Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9942

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
06/00263
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BD3566, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BD3566
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof vernietigt de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag(en) en boet(en) omdat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat (de directie van) belanghebbende door de verzorging van de aangifte geheel aan A over te laten welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard een onjuiste aangifte te doen en eventuele kwade trouw van A niet aan belanghebbende kan worden toegerekend (art. 16 AWR).

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1466 met annotatie van Kors
FutD 2007-1403 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00263

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Z,

belanghebbende,

gemachtigde [ ]

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/3503 van de rechtbank Haarlem van 14 juni 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst P,

de inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 20 november 2004 aan belanghebbende voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 481.862. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij een vergrijpboete van ƒ 37.257 opgelegd.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken, gedagtekend 29 juni 2005, de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 459.395 en de boete verminderd tot ƒ 32.510 .

1.3. Bij uitspraak van 14 juni 2006, verzonden op 16 juni 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 10 juli 2006, bij het Hof ingekomen op 10 juli 2006, en aangevuld bij brief van 30 augustus 2006.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Tijdens deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaken met kenmerk 06/00263 tot en met 06/00266 betreffende aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1999 tot en met 2002. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

feitelijke uitgangspunten op basis van de uitspraak van de rechtbank

2.1.1. Nu de vaststelling van de feiten, als weergegeven in onderdeel 2. ‘Feiten’ van de uitspraak van de rechtbank, als zodanig in hoger beroep niet wordt betwist, gaat het Hof ook uit van die vaststelling.

2.1.2. Voorts kan ook in hoger beroep ervan worden uitgegaan dat, zoals de rechtbank in haar uitspraak onder 4.2. heeft overwogen:

“[n]iet in geschil is dat de aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 1998/1999 onjuist was. Eiseres heeft immers het resultaat over het kalenderjaar 1998 niet in het aangiftebiljet verwerkt en afschrijvingen over de geruisloos ingebrachte goodwill ten onrechte ten laste van het resultaat over 1999 gebracht”.

geschil in eerste aanleg

2.2. Voor de rechtbank was in geschil of ter zake van de in 1998 behaalde winst en de over het boekjaar 1999 in aanmerking genomen afschrijving van goodwill terecht een navorderingsaanslag met vergrijpboete van 50% aan belanghebbende is opgelegd. Dit geschil spitste zich toe op de vraag of de inspecteur beschikte over het voor navordering vereiste ‘nieuwe’ feit en zo nee, of belanghebbende te kwader trouw was bij het doen van de onjuiste aangifte.

beslissing van de rechtbank

2.3.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu de aan de navorderingsaanslag ten grondslag gelegde feiten de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag bekend waren dan wel redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn, grond voor navordering op basis van een nieuw feit ontbreekt. Tegen dit oordeel wordt in hoger beroep niet opgekomen en de stukken van het geding geven het Hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

2.3.2. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld, samengevat weergegeven: dat het doen van de onjuiste aangifte te wijten is aan voorwaardelijk opzet, en daarmee aan kwade trouw, aan de zijde van belanghebbende; dat navordering van de te weinig betaalde belasting op grond daarvan is toegestaan; dat de boete passend en geboden is en er geen grond is voor matiging. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

geschil in hoger beroep

2.4. In hoger beroep betwist belanghebbende gemotiveerd het oordeel van de rechtbank dat het doen van de onjuiste aangifte te wijten is aan voorwaardelijk opzet (en daarmee aan kwade trouw) aan de zijde van belanghebbende. Voorts betwist zij, onder verwijzing naar haar beroepschrift in eerste aanleg, het oordeel van de rechtbank over de vergrijpboete.

De inspecteur verzoekt de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

beoordeling door het Hof

2.5.1. De voor de beoordeling in hoger beroep relevante feiten kunnen als volgt worden samengevat.

X dreef in de vorm van een eenmanszaak een handel in kantoormeubilair. A, die een administratiekantoor heeft, stelde de jaarstukken samen en verzorgde de aangiften inkomstenbelasting voor X. Op aanraden van A heeft X [het belastingadvieskantoor] B&C om advies gevraagd over de inbreng van de eenmanszaak in een besloten vennootschap.

B&C heeft een geruisloze inbreng geadviseerd en heeft X respectievelijk belanghebbende – de in dit kader opgerichte BV – begeleid in het overleg met de Belastingdienst. Belanghebbende is opgericht op 31 maart 1999 met X als enig aandeelhouder en directeur. Op 7 april 1999 heeft X namens belanghebbende ingestemd met de door de Belastingdienst gestelde voorwaarden voor de geruisloze overgang. Het overgangstijdstip is vastgesteld op 1 januari 1998. Op 17 april 2000 heeft B&C de aangifte inkomstenbelasting 1998 ten name van X (hierna: de stakingsaangifte) ingediend. Ook heeft B&C jaarrapporten 1998 en 1999 voor belanghebbende (i.o.) opgesteld. Daarmee waren de werkzaamheden van B&C beëindigd.

Op 3 juli 2001 heeft A de aangifte vennootschapsbelasting 1999 ten name van belanghebbende ingediend. Als boekjaar is vermeld “1999”. Het resultaat over het kalender-jaar 1998 is niet in die aangifte begrepen. In de aangifte is rekening gehouden met een afschrijving van 20% op de goodwill van f 250.000. In de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2000, 2001 en 2002, die eveneens door A zijn verzorgd, is diezelfde afschrijving toegepast. De aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1999 tot en met 2001 zijn conform de ingediende aangiften vastgesteld. Bij de behandeling van een bezwaarschrift tegen de aanslag voor het jaar 2002 (het bezwaar betrof de correctie ter zake van een hier niet relevante aangelegenheid) heeft dossieronderzoek plaatsgevonden en daarbij zijn de fouten in de aangiften aan het licht gekomen. De inspecteur heeft daarop navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1999 tot en met 2002 opgelegd.

2.5.2. Het oordeel van de rechtbank dat de onjuistheid van de aangifte is te wijten aan kwade trouw aan de zijde van belanghebbende is erop gegrond dat A de aangifte vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het onderhavige jaar heeft verzorgd terwijl hij wist dat hij niet over de daarbij noodzakelijke kennis op het gebied van (geruisloze) inbreng beschikte; hierdoor heeft A welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard fouten op dat gebied te maken, zoals in casu het niet verantwoorden van de winst over het eerste kalenderjaar van het verlengde boekjaar en het verwerken van afschrijvingen over geruisloos ingebrachte goodwill. Aldus is – zo oordeelt de rechtbank – bij A sprake van voorwaardelijk opzet gericht op het doen van een onjuiste aangifte. Dit voorwaardelijk opzet dient te worden toegerekend aan belanghebbende omdat zij, wetende dat A niet deskundig was op het punt van de geruisloze inbreng, deze de opdracht heeft gegeven tot het verzorgen en indienen van de onderhavige aangifte vennootschapsbelasting.

2.5.3. Belanghebbende heeft in hoger beroep tegen deze motivering onder meer aangevoerd dat het verzorgen van belastingaangiften – ook vennootschapsbelasting – tot het reguliere werkterrein van A behoorde; dat deze vóór de geruisloze inbreng al jaren de administratie (het Hof begrijpt: de samenstelling van de jaarstukken) en de belastingaangiften van (de eenmanszaak van) X had verzorgd; dat de gang van zaken waarbij B&C adviseerde over de geruisloze inbreng en de stakingsaangifte verzorgde waarna A weer de verzorging van de aangiften vennootschapsbelasting op zich nam in de praktijk niet ongebruikelijk is; en dat deze gang van zaken op zichzelf onvoldoende grond biedt voor de aanname dat A met het verzorgen van de aangiften vennootschapsbelasting een aanmerkelijk risico op fouten heeft genomen, laat staan dat hij dat welbewust zou hebben gedaan.

Wat betreft de toerekening van (vermeende) kwade trouw van A aan belanghebbende is aangevoerd dat X als directeur van belanghebbende geen aanleiding heeft gehad te veronderstellen dat het verzorgen en indienen van de aangiften vennootschapsbelasting bij A niet in goede handen zou zijn en dat het feit dat A had geadviseerd om voor de geruisloze inbreng B&C in te schakelen voor X veeleer een aanwijzing was dat A de grenzen van zijn kunnen en kennen wist.

2.5.4. De door X ter zitting op vragen van het Hof gegeven antwoorden houden in dat X de fouten in de aangiften niet eerder heeft onderkend dan nadat de Belastingdienst – na de constatering van die fouten bij een dossieronderzoek in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2002 – daarvan mededeling aan belanghebbende had gedaan. Het Hof heeft onvoldoende redenen om aan de juistheid van de verklaring van X te twijfelen. De tegenwerping van de inspecteur dat uit de jaarrapporten 1998 en 1999, alsmede uit de balans ultimo 2000, duidelijk was hoeveel vennootschapsbelasting over 1998 en 1999 materieel was verschuldigd, is in dit verband onvoldoende omdat daaruit – zonder meer – niet volgt dat X zich van het verschil tussen die bedragen en de aangiften, respectievelijk de conform de aangiften opgelegde aanslagen, ook (daadwerkelijk) bewust moet zijn geweest. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de vrijval van de desbetreffende vennootschapsbelastingschuld in de balans ultimo 2001.

2.5.5. Bij de beoordeling dient als toetsingskader te worden gehanteerd dat voor het constateren van kwade trouw als bedoeld in artikel 16, eerste lid, tweede volzin, AWR, bij belanghebbende ten minste sprake moet zijn van voorwaardelijk opzet op het doen van een onjuiste aangifte. Daarvoor is vereist dat zij daadwerkelijk wist of vermoedde dat van een onjuiste aangifte sprake was. In casu dient ervan te worden uitgegaan – de rechtbank heeft het overwogen in 4.7., belanghebbende heeft het in hoger beroep bevestigd en voorzover de inspecteur het heeft willen betwisten heeft hij daartoe onvoldoende feiten gesteld en aannemelijk gemaakt – dat belanghebbende het verzorgen en indienen van de aangiften vennootschapsbelasting geheel aan A overliet. In een dergelijk geval dient de inspecteur te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat (de directie van) belanghebbende door de verzorging van de aangifte geheel aan A over te laten welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard een onjuiste aangifte te doen. In een geval als het onderhavige kan daarvan sprake zijn indien belanghebbende zich van meet af aan bewust is geweest van een zodanige ondeskundigheid bij A dat er een aanmerkelijke kans op fouten was, dan wel indien belanghebbende zich op enig moment ervan bewust is geworden dat door A foutieve aangiften waren ingediend en niettemin A opnieuw een (onjuiste) aangifte heeft laten verzorgen.

2.5.6. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur het van hem te vergen bewijs niet heeft geleverd. Tegenover het gemotiveerde verweer van belanghebbende – erop neerkomende dat zij meende dat de aangiften vennootschapsbelasting bij A in goede handen waren – heeft de inspecteur onvoldoende feiten gesteld en aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat belanghebbende zich ervan bewust was dat A onvoldoende deskundig was om die aangiften te verzorgen. Naar ’s Hofs oordeel – in zoverre in afwijking van dat van de rechtbank – kan die bewustheid niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat op advies van A B&C was ingeschakeld voor advisering over de geruisloze inbreng, het opstellen van jaarrapporten 1998 en 1999 voor belanghebbende (i.o.) en het doen van de stakingsaangifte. Hetgeen de inspecteur overigens heeft aangevoerd is in dit verband evenmin voldoende en kan niet tot het oordeel leiden dat belanghebbende overigens bij de keuze van A niet de zorg heeft betracht die met het oog op de voorkoming van het doen van onjuiste aangiften redelijkerwijs van haar kon worden gevergd. Voorts heeft de inspecteur tegenover het gemotiveerde verweer van belangheb-bende niet aannemelijk gemaakt dat de in de aangiften gemaakte fouten reeds op een aan de constatering daarvan door de Belastingdienst voorafgaand moment aan belanghebbende bekend waren (zie ook 2.5.4.). Nu het bewijs van bewustheid bij belanghebbende (in de in 2.5.5. gedefinieerde zin) niet is geleverd, kan kwade trouw van A – zo daarvan sprake is, hetgeen in het midden kan blijven – niet aan belanghebbende worden toegerekend.

2.5.7. Nu een nieuw feit ontbreekt, en het bewijs van kwade trouw van belanghebbende niet is geleverd, moet de slotsom zijn dat de onderhavige navorderingsaanslag in strijd komt met de daaraan op grond van artikel 16, eerste lid, AWR, te stellen eisen. De navorderingsaanslag dient te worden vernietigd. Daarmee komt ook de grond aan de opgelegde vergrijpboete te ontvallen. De overige stellingen van belanghebbende behoeven geen behandeling.

proceskostenvergoeding

2.6. Op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende recht op vergoeding van proceskosten voor de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding voor kosten van door een deskundige beroepsmatig verleende juridische bijstand gesteld op € 1.932 (4 punten voor proceshandelingen x factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak x € 322 waarde 1 punt). Omdat sprake is van een proceskostenveroordeling in de vier samenhangende zaken 06/00263 tot en met 06/00266 (zie ook 1.4.), wordt het bedrag van € 1.932 vermenigvuldigd met de factor 1,5 tot € 2.898. Tot slot komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van (de directeur van) belanghebbende om de zittingen in Haarlem en in Amsterdam bij te wonen. Het Hof begroot deze kosten op € 16. Van het aldus in totaal te vergoeden bedrag ad € 2.914 wordt in ieder der vier zaken 1/4 ofwel € 728,50 toegewezen.

3. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraken van de inspecteur,

- vernietigt de navorderingsaanslag en de vergrijpboete,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van € 728,50 te betalen door de Staat; en

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 698.

Aldus vastgesteld door mrs. E.F. Faase, voorzitter, J. den Boer en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 11 juli 2007 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.