Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9874

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
06/00334
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte bij voorlopige aanslag uitbetaalde gecombineerde heffingskorting is bij definitieve aanslag verrekend. Beroep op vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel verworpen. Hoger beroep toch gegrond omdat de inspecteur de heffingsrente op grond van uitlatingen van de staatssecretaris had behoren te verminderen tot nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/54.4 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00334

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/3262 van de rechtbank Haarlem van 13 juli 2006 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 24 december 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Daarbij is het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek bij afzonderlijke beschikking vastgesteld op € 3.636. Daarbij is voorts bij afzonderlijke beschikking een bedrag van € 142 aan heffingsrente vastgesteld.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 6 juni 2005 de aanslag gehandhaafd.

Bij uitspraak van 13 juli 2006, verzonden op 14 juli 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift gedagtekend 3 juni 2006, bij het Hof per fax ingekomen op 18 augustus 2006, en aangevuld bij brief van 19 september 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. []

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Het Hof gaat uit van de volgende feiten:

2.1.1. Belanghebbende is [in] 1958 geboren en is gehuwd. Hij heeft in 2002 loon genoten en een verlies uit onderneming geleden.

2.1.2. De door belanghebbende ingediende aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002 is door de inspecteur op 16 februari 2004 ontvangen.

Het in de aangifte aangegeven inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek bedroeg € 2.012. Voorts is een persoonsgebonden aftrek aangegeven van € 5.648 en een restant persoonsgebonden aftrek over 2001 van € 5.947. Bij de vraag betreffende de heffingskortingen zijn de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting en de combinatiekorting aangekruist.

2.1.3. Op 30 juli 2004 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2002 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Op grond van deze voorlopige aanslag is aan belanghebbende een bedrag van € 7.138 uitgekeerd, bestaande uit € 2.541 aan gecombineerde heffingskorting, € 4.273 aan ingehouden voorheffingen en € 324 aan heffingsrente.

2.1.4. Belanghebbendes echtgenote heeft in 2002 € 1.322 aan looninkomsten genoten. Op deze inkomsten is € 228 aan loonheffing ingehouden. Voor het jaar 2002 heeft zij geen aangifte gedaan.

2.1.5. Op 24 december 2004 is de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering 2002 van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen van nihil. Bij deze definitieve aanslag is de voorlopige aanslag met de eerder uitgekeerde gecombineerde heffingskorting verrekend. Op grond van deze aanslag dient belanghebbende een bedrag van € 2.455 terug te betalen. Dit bedrag bestaat uit € 2.313 (€ 2541 -/- € 228) terug te betalen gecombineerde heffingskorting en € 142 heffingsrente.

2.2. Omvang van het geschil in hoger beroep

In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de definitieve aanslag niet op grond van het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel overeenkomstig de voorlopige aanslag hoeft te worden vastgesteld en dat de beschikking heffingsrente dient te worden gehandhaafd.

2.3. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen in hoger beroep verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting is vermeld.

2.4. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.4.1. Als regel geldt dat de inspecteur bij de vaststelling van de definitieve aanslag

niet is gebonden aan de vaststelling van het belastbare inkomen en de elementen daarvan zoals die bij de vaststelling van de voorlopige aanslag of teruggaaf in aanmerking zijn genomen. Weliswaar wordt een voorlopige aanslag of teruggave gebaseerd op het vermoedelijk te betalen (of terug te betalen) bedrag aan belasting, doch het systeem van de voorlopige aanslag en teruggave brengt met zich dat inspecteur de ruimte heeft om bij het opleggen van de definitieve aanslag tot een ander bedrag van de aanslag te komen. Het systeem van de voorlopige aanslag is slechts gericht op het doen van voorlopige betalingen vooruitlopend op de definitieve aanslag waarmede de belastingschuld over het betreffende jaar wordt geformaliseerd. Het systeem brengt voorts met zich dat door de inspecteur in de regel geen controle van de hem ter beschikking staande gegevens plaatsvindt. Die regel lijdt uitzondering indien enige aangelegenheid betreffende de aanslag uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur is voorgelegd en uit de gedraging van de inspecteur in redelijkheid kan worden afgeleid dat deze terzake bewust een standpunt heeft ingenomen (vgl. het arrest Hoge Raad 17 januari 2003, nr. 37.463, BNB 2003/188).

Nu daarvan in het onderhavige geval geen sprake is, heeft de rechtbank naar het oordeel van het Hof op goede gronden een juiste beslissing genomen

2.4.2. Ter zitting van het Hof is vastgesteld dat op het biljet van de voorlopige aanslag niet is vermeld dat de inspecteur de gegevens in de aangifte nog gaat controleren. Evenmin is daarop vermeld dat het bedrag van de definitieve aanslag kan afwijken van dat van de voorlopige aanslag. Deze omstandigheden staan evenwel niet eraan in de weg dat de inspecteur de aanslag – in afwijking van de voorlopige aanslag – tot het juiste bedrag oplegt. Ook hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

2.4.3. Desgevraagd heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden kunnen aanvoeren waaruit blijkt dat in met hem vergelijkbare gevallen bij de definitieve-aanslagregeling geen terugbetaling van eerder ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitbetaalde heffingskorting(en) behoefde plaats te vinden. Om die reden kan zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen en moet worden geoordeeld dat de rechtbank ook dit beroep terecht heeft afgewezen.

2.4.4. Inzake het geschilpunt betreffende de heffingsrente neemt het Hof in aanmerking de brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 april 2006, TK 2005-2006, 30300 IXB, nr. 38, waarin deze de volgende uitlatingen heeft gedaan:

“Tijdens het algemeen overleg van 22 februari jl. is naar aanleiding van de notulen van het Becon-overleg een specifieke situatie met betrekking tot de voorlopige aanslag aan de orde geweest. Het gaat om gevallen waarin een belastingplichtige een aangifte bij de Belastingdienst indient waaruit blijkt dat hij een heel laag inkomen heeft, of verlies heeft gemaakt. Ook in die gevallen wordt door de Belastingdienst een voorlopige aanslag vastgesteld.

Om de hiervoor beschreven procesversnelling ook voor de belastingplichtigen met een partner te kunnen realiseren, is ervoor gekozen daarbij uitsluitend te toetsen of de belastingplichtige een partner heeft. Indien dat het geval is, wordt bij de voorlopige aanslag een uit te betalen algemene heffingskorting vastg esteld en op de rekening van de belastingplichtige gestort. Indien vervolgens bij controle van de aangifte blijkt dat de partner van de belastingplichtige niet voldoende belasting heeft betaald om uitbetaling va de algemene heffingskorting te kunnen rechtvaardigen, wordt de in eerste instantie bij voorlopige aanslag uitbetaalde algemene heffingskorting bij de definitieve aanslag teruggevorderd. Deze situatie zal zich in de praktijk vooral voordoen bij ondernemers die in één of meer jaren verlies hebben geleden of heel weinig winst hebben gemaakt.

In de hiervoor geschetste situatie kan het in rekening brengen van heffingsrente in een individueel geval in strijd blijken met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is aan de individuele inspecteur om de feiten en omstandigheden van het geval te toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en op grond daarvan vast te stellen of er aanleiding is de belastingplichtige schadeloos te stellen door de in rekening gebrachte heffingsrente geheel of gedeeltelijk terug te nemen. Een dergelijke beoordeling vindt plaats bij de behandeling van een bezwaarschrift waarbij de belastingplichtige opkomt tegen de in rekening gebrachte heffingsrente.”

2.4.5. Gelet op de hiervoor vermelde uitlatingen van de staatssecretaris, de omstandigheid dat de Belastingdienst zonder dat erom was verzocht een bedrag aan gecombineerde heffingskorting aan belanghebbende heeft uitbetaald en de omstandigheid dat op het biljet van de voorlopige aanslag in dit geval niet blijkt te zijn vermeld dat de Belastingdienst de gegevens in de aangifte nog gaat controleren en dat het bedrag van de definitieve aanslag kan afwijken van dat van de voorlopige, is het Hof van oordeel dat de inspecteur de in rekening gebrachte heffingsrente had behoren te verminderen tot nihil. Het Hof acht mitsdien het hoger beroep op dit punt gegrond. Dit leidt tot de in 3. op te nemen beslissing.

2.5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht nu niet is gebleken van kosten van rechtsbijstand of overige te vergoeden kosten.

3. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank doch uitsluitend voor zover daarin de beschikking heffingsrente is gehandhaafd;

- vernietigt de beschikking heffingsrente; en

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 105 te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.F. Faase en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 6 juni 2007 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.