtzitting behandeld.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn op 17 augustus 1994 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap met een zogenaamd “Amsterdams verrekenbeding”. Hun huwelijk is op 16 november 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 8 maart 2006 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [zoon 1] op 8 januari 1995, [dochter] op 14 maart 1997 en [zoon 2] op 24 oktober 1998 (hierna ook: de kinderen).

2.3. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren op 12 augustus 1961. Zij vormt samen met de kinderen een eenoudergezin.

Zij werkte voorheen bij […]B.V. tegen een salaris van € 590,- netto per maand exclusief vakantiegeld. Per 1 januari 2007 is zij in dienst bij […], waarbij haar nettosalaris ongeveer hetzelfde bedraagt.

2.4. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren op 1 maart 1963. Hij heeft een nieuwe partner, met wie hij niet samen woont.

Hij is directeur grootaandeelhouder van […] B.V., hierna aan te duiden als [G] B.V.. [G] B.V. heeft deelnemingen in [A] B.V. (100%), [B] (100%) en [C] B.V. (25%). Verder heeft [G] B.V. een deelneming in [D] B.V. (55%) en van [E] B.V. (20%). Blijkens de jaarrekening van 2005 van [G] BV, welke vennootschap een fiscale eenheid vormt met [F] B.V., bedraagt de winst € 102.048,-. Zijn fiscaal loon uit [G] BV bedroeg in 2002 € 94.963,- en in 2003 € 91.155,-. [A] B.V. is in 2005 geliquideerd.

Hij was in loondienst werkzaam bij [...] Verzekeringen NL. In 2003 bedroeg zijn fiscaal loon € 9.585,-. Blijkens de jaaropgaven over 2004 en 2005 bedroeg zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 96.853,- en € 119.215,-. Per 1 september 2006 is zijn dienstverband ontbonden. Hij heeft in verband met deze ontbinding een vergoeding van € 59.850,- ontvangen.

Zijn inkomsten uit verhuur van het bedrijfspand [H] bedragen € 31.643,- per jaar. Hij betaalt € 1.566,- per maand aan rente in verband met zijn schulden aan Rabobank en [G] B.V. ten behoeve van de financiering van het bedrijfspand [H].

Aan huur voor zijn woning betaalt hij € 729,- per maand.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw en de kinderen bewoonde voormalig echtelijke woning betaalt hij € 1.976,- per maand aan rente. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 450.150,-.

Per 1 januari 2006 is hij verzekerd op grond van de Zorgverzekeringswet. Aan premie betaalt hij € 137,- per maand. Voorts betaalt hij belasting over de inkomensafhankelijke bijdrage.

Hij betaalde tot 1 januari 2007 € 1.233,- per maand aan studiekosten ten behoeve van het particuliere onderwijs van [zoon 1].

Hij betaalt € 7.433,- per jaar aan premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans nog aan de orde, de door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 1.550,- per maand. Daarnaast is de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald en is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op € 350,- per kind per maand bepaald.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de uitkering met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te bepalen op € 6.000,- per maand, althans met ingang van een zodanige datum en op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten.

3.3. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep te verklaren. In incidenteel appel verzoekt hij de door hem te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw op nihil te bepalen, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat partijen ieder voor 50% zullen participeren in de zorg voor de kinderen, waarbij de kinderen deels bij de vrouw en deels bij de man hun woonplaats zullen hebben, een en ander onder nadere vaststelling van een eventueel door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage.

4. Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel appel

4.1. Partijen hebben ter terechtzitting in hoger beroep gezamenlijk verzocht de zaak met betrekking tot het incidentele appel van de man, voor zover betrekking hebbende op de beslissingen omtrent de kinderen, aan te houden nu partijen daarover in onderling overleg overeenstemming hopen te bereiken. Het hof zal deze aanhouding toestaan en de zaak derhalve in zoverre pro forma tot zondag 13 mei 2007 aanhouden.

4.2. De vrouw heeft in principaal appel enkele grieven gericht tegen de door de rechtbank bepaalde draagkracht van de man tot het betalen van een uitkering tot haar levensonderhoud. Zij stelt dat bij de bepaling van de draagkracht rekening dient te worden gehouden met het in [G] B.V. gegenereerde c.q. nog te genereren resultaat uit deelnemingen c.q. de dividenduitkeringen die de man zich redelijkerwijs kan toekennen. Daarnaast heeft zij gesteld dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met € 1.566,- aan overige kosten ten behoeve van het pand [H] en dat zij ten onrechte de studiekosten van [zoon 1] in de draagkrachtberekening heeft betrokken, omdat deze kosten hoogstwaarschijnlijk komen te vervallen. De man heeft een en ander gemotiveerd betwist en in zijn incidentele appel -voor zover hier nog aan de orde- gesteld dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn aflossingsverplichting ten aanzien van het pand [H]. In eerste aanleg heeft de man eveneens de hoogte van de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud betwist.

4.3. Het hof behandelt eerst de incidentele grief I van de man, waarmee hij bezwaar maakt tegen het feit, dat de rechtbank geen rekening houdt met de aflossingsverplichting van de man in verband met de financiering van het bedrijfspand [H]. Naast het hierna onder 4.6 genoemde inkomen houdt het hof rekening met de door de man genoten huurinkomsten uit het pand [H], maar ook met de door de man gestelde daarmee samenhangende kosten van € 1.566,- per maand, nu de vrouw in hoger beroep de juistheid van deze kosten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het hof houdt geen rekening met de aflossingsverplichting ten aanzien van dit pand, nu deze betalingen vermogensvorming ten gevolge hebben en deze verplichtingen niet ten laste van de draagkracht kunnen worden gebracht.

De eerste grief in het incidenteel appel van de man faalt dus.

Dit betekent, dat nu de rechtbank heeft vastgesteld, dat de behoefte van de vrouw op tenminste € 1.550,- per maand kan worden bepaald en de man tegen deze vaststelling geen grief heeft gericht de behoefte van de vrouw tot een bedrag van € 1.550,- vaststaat.

4.4. Het hof bespreekt thans de tweede grief van de vrouw. Met betrekking tot de studiekosten van [zoon 1] neemt het hof in aanmerking dat partijen ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard dat deze kosten vanaf januari 2007 komen te vervallen, nu [zoon 1] vanaf die datum een zogenaamd “rugzakje” zal krijgen. Voor de periode na 1 januari 2007 zal derhalve bij de berekening van de draagkracht met deze kosten geen rekening meer worden gehouden. De tweede grief van de vrouw slaagt gedeeltelijk.

4.5. Nu de tweede grief van de vrouw gedeeltelijk succes heeft komt het hof toe aan de bespreking van de behoefte van de vrouw voor zover deze het bedrag van € 1.550,- te boven gaat, nu de man in eerste instantie een beroep heeft gedaan op het ontbreken van behoefte aan de kant van de vrouw.

Voor de bepaling van de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud is het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk bepalend. Werkelijke of in redelijkheid te verwerven inkomsten van de vrouw verminderen deze behoefte. Uitgaande van het fiscaal loon van de man in 2004 (€ 96.853,-) berekent het hof het netto inkomen van de man op een bedrag van € 56.169,- op jaarbasis. Het netto inkomen van de vrouw stelt het hof op een bedrag van € 590,- per maand te vermeerderen met netto vakantiegeld. Het hof berekent het netto gezinsinkomen aldus op € 5.303,- per maand, waarvan eerst de kosten van kinderen, die volgens de gebruikelijke tabellen € 1.500,- per maand bedragen, moeten worden afgetrokken, zodat het hof de behoefte van de vrouw vaststelt op 60% van € 3.803,- is gelijk € 2.282,- per maand. Daarop komt in mindering het netto inkomen van de vrouw zelf ad

€ 619,- per maand inclusief vakantiegeld, zodat haar netto behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.663,- per maand (is gelijk € 2.309,- bruto per maand) bedraagt.

4.6. Met haar eerste grief betoogt de vrouw -zo begrijpt het hof- , dat bij het door de rechtbank vastgestelde inkomen van de man van € 119.215,-moeten worden bijgeteld de door de man gegenereerde c.q. nog te genereren resultaten uit de deelnemingen c.q. de dividenden, die de man zich, gezien het resultaat uit de deelnemingen, redelijkerwijs zou kunnen toekennen. Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man net als de rechtbank uitgaan van een bruto jaarinkomen van de man van

€ 119.215,- en geen rekening houden met eventuele inkomsten uit deelnemingen van de B.V., dan wel met eventuele dividenden. De man is immers niet meer in dienst bij [...] Verzekeringen NL en is aangewezen op andere bronnen van inkomsten dan die uit dienstverband in het bijzonder op inkomen, dat hij verwerft uit werkzaamheden in zijn eigen onderneming. Daarnaast komt de vraag of de man zich meer inkomen uit zijn onderneming had kunnen uitkeren in het kader van de afrekening van de huwelijkse voorwaarden ter sprake gelet op het huwelijkgoederenregime, dat de verhouding van partijen beheerst. De eerste grief van de vrouw faalt dus. Bij de bepaling van de draagkracht van de man houdt het hof voorts rekening met een door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 350,- per kind per maand, nu dit bedrag door de rechtbank is bepaald en (nog) niet is gewijzigd.

4.7. Gelet op de behoefte van de vrouw enerzijds en de draagkracht van de man anderzijds is de door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw van € 1.550,- per maand en met ingang van 1 januari 2007 van € 2.309,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 1 januari 2007 op € 1.550,- (EENDUIZEND VIJFHONDERDVIJFTIG EURO) en vanaf 1 januari 2007 op € 2.309,- (TWEEDUIZEND DRIEHONDERDNEGENTIG EURO) en vernietigt de beschikking waarvan beroep, in zoverre;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan tot zondag 13 mei 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, J.AM. de Wit en C.P. Boodt in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2007 door de rolraadsheer.