Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9952

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
06/00191
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00191

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z, belanghebbende,

gemachtigde van belanghebbende mr. [ ]

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/3338 van de rechtbank Haarlem van 7 april 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/../kantoor P

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 21 augustus 2003 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 82.048.

1.2. Het tegen die aanslag gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 10 juni 2005, niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 7 april 2006, verzonden op 12 april 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende tegen de in 1.2. vermelde uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft voornoemde gemachtigde hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 23 mei 2006, bij het Hof ingekomen op 23 mei 2006, aangevuld bij brieven van 19 en 20 juli 2006.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij brief met bijlagen van 22 maart 2007 nadere stukken ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2007. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

Feiten

2.1.1. Bij brief van 24 juli 2003 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/.. /kantoor Q aan belanghebbende meegedeeld, diens aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te hebben beoordeeld, en daarvan te zijn afgeweken. Die – tot de gedingstukken behorende – brief eindigt als volgt:

“Als u het niet eens bent met het vorenstaande, dan kunt u na ontvangst van de aanslag een bezwaarschrift indienen. Op het aanslagbiljet staat vermeld hoe u in dat geval moet handelen. De aanslag ontvangt u over enige tijd.

Voor de goede orde wijs ik u erop, dat wij met ingang van 12 augustus a.s. verhuisd zijn. Het nieuwe adres is:

a-straat 1

1234 AB P

tel. (…)

Hoogachtend,

(…)”

2.1.2. De aanslag is opgelegd met dagtekening 21 augustus 2003.

2.1.3. In het tot de gedingstukken behorende bezwaarschrift, gedagtekend 1 oktober 2003, staat onder meer het volgende:

“Hierbij deel ik u mede dat ik bezwaar maak tegen de door u genomen beslissing inzake bovengenoemde inkomstenbelasting 2000/2001.

De voorlopige gronden van het bezwaar zijn, dat geen rekening is gehouden met de kosten e.d. …. & dat in algemene zin door uw dienst is afgewezen.

Uw beslissing is derhalve ondoordacht & onvoldoende overwogen genomen & mist daardoor elke grond.

Door onvoorzichtigheid is echter uw brief & de daarbij behorende beschikking verloren gegaan.

Ik verzoek u derhalve mij van beide een kopie te faxen (…)”

2.1.4. Het bezwaarschrift is geadresseerd aan de Belastingdienst Ondernemingen, antwoordnummer 567, 8910 CD Q. Het is blijkens een erop geplaatst stempel op 13 oktober 2003 ingekomen bij het kantoor P van de Belastingdienst.

Het geschil in hoger beroep

2.2. In hoger beroep is in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en of de uitspraak op bezwaar zorgvuldig is genomen en voldoende is gemotiveerd. Het Hof begrijpt dat, voor zover het bezwaar ontvankelijk is, voorts in geschil is of de inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning op een juist bedrag heeft vastgesteld.

Overwegingen van het Hof

2.3.1. Het Hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat aannemelijk is dat de aanslag op de juiste wijze is bekendgemaakt, dat wil zeggen: met juiste adressering en vóór de dag van dagtekening ter post is bezorgd. In hoger beroep heeft belanghebbende tegen dit oordeel aangevoerd dat door de inspecteur slechts een computeruitdraai van de aanslag is overgelegd en dat hiermee niet kan worden vastgesteld dat de aanslag “daadwerkelijk per post aan [belanghebbende] is toegezonden dan wel is bezorgd dan wel tijdig ter post is bezorgd”. Hiertegenover heeft de inspecteur een “Overzicht afhandeldata proces aangifte IB 2001” overgelegd (bijlage 18 bij het verweerschrift in hoger beroep), houdende computergegevens waaruit is af te leiden dat het “afhandelen aangifte (…) IB/PH 2001” is aangevangen op 30 juni 2003 en is geëindigd op 6 augustus 2003, op zodanige wijze dat de “handmatige verwerking” heeft plaatsgevonden in de periode 30 juni 2003 tot en met 22 juli 2003, het “aanmaken elementennota” in de periode van 22 juli 2003 tot en met 6 augustus 2003 en het “aanmaken mededeling” op 6 augustus 2003. Op grond van deze gegevens en in samenhang met hetgeen belanghebbende in zijn bezwaarschrift over de bij de afwijkingsbrief behorende beschikking – naar het Hof begrijpt: de aanslag – heeft opgemerkt, acht het Hof het met de rechtbank aannemelijk dat het aanslagbiljet op of vóór 21 augustus 2003 naar het (juiste) adres van belanghebbende is verzonden.

Hiervan uitgaande, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb is geëindigd op donderdag 2 oktober 2003.

2.3.2. Het Hof verenigt zich – voorts – met het oordeel van de rechtbank dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat het bezwaarschrift eerder bij de inspecteur (te P) is binnengekomen dan de datum van de ontvangststempel: 13 oktober 2003. Uit het hiervoor vermelde “Overzicht afhandeldata proces aangifte IB 2001” volgt ook dat een “afhandelen bezwaarschrift (…) IB/PH 2001” is aangevangen op 14 oktober 2003.

Hiervan uitgaande, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het bezwaarschrift later dan een week na afloop van de bezwaartermijn is ontvangen, zodat de regel van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb belanghebbende niet kan baten, ook indien juist zou zijn diens stelling dat het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn ter post is bezorgd.

2.3.3. Aan het voorgaande doen de grieven van belanghebbende - die neerkomen op een herhaling van wat hij voor de rechtbank heeft aangevoerd - niet af. Met betrekking tot die grieven overweegt het Hof nader als volgt.

2.3.4. Belanghebbende heeft voor de rechtbank gesteld dat hij de aanslag en de afwijkingsbrief van 24 juli 2003 nooit heeft ontvangen en dat deze waarschijnlijk in de vakantiepost zijn kwijtgeraakt. De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat de aanslag en de afwijkingsbrief belanghebbende niet hebben bereikt, en heeft daarbij in aanmerking genomen – kort gezegd – dat dit in strijd is met de passage uit het bezwaarschrift waarin is opgenomen dat de brief en de beschikking door onvoorzichtigheid verloren zijn gegaan. Het Hof verenigt zich met dit oordeel en de gronden waarop het berust. Het Hof merkt nog op dat de stelling van belanghebbende te minder geloofwaardig is nu hij voor de rechtbank heeft verklaard dat in de litigieuze passage in het bezwaarschrift sprake is van een ongelukkige woordkeuze, terwijl hij ter zitting van het Hof heeft verklaard met die passage te hebben gedoeld op een onvoorzichtigheid van de inspecteur bij de verzending, waardoor er in dat proces van verzending iets fout zou zijn gegaan. Deze laatste verklaring botst evenwel met de inhoud van het bezwaarschrift, waaruit immers is af te leiden dat belanghebbende kennis heeft genomen van het standpunt van de inspecteur.

2.3.5. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat als datum van ontvangst door de inspecteur van het bezwaarschrift heeft te gelden de datum waarop het bezwaarschrift het (voormalige) kantoor te Q heeft bereikt, en dat deze datum ligt binnen zeven weken na de aanvang van de bezwaartermijn.

Het Hof verwerpt deze stelling. In de eerste plaats is geen enkel concreet bewijs van de datum van verzending van het bezwaarschrift voorhanden, hetgeen mede verband houdt met de omstandigheid dat belanghebbende ervoor heeft gekozen het bezwaarschrift naar een antwoordnummer te verzenden. In de tweede plaats is niets concreets bekend over de datum van ontvangst op het kantoor Q. Ten derde heeft de inspecteur – door belanghebbende onvoldoende gemotiveerd betwist – gesteld dat alle post welke geadresseerd was aan het oude adres van de Belastingdienst te Q, rechtstreeks werd doorgezonden naar het nieuwe adres te P. Ten vierde heeft de inspecteur – door belanghebbende onvoldoende gemotiveerd betwist – gesteld dat de post bij binnenkomst te P onmiddellijk van een ontvangststempel wordt voorzien. Tenslotte is van algemene bekendheid dat poststukken die aan een antwoordnummer worden verzonden, langer onderweg (kunnen) zijn dan regulier verzonden post. Op grond van deze feiten en omstandigheden, acht het Hof het niet aannemelijk dat het bezwaarschrift binnen zeven weken na aanvang van de bezwaartermijn is ontvangen op het (voormalige) kantoor te Q. Het Hof laat dan nog daar dat, naar belanghebbende uit het aangiftebiljet alsmede de afwijkingsbrief bekend moest zijn, dat het kantoor van de Belastingdienst van Q was verhuisd naar P, dat de onjuiste adressering van het bezwaarschrift derhalve volledig voor rekening van belanghebbende komt en dat dit laatste ook een beroep van belanghebbende op artikel 6:11 van de Awb (verschoonbare termijnoverschrijding) verhindert.

Conclusie

2.4. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en E.F. Faase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 23 mei 2007 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.